24 724 Studiefinanciering

Nr. 252 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2026

In het coalitieakkoord «Aan de slag» dat D66, VVD en CDA met elkaar hebben gesloten1, zijn voorstellen opgenomen om de financiële positie van (oud-)studenten te verbeteren: het verhogen van de basisbeurs voor uitwonende studenten en het introduceren van een renteplafond. Middels deze brief informeer ik uw Kamer over de verdere uitwerking van deze maatregelen. Tevens zal ik kort ingaan op de voortgang van het wetsvoorstel Wsf BES.

In de bijlage van deze brief ga ik daarnaast in op een drietal toezeggingen en moties uit recente Kamerdebatten. Het gaat, in volgorde van behandeling, om de volgende onderwerpen: het niet-gebruik onder mbo-studenten bol niveau 1 en 22, de informatievoorziening van DUO over lenen3 en hulp voor studenten met een gokverslaving4. De bijbehorende moties en toezeggingen worden met deze brief afgedaan.

Coalitieakkoord maatregelen studiefinanciering

Verhoging van de basisbeurs voor uitwonende studenten

Het is belangrijk dat iedereen in Nederland toegang heeft tot goed onderwijs. Studeren – of dat nu aan een mbo-, hbo- of wo-opleiding is – is voor jongeren een belangrijke, leerzame en waardevolle periode. Het biedt jongeren de kans om zich verder te ontwikkelen en te ontplooien tot het talent van de toekomst. Daarom moet het vervolgonderwijs financieel toegankelijk zijn.

De financiële toegankelijkheid van het vervolgonderwijs is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid, de ouder(s) en de student zelf. De overheid levert deze bijdrage in de vorm van een basisbeurs en het studentenreisproduct. Van ouders wordt verwacht dat zij een ouderbijdrage leveren, terwijl studenten met ouders met een lager inkomen in aanmerking komen voor een aanvullende beurs. Studenten dragen bij door te werken of te lenen, of een combinatie daarvan.

Op basis van het Nibud studentonderzoek5 blijkt dat er een groep studenten is die zich zorgen maakt over hun financiële situatie. Binnen deze groep gaat het relatief vaak over om uitwonende studenten. Daarnaast zien we in algemene zin dat de prijzen stijgen, waar uitwonende studenten sneller tegenaan lopen dan thuiswonende studenten.

Dit kabinet kiest er daarom voor om de financiële positie van uitwonende studenten te verbeteren en heeft in het coalitieakkoord opgenomen om de basisbeurs voor deze groep te verhogen. Het gaat om een verhoging van circa € 50 per maand, met gewenste invoering per studiejaar 2028/2029. Daarmee is in totaal een bedrag gemoeid van € 109 miljoen per jaar. Hiermee komt de basisbeurs voor uitwonende studenten in het hbo en wo weer rond hetzelfde niveau van de basisbeurs vóór het studievoorschotstelsel, namelijk ongeveer € 375 per maand (prijspeil 2026). Voor mbo-studenten komt de basisbeurs voor uitwonende studenten uit op ongeveer € 400 per maand (prijspeil 2026).

Om dit te realiseren zal ik een wetsvoorstel gaan voorbereiden, wat ik eind dit jaar in internetconsultatie wil brengen. De verwachting is dat ik dat in het najaar van 2027 aan uw Kamer zal toesturen voor parlementaire behandeling.

Rentemaatregel op studieschulden

Om de financiële positie van (oud-)studenten verder te verbeteren is in het coalitieakkoord tevens voorgesteld om de rente voor studenten op studieleningen te maximeren op 2,5%.

Ik ben momenteel bezig met de nadere uitwerking van de rentemaatregel. Tijdens dit proces is gebleken dat de uitwerking van de maatregel meer tijd vergt dan eerder voorzien. Ik streef ernaar uw Kamer na de zomer verder te informeren over de uitwerking van de rentemaatregel.

