Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24727 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24727 nr. 4 |
Vastgesteld 20 juni 1996
De vaste commissie voor Financiën1 heeft, ter voorbereiding van de plenaire behandeling van de Voorjaarsnota 1996, vragen gesteld aan de regering.
De minister van Financiën heeft deze vragen beantwoord bij brief van 18 juni 1996.
De vragen zijn met de bijbehorende antwoorden hierna afgedrukt.
Kan inzicht worden gegeven in het voortschrijdend maandgemiddelde van het financieringstekort?
In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het 12-maands voortschrijdend gemiddelde van het beleidsrelevante financieringstekort weergegeven.
De data tot en met april zijn gebaseerd op definitieve realisatiecijfers. De realisatie tot en met mei betreft een voorlopig realisatiecijfer.
Ontwikkeling 12-maands gemiddelde beleidsrelevant financieringstekort (in procenten BBP)
| referentie | realisatie | afwijking | |
|---|---|---|---|
| tot en met januari | 3,44 | 3,53 | 0,09 |
| tot en met februari | 3,60 | 3,66 | 0,06 |
| tot en met maart | 3,69 | 3,60 | – 0,09 |
| tot en met april | 3,65 | 3,26 | – 0,39 |
| tot en met mei | 3,54 | 3,17 | – 0,37 |
Zoals uit de tabel blijkt, bedraagt het verschil ten opzichte van de referentielijn tot en met mei –0,37%-punt BBP. Dit komt overeen met – 2,4 miljard. De afwijking wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere netto-uitgaven en iets hogere belastingontvangsten dan op basis van de referentielijn tot en met mei verwacht zou mogen worden.
Hoeveel bedragen de WW- uitkeringen als percentage van de totale loonsom in de desbetreffende sectoren?
In de onderstaande tabel zijn de uitkeringslasten inzake de WW (AWf en Wgf) gerelateerd aan de premieplichtige loonsommen in de desbetreffende sectoren. Voor de sectorindeling is aangesloten bij de in de sociale zekerheid gebruikelijke indeling naar bedrijfsverenigingen.
Tabel De werkloosheidsuitkeringen (Awf en wachtgeld) in procenten van de premieplichtige loonsom naar bedrijfsverenigingen
| Bedrijfsvereniging voor de: | werkloosheid in %premieplichtige loonsom |
|---|---|
| Tabaksverwerkende bedrijven | 6,44% |
| Zuivelindustrie | 3,25% |
| Bouwnijverheid | 6,77% |
| Hout- en meubelindustrie en groothandel in hout | 3,85% |
| Grafische industrie | 4,15% |
| Metaalindustrie en elektrotechnische industrie | 5,87% |
| Metaalnijverheid | 3,83% |
| Bakkersbedrijven | 4,32% |
| Slagers- en Vleeswarenbedrijven, Groothandel in Vlees etc. (GUO) | 4,69% |
| Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (DETAM) | 5,13% |
| Haven- en aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij | 9,29% |
| Koopvaardij | 5,67% |
| Vervoer | 2,77% |
| Hotel, restaurant, café, pension en aanverwante bedrijven | 7,29% |
| Gezondheid, Geestelijke gezondheid en Maatschappelijke belangen | 2,81% |
| Overheidsdiensten | 12,35% |
| Bank- en verzekeringswezen, Groothandel en Vrije beroepen | 3,12% |
| Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging | 11,59% |
| Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging | 4,35% |
| Totaal | 4,56% |
Hoeveel bedragen de wachtgelduitgaven als percentage van de totale loonsom van de overheid?
De wachtgelduitgaven bij de rijksoverheid (inclusief onderwijs) belopen in 1995 ca. 3,6% van de totale loonsom.
Is het volgens het kabinet denkbaar dat de economische groei volgens het slechtst denkbare scenario zover achterblijft, of dat een conjunctuurherstel zodanig laat inzet dat het financieringstekort in 1996 boven de plafondwaarde zal uitkomen? (blz. 1).
Indien de economische groei in 1996 sterk achter zou blijven bij de huidige verwachtingen, zou het beleidsrelevante financieringstekort boven de afgesproken plafondwaarde uit kunnen komen. In dat geval zal het kabinet nadere maatregelen in overweging nemen. Daar zijn evenwel thans geen aanwijzingen voor.
Kan het kabinet motiveren waarom zij denkt dat het vasthouden aan een onderschrijding van het uitgavenkader voldoende compensatie kan bieden om bij tegenvallende groei het financieringstekort niet te laten stijgen ten opzichte van de plafondwaarde? (blz. 2).
Bij de huidige onderschrijding van het uitgavenkader en ervan uitgaande dat de economische groei in West-Europa in het tweede kwartaal van dit jaar weer aantrekt (conform het CEP 1996), blijft het beleidsrelevante financieringstekort 0,1%-punt BBP onder de plafondwaarde. Of het vasthouden aan de onderschrijding van het uitgavenkader voldoende compensatie kan bieden bij een eventueel minder snel conjunctuurherstel in West-Europa dan waarmee thans rekening is gehouden (zodat het beleidsrelevante financieringstekort de plafondwaarde niet overstijgt), hangt af van de mate waarin die eventueel lagere economische groei zich daadwerkelijk zou manifesteren.
Kan een verantwoording gegeven worden van de statistische wijziging ijklijn Sociale Zekerheid? (blz. 2).
Uit de Nationale Rekening 1994 is gebleken dat zich een aantal financieringsverschuivingen heeft voorgedaan in de sector Sociale Zekerheid, van in totaal 0,3 miljard. Het gaat hierbij niet om een mutatie van de totale uitgaven van een regeling, maar om een verschuiving in de definitie van de uitgaven die wel of juist niet tot de uitgaven van de sociale zekerheid gerekend worden. Volgens de regels budgetdiscipline blijven dergelijke louter statistische mutaties buiten de toetsing van de uitgavenontwikkeling aan de budgettaire kaders. Derhalve wordt de ijklijn sociale zekerheid ervoor gecorrigeerd.
De twee belangrijkste statistische verschuivingen betreffen beiden de Ziektewet. In de eerste plaats betreft het uitboeken van de bovenwettelijke elementen in de uitkeringen van omslagleden van de Ziektewet. De uitgaven worden hiervoor geschoond omdat er geen wettelijke verplichting is meer dan 70% van het loon door te betalen. Een en ander leidt tot een neerwaartse bijstelling van de ijklijn met circa 1,5 miljard.
In de tweede plaats is gebleken dat de verdeling tussen eigen risico-dragers en omslagleden in de Ziektewet ten gevolge van de 2/6-wekenmaatregel afweek van hetgeen in de ramingen verondersteld was. Het aandeel van de eigen risico-dragers (die niet tot de uitgaven van de sociale zekerheid worden gerekend) is kleiner, dat van de omslagleden groter. Derhalve is uit dien hoofde de ijklijn opwaarts gecorrigeerd met circa 1,8 miljard.
Kunnen de gevolgen van de neerwaartse bijstelling van het BBP t.g.v. lagere economische groei en de opwaartse bijstellingen van de ijklijnen t.g.v. de hogere prijsstijging voor de begroting toegelicht worden? Klopt het dat de hogere BBP-prijsstijging per saldo het makkelijker maakt om binnen het uitgavenkader te blijven? (blz. 2).
Een lagere economische groei heeft voornamelijk negatieve gevolgen voor de belastingontvangsten en (dus) voor het beleidsrelevante financieringstekort; dit blijkt ook uit de Voorjaarsnota 1996.
De uitgavenkaders zijn geformuleerd in reële termen. Een hogere prijsstijging van het BBP resulteert derhalve in hogere nominale uitgavenkaders. Het wordt echter normaal gesproken niet gemakkelijker om binnen de uitgavenkaders te blijven, aangezien de hogere prijsstijging van het BBP zich in de regel zal weerspiegelen in een hogere nominale ontwikkeling van de begrotingsuitgaven. Niet alleen de ruimte wordt dus groter, maar ook het beslag op die ruimte.
Welke mutaties in de voorjaarsnota zijn het gevolg van afspraken die het kabinet in het kader van de begrotingsvoorbereiding 1997 heeft gemaakt? Wat is hun doorwerking naar latere jaren? (blz. 3).
Over de begrotingsvoorbereiding 1997 wordt u, zoals gebruikelijk, geïnformeerd in de komende Miljoenennota.
Kan aangegeven worden waarom in de zorgsector slechts sprake is van «voorlopige» inzichten in de «gedeeltelijke» realisatie 1995? Hoe moet de Kamer dan controle uitoefenen op de beheersing van de zorguitgaven? Hoe zit het met de realisatiecijfers zorgsector 1996? (blz. 3).
Zijn er objectieve redenen waarom de gegevens over de zorguitgaven zoveel later beschikbaar komen dan de sociale zekerheidsuitgaven, gegeven het feit dat ook laatstgenoemde uitgaven voor een belangrijk deel buiten de rijksoverheid worden verricht? (blz. 7).
Acht de minister het bevredigend dat in het 2e kwartaal van 1996 nog geen duidelijke gegevens beschikbaar zijn over de zorguitgaven in het laatste kwartaal van 1995? (blz. 7).
Welke pogingen worden ondernomen de aanlevering van gegevens met betrekking tot de zorgsector te versnellen? (blz. 7).
Het tijdstip waarop de realisatiecijfers van het voorgaande jaar beschikbaar komen, wordt in belangrijke mate bepaald door de wijze van financiering van de zorg. De kosten worden betaald door de ziekenfondsen, AWBZ, particuliere verzekeraars, overheid en eigen betalingen van de burgers. Voor het verzamelen van de benodigde gegevens om een betrouwbaar beeld te geven, zijn dan ook verschillende instanties nodig. De belangrijkste zijn:
– De ZFR voor de gegevens van de verschillende ziekenfondsen en de AWBZ;
– Het COTG voor met name de intramurale zorg;
– Het GAK voor (een deel van) de eigen betalingen;
– VEKTIS (registratiekantoor verzekeraars) voor de uitgaven van particuliere verzekeraars;
– Het CBS voor met name de extramurale zorg en (deels) eigen betalingen.
Om de benodigde informatie te leveren moeten de bovengenoemde gegevensleveranciers de gegevens krijgen van een groot aantal «toeleveraars» en zijn er ook enquêtes nodig (CBS) om het beeld te completeren.
Het gaat hier om een omvangrijke hoeveelheid werk, waarbij er nog complicerende factoren een rol spelen. Enkele belangrijke zijn:
– niet alle informatie komt tijdig binnen bij ZFR, COTG etc.. Bij het COTG gaat het bijvoorbeeld om de gegevens van honderden instellingen;
– administraties van de verschillende verzekeraars sluiten niet 100% op elkaar aan;
– rekeningen worden pas laat gedeclareerd bij verzekeraars;
– gegevens moeten deels via enquêtes worden verzameld;
– de financiering is niet gelijk aan de budgetten (intramurale instellingen);
– veranderingen in wet- en regelgeving worden niet altijd even snel in de administratie verwerkt.
Kortom, er zijn enkele factoren die het tot nu toe onmogelijk maken om in april reeds een compleet beeld te hebben. Verdere complicerende factor daarbij is dat het beeld van de uitgaven over een loop van jaren/binnen een jaar in zekere mate een grillig verloop heeft. De consequentie daarvan is dat de uitgaven over de eerste drie kwartalen wel een goede indicatie, maar zeker nog geen definitief beeld van de kosten in het desbetreffende jaar geven. Aangezien het om grote bedragen gaat, geeft een (statistisch) kleine foutmarge in absolute bedragen al heel grote afwijkingen.
Om de informatievoorziening te verbeteren is in 1993 de taskforce informatievoorziening FOZ (TIFOZ) gestart. Daarin zijn de belangrijkste leveranciers van gegevens vertegenwoordigd (het CBS, het COTG, VEKTIS en de ZFR). De TIFOZ is met name gericht op een verbetering van de kwaliteit van de gegevens. Op dit moment wordt door de TIFOZ onderzocht of het mogelijk is dat het CBS «hofleverancier» wordt voor een groot deel van het benodigde cijfermateriaal. De resultaten van dit onderzoek de «CBS-pilot» zijn naar verwachting deze zomer bekend. De CBS-pilot is vooral gericht op de verbetering van de kwaliteit van het cijfermateriaal. Daarnaast heeft de TIFOZ een bepaalde snelheidswinst geboekt in de toelevering van de cijfers. Waren de cijfers in het verleden eerst eind juni/begin juli beschikbaar, dit jaar zijn de cijfers begin juni beschikbaar.
De resultaten van de TIFOZ betekenen weliswaar een grote kwalitatieve verbetering, maar leiden er niet toe dat reeds in het voorjaar adequate beslisinformatie beschikbaar is. Het kabinet streeft er echter naar de procedures rond het opstellen van de begroting en het Jaaroverzicht Zorg (JOZ) op elkaar af te stemmen. In dit kader wordt onderzocht of reeds rond begin april een (beter) beeld kan worden geschetst van de financiële situatie in het voorgaande jaar. In dit kader is een aparte werkgroep ingesteld: Versnelling informatievoorziening Zorgsector (VEINZO). In deze werkgroep zitten vertegenwoordigers van VWS, Financiën en de ZFR. Door de werkgroep wordt o.a. onderzocht of het volgen van kosten van een representatief panel van zorgaanbieders een methode kan zijn om ten behoeve van de Kaderbriefbesluitvorming adequate beslisinformatie beschikbaar te hebben.
Uit het bovenstaande blijkt dat er weliswaar overeenkomsten zijn met het stelsel van sociale verzekeringen, maar er zijn ook grote verschillen. Dit betreft vooral de structuur van de uitvoeringsregelingen en -organisaties en de daarmee samenhangende administratieve organisatie. Dat neemt niet weg dat er thans hard wordt gewerkt aan de informatievoorziening in de zorgsector. Dit najaar zal de minister van VWS de Kamer nader informeren over de resultaten van de TIFOZ en VEINZO.
Hoe verhoudt het steeds weer opnieuw uittrekken van extra geld voor veiligheid zich ten opzichte van de prioriteit voor veiligheid in het RA? Is ten tijde van het opstellen van het RA onvoldoende geld uitgetrokken voor deze prioriteit? (blz. 4).
In een begrotingsvoorbereiding kan het kabinet altijd prioriteiten en posterioriteiten afwegen. Nieuwe feiten, inzichten en omstandigheden kunnen dan leiden tot mutaties ten opzichte van de prioriteitenstelling van het Regeerakkoord.
De minister van OC&W heeft door middel van budgettering van de beschikbare bedragen per 1 januari 1997, maatregelen getroffen om overschrijdingen in de toekomst te vermijden. Om welke concrete maatregelen gaat het en kunnen deze nader toegelicht worden? (blz. 4).
Recent is met het Participatiefonds (PF) voor de periode 1996–2000 een akkoord gesloten over de hoogte van de wachtgeldbudgetten en de daarvan afgeleide wachtgeldopslag die aan de instellingen wordt toegekend. Een belangrijk onderdeel van het akkoord betreft een structurele verlaging van de wachtgelduitgaven in deze periode, die oploopt tot 100 miljoen.
De volgende maatregelen zijn getroffen om in 1997 (en latere jaren) een vermindering van het aantal wachtgelders en de wachtgelduitgaven te realiseren:
– de instroomtoets op grond waarvan het Participatiefonds beoordeelt of een ontslag al dan niet vermijdbaar is, wordt met ingang van het schooljaar 1996/1997 zodanig aangescherpt dat met ingang van 1 augustus 1996 alle ontslagen – uitgezonderd einde vervangingsbetrekking – worden getoetst door het Participatiefonds;
– het Participatiefonds beschikt met ingang van 1 augustus 1996 over de mogelijkheid om een systeem van premiedifferentiatie in te voeren en/of de vast te stellen premie te laten afwijken van de hoogte van de door Ocenw aan de instellingen uit te keren wachtgeldopslag. Hierdoor komen overschrijdingen van het wachtgeldbudget bij instellingen in de bij het PF aangesloten sectoren in beginsel niet meer voor rekening van de begroting van Ocenw. In plaats daarvan zullen dergelijke overschrijdingen in beginsel resulteren in een hogere door het PF vast te stellen premie. Hierdoor worden instellingen meer direct geconfronteerd met de financiële gevolgen van tegenvallers in de wachtgeld-ontwikkeling;
– in de sfeer van het Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekspersoneel (BWOO) is of wordt een aantal maatregelen getroffen die eveneens beogen de wachtgelduitgaven te beperken. Daarbij kan worden gewezen op de invoering van een marktconforme anti-cumulatieregeling per 1/1/1996 en de vertaling van de aanscherping van de referte-eis in de WW naar het BWOO per 1/8/1996.
– aanscherping van controles, sancties e.d.
– voorts is «het veld» uitdrukkelijk aangesproken op zijn verantwoordelijkheid. Thans worden fundamentele gesprekken gevoerd over een andere verdeling van verantwoordelijkheden voor de wachtgelden, zodanig dat ook daarvan een positieve bijdrage aan de beheersing van de wachtgelduitgaven mag worden verwacht.
Betekent de toevoeging van 52 miljoen aan de begrotingspost vredesoperaties op de defensiebegroting dat er voor 1996 eigenlijk een te laag bedrag begroot was? Kan het kabinet met betrekking tot deze operaties aangeven waar de extra middelen voor 1996 aan besteed worden?
Wordt voor volgende begrotingen getracht om een overschrijding op het budget voor de vredesoperaties te voorkomen, bijvoorbeeld door het budget aan het aantal (te verwachte) operaties aan te passen of andersom, of blijft dit een open-end regeling?
Hoe lang kunnen onbestede gelden ten behoeve van vredesoperaties worden doorgeschoven? (blz. 5).
Ten tijde van de opstelling van de begroting 1996 was nog niet bekend dat de (VN) operatie UNPROFOR in het voormalige Joegoslavië zou worden beëindigd en vervangen door de (NAVO) operatie IFOR. Nederland levert aan de operatie IFOR een relatief grote bijdrage. Hierdoor is sprake van hogere dan geraamde uitgaven (circa 27 miljoen). Bovendien worden nu voor de operatie in het voormalige Joegoslavië geen VN-vergoedingen meer ontvangen, dit leidt tot een verlaging van de ontvangstenraming met 25 miljoen.
Van een open-eindregeling is bij vredesoperaties geen sprake. Deelname aan een vredesoperatie vergt immers een voorafgaand besluit van het Kabinet. Over een dergelijk besluit vindt ook altijd overleg plaats met de Tweede Kamer. Bij de besluitvorming vormt de financiering een randvoorwaarde. Wanneer uit politieke overwegingen besloten wordt tot een deelname waarvan de kosten boven het budget uitgaan, wordt daarvoor tegelijkertijd de dekking aangegeven (vanaf 1997 binnen de homogene groep internationale samenwerking).
Het doorschuiven van de onderschrijding 1995 naar 1996 op het artikel vredesoperaties is een eenmalige zaak die veeleer samenhangt met de behoefte in 1996 dan met de onderschrijding 1995. Nederland levert in 1996 een (relatief omvangrijke) bijdrage aan IFOR. Dat leidt tot hogere kosten (circa 27 miljoen) dan in 1995. Bovendien staan hiertegenover in tegenstelling tot 1995 (UNPROFOR) geen vergoedingen van de VN, hetgeen tot 25 miljoen lagere ontvangsten leidt. Het is in dit licht dat eenmalig is besloten tot het doorschuiven van onderuitputting van 1995 naar 1996. Voor 1996 wordt geen onderuitputting verwacht. Overigens maakt het artikel vredesoperaties vanaf 1997 deel uit van de homogene groep internationale samenwerking.
Kan het kabinet aangeven hoe VROM het bedrag van 70 miljoen voor het mestbeleid op de begroting gevonden heeft? (blz. 5).
Zie antwoord op vraag 71.
Heeft het minder opvragen voor het Europees Ontwikkelingsfonds door de commissie van de Europese Unie financiële consequenties voor latere jaren? (blz. 5).
Het minder opvragen voor het Europees Ontwikkelingsfonds door de Commissie van de Europese Unie leidt in principe niet tot financiële consequenties voor latere jaren.
Voor de omzetting van diverse lease- en huurcontracten in koop wordt 102 miljoen toegevoegd aan de begroting van de Rijksgebouwendienst. De afkoop leidt in latere jaren tot structurele besparingen, waarvan 35,8 in de jaren 1997–2000. Zullen de uiteindelijk gerealiseerde besparingen de kosten overtreffen en wanneer zal dit het geval zijn? (blz. 5).
Uit een vergelijking van de netto contante waarde van koop met die van lease/huur blijkt dat het financiële voordeel van koop op contante-waardebasis in de orde van 8 à 10 miljoen ligt. De besparingen zullen dan ook uiteindelijk de kosten overtreffen. E.e.a. is afhankelijk van de exacte momenten waarop kosten zich in de toekomst zouden voordoen. Bij de in de Voorjaarsnota opgenomen reeks zullen de besparingen de kosten in 2006 overtreffen.
Zijn er al ramingen bekend m.b.t. de grondverkoop in de jaren na 1996? (blz. 5).
De uitgifte door middel van verkoop van gronden aan de gemeenten Almere en Zeewolde wordt ingevolge de bestuursovereenkomst tussen de betrokken overheden door V&W/RWS (de voormalige Rijksdienst IJsselmeerpolders) geregeld. V&W/RWS is ter plaatse dan ook met het domeinbeheer belast zolang deze uitgifte/verkoop aan de orde is. De uitgifte-taak zal per ultimo 1996 zijn voltooid. Na 1996 zijn derhalve geen hoge ontvangsten uit verkoop van gronden aan Almere en Zeewolde meer te verwachten. Voor 1997 wordt op de begroting van V&W nog f 10 miljoen aan opbrengsten geraamd uit hoofde van in 1996 gerealiseerde verkopen die in 1997 kasmatig worden afgewikkeld.
Vanwege het vervallen van de projecttaken van RWS wordt per 1-1-1997 het domeinbeheer in Zuidelijk Flevoland overgedragen aan het Ministerie van Financiën, dienst Domeinen. De budgettaire effecten van deze overdracht zullen in ontwerpbegroting worden verwerkt.
Welke posten op de begroting van Ontwikkelingssamenwerking zijn verhoogd? (blz. 5).
De volgende posten onder het Ontwikkelingsplafond zijn verhoogd:
– 1.1 Personeel en Materieel (49,611 miljoen);
– 1.3 Post-actieven (0,020 miljoen);
– 2.1 Uitgaven samenhangende met de Verenigde Naties en de daarmee samenhangende organisaties en het Internationale Rode Kruis (1,941 miljoen);
– 2.5 Voorlichting en internationale culturele betrekkingen (1,764 miljoen);
– 3.20 Subsidies aan instituten (0,289 miljoen);
– 3.29 Stedelijke armoedebestrijding (1,700 miljoen);
– 3.30 Bedrijfsleven en ontwikkeling (30,546 miljoen);
– 3.34 Programma-ondersteuning en -vernieuwing (4,500 miljoen);
– 3.36 Multilaterale fondsen en programma's (33,500 miljoen);
– 5.1 Diplomatieke vertegenwoordigingen, personeel en materieel (15,223 miljoen);
– 5.2 Diplomatieke vertegenwoordigingen, gebouwen buitenland (26,084 miljoen).
Wat is de geraamde opbrengst tegenover de investering van 66 miljoen voor intensivering van de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de belasting- en douanewetgeving? (blz. 5).
Wanneer is besloten tot de intensivering van f 66 miljoen ten behoeve van fiscale fraudebestrijding? Wat is de beoogde opbrengst? (blz. 27). 68
Kan het kabinet aangeven wat de verwachte meeropbrengsten zijn van het fraudebestrijdingsplan? (blz. 27).
Het besluit tot intensivering van de fraudebestrijding is genomen in het kader van de voorbereiding van de Voorjaarsnota 1996.