Stand van zaken wetstraject Wsf BES

In de kabinetsreactie op twee onderzoeken naar de Wet studiefinanciering BES is een wetstraject aangekondigd om de Wet studiefinanciering BES (Wsf BES) aan te passen.6 Met dit wetsvoorstel beoog ik zoveel als mogelijk een gelijkwaardig voorzieningenniveau te creëren in de Wsf BES ten opzichte van de Wet studiefinanciering 2000. Momenteel werken we uit welke maatregelen onderdeel zullen zijn van dat wetsvoorstel, waarbij ik rekening houd met het beschikbare budget en de andere context van Caribisch Nederland, onder meer waar het gaat om de beperkte uitvoeringscapaciteit aldaar en kleinere studentaantallen. Het verhogen van de normbedragen zal in ieder geval één van deze maatregelen zijn. De verwachting is dat het wetsvoorstel na de zomer in internetconsultatie gaat. Inwerkingtreding staat gepland voor studiejaar 2028/2029.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert

BIJLAGE 1 NIET-GEBRUIK VAN STUDIEFINANCIERING DOOR MBO STUDENTEN BOL 1 EN 2 MINIMALISEREN

Tijdens de behandeling van de begroting voor 2025 is toegezegd om uw Kamer te informeren over het niet-gebruik van de basisbeurs bij studenten op mbo-bol niveau 1 en 2.7 Bij deze doe ik deze toezegging gestand.

Resultaten onderzoek

In het Nibud Studentenonderzoek 20248 gaf 12% van de respondenten uit mbo niveau 1 en 2 aan dat zij geen gebruik maken van de basisbeurs. Voor deze studenten is de basisbeurs, net als de aanvullende beurs en het studentenreisproduct, altijd een gift. Zij missen daardoor inkomsten waar ze recht op hebben.

DUO heeft daarom in 2025 zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van de basisbeurs onder studenten op mbo-niveau 1 en 2. Het onderzoek is meegezonden met deze Kamerbrief. De belangrijkste uitkomst daarvan is dat slechts 4,2% van alle mbo-bol-studenten op niveau 1 en 2 geen gebruik maakt van de basisbeurs. Van alle mbo-bol-studenten op niveau 1 en 2 maakt 2,3% alleen gebruik van het studentenreisproduct en 1,9% maakt geen enkel gebruik van studiefinanciering. Over de jaren is er een dalende trend in het niet-gebruik van de basisbeurs bij mbo-bol niveau 1 en 2 studenten. Het niet-gebruik is afgenomen van ongeveer 5% in studiejaar 2020–2021 naar 4,2% in studiejaar 2024–2025.

DUO heeft getracht in contact te treden met mbo-bol-studenten op niveau 1 en 2 die momenteel geen gebruik maken van studiefinanciering. Omdat deze specifieke doelgroep in de praktijk kleiner bleek te zijn dan de aanvankelijke ramingen deden vermoeden, heeft DUO slechts met een beperkt aantal studenten gesproken. Uit deze gesprekken zijn enkele voorzichtige observaties naar voren gekomen, waarbij het beeld ontstond dat het niet ontvangen van de basisbeurs bij deze studenten vooralsnog niet lijkt te leiden tot acute of omvangrijke financiële problemen. Daarnaast viel op dat deze studenten zich vaak baseren op informatie uit hun directe omgeving, die niet altijd correct blijkt te zijn, terwijl zij zelf niet actief op zoek lijken te gaan naar de juiste informatie. Tot slot kon worden vastgesteld dat de studenten zonder basisbeurs die aan dit onderzoek deelnamen, in de meeste gevallen wel zorgtoeslag ontvingen.

Reactie op resultaten

Ik ben blij dat de groep mbo-bol 1 en 2 studenten die geen gebruik maakt van de basisbeurs beperkt blijft tot 4,2% van de studenten die er recht op hebben, in plaats van de gerapporteerde 12% die uit het Nibud Studentenonderzoek uit 2024 naar voren kwam. De meeste studenten weten de weg naar DUO te vinden en vragen een studiefinancieringsproduct aan. De reden voor het verschil tussen de cijfers van DUO en het NIBUD is niet direct te herleiden. Vermoedelijk komt dit doordat beide onderzoeken verschillende onderzoeksmethoden hanteerden. In het komende Nibud-onderzoek ga ik onderzoeken hoe dit verschil ondervangen kan worden.