Voor het lopende jaar 1996 is nog geen opbrengst geraamd. De geraamde opbrengst bedraagt 0,2 miljard in 1997 en loopt op naar 0,4 miljard in 1998 en 0,5 miljard in 1999 en volgende jaren.
Welke invloed zal het Eigen-Middelenbesluit hebben op de verhouding tussen BNP- en BTW-afdracht door de lidstaten? (blz. 6).
Door het van kracht worden van het nieuwe Eigen-Middelenbesluit, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995, wijzigt de verhouding voor de lidstaten tussen BNP- en BTW-afdracht.
Zo daalt het uniforme opvraagpercentage voor de BTW-afdracht in 1996 van 1,4% naar 1,24%.
Voor Nederland heeft de verschuiving van BTW- naar BNP-afdrachten nauwelijks financiële gevolgen aangezien het Nederlandse aandeel in de financiering van de EU op grond van de BTW niet veel verschilt met het Nederlandse aandeel in het BNP (4,58% BTW-aandeel; 4,55% BNP-aandeel).
Er is nog geen vergelijking in aandelen tussen de afdrachten op basis van het nieuwe en het oude Eigen-Middelenbesluit beschikbaar voor alle lidstaten.
Nader inzicht in de realisatie van de EU-begroting 1995, onderverdeeld naar de belangrijkste uitgavencategoriën en vergeleken met de realisatie 1994, is wenselijk. Kan daarbij ook de relatie tussen de omvang van onderuitputting en de berekening van de Nederlandse BNP-afdracht kunnen worden aangegeven?
Wat zijn de inzichten met betrekking tot de uitputting van de EU-begroting in 1996? (blz. 6).
De realisaties van de EU-begrotingen 1994 en 1995 geven de volgende onderuitputtingen te zien in miljoenen ECU.
| 1994 | 1995 | |
|---|---|---|
| Categorie I Landbouw | 2 046 | 1 942 |
| Categorie II Structuurfondsen | 5 970 | 4 429 |
| Categorie III Intern beleid | 372 | 698 |
| Categorie IV Extern beleid | 539 | 770 |
| Categorie V Administratieve uitgaven | 305 | 343 |
| Categorie VI Reserves | 1 026 | 1 211 |
| Totaal | 10 258 | 9 849 |
De onderuitputting van de EU-begroting wordt in beginsel verrekend met de BNP-afdrachten van de lidstaten in het daaropvolgend jaar.
Uit het overzicht van de kassituatie per eind mei, zoals de Europese Commissie die onlangs in het Begrotingscomité heeft gepresenteerd, blijkt dat de Europese Commissie geen onderuitputting verwacht voor het begrotingsjaar 1996.
De Europese Commissie gaat er daarbij vanuit dat op landbouwgebied de extra uitgaven voor de «gekke koeien ziekte» een eventuele onderuitputting teniet doen en dat er bij de structuurfondsen geen sprake meer zal zijn van substantiële onderuitputting, gezien de extra absorptie-inspanningen van de lidstaten.
Kan een helder overzicht gegeven worden van «verschuivingen over de jaargrens» (toevoeging eindejaarsmarge 1995, kasverschuivingen, intertemporele compensatie, enz.)? (blz. 6).
Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de «verschuivingen over de jaargrens» per departement.
| Begroting | bedrag (x mln.) (+= toevoeging) | ||
|---|---|---|---|
| 1996 | 1997 | 1998 | |
| Hoge colleges van Staat | 3,3 | ||
| Algemene Zaken | 0,5 | ||
| Buitenlandse Zaken (excl. OS) | 5,0 | ||
| Binnenlandse Zaken | 54,4 | ||
| Onderwijs, Cultuur en Wetensch. | 94,9 | ||
| Financiën | 41,1 | ||
| Defensie | 60,0 | ||
| VROM (in enge zin) | 75,6 | ||
| VROM (RGD) | 70,0 | ||
| Verkeer en Waterstaat | 72,7 | ||
| Economische Zaken | 17,8 | ||
| Landbouw, Natuurbeheer en Visserij | 4,2 | ||
| SZW (in enge zin) | 4,0 | ||
| VWS (in enge zin) | 28,3 | ||
| Ontwikkelingssamenwerking | – 14,3 | 7,1 | 7,1 bandbreedte |
| SZW (SZ deel) | 56,7 | ||
| VWS (Zorg deel) | 24,4 | ||
Tabel 2 Intertemporele compensatie
| Begroting | bedrag (x mln.) (+= toevoeging) | Post | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | ||
| Onderwijs, Cultuur en | 66,0 | – 66,0 | kwaliteit en studeerbaarheid | |||
| Wetenschappen | – 155 | 155 | verkoop NOB | |||
| Defensie | – 42,8 | 3,7 | 39,2 | Luchtmobiele Brigade | ||
| VROM (RGD) | – 224,0 | 119,0 | 105,0 | diverse posten | ||
| Verkeer en Waterstaat | – 32,0 | 10,7 | 10,7 | 10,7 | geluidssanering Schiphol | |
| LNV | – 41,4 | 41,4 | bijdrageregeling proefprojecten mestverwerking | |||
| Fonds Economische Structuurversterking | – 207,0 | 207,0 | betuweroute | |||
| – 167,0 | 167,0 | verkeer en vervoer | ||||
| AP Nader te bepalen/te verdelen ombuigingen | – 132,0 | 128,1 | 41,5 | 25,8 | 26,8 | diversen |
Op welke departemenetsbegrotingen en op welke posten hebben intertemporale compensaties plaatsgevonden? (blz. 6).
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 21.
Net als in 1995 wordt het uitgavenkader voor de zorgsector in 1996 weer overschreden. Is het kabinet niet wat al te optimistisch door maar een overschrijding van 0,4 miljard te verwachten? Kan het kabinet aangeven in hoeverre de overschrijdingen in de zorgsector voor 1996 een structureel karakter hebben?
Bestond in een eerder stadium – ten tijde van het opstellen van het RA of de Miljoenennota 1996 – geen inzicht waaruit dit bleek, zodat reeds eerder een bijstelling plaats had kunnen vinden? (blz. 7).
De overschrijding van 0,4 miljard in 1996 is de best mogelijke raming gebaseerd op voorlopige inzichten 1995.
De overschrijding 1996 van 0,4 miljard resulteert uit tegenvallers (van 0,5 miljard), uit besparingsverliezen (van 0,3 miljard) en uit bijstellingen van het kader in verband met een gewijzigde prijsontwikkeling BBP. Zoals uit de Voorjaarsbrief Zorg 1996 valt af te lezen, wordt ervan uitgegaan dat de besparingsverliezen een incidenteel karakter hebben. Thans wordt in het kader van de begrotingsvoorbereiding 1997 gewerkt aan zodanige maatregelen dat een overschrijding in 1997 en latere jaren wordt voorkomen.
In het Regeerakkoord is voor de zorgsector 1,3% volumegroei afgesproken. In relatie daarmee is voor de zorgsector een strak programma van volumebeheersing en kostenbeperking aangekondigd ter voorkoming van overschrijdingen. Voor de uitwerking van dit programma is een task-force ingesteld. De task-force heeft in februari 1995 het rapport «Zuinig met zorg» opgeleverd met een groot aantal voorstellen. In de afgelopen periode is een groot aantal van de aanbevelingen geïmplementeerd. Zie in dit verband ook het FOZ 1996.
Rekening houdend met de uitkomsten van de Task-force konden de zorguitgaven bij de opstelling van het FOZ '96/Miljoenennota '96 structureel binnen de gestelde budgettaire kaders blijven.
Hoeveel bedroeg de volumegroei in de zorgsector in 1994 en 1995? (blz. 7).
Voor het jaar 1994 bedroeg de volumegroei 1%. De volumegroei in 1995 bedroeg naar de huidige inzichten ruim 2%. Eerst in het Jaaroverzicht Zorg 1997 zijn de definitieve cijfers 1995 beschikbaar.
Welke gevolgen heeft het uitstel van de eigen bijdrage in de thuiszorg voor de overschrijding van het uitgavenkader zorg? (blz. 7).
De gevolgen van het uitstel van de eigen bijdrage in de thuiszorg zullen worden betrokken bij de Miljoenennota/het Jaaroverzicht Zorg 1997.
Met welk bedrag zouden de collectieve zorguitgaven in 1998 moeten worden opgehoogd bij een jaarlijkse volumestijging van 2,3% in de periode 1995–98? Welke koopkrachtgevolgen zou dit hebben? (blz. 7).
De collectieve zorguitgaven (ijklijn zorg) bedragen (afgerond) 50 miljard. Een extra volumegroei van 1% betekent jaarlijks 500 miljoen extra; in 1998 dus cumulatief 2 miljard. De koopkrachteffecten zijn afhankelijk van de vormgeving van de dekking (premies) van een eventuele volumestijging.
Kan voor het premiegefinancierde deel van de sociale zekerheid in het kader van de Voorjaarsbrief met behulp van het CEP een doorkijk naar volgende jaren worden gemaakt (net zoals dat bij de bijstand en de JWG gedaan is)? (blz. 7).
Ten opzichte van de ramingen in de Miljoenennota en de Sociale Nota 1996 zijn alle mutaties opgenomen die betrekking hebben op de realisatie van de begrotingsuitvoering 1995 en het verloop van de begrotingsuitvoering 1996 inclusief de technische doorwerking daarvan naar latere jaren. Over de begrotingsvoorbereiding 1997 en de effecten van macro-economische ontwikkelingen op de sociale zekerheidsuitgaven in meerjarig perspectief wordt u, zoals gebruikelijk, geïnformeerd op basis van de meest recente inzichten van het Centraal Planbureau (de Macro Economische Verkenning) in de komende Miljoenennota en Sociale Nota.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de procedures over de Common-Areabaten? Wanneer wordt een beslissing verwacht? (blz. 8).
Binnen enkele maanden wordt er een (tussen)uitspraak verwacht van de arbiters die zich in Zürich buigen over het overbeleveringsgeschil tussen NAM/Maatschap-Groningen en BEB Erdgas und Erdöl GmbH. Over tijdstip van ontvangst als ook de aard en omvang van de Common-Areabaten valt echter nog niets te zeggen.
In de Voorlopige Rekening werd vermeld dat de sterke ontwikkeling van volume- en prijsontwikkeling bij de belastingen rechtsverkeer pas in 1996 tot opbrengsten zouden leiden. Hoe wordt in dit verband de tegenvaller, met name die bij de overdrachtsbelasting verklaard? (blz. 8).
Wat zijn de oorzaken van de tegenvallende opbrengst van belasting van rechtsverkeer? (blz. 13).
De onderschrijding bij de overdrachtsbelasting in de Voorlopige Rekening (0,2 miljard) werd verklaard vanuit de zwakker dan verwachte ontwikkeling van het volume en de prijs op de markt voor onroerend goed. De daarop volgende sterke ontwikkeling, zichtbaar in de laatste maanden van 1995, zou pas in de eerste maanden van 1996 tot belastingontvangsten leiden. De ramingsbijstelling in de Voorjaarsnota betreft derhalve de combinatie van de structurele doorwerking van de realisatie 1995 uit de Voorlopige Rekening (–0,2 miljard) en de opwaartse bijstellingen voor 1996 uit hoofde van de sterkere economische ontwikkeling (0,1 miljard), te zamen resulterend in een bijstelling van –0,1 miljard.
De onderschrijding bij de kapitaalsbelasting in de Voorlopige Rekening (0,1 miljard) werd verklaard vanuit de ontwikkeling van het patroon van nieuw uitgebrachte grote aandelenvermogens. De ramingsbijstelling in de Voorjaarsnota betreft hoofdzakelijk de structurele doorwerking van de realisatie 1995 uit de Voorlopige Rekening (–0,1 miljard).
Voor het totaal van de belastingen van rechtsverkeer, inclusief de minieme mutaties bij de assurantiebelasting, was er bij de Voorlopige Rekening derhalve sprake van een structurele doorwerking van –0,3 miljard. In combinatie met de voorziene sterkere ontwikkeling van de overdrachtsbelasting in 1996 (0,1 miljard), heeft dit geresulteerd tot een ramingsbijstelling in de Voorjaarsnota ten opzichte van de Miljoenennota van –0,2 miljard.
Waarom komt de 0,7 miljard nabetaling aan sociale fondsen over loonheffing 1994, (correctie bezetting premie-aandeel) pas in 1996 aan het licht? (blz. 8).
Wat is de oorzaak van de nabetaling ad. f 0,7 miljard aan de sociale fondsen? (blz. 9).
Sinds 1 januari 1990 is sprake van gecombineerde heffing en inning van loon/inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Ten behoeve van de afdracht van de premies volksverzekeringen aan de Sociale Fondsen wordt het premiedeel afgesplitst van de totale opbrengst loon/inkomstenheffing. Toedeling en afdracht geschiedt op basis van de ministeriële regeling «afdracht aan de fondsen van de door de rijksbelastingen geïnde premies voor de volksverzekeringen» van 9 februari 1990.
Op grond van deze regeling worden voor de afdracht in een bepaald belastingjaar vooraf op basis van de belasting- en premieramingen voorlopige verdeelsleutels vastgesteld.
De premiebetalingen aan de fondsen over 1994 hebben derhalve een voorlopig karakter.
Definitieve afrekening vindt plaats op basis van realisatiegegevens.
In de praktijk is gebleken dat voor wat betreft de loonheffing de in het tweede jaar na afloop van het belastingjaar beschikbare realisatiegegevens de vereiste nauwkeurigheid bieden. In eerder genoemde ministeriële regeling is dan ook bepaald dat de vaststelling van de definitieve verdeelsleutel loonbelasting/premieheffing plaatsvindt in het jaar t+2.
Naar de huidige inzichten zal de vaststelling van de definitieve verdeelsleutel LB/PH 1994 tot een nabetaling aan de sociale fondsen van 0,7 miljard leiden.
Kan het kabinet aangeven hoe bij de raming van de belastingopbrengsten rekening is gehouden met de erosie van de belastinggrondslag zoals het CPB die in het CEP 1996 signaleerde? (blz. 8).
In de Voorlopige Rekening was geconstateerd dat de onderschrijding in de loon- en inkomstenbelasting in 1995 gedeeltelijk verklaard kon worden vanuit een lagere ontwikkeling van de grondslag, onder meer samenhangend met een lager dan geraamde opbrengst uit rente-inkomsten en een toename in het gebruik van loonbeschikkingen.
In de Voorjaarsnota is vervolgens gebruik gemaakt van de meest recente macro-economische inzichten conform het CEP 1996, met inbegrip van de structurele doorwerking van de lagere grondslag-ontwikkeling uit hoofde van de realisatie 1995. Zo is in het nieuwe economische beeld de ontwikkeling van de werkgelegenheid achtergebleven en heeft de raming van het overig inkomen voor 1995 een neerwaartse bijstelling ondergaan, hetgeen met een vertraging tot uiting komt in kasontvangsten in latere jaren. Bovenstaande inzichten hebben vervolgens geresulteerd in een lagere ontwikkeling van de belastinggrondslag voor 1996. Te zamen met aanvullende informatie uit de aanslagontwikkeling en de kasontvangsten heeft dit geleid tot een neerwaartse bijstelling van de raming van de belastingontvangsten bij de loon- en inkomstenbelasting ten opzichte van de Miljoenennota-raming.
Is de verschuiving van kasontvangsten met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting vooral een gevolg van vertraging bij de invoering van deze belasting of ook van de problemen bij de invordering? Behoren deze problemen thans tot het verleden of heeft nog steeds een relatief groot aantal belastingplichtigen geen rekening ontvangen? (blz. 8).
De verschuiving van de kasontvangsten motorrijtuigenbelasting is een gevolg van de invoering van deze belasting. Deze verschuiving van kasontvangsten is ontstaan, omdat de rekeningen later zijn verstuurd. Doelstelling is deze opgelopen vertraging bij het verzenden van rekeningen motorrijtuigenbelasting in 1996 in te lopen.
Het later verzenden van rekeningen en de daarmee samenhangende verschuiving van kasontvangsten moet los worden gezien van de (incidentele) gevallen dat belastingplichtigen geen rekening hebben ontvangen. Aan deze verhoudingsgewijs kleine groep belastingplichtigen wordt inmiddels een rekening gezonden. Dit heeft niet of nauwelijks effecten voor de opbrengst motorrijtuigenbelasting.
Kan reeds aangegeven worden wat de precieze bijdrage is van de spaarloonregeling aan de grondslagversmalling bij de belastingen? (blz. 9).
Zoals aangegeven in de brief van 7 mei 1996 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (kenmerk ASEA/WPS/96/0369) is door de Dienst voor Inspectie en Informatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW) een vervolgonderzoek gehouden naar de deelname aan onder meer de spaarloonregeling. De eerste resultaten van dit onderzoek worden binnenkort verwacht. Aan de hand van deze gegevens en van verdere gegevens van de Belastingdienst zal vervolgens een nadere analyse worden verricht met het oog op de opstelling van de Miljoenennota 1997.
Waarom heeft de meevaller in de inkomsten bij de omzetbelasting van 0,4 miljard, die een structureel karakter heeft, niet geleid tot een opwaartse bijstelling? (blz. 9).
De ontwikkeling van de ontvangsten in 1995 in de Voorlopige Rekening is geanalyseerd in het perspectief van de op dat moment beschikbare inzichten over de economische ontwikkeling 1995, resulterend in een vanuit dat perspectief voortvloeiende positieve doorwerking naar latere jaren.
Vervolgens heeft het actuele economische beeld voor 1995 en 1996 uit het CEP een aantal wijzigingen laten zien ten opzichte van het macro-economisch beeld ten tijde van de Miljoenennota 1996 (de MacroEconomische Verkenningen). In het licht van de in dit beeld geconstateerde aarzelende economische ontwikkeling, onder meer tot uiting komende in een neerwaartse bijstelling voor 1996 van de relevante bestedingscategorieën, is de macrobijstelling in de Voorjaarsnota ten opzichte van de Miljoenennota per saldo gering.
Hoe heeft de staatsschuldquote zich sinds 1990 ontwikkeld? Kan de conclusie worden getrokken dat de ontwikkeling van de staatsschuldquote onvoldoende behoedzaam is geraamd? (blz. 10).
Bestaat er een reële kans op verdere stijging van de staatsschuldquote in 1996? (blz. 10).
Kan toegelicht worden waarom er zoveel aanpassingen van de schuldquoteramingen het laatste half jaar hebben plaatsgevonden? (blz. 10).
Kan de aangekondigde versnelling in de informatievoorziening over de schuld van de sociale fondsen en de lagere overheden voldoende zekerheid geboden worden over de ramingen van de schuldquote voor 1997 en 1998? Op welke termijn zullen concrete resultaten van deze versnelling zichtbaar worden? (blz. 10).
In de onderstaande tabel wordt het verloop van de staatsschuldquote en de EMU-schuldquote sinds 1990 weergegeven.
Tabel Ontwikkeling staatsschuld- en EMU-schuldquote (in % BBP)
| 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Staatsschuldquote | 61,5 | 62,4 | 63,3 | 64,2 | 62,6 | 63,0 | 63,5 |
| EMU-schuldquote | 78,8 | 78,8 | 79,5 | 81,3 | 79,5 | 79,8 | 79,6 |
Het gebruiken van behoedzame uitgangspunten bij de begrotingsvoorbereiding is gericht op het bereiken van rust en stabiliteit in het begrotingsproces. Behoedzame uitgangspunten kunnen voorkomen dat nieuwe macro-economische inzichten noodzaken tot het openbreken van de besluitvorming. Deze noodzaak heeft zich de afgelopen jaren niet voorgedaan.
De opwaartse bijstelling van de EMU-schuldquote in 1996 ten opzichte van de raming bij de Miljoenennota 1996 vloeit goeddeels voort uit het verwerken van realisatiegegevens. Het betreft met name de doorwerking van een hogere schuld van de lagere overheden en de sociale fondsen in 1994 en 1995.
Relevant is dat de EMU-schuld uit verschillende onderdelen bestaat en dat de realisatiegegevens over deze verschillende onderdelen met uiteenlopende snelheid beschikbaar komen. In de Voorjaarsnota is aangegeven dat in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gewerkt aan een versnelling van de informatievoorziening over de schuld van sociale fondsen en lagere overheden in achter ons liggende jaren. Overigens mag niet verwacht worden dat een verbeterde informatievoorziening het risico van aanpassingen van de ramingen volledig kan wegnemen. Tevens geldt dat de staatsschuld- en de EMU-schuldquote in sterke mate beïnvloed worden door aanpassingen van het bruto binnenlands product: 1% minder nominale groei van het BBP leidt, alle overige omstandigheden gelijk blijvend, tot een stijging van de EMU-schuldquote met 0,8%-punt BBP.
Hoe kan voorkomen worden dat bij de besluitvorming over de 3e fase van de EMU Nederland plotseling met grote tegenvallers op het vlak van overheidsschuld en EMU-tekort wordt geconfronteerd, zoals nu het geval is? (blz. 10).
Zoals aangegeven in de Voorjaarsnota, wordt in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek gewerkt aan een versnelling van de informatievoorziening over de schuld van de sociale fondsen en lagere overheden in achter ons liggende jaren. Verder wordt thans bezien welke mogelijkheden bestaan om de realisatie van het EMU-tekort gedurende het uitvoeringsjaar beter te gaan volgen, opdat verrassingen na afloop van het uitvoeringsjaar zoveel mogelijk voorkomen worden. Zoals de Kamer bekend, vindt reeds maandelijks «monitoring» van het beleidsrelevante financieringstekort plaats. Voor het EMU-tekort staat mij een, zoveel mogelijk, vergelijkbare systematiek voor ogen.
Ik merk hierbij op dat er altijd tijdsverschil zal blijven bestaan tussen het eind van het begrotingsjaar en het moment waarop definitieve realisatiecijfers beschikbaar komen.
Ook met een verbetering van de informatievoorziening over het tekort en de schuld van de sociale fondsen en lagere overheden, zal er sprake blijven van risico's, bijvoorbeeld uit hoofde van een lager dan geraamde economische groei of inflatie.
Kan een overzicht gemaakt worden van het beleidsrelevante tekort, het EMU-tekort en de EMU-schuld als uitgegaan wordt van de onzekerheidsvariant van het CPB? (blz. 10).
In de onderstaande tabel worden de huidige ramingen voor 1996 van het beleidsrelevante tekort, het EMU-tekort en de EMU-schuld weergegeven, alsmede de ramingen uitgaande van de onzekerheidsvariant van het CPB. In de onzekerheidsvariant treedt het herstel van de economie niet op in het tweede kwartaal van 1996, maar pas aan het eind van het jaar. Per saldo komt de volumegroei van het BBP in deze variant 0,6%-punt lager uit en wel op 1½%.
Tabel Tekort- en schuldraming 1996 (in % BBP)
| Voorjaarsnota 1996 | Onzekerheidsvariant | Verschil | |
|---|---|---|---|
| Beleidsrelevant tekort | 3,2 | 3,3 | + 0,1 |
| EMU-tekort | 3,2 | 3,3 | + 0,1 |
| EMU-schuld | 79,6 | 80,3 | + 0,7 |
Wat is de oorzaak van de verslechtering met 0,5% van het feitelijk financieringstekort 1996, ten opzichte van de verwachting ten tijde van de miljoenennota 1996? (blz. 12).
Het feitelijk financieringstekort 1996 is ten opzichte van de Miljoenennota 1996 met 0,3%-punt BBP gestegen (van 2,9% BBP ten tijde van de Miljoenennota naar 3,2% BBP ten tijde van de Voorjaarsnota); dit komt overeen met 1,8 miljard gulden.
Deze 1,8 miljard is het saldo van lagere uitgaven (1,2 miljard), lagere niet-belastingontvangsten (0,5 miljard), lagere belastingontvangsten (2,3 miljard) en een tegenvallende mutatie derdenrekening (0,2 miljard).
Kan de verlaging van de aan- en verkoop van staatsbezit van 3,2 naar 0,4 miljard verder gespecificeerd worden (blz. 12).