Ik vind het goed om te zien dat studenten die de basisbeurs niet aanvragen niet in financiële problemen lijken te zitten, al realiseer ik me dat dit mogelijk niet voor de hele groep studenten geldt. Tegelijkertijd vind ik het zorgelijk dat studenten die de basisbeurs niet aanvragen zich mogelijk baseren op (foutieve) informatie uit hun netwerk. Het hebben (of ontbreken) van een netwerk blijkt een bepalende factor te zijn voor een student. Dit kan een verklaring zijn waarom studenten wél de weg naar de zorgtoeslag weten te vinden, omdat binnen hun netwerk vaak bekend is hoe je dit aanvraagt en hoe dit in de praktijk in elkaar zit. Daarnaast lijkt uit de gesprekken met studenten dat het moment waarop het recht ingaat een rol kan spelen. Een student kan een basisbeurs aanvragen zodra die 18 jaar wordt. Dit moment verschilt dus per student en niet iedere student lijkt zich daarvan bewust.

Maatregelen om het niet-gebruik nog verder te verminderen

Om het niet-gebruik van de basisbeurs zo laag mogelijk te houden blijf ik inzetten op goede informatievoorziening, zodat studenten hun keuze kunnen maken op basis van de juiste informatie. DUO stuurt ieder jaar een brief naar mbo-bol-studenten op niveau 1 en 2 die geen enkele vorm van studiefinanciering hebben aangevraagd. Bovendien stuurt DUO in samenwerking met de belastingdienst een brief naar iedereen die bijna 18 wordt om ze te wijzen op mogelijkheden van zorgtoeslag, de «teruggaaf jongeren», studiefinanciering en tegemoetkoming scholieren.

Daarnaast loopt er op dit moment een proef waarbij studenten die alleen gebruik maken van een studentenreisproduct een brief per post ontvangen waarin ze erop gewezen worden dat ze ook recht hebben op een basisbeurs in de vorm van een gift. De resultaten van de eerste proef zijn dat 55% van de studenten naar wie de brief is gestuurd alsnog de basisbeurs hebben aangevraagd. Daarnaast zijn DUO-medewerkers aanwezig op verschillende mbo-instellingen alsmede op afspraakbalies, bibliotheken en gemeentehuizen. Ook worden door DUO medewerkers gerichte presentaties gegeven aan bijvoorbeeld medewerkers van Vluchtelingenwerk. Op deze manier wordt de groep mbo-bol niveau 1 en 2 studenten zo goed mogelijk geïnformeerd en zorgen we dat de groep die geen basisbeurs aanvraagt zo klein mogelijk blijft.

BIJLAGE 2 UITVOERING MOTIE BRUYNING

De Tweede Kamer heeft met de motie Bruyning9 verzocht om te bewerkstelligen dat DUO met studentenorganisaties en ervaringsdeskundigen in gesprek gaat over hoe DUO studenten beter kan voorlichten en waarschuwen over de mogelijkheden en risico's van het aangaan van een studieschuld. DUO wordt gevraagd de resulterende bevindingen per direct toe te passen ter verbetering van de informatievoorziening en informatiepresentatie. Met deze brief doe ik deze motie gestand.

DUO werkt continu aan de verbetering van de informatievoorziening rondom studieleningen. Dat doet zij onder meer door in gesprek te gaan met studenten en onderzoek te doen naar de behoeftes. Zo heeft DUO onderzocht wat DUO kan doen om ervoor te zorgen dat studenten bewustere keuzes maken over hun studielening en hoe oud-studenten bewustere keuzes kunnen maken voor de aflossing van hun studieschuld. Ook heeft DUO in september 2025 een evenement met ruim 200 mbo-studenten georganiseerd, waarbij werd gesproken over omgaan met geld, financiële educatie en de communicatie door DUO. Daarnaast spreken medewerkers geregeld met studentenorganisaties over de verbetering van de communicatie en heeft DUO ook een eigen Jongerenraad die hen hierover adviseert.