De correctiepost op het feitelijk tekort «aan- en verkoop staatsbezit» dient om substantiële vertekeningen van het financieringstekort door de aan- en verkoop van staatsbezit te voorkomen. Ten tijde van de Miljoenennota 1996 bedroeg de betreffende correctiepost 3247 miljoen. Sedert de Miljoenennota hebben zich daarin de volgende mutaties voorgedaan:
Mutaties in de correctiepost «Aan- en verkoop staatsbezit» (in miljoenen)
| Stand Miljoenennota 1996 | 3 247 |
| – verlaging ontvangstentaakstelling 1996 u.h.v. meeropbrengsten verkoop staatsbezit in 1995 (KPN) | 1 108 |
| – meeropbrengsten verkoop staatsbezit in 1996 (DSM) | 87 |
| – vervallen verkoop MBO-scholen | – 350 |
| – uitstel verkoop NOB | – 155 |
| – verkoop goud | 131 |
| – toevoeging deel van opbrengst DSM aan FES | – 1 488 |
| Stand Voorjaarsnota 1996 | 364 |
Ten tijde van de Miljoenennota 1996 was er op de aanvullende post «nader te bepalen/te verdelen ombuigingen» voor 1996 sprake van een ontvangstentaakstelling buiten de sfeer van de micro-lasten. In het najaar van 1995 werd de tweede tranche KPN-aandelen verkocht. De verkoop bracht 1108 miljoen meer op dan geraamd. Door deze meeropbrengst in 1995 kon de taakstelling (en de correctiepost) voor 1996 met eenzelfde bedrag worden verlaagd.
De taakstelling 1996 bedroeg daarna nog 1634 miljoen. In februari en maart van dit jaar verkocht de Staat zijn DSM-aandelen. De verkoop bracht 1721 miljoen op. Als gevolg van het verschil tussen de opbrengst van 1721 miljoen en de nog te realiseren taakstelling van 1634 miljoen diende de correctiepost met 87 miljoen te worden verhoogd.
Voor een toelichting op de mutaties «vervallen verkoop scholen», «uitstel verkoop NOB» en «verkoop goud» zij verwezen naar de verticale toelichting (bijlage 3 van de Voorjaarsnota) op de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de begroting van Financiën.
Zoals aangegeven in de Voorjaarsnota, is van de eerder genoemde opbrengst van 1721 miljoen uit hoofde van de verkoop van DSM-aandelen 1488 miljoen in het Fonds Economische Structuurversterking gestort. Deze storting leidt tot een verlaging van de correctiepost «aan- en verkoop staatsbezit» en tot een verhoging van de correctiepost «Fes-saldo».
Hoe wordt de neerwaartse bijstelling van de ontvangsten uit tabaksaccijns verklaard?
Hoe aannemelijk is het dat de lagere ontvangsten uit tabaksaccijns kunnen wijzen op een toename van het ontduiken van invoerrechten en accijns vanwege de smokkel van sigaretten? Welke maatregelen worden daartegen getroffen? (blz. 13).
De neerwaartse bijstelling van de raming van de tabaksaccijns voor 1996 betreft de doorwerking van de lagere ontvangsten over 1995, zoals in de Voorlopige Rekening is aangegeven. Geconstateerd kan worden dat de gerealiseerde kasontvangsten over 1995 een lagere opbrengst vertonen in vergelijking tot het jaar 1994. Door een in het najaar van 1994 aangebrachte aanpassing in de kleinhandelsprijs, was er sprake van een vermindering van de opgebouwde voorraden per eind 1994. Op basis van deze inzichten kan thans geconcludeerd worden dat de opbrengststijging in 1994 van incidentele aard was. Rekening houdend met deze effecten vertonen de kasontvangsten over 1995 daarmee een ontwikkeling welke in lijn is met de gerealiseerde ontvangsten in voorgaande jaren.
Kan het kabinet verklaren waarom het EMU-saldo in 1996 zoveel sterker tegenvalt dan in 1995? Kan het kabinet aangeven waarom er een aanzienlijke verschil is tussen de jaren 1995 en 1996 m.b.t. het vorderingensaldo van de sociale fondsen? (blz. 14).
In de Voorjaarsnota 1996 is er een opwaartse bijstelling van het EMU-tekort in 1996 met 0,4%-punt BBP ten opzichte van de raming in de Miljoenennota 1996. In de Voorjaarsnota 1995 was de bijstelling van het EMU-tekort in 1995 ten opzichte van de raming in de Miljoenennota 1995 daarentegen nihil. Hier gingen wel bijstellingen van de vorderingensaldi van de onderdelen Rijk, lagere overheden en sociale fondsen achter schuil, die elkaar echter per saldo compenseerden. In 1996 is dat niet het geval.
Het voorlopige realisatiecijfer voor het vorderingentekort van de sociale fondsen in 1995 bedraagt 0,4% BBP. Thans wordt voor 1996 een tekort van 0,1% BBP geraamd. Ten opzichte van 1995 treedt er derhalve een verbetering op met 0,3%-punt BBP. Deze verbetering hangt vooral samen met het feit dat de premies voor 1996 afgelopen najaar op een meer kostendekkend niveau zijn vastgesteld.
Bij de Miljoenennota 1996 werd een grotere verbetering in het vorderingentekort van de sociale fondsen in 1996 ten opzichte van 1995 geraamd. Met name een tegenvallende ontwikkeling van de premiegrondslag en hogere uitgaven in de gezondheidszorg zijn er de oorzaak van dat het vorderingensaldo van de sociale fondsen in 1996 neerwaarts is bijgesteld, met bijgevolg ook een kleinere verbetering van dit saldo ten opzichte van 1995.
Waarom is de meevaller vierde eigen middel kleiner dan vorig jaar, gezien het feit dat de onderuitputting op de Europese begroting is toegenomen? (blz. 19).
In de Voorjaarsnota 1995 was een vermindering van de Nederlandse BNP-afdracht uit hoofde van de onderuitputting 1994 van 600 miljoen opgenomen.
In de Voorjaarsnota 1996 is een meevaller verwerkt op grond van een verwachte onderuitputting 1995 van ongeveer 800 miljoen.
De verwerkte meevaller uit hoofde van de onderuitputting van de Europese begroting is dus in vergelijking met de Voorjaarsnota feitelijk circa 200 miljoen hoger.
Kan de onderuitputting op de EU-begroting nader toegelicht worden? Leidt de onderuitputting tot hogere uitgaven in latere jaren en dus tot hogere Nederlandse afdrachten? (blz. 19).
Voor een toelichting op de onderuitputting op de EU-begroting wordt verwezen naar het antwoord op vraag 20.
De onderuitputting 1995 heeft aanleiding gegeven tot wijziging van de Financiële Perspectieven op grond van art. 10 van het Interinstitutioneel Akkoord. Daarbij werd in categorie II, Structuurfondsen een bedrag van 2084 Mecu aan vastleggingskredieten 1995 geannuleerd en toegevoegd aan latere jaren.
Dit had tot gevolg dat de Nederlandse afdrachten toenemen met circa 20 miljoen in 1997 en 63 miljoen in zowel 1998 als 1999. Deze cijfers zijn verwerkt in de Voorjaarsnota.
Wat is de laatste stand van zaken ten aanzien van de instroom van asielzoekers in 1996?
Hoe werken verkorting van de procedure, wegwerken van achterstanden en verlaging van de instroom door de in meerjarencijfers? (blz. 20).
Het aantal nieuw ingediende asielverzoeken t/m mei 1996 bedraagt 8511.
De verkorting van de procedure, het wegwerken van de achterstanden en de verlaging van de instroom, zorgen ervoor dat er op termijn sprake zal zijn van een stabiele situatie. De lagere instroom leidt tot een verlaging van de uitgaven voor de opvang, terwijl de verkorting van de procedure en het wegwerken van de achterstanden er op termijn voor kunnen zorgen dat de in de ramingen gehanteerde termijnen nagenoeg gehaald kunnen worden.
De raming voor de kosten van de opvang zullen hiermee meerjarig worden aangepast. De Kamer zal hierover bij Miljoenennota 1997 nader worden geïnformeerd.
Hoe groot is de invloed van afschaffing van de (goedkopere) opvang op decentraal niveau op de ontwikkeling van de ramingen voor de opvangkosten voor de komende jaren? (blz. 20).
De in bestuurlijk overleg met de VNG overeengekomen afschaffing van opvang van asielzoekers op decentraal niveau heeft een opwaartse invloed op de kosten van opvang van asielzoekers. De norm voor de opvang van een asielzoeker op centraal niveau is ca. f 30 000,–, terwijl de norm voor de opvang op decentraal niveau ca. f 14 500,– is.
De tegenvaller die zich voordoet bij de post «opvang asielzoekers» als gevolg van verlenging van de duur van de opvang die voortkomt uit vertraging in de afhandeling van asielverzoeken uit 1994 zou ca. 205 mln. bedragen. Is de duur van de afhandeling van de procedure zo gestegen dat het tot deze hoge kosten leidt? (blz. 20).
De instroom van asielzoekers in de opvang is lager dan bij ontwerp-begroting 1996 was geraamd. Door de tegenvallende ontwikkelingen bij de afhandeling verloopt de afbouw van de goedkopere opvang op decentraal niveau echter minder snel dan was geraamd. Daarnaast is in 1995 een aantal (vervangings)investeringen niet gedaan, die in 1996 wel zullen plaatsvinden. Per saldo leveren deze ontwikkelingen een meevaller van 35 miljoen op.
Het gaat hierbij om de kosten die samenhangen met de bezetting in de opvang.
Kan aangegeven worden waardoor de aanvullende post asielzoekers voor 1997 op ruim 1 miljard is geraamd er terwijl voor de jaren daarna een daling tot 874 mln voorzien wordt? Waarom is de raming voor 1997 niet aangepast in vervolg op de ramingsbijstelling voor 1996? (blz. 20).
De Kamer zal over het meerjarige beeld nader worden geïnformeerd bij de Miljoenennota 1997.
Hoe kan een daling van bijna 25% in de toestroom asielzoekers leiden tot een kostendaling van slechts 3%? (blz. 21).
Hoe is het bij snel vrijvallende menscapaciteit in de opvang mogelijk dat de vertragingen bij de afhandeling verder toenemen? (blz. 21).
De aanwezige voorraad aan het begin van het jaar zorgt ervoor dat de kosten, ondanks een lagere instroom, niet meteen en zeker niet evenredig zullen dalen. De lagere instroom zal op termijn, indien deze zich voortzet en indien door de hogere productie de voorraad daalt, voor een verdere daling van de kosten kunnen zorgen.
De afhandeling van asielverzoeken wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzorgd en niet door het Centraal Orgaan voor de Opvang van asielzoekers (COA). Het vrijvallen van menscapaciteit in de opvang (COA) heeft dus geen invloed op de snelheid van afhandeling van asielverzoeken.
Bij het ministerie van Justitie wordt 60 miljoen gulden extra ingezet voor de maximale benutting van celcapaciteit t.b.v. noodmaatregelen ter voorkoming van heenzendingen. Waarom wordt deze 60 miljoen extra niet binnen de begroting Justitie geconpenseerd maar ten laste gebracht van het generale beeld en gedekt door de onderschrijding bij de netto-uitgaven? (blz. 21).
Gezien de prioriteit die het kabinet geeft aan het zoveel mogelijk voorkomen van heenzendingen en gelet op andere beleidsprioriteiten op de Justitiebegroting, is besloten de uitgaven samenhangend met de continuering van de noodmaatregelen ten behoeve van de maximale benutting van celcapaciteit, overeenkomstig de financiering van de noodmaatregelen in 1994 en 1995, ook nu te betrekken bij het algemene (uitvoerings-)beeld.
Waarom wordt het op de begroting van OCW extra uitgegeven geld voor kwaliteitsbeleid in de vorm van leeftijdsgebonden arbeidsvoorwaardenbeleid (50 miljoen gulden) gedekt uit het generale beeld? En waarom hoeft de tegenvaller wachtgelden (100 miljoen gulden) niet conform de regels budgetdiscipline binnen de onderwijsbegroting gecompenseerd te worden? Hoe zeker is overigens dat in de jaren vanaf 1997 eventuele wachtgeldtegenvallers toch niet ten laste van de onderwijsbegroting komen? (blz. 24).
Vooropgesteld dient te worden dat de grootste prioriteit ligt bij het voorkomen van verdere tegenvallers bij de wachtgelden. Recent zijn hierover voor de periode 1996–2000 afspraken gemaakt met het Participatiefonds (PF) door vaststelling van de budgetten in die jaren waarop de aan de instellingen toe te kennen wachtgeldopslag zal worden gebaseerd. Daarnaast behoeft vanaf 1 augustus 1996 de door het PF van de scholen geheven premie niet meer gelijk te zijn aan de opslag die door Ocenw aan de scholen wordt toegekend en die is gebaseerd op de in het recent met het PF gesloten akkoord geraamde wachtgeldontwikkeling. Tegenvallers ten opzichte van deze ontwikkeling komen derhalve in beginsel niet meer voor rekening van de begroting van Ocenw, maar zullen in eerste instantie effect hebben op de hoogte van de premie die door het PF wordt geheven en die in dat geval meer zal afwijken van de opslag die de instellingen krijgen. Op deze manier worden instellingen meer direct geconfronteerd met de financiële gevolgen van een tegenvallende wachtgeldontwikkeling. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet besloten middelen aan de Ocenw-begroting toe te voegen ten behoeve van wachtgelden. Daar staat tegenover dat het saldo van mee- en tegenvallers op de Ocenw-begroting ten gunste van het generale beeld is gebracht.
Kan het kabinet aangeven waarom er gekozen is voor intertemporele compensatie op de onderwijsbegroting? (blz. 24).
De middelen voor investeringen in Kwaliteit en Studeerbaarheid zijn op de Ocenw-begroting beschikbaar vanaf 1998. Door de intertemporele compensatie wordt een deel van de voor 1998 beschikbare middelen toegevoegd aan het budget voor 1996. Hierdoor is reeds in 1996 geld beschikbaar voor investeringen in Kwaliteit en Studeerbaarheid.
Wat zijn de oorzaken van de verhoging van de wachtgelduitgaven met 100 mln? Wordt de beoogde vermindering van het aantal wachtgelders niet gerealiseerd?
Welke maatregelen worden getroffen om in 1997 een vermindering van het aantal wachtgelders en de wachtgelduitgaven te realiseren? (blz. 24).
De oorzaken van de verhoging van de raming van de wachtgelduitgaven met 100 miljoen voor 1996 betreffen de ten opzichte van de oorspronkelijke raming tegenvallende realisatie van de wachtgelduitgaven in 1995 in het primair en voortgezet onderwijs en in iets mindere mate in het beroepsonderwijs en de volwassenen-educatie. Deze tegenvaller werkt door naar latere jaren. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft de Kamer op 27 november 1995 per brief nader ingelicht over een aantal oorzaken achter de wachtgeldontwikkeling in 1995. Als bijlage bij dezelfde brief is aan de Kamer eveneens het plan van aanpak gepresenteerd van het breed opgezette onderzoek dat in opdracht van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van verschillende externe onderzoeksbureaus. Voor nadere details over dit onderzoek verwijs ik u naar dit plan van aanpak. Het onderzoek is inmiddels in volle gang en ligt qua planning goed op schema.
Voor wat betreft de beoogde vermindering van de wachtgelduitgaven alsmede een overzicht van maatregelen die worden getroffen om de vermindering te realiseren, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 11.
Wordt de tegevallende realisatie van wachtgelden aangemerkt als een beleidsmatige mutatie zoals in tabel 3.3 of als een tegenvaller? Is deze tegenvaller specifiek gecompenseerd binnen de begroting OC&W? (blz. 24).
De mutatie in de wachtgelduitgaven is betrokken bij de besluitvorming van het kabinet inzake de Voorjaarsnota en de begrotingsvoorbereiding 1997. Deze besluitvorming heeft erin geresulteerd dat aan de begroting van Ocenw een bedrag van 100 miljoen is toegevoegd ter compensatie van de wachtgeldproblematiek.
Betekent de budgettering van wachtgelden in 1997 dat als het aantal wachtgelders sneller stijgt dan geraamd, het niveau van de wachtgelduitkering daalt? (blz. 24).
De uitkeringen kunnen niet zonder meer worden aangepast. Overschrijding van de uitgaven zal in eerste instantie tot hogere premies van het Participatiefonds leiden. Op grond van de gebudgetteerde bedragen wordt immers de aan de instellingen ter beschikking te stellen hoogte van de wachtgeldopslag bepaald, waaruit de instellingen de aan het Participatiefonds af te dragen premie kunnen betalen. Indien de wachtgelduitgaven hoger blijken uit te vallen dan waarmee bij het vaststellen van de budgetten rekening is gehouden, dan zal dit in beginsel tot uitdrukking komen in een door het Participatiefonds vast te stellen premie die hoger is dan de wachtgeldopslag die de instellingen ontvangen. Tegenvallers in de wachtgelduitgaven manifesteren zich met andere woorden primair in de door het Participatiefonds te heffen premie en niet in de door het ministerie van Ocenw (en LNV voor het landbouwonderwijs) aan de instellingen toe te kennen wachtgeldopslag, die immers is gebaseerd op het vastgestelde wachtgeldbudget.
Kan het kabinet aangeven hoe de middelen voor de impuls in het basisonderwijs besteed zullen worden. Om hoeveel klasse-assistenten gaat het bijvoorbeeld? Welke ombuiging dient ter compensatie voor de meeruitgaven onderwijsassistenten? (blz. 24).
Scholen met 185 of meer leerlingen ontvangen een aantal fte's per leerling. Waarmee zij een onderwijsassistent kunnen aanstellen. De scholen zullen gemiddeld de beschikking krijgen over een aantal fte's dat overeenkomt met 0,5 fte onderwijsassistent. Op deze wijze kunnen circa 1550 onderwijsassistenten in het basisonderwijs worden aangesteld.
De meeruitgaven onderwijsassistenten (35 miljoen structureel vanaf 1997) worden in de begroting voor het primair onderwijs als volgt opgevangen:
1997 35 miljoen uit de opbrengst van de operatie Toerusting en Bereikbaarheid.
1998 26 miljoen uit de opbrengst van de operatie Toerusting en Bereikbaarheid. 9 miljoen uit de herijking van het leerlinggewicht 1.25 in het basisonderwijs.
1999 e.v. 35 miljoen uit de herijking van het leerlinggewicht 1.25 uit het basisonderwijs.
Waarom wordt de verlaging van de normatieve exploitatievergoeding voor het hbo met 46 miljoen gulden (ter compensatie verhoging uitgaven wachtgelden hbo) als beleidsmatig i.p.v. als meevaller aangeduid daar waar het gewoon om het uitvoeren van bestaande regels gaat? (blz. 24).
Het is weliswaar staand beleid dat overschrijdingen op de wachtgelduitgaven gedekt worden door verlaging van de normatieve exploitatievergoeding, maar het is steeds weer een beleidsmatige keuze om dit inderdaad te doen. Het is ook niet zo dat verlaging van de exploitatievergoeding een meevaller is, die optreedt zonder dat daar die expliciete beslissing aan ten grondslag ligt.
Heeft de lagere voorziene contractloonstijging (CEP 1996) gevolgen voor de koppelingsuitgaven? (blz. 24).
De lagere raming van de contractloonstijging voor 1996 uit het CEP ten opzichte van de MEV leidt tot een lagere nominale ontwikkeling van de uitgaven dan ten tijde van de MEV verwacht werd. Deze ontwikkeling heeft een neerwaartse aanpassing van de raming van de kosten koppeling tot gevolg. Deze neerwaartse bijstelling heeft plaats gevonden op de aanvullende post kosten koppeling en is in de Voorjaarsnota opgenomen. Het gaat om een bedrag van 1,8 miljoen in 1996.
De verwachte netto-uitgaven voor de Exportkredietverzekering voor 1997 en 1996 worden neerwaarts bijgesteld met respectievelijk 200 miljoen en 50 miljoen. Deze verwachtingen zijn gebaseerd op de huidige inzichten inzake middellange schades. Echter, in het verleden is geconstateerd dat de uitgaven exportkredietverzekering een zeer grillig verloop hadden, waarbij zowel meevallers als forse tegenvallers hebben voorgedaan. Kan dit nader toegelicht worden? (blz. 27).
Het verloop van de uitgaven en ontvangsten bij de exportkredietverzekering is grillig te noemen. Het risico van mee- en tegenvallers is inherent aan het karakter van het instrument. Gepoogd wordt de kans daarop zoveel mogelijk te beperken. In het verleden zijn grote schades geleden op Argentinië, Polen, Peru en Nigeria en meer recent op het GOS en Iran, terwijl het gunstige resultaat van nu voor een deel veroorzaakt wordt door de voor dit jaar niet geraamde terugbetalingen door het GOS.
Overigens heeft het geraamde bedrag van 50 miljoen betrekking op 1998 in plaats van op 1996.
In hoeverre zal het extra geld dat Financiën inzet voor de fraudebestrijding tot extra kosten leiden bij Justitie voor de jaren 1997 en daarna? (blz. 27).
Vooralsnog zullen de effecten voor het justitieel apparaat beperkt blijven. In de eerste plaats liggen de voorgenomen maatregelen in de preventieve en dienstverlenende sfeer. In de tweede plaats zullen veel van de correcties die als gevolg van de voorgenomen maatregelen worden opgelegd in de administratieve sfeer kunnen worden afgedaan. Ten slotte zal voor een aantal zaken waarbij met name de FIOD betrokken is, afhankelijk van de resultaten moeten worden bezien in hoeverre het thans afgesproken quotum fiscale strafzaken dat door Justitie in behandeling wordt genomen, toereikend zal zijn.
Waarom wordt bij Financiën voor de 66 miljoen gulden extra (structureel 100 miljoen gulden) die wordt ingezet voor fraudebestrijding geen specifieke compensatie aangegeven, maar komt dit bedrag ten laste van het generale beeld? Waarom wordt een dergelijke majeure extra beleidsinspanning in het kader van de Voorjaarsnota niet bij de ontwerp-begroting voorgesteld? (blz. 27).
De benodigde middelen voor het fraudebestrijdingsplan van de Belastingdienst zijn binnen het meerjarige specifieke beeld van de IXB-begroting gevonden. De beleidsintensivering is verwerkt bij 1e suppletore begroting, omdat de benodigde investeringen in organisatie en materieel voor een belangrijk deel reeds in 1996 worden gedaan.
De geraamde uitgaven konden niet worden opgenomen in de ontwerp-begroting 1996, omdat het fraudebestrijdingsplan pas begin 1996 is ontwikkeld. De autorisatie voor de uitgaven in 1997 komt aan de orde bij de ontwerp-begroting 1997.
Waarom is niet vermeld dat de opbrengst verkoop 606 baren goud in de categorie «niet relevant voor enige ijklijn» als beleidsmatig aangemerkt kan worden? (blz. 28).
De verkoopopbrengst van de baren goud is aangemerkt als beleidsmatig. In de presentatie is dat niet te zien, omdat de mutaties die niet onder enige ijklijn vallen niet naar oorzaak worden uitgesplitst.
In de begroting voor VROM is een verlaging opgenomen van 70 miljoen gulden als bijdrage aan de uitvoering van het mest en ammoniakbeleid. Van dit bedrag is in de suppletore begroting voor Landbouw 1996 slechts 5 miljoen terug te zien. Waarom betaalt VROM dit jaar niet slechts het bedrag dat Landbouw ook daadwerkelijk uitgeeft? (blz. 31).
VROM draagt voor in totaal 70 miljoen bij aan het afgesproken mest- en ammoniakbeleid. Binnen de VROM-begroting kon deze ruimte gevonden worden in 1996, in samenhang met de eindejaarsmarge 1995. Budgettair is de VROM-bijdrage verwerkt als een verhoging over meerdere jaren van de LNV-begroting 1996, conform de financiële meerjarenraming van de Integrale Notitie Mest- en Ammoniakbeleid. In 1996 is die verhoging van de LNV-begroting 5 miljoen. Op deze wijze is er sprake van een verantwoorde vorm van intertemporele compensatie.