Dit heeft er de afgelopen jaren toe geleid dat de communicatie op verschillende punten is aangescherpt, waarbij DUO nadrukkelijker de nadruk legt op de risico's en de langetermijngevolgen van het afsluiten van een lening. Deze aanpassingen zijn niet alleen zichtbaar op de website, maar ook geïntegreerd in het aanvraagproces in Mijn DUO. Zo moeten studenten tegenwoordig expliciet verklaren dat zij zich ervan bewust zijn dat de lening inclusief rente moet worden terugbetaald door hiervoor specifieke vinkjes te zetten.

Als laatste wil ik benoemen dat de herinvoering van de basisbeurs en de inzet op het verbeteren van het gebruik van de aanvullende beurs hebben bijgedragen aan de afname van het percentage studenten dat gebruik maakt van de rentedragende lening. Tussen de studiejaren 2022/2023 en 2024/2025 daalde het percentage in het hbo van 36,1% naar 19,0%, terwijl dit in het wo afnam van 52,4% naar 27,2%.

BIJLAGE 3 STUDENTEN MET EEN GOKVERSLAVING

Tijdens het commissiedebat Hoger onderwijs, Studiefinanciering en DUO van 8 april jl. heb ik uw Kamer toegezegd10 terug te komen op het vraagstuk rondom (spook)studenten die lenen bij DUO om hun gokverslaving in stand te houden. Door middel van deze bijlage geef ik, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, invulling aan deze toezegging. In deze bijlage ga ik allereerst in op de mogelijkheden van onderwijsinstellingen en DUO bij (spook)studenten met gokproblemen, vervolgens ga ik in op de inzet op het beschermen van jongeren tegen gokschade en tot slot op de mogelijkheden die betrokkenen en de jongeren zelf hebben om hulp te krijgen.

Het bericht dat studenten hun studiefinanciering gebruiken om mee te gokken vind ik zeer zorgelijk. Hier is studiefinanciering uiteraard niet voor bedoeld.

Het is niet bekend hoe groot deze groep is. DUO heeft geen inzicht in de omvang, mede omdat wettelijk niet is vastgelegd waar studenten studiefinanciering aan mogen besteden. Dat zou in de praktijk ook niet te controleren zijn.

Hieronder zal ik toelichten welke (beperkte) mogelijkheden en bevoegdheden er bij zowel DUO als de onderwijsinstellingen bestaan bij deze problematiek.

De rol en mogelijkheden van DUO en onderwijsinstellingen bij (spook)studenten met gok- en geldproblemen

Doorverwijzende en signalerende functie

Zowel bij DUO als bij onderwijsinstellingen kunnen er signalen binnen komen dat jongeren kampen met een gokverslaving. Het is daarbij van belang om deze jongeren snel naar hulpverlening door te verwijzen. De onderwijsinstelling kan hier een signalerende rol in vervullen. Er is veel informatie beschikbaar die deze studenten en de mensen om hen heen kunnen gebruiken om de juiste hulp te vinden. Zie ook verderop in deze bijlage.

Preventieve maatregelen

In het hbo en wo wordt via het Landelijk Kader Studentenwelzijn en het programma Stijn integraal gewerkt aan studentenwelzijn op onderwijsinstellingen. Hierbij is onder andere aandacht voor preventie en de samenwerking met zorgprofessionals en -instanties. Van onderwijsinstellingen mag worden verwacht dat zij eerstelijnszorg bieden, bijvoorbeeld door inzet van een studentdecaan of -psycholoog. Deze professionals kunnen studenten ondersteunen, signalen herkennen en studenten doorverwijzen naar passende zorginstanties of -professionals, indien nodig. Wel is belangrijk om te benadrukken dat onderwijsinstellingen geen zorginstellingen zijn. Het kan dan ook niet van hen worden verwacht dat zij studenten met serieuze (langdurige) gezondheidsproblematiek zelf opvangen en verzorgen.

Mbo-instellingen konden gebruikmaken van de subsidie financiële educatie, waarmee zij docenten kunnen opleiden, lessen over geldzaken kunnen ontwikkelen en voorzieningen kunnen inrichten waar studenten terechtkunnen voor hulp en informatie. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft daar begin dit jaar een tweede tijdvak van geopend. Scholen bieden daarnaast al hulp in de vorm van budgetcoaches, studentendecanen of financiële spreekuren. Daarnaast worden erop steeds meer scholen laagdrempelige steunpunten ingericht waar studenten terecht kunnen met vragen over geld, studiefinanciering of schulden.

Verder heeft het Trimbos-instituut, met financiering uit het Verslavingspreventiefonds, in het preventieprogramma Helder op School het onderwerp gokken geïmplementeerd. Hiermee worden onderwijsprofessionals in staat gesteld om problemen door gokken te signaleren en waar nodig te begeleiden naar hulp.

Dwingendere maatregelen DUO

Wanneer verschillende vormen van hulp en financiële educatie niet voldoende zijn, zijn in theorie meer dwingende instrumenten voorhanden bij DUO en de instellingen. DUO kan in beperkte situaties haar bevoegdheid gebruiken om de studiefinanciering, inclusief de studielening, stop te zetten. Dat kan a) op verzoek van de jongere zelf, b) als een betrokkene is gemachtigd bij DUO om financiële beslissingen te nemen of c) wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarden van studiefinanciering, zoals een geldige inschrijving. De enige uitzondering hierop is bij studenten op mbo-niveau 1 en 2 waar de studiefinanciering stopgezet kan worden in het geval van ongeoorloofde afwezigheid.

Op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 bestaat dus geen mogelijkheid om de studiefinanciering stop te zetten wanneer een derde (bijvoorbeeld een ouder) zich meldt bij DUO met het verzoek de studiefinanciering stop te zetten vanwege een gokverslaving of andere reden. Dit ligt alleen anders wanneer een student de ouder daarvoor heeft gemachtigd. De student kan echter zelf, ondanks een verstrekte machtiging, nog steeds zelf wijzigingen doorgeven of de machtiging intrekken.

Dwingendere maatregelen bij onderwijsinstellingen

Op het hbo en wo zijn instellingen verplicht om studenten aan het eind van hun eerste studiejaar een advies te geven over het vervolg van hun studie en kunnen ze dit advies bindend maken (het bindend studieadvies, artikel 7.8b WHW), bijvoorbeeld wanneer de student onvoldoende studiepunten heeft behaald. Wanneer een student een negatief bindend studieadvies ontvangt kan de inschrijving aan de opleiding worden beëindigd. Hierdoor verliest de student ook zijn recht op studiefinanciering.

In uitzonderlijke situaties kan de instelling de student uitschrijven. Dit kan onder meer op grond van de artikelen 7.42 en 7.42a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Enkele van deze gronden zijn: uitschrijving op verzoek van de student, het niet betalen van het collegegeld, of gedragingen van de student waaruit blijkt dat hij of zij ongeschikt is voor de uitoefening van het beroep waartoe de opleiding opleidt. Het hebben van een gokverslaving zou kunnen leiden tot een dergelijke situatie, maar dat is zeker niet altijd het geval.

Tot slot zijn mbo-studenten onder de 18 zonder startkwalificatie kwalificatieplichtig. Ongeoorloofd verzuim kan dus ook worden aangepakt door de leerplichtambtenaar. Studenten van 18 tot 27 jaar zonder startkwalificatie kunnen in het geval van langdurig ongeoorloofd verzuim terug naar het onderwijs worden begeleid door het Doorstroompunt.

Bescherming van jongeren binnen het kansspelbeleid

Vanuit het kansspelbeleid wordt prioriteit gegeven aan het verbeteren van de bescherming voor jongeren, die extra kwetsbaar zijn voor de risico’s van gokken. Voor minderjaren geldt sowieso dat zij niet mogen gokken en daarom ook niet toegelaten worden bij legale kansspelaanbieders. Het is bekend dat zij toch manieren vinden om te gokken, bijvoorbeeld bij illegale aanbieders of met het account van een meerderjarige. Jongvolwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar mogen wel gokken, maar ook zij zijn zeer vatbaar voor de risico’s van gokken. Wanneer zij gokschade oplopen kan dit nog lang doorwerken tot ver in hun latere leven. Binnen het kansspelbeleid worden daarom specifieke maatregelen ingezet voor jongvolwassenen om te voorkomen dat zij gokschade oplopen.