Moet uit het feit dat er geen financiële consequenties verbonden zijn aan de reeks van moties die door de Kamer aangenomen zijn met betrekking tot de IHS geconcludeerd worden dat het kabinet op geen enkele manier tegemoet wil komen aan de wensen van de Kamer? (blz. 32).
Het IHS-wetsontwerp waarin de beleidsvoorstellen van het kabinet zijn verwerkt, zal de Kamer naar verwachting na deze zomer worden aangeboden. In dit wetsontwerp zal de reactie van het kabinet op de moties worden opgenomen. De budgettaire vertaling daarvan vindt zijn neerslag in de ontwerpbegroting 1997 van VROM en in de Miljoenennota.
Is overwogen omzettingen van al afgesloten contracten in koop als niet relevant voor de uitgaven-ijklijn te beschouwen? (blz. 33).
Ja, doch hier is terwille van eenvoud en stabiliteit niet toe besloten.
Is er sprake van specifieke kosten in verband met voortijdige beëindiging van het huurcontract? (blz. 33).
Er is geen sprake van extra kosten in verband met de beëindiging van de contracten anders dan de gebruikelijke kosten van eigendomsoverdracht.
Is het niet beter de herziene raming ontvangsten verkoop objecten RGD in te delen bij «mee- en tegenvallers» i.p.v. bij «beleidsmatige mutaties»? (blz. 33).
Voor het programma voor de afstoot van onroerend zaken zijn enerzijds contractuele verplichtingen van belang; anderzijds gaat achter het programma een beleidsmatige keuze schuil om panden al dan niet te verkopen. Een eventuele actualisatie van de raming is mede het gevolg van een beslissing tot versnelling dan wel uitstel van de verkoop van panden. Derhalve ligt een etikettering als mee- of tegenvaller niet voor de hand.
De omzetting van lease- in koopcontracten bij de RGD (XIB) voor een bedrag van ruim 100 miljoen gulden is een vervolg op het deel dat al in de Voorlopige Rekening 1995 was neergeslagen (35 miljoen gulden). De afkoop van huurcontracten wordt verdedigd vanuit doelmatigheidsoverwegingen. Hoe heeft de afweging in dit concrete geval plaatsgevonden? (blz. 33).
De afweging heeft plaatsgevonden door de contante waarden van betalingen en ontvangsten in huur- en eigendomssituaties te vergelijken. Op basis daarvan kon geconcludeerd worden dat eigendom te prefereren valt.
Wat is de netto- contante waarde van de budgettaire winst van de omzetting van lease- en huurcontracten ten bedrage van f 102 miljoen? (blz. 33).
Het financiële voordeel bedraagt circa 8 à 10 miljoen.
Is sprake van specifieke compensatie van deze extra uitgaven vanuit opbrengsten van verkoop van staatsdeelnemingen? (blz. 33).
De financiering van deze omzettingen vindt niet plaats uit opbrengsten van verkoop van staatsdeelnemingen. De uitgaven worden gefinancierd uit het totaalbeeld van de Rijksbegroting.
Waarom is bij V&W derving dividendopbrengsten i.v.m. vervreemding KPN-aandelen geboekt als beleidsmatig terwijl bij EZ de dividendderving i.v.m. DSM-aandelen geboekt is als tegenvaller? (blz. 36).
Aangezien de derving dividendopbrengsten in beide gevallen rechtstreeks verband houdt met de beleidsmatige beslissing om aandelen te vervreemden, dient ook de dividendderving DSM als beleidsmatig te worden aangeduid.
De indeling in de Voorjaarsnota bij de categorie «tegenvallers» van de dividendderving DSM is dus onjuist geweest.
Waarom wordt het tot betaling komen van de afgegeven garanties op bankleningen van Fokker, 361 miljoen, niet als tegenvaller i.p.v. als beleidsmatige mutatie geboekt? Immers er is voor deze post geen sprake van een budgetteringsafspraak met EZ als het gaat om een in het verleden aangegane verplichting, waarom niet werd verwacht dat deze dit jaar tot betaling zou leiden. (blz. 37).
Het effectueren van de garantie vloeit voort uit de beleidsmatige beslissing van het kabinet niet verder tegemoet te komen aan de zeer hoge eisen die door DASA werden gesteld om de toekomst van Fokker veilig te stellen. De Tweede Kamer is bij brief van 24 januari 1996 over deze beslissing en de achtergronden daarvan geïnformeerd. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat garantie-artikelen nooit onder een budgetteringsafspraak kunnen vallen.
Welke meevaller als gevolg van het koude weer kan worden toegeschreven aan de binnenlandse aardgasbaten? Kunnen deze cijfers onderbouwd worden met cijfers van de Gas Unie? (blz. 38).
De niet belastingmiddelen uit hoofde van binnenlandse gasafzet zijn als gevolg van het koude weer en ook als gevolg van de hogere olieproduktprijzen met 201 miljoen opwaarts bijgesteld, een gecombineerd volume- en prijseffect derhalve (zie daarvoor de Verticale Toelichting bij de Voorjaarsnota).
In de voor de Voorjaarsnota gehanteerde raming wordt, op grond van de gerealiseerde afzet van Gasunie tot en met januari, uitgegaan van een binnenlandse gasafzet van 46,0 miljard m3. Dit is 1,1 miljard m3 hoger dan waarvan is uitgegaan in de Miljoenennota 1996.
Is het kabinet bereid een deel van de extra aardgasbaten vanwege de hogere binnenlandse gasafzet in de koude winter in te zetten ter ondersteuning van (collectieve) compensatie van de hogere energiekosten door de koude winter van bijstandsgerechtigden en andere huishouden met een minimuminkomen door gemeenten. (blz. 38).
In principe wordt door het kabinet geen directe relatie gelegd tussen de extra aardgasbaten en een mogelijke «koude toeslag» voor de minima. Een dergelijke toeslag kan in individuele gevallen wel worden verleend middels de bijzondere bijstand. In 1991 is de bijzondere bijstand gedecentraliseerd naar de gemeenten. Over het al dan niet toekennen van een toeslag in verband met de koude winter kunnen gemeenten zelf beslissen.
Bij begroting EZ is het wegvallen van de dividendinkomsten DSM (90 miljoen in 1996, 70 miljoen structureel) opgenomen. Volgens de toelichting staat hier een rentevoordeel bij het hoofdstuk Nationale Schuld tegenover. Dit voordeel is echter zeer relatief, aangezien de opbrengst uit de vervreemding grotendeels in het FES is gestort en daar binnen enkele jaren gebruikt wordt voor bekostiging van met name infrastructurele werken. Heeft het rentevoordeel bij de Nationale Schuld dan ook geen tijdelijk karakter? (blz. 38).
Van de ontvangsten uit de verkoop van DSM-aandelen is een bedrag van 1488 miljoen toegevoegd aan het Fonds Economische Structuurversterking. In het FES was er meerjarig gezien nog sprake van dit bedrag aan ongedekte uitgaven in verband met de Investeringsimpuls uit de Voorjaarsnota 1993. De Investeringsimpuls dient uiteindelijk te worden gefinancierd met de zogenoemde Common-Areabaten. Er wordt echter voorgefinancierd met ontvangsten uit de verkoop van deelnemingen. Met de toevoeging van 1488 miljoen aan het FES zijn de Common-Areabaten volledig voorgefinancierd. Het voorgaande houdt in dat er tegenover de aan het FES toegevoegde DSM-ontvangsten geen nieuwe uitgaven staan, op korte noch op lange termijn. Hierdoor komt de storting in het FES neer op indirecte schuldreductie. Het hiermee samenhangende rentevoordeel op de begroting Nationale Schuld heeft derhalve een structureel karakter.
Bij de aardgasbaten (begroting EZ) is sprake van een meevaller van in totaal 500 miljoen gulden. Het binnenlands deel daarvan (201 miljoen gulden) is niet-relevant voor de netto-uitgaven en wordt in feite behandeld als belastinginkomsten. Bijna 300 miljoen heeft betrekking op de aardgasbaten buitenland. Uit de verticale toelichting bij het FES blijkt dat voor de jaren 1997 en 1998 een bedrag van 200 miljoen gulden aan extra ontvangsten uit aardgasexport wordt geraamd als gevolg van hogere dollarkoers, hogere olieprijs en lagere kosten NAM. Waarom komt de meevaller 1996 geheel en al ten goede aan het generale beeld (een meevaller voor de netto-rijksuitgaven) en vallen de nu voorziene meevallers in latere jaren vrijwel geheel en al vrij ten gunste van het FES? (blz. 38).
Aardgasopbrengsten worden voor de rijksbegroting verdeeld in drie categorieën. Ten eerste de niet-belastingmiddelen uit binnenlandse afzet. Deze komen via de EZ-begroting ten gunste van het generale beeld en zijn niet relevant voor het uitgavenkader. Ten tweede opbrengsten uit export voorzover het volume van de export niet hoger is dan de raming in het Plan van Gasafzet 1990. Deze opbrengsten komen, ook via de EZ-begroting, ten gunste aan het generale beeld en zijn relevant voor het uitgavenkader. Ten derde de opbrengsten uit extra export boven het geraamde volume in het Plan van Gasafzet 1990. Deze opbrengsten komen ten gunste van het FES.
Op basis van deze verdeelsystematiek is de aardgasmeevaller bij Voorjaarsnota als volgt verdeeld1 (+ = tekortontlastend):
| 1996 | 1997 | 1998 | |
|---|---|---|---|
| NBO-gas buitenland (excl. FES) | 299 | 19 | – 10 |
| NBO-gas binnenland | 201 | – 19 | – 90 |
| FES | 200 | 200 | |
| Totale gasbatenmeevaller RBG | 500 | 200 | 100 |
Is er al meer zicht op meevallende ontwikkelingen bij de uitgaven WAO/AAW? (blz. 41).
Eventuele meevallende ontwikkelingen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen zullen, zoals gebruikelijk, aan de hand van de meest actuele cijfers van het Centraal Planbureau (de Macro Economische Verkenning) geanalyseerd worden in de Miljoenennota 1997 en de Sociale Nota 1997.
Wat is de motivatie om koopkrachtreparatie 1996 via de IHS te laten lopen? Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat via de IHS maar een beperkte groep minima bereikt wordt? Kan het kabinet een overzicht geven van de koopkrachtontwikkeling in 1996 vergeleken met de koopkrachtontwikkeling zoals die ten tijde van de miljoenennota verwacht werd, en met een onderscheid naar minima die recht hebben op IHS en minima die dat niet hebben? (blz. 42).
Voor de motivatie om de koopkrachtreparatie 1996 via de Individuele Huursubsidie (IHS) te laten lopen zij verwezen naar de brief «Koopkrachtreparatie 1996» aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 10 april jongstleden.
De huishoudens op minimumniveau die via het Ziekenfonds (ZfW) verzekerd zijn, zijn voor het merendeel IHS-gerechtigd. Bovendien heeft het kabinet financiële middelen gereserveerd om voor ZFW-verzekerden met een eigen woning en vergelijkbare woonlasten als IHS-gerechtigden een tegemoetkoming via de bijzondere bijstand te verlenen. Met het gekozen instrumentarium wordt het merendeel van de huishoudens op minimumniveau gecompenseerd voor de hoger dan geraamde ZfW-premie.
In tabel 1 is een overzicht gegeven van de koopkrachtontwikkeling voor 1996 conform de MEV 1996 (kolom 1) en het CEP 1996 (kolom 2). Tevens is aangegeven welk deel van de mutatie in het inkomensbeeld veroorzaakt is door de hogere nominale ZfW-premie (kolom 3). Het effect van de tegemoetkoming via de IHS is in kolom 4 opgenomen: voor huishoudens op minimumniveau bedraagt dit effect 0,4% punt. Voor IHS-gerechtigde huishoudens op minimumniveau zonder kinderen is dus sprake van een bescheiden koopkrachtverlies. Voor huishoudens op minimumniveau of iets daarboven met kinderen is sprake van koopkrachtbehoud dan wel een bescheiden koopkrachtverbetering.