Kansspelaanbieders hebben een zorgplicht, wat betekent dat zij het gokgedrag van mensen moeten bijhouden en moeten ingrijpen wanneer zij signalen zien van risicovol of problematisch gokgedrag. Zij moeten hierbij extra aandacht hebben voor kwetsbare groepen, zoals jongvolwassenen. Bij online gokken moeten mensen voordat zij daarmee kunnen beginnen eerst speellimieten instellen. Sinds 1 oktober 2024 geldt dat wanneer gokkers een limiet hoger dan € 350 per maand willen instellen, een contactmoment moeten hebben met de aanbieder waarin wordt gewezen op de risico’s. Voor jongvolwassenen geldt dit bij een lagere limiet van € 150. Daarnaast zijn aanbieders verplicht om stortingen boven de € 700 per maand te blokkeren, totdat de gokker heeft aangetoond dit financieel te kunnen dragen. Voor jongvolwassenen geldt ook hier een lager grensbedrag, namelijk € 300 per maand. Ook op het gebied van reclame gelden speciale regels om jongvolwassenen te beschermen tegen gokschade. Online reclame voor online gokken mag jongvolwassenen bijvoorbeeld niet bereiken en zij mogen geen bonussen ontvangen.

De wetgeving omtrent online gokken wordt op dit moment herzien en zal verdere aanscherpingen bevatten ten aanzien van de zorgplicht. Ook wil de regering een overkoepelende stortingslimiet invoeren, zodat mensen die hun limiet bereiken bij een aanbieder niet verder kunnen gokken bij een andere aanbieder. Daarnaast wordt gewerkt aan een verbod op reclame voor online gokken. Ook wordt stevig ingezet op een betere aanpak van illegaal kansspelaanbod. Omdat jongeren helaas ook bij illegale kansspelaanbieders gokken en minderjarigen ook manieren vinden om te gokken kijkt de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarnaast met de Kansspelautoriteit (Ksa) hoe voorkomen kan worden dat jongeren hiermee beginnen. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft uw Kamer over bovenstaande bericht met haar voortgangsbrief kansspelen op afstand van 12 juni 2026.11

Niet alleen is daarbij een wijziging van wet- en regelgeving aangekondigd maar ook is de meerjarenagenda Bescherming tegen gokschade gedeeld.12 Hierin zijn 5 strategische doelen opgenomen om gokschade verder terug te dringen, bij zowel online kansspelen alsook bij landgebonden kansspelen zoals loterijen en fysieke sportweddenschappen. Zoals ook in de meerjarenagenda is opgenomen, hebben verschillende partijen een rol in het voorkomen van gokschade. In het geval van jongeren zijn dat niet alleen de kansspelaanbieders, maar ook de mensen in hun omgeving, zoals de professionals die werken met jongvolwassenen, bijvoorbeeld Onderwijsprofessionals. Uit het Verslavingspreventiefonds, dat beheerd wordt door de Ksa, worden verschillende activiteiten gefinancierd ter bescherming tegen gokschade. Zo worden het Samenwerkingsverband vroegsignalering schade gokken, het hiervoor genoemde initiatief Helder op School van het Trimbos-instituut en verschillende campagnes gericht op bewustwording van de risico’s van gokken bij jongvolwassenen gefinancierd vanuit het Verslavingspreventiefonds.13 Tevens wordt gekeken of en hoe het onderwerp gokken een plek kan krijgen in het preventieprogramma Opgroeien in een Kansrijke Omgeving.

Mogelijkheden voor betrokkenen bij (spook)studenten met een gokverslaving

Ik snap dat betrokkenen zich zorgen maken als een naaste zijn of haar studiefinanciering gebruikt om te gokken in plaats van studeren, met hoge schulden als mogelijk gevolg