Tabel 1: Koopkrachtontwikkeling 1996 (in %)
| 1 | 2 | 3 | 4 | |
|---|---|---|---|---|
| MEV '96 | CEP '961 | w.v. door hogere nom. ZfW-premie | effect toeslag via IHS | |
| Bruto en prijzen: | ||||
| WKA | 1,45 | 1,4 | ||
| Contractlonen | 2,0 | 1,85 | ||
| Prijzen | 2,25 | 2,45 | ||
| Koopkracht: | ||||
| soc. min. zk | 0 | – 0,6 | – 0,4 | 0,4 |
| gehuwde AOW-er | 0 | – 0,6 | – 0,4 | 0,4 |
| wml ml | 0,3 | – 0,2 | – 0,4 | 0,4 |
| wml-plus mk | 0,7 | 0,1 | – 0,3 | 0,3 |
| modaal mk | 0,7 | 0,1 | – 0,3 | 0 |
| 2*modaal mk | 0,3 | 0,2 | 0 | 0 |
1 Exclusief het effect van de koopkrachtreparatie 1996
2 Dit effect geldt voor huishoudens die in aanmerking komen voor de toeslag via de IHS
Zullen volgend jaar de cheques ten behoeve van de koopkrachtreparatie niet meer in de sector SZW maar in de budgetdisciplinesector rijk vallen? (blz. 42).
Met ingang van het tijdvak 1997–1998 wordt de koopkrachtreparatie niet meer middels een cheque uitgekeerd, maar wordt deze verwerkt in de IHS-tabellen. Hiermee verschuift de koopkrachtreparatie van het begrotingsgefinancierde deel van de sociale zekerheid op de SoZaWe-begroting (dit deel van de begroting valt onder de budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid) naar de VROM-begroting (budgetdisciplinesector Rijk).
Waarom wordt het onderdeel «Betalingsbalanssteun en schulden» verlaagd met 25,9 mln, zijnde «het te compenseren saldo dat resteert na verwerking van de overige mutaties bij OS», als er mede daardoor toch nog een negatief (eind-)saldo van 5,9 mln resteert? Betreft het hier een bedrag dat door OS, ondanks de afspraken inzake het flexibel begrotingsbeheer, niet voor kompensatie in aanmerking komt? Zoja, op welke (politieke) besluitvorming is dit terug te leiden? (blz. 45).
Het negatief (eind-)saldo van 5,9 miljoen is de som van de mutaties die de hoogte van het OS-plafond beïnvloeden, conform de daarvoor geldende ramingsmethodiek. Mutaties uit dien hoofde boven de 25 miljoen zijn terug te vinden in de Verticale Toelichting, te weten de ramingsbijstelling OS; de anderen zijn kleiner dan 25 miljoen en vallen onder «diversen».
Zal de begroting voor het ORET-programma ook verhoogd worden om de levering van Fokkertoestellen aan Vietnam en Ethiopië mogelijk te maken? (blz. 45).
Over een eventuele verhoging van de begroting van het ORET-programma heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden.
Ligt het niet voor de hand de verlaging met 159 miljoen gulden ten gevolge van het vragen van een lager bedrag door de EU voor het Europees Ontwikelingsfonds als meevaller op te nemen? (OS) (blz. 45).
Door de gehanteerde plafondsystematiek bij Ontwikkelingssamenwerking worden alle mutaties onder dit plafond als beleidsmatig aangemerkt. Met de start van de Homogene Groep Internationale Samenwerking in 1997 worden dergelijke mutaties wel onderscheiden naar mee- en tegenvallers.
Welke vorm zal deze toelichting voor de uitgavengroep «Ontwikkelingssamenwerking» volgend jaar krijgen als de nieuwe Homogene Groep Internationale Samenwerking zal zijn gerealiseerd? Welke concrete mutaties in de opzet zijn dan te verwachten? (blz. 45).
Vanaf 1997 zullen mutaties op begrotingsartikelen vallend onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking in een aparte verticale toelichting worden gepresenteerd. Bij iedere begroting zal het totaal aan uitgaven- respectievelijk ontvangstenmutaties op artikelen vallend onder de Homogene Groep vermeld worden bij de betreffende verticale toelichting om de aansluiting op de totaalstand per begroting te behouden. Voor de toelichtingen op deze mutaties zal worden verwezen naar de bovengenoemde verticale toelichting.
Is de toename van de OS-delegatiekosten ad. 37,2 miljoen de enige financiële bijdrage aan de versterking van de buitenlandse posten? Zo nee, welke begrotingsposten worden hier nog meer voor aangewend? (blz. 46).
Naast de toename van de OS-delegatiekosten is ook het in de toelichting op blz. 34 vermelde bedrag van 33,5 miljoen voor geautomatiseerde informatievoorziening een bijdrage voor versterking van de buitenlandse posten.
Kan een nadere specificatie gegeven worden voor de aanwending van 14 miljoen extra voor speciale programma's? (blz. 46).
De aanwending van 14 miljoen extra in 1996 is in hoofdzaak het gevolg van nieuwe toezeggingen in de loop van 1995 die, ondanks aanvankelijke verwachtingen, in dat jaar niet meer tot uitgaven konden leiden, doordat veel tijd verstreek tussen het tijdstip van toezegging en het moment waarop een uitgewerkt projectvoorstel door de betrokken organisaties kon worden ingediend.
De belangrijkste betreffen CGAP (5 miljoen), UNICEF Child protection measures (3 miljoen), UNICEF Aids programme Mekong (1,4 miljoen), UNF-Domestic development services (1,4 miljoen) en IBFAN (1,3 miljoen).
Daarnaast heeft de stijging betrekking op nieuwe toezeggingen, waarvan als belangrijkste kunnen worden genoemd een bijdrage aan het WHO programme of cooperation with countries in greatest need (1 miljoen) en een bijdrage aan het UNCTAD programma voor de minst ontwikkelde landen (0,8 miljoen).
Wat is de achtergrond achter de desaldering van enkele uitgavenverlagingen bij het Infrastructuurfonds met overeenkomstige lagere bijdragen vanuit het FES? Kan duidelijk inzicht gegeven worden in de vertragingen van infrastructurele projecten? (blz. 48).
De uitgavenverlagingen bij het Infrastructuurfonds met overeenkomstige lagere bijdragen vanuit het Fes hebben betrekking op
– de doorwerking van de in 1995 opgetreden vertragingen en
– de in 1996 optredende vertraging bij de Betuweroute.
De gelden voor de in 1995 opgetreden vertragingen bij de Betuweroute (57 miljoen) en de Verkeer en Vervoer projecten (167 miljoen) zullen naar huidige inzichten in 1998 worden uitgegeven. Deze gelden waren in eerste instantie vanuit het Fes aan de uitgavenbegroting voor 1996 toegevoegd.
De doorwerking van de vertraging bij de Betuweroute, die in 1996 wordt voorzien (150 miljoen), zal vanuit het Fes eveneens pas weer in 1998 ter beschikking worden gesteld.
Kan ingegaan worden op de mogelijke gevolgen van de lagere raming van de contractloonstijging voor 1996 in het CEP (1¾ versus 2% in de MEV) voor de nominale ontwikkeling van de uitgaven (koppeling)? (blz. 51).
De lagere raming van de contractloonstijging voor 1996 uit het CEP ten opzichte van de MEV leidt tot een lagere nominale ontwikkeling van de uitgaven dan ten tijde van de MEV verwacht werd. Deze ontwikkeling heeft een neerwaartse aanpassing van de raming van de kosten koppeling tot gevolg. Deze neerwaartse bijstelling heeft plaats gevonden op de aanvullende post kosten koppeling en is in de Voorjaarsnota opgenomen. Het gaat om een bedrag van 1,8 miljoen in 1996.
Op de aanvullende post loonbijstelling/wachtgelden/herstructureringsmiddelen wordt een verlaging aangebracht met als label «onderuitputting», oplopend van 75 miljoen gulden in 1996 tot 200 miljoen gulden in 2000. Op welk deel van de aanvullende post heeft deze onderuitputting betrekking en wat is de aard van deze onderuitputting?
Op dezelfde aanvullende post doen zich in de meerjarencijfers omvangrijke mutaties voor: een opwaartse macro-mutatie oplopend tot ruim een half miljard in 2000 en een aan de budgetdicipline Zorg toegerekende neerwaartse bijstelling oplopend tot ruim een kwart miljard in 2000. Kan een nadere toelichting gegeven worden? (blz. 52).
Hoe is het bedrag van 69 miljoen gulden voor de macro-mutatie loonbijstelling berekend? Gaat het hier zowel om aanpassingen in de premiesfeer als in de geraamde contractloonstijging? (blz. 52).
De macro-mutatie van 69 miljoen in 1996 vormt onderdeel van een meerjarige mutatie in de beschikbare middelen voor loonbijstelling. Deze mutatie is het gevolg van een doorrekening van de gewijzigde veronderstellingen van het CPB ten tijde van het CEP 1996. Het betreft inderdaad aanpassingen in de premiesfeer en de contractloonontwikkeling.
Kan nauwkeuriger aangegeven worden hoe de macro-economische ontwikkelingen leiden tot opwaartse bijstellingen van de BTW-afdrachten en de invoerrechten? Op welk groei-scenario zijn deze verwachtingen gebaseerd? (blz. 53).
Over de binnenlandse BTW grondslag wordt een voor alle lidstaten uniform percentage geheven. Mutaties in de BTW grondslag vertalen zich dus direct door in de BTW-afdrachten. De omvang van de invoerrechten die namens de EU geheven worden door Nederland, is direct afhankelijk van dat gedeelte van de invoer uit derde landen dat via Nederland de EU binnen komt.
De door Nederland geïnde invoerrechten worden rechtstreeks aan de EU afgedragen. Op grond van de geconstateerde ontwikkelingen in 1995 en 1996 is de raming invoerrechten 1996 met 160 miljoen opwaarts bijgesteld.
Voor wat betreft de ramingen van de EU-afdrachten is uitgegaan van het CEP 96, wel is er extra behoedzaam geraamd voor wat betreft de groei van de EU. Door deze groeivertraging neemt het Nederlandse aandeel relatief toe. Voor 1998 en latere jaren is aangenomen dat er geen verdere wijzigingen optreden in de relatieve ontwikkeling van Nederland ten opzichte van de Europese Unie.
Het onderdeel «intertemporele compensatie» op de aanvullende post «Nader te bepalen/te verdelen ombuigingen» is onduidelijk. Op welk onderdeel van deze AP heeft deze verschuiving betrekking en waarom sluit het totaalbedrag voor de periode 1996–2000 niet op 0? (blz. 54).
Een deel van de intertemporele compensatie van een aantal begrotingen wordt voor dit moment niet op die begroting zelf geraamd, maar op de aanvullende post. Hierbij kan in dit geval worden gedacht aan de op de aanvullende post geraamde fiscale uitvoeringskosten.
Voor een totaal (sluitend) beeld van de intertemporele compensaties dient dus het geheel van op de begrotingen en op de aanvullende post verwerkte mutaties te worden bezien.
Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van Rey (VVD), Terpstra (CDA), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Vliegenthart (PvdA), Ybema (D66), voorzitter, Schimmel (D66), Van Gijzel (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Hillen (CDA), Hoogenvorst, (VVD), ondervoorzitter, Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Voûte-Droste (VVD), Adelmund (PvdA), Giskes (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), B. M. de Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66), Ten Hoopen (CDA).
Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Van Hoof (VVD), De Hoop Scheffer (CDA), Van der Linden (CDA), Wolters (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Jeekel (D66), Van Zijl (PvdA), Liemburg (PvdA), De Jong (CDA), Rijpstra (VVD), Verkerk (AOV), Rosenmöller (Groenlinks), Hofstra (VVD), Crone (PvdA), Assen (CDA), M. M. H. Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Leerkes (U55+), Verspaget (PvdA), Hessing (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), vacature D66, Van de Camp (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24727-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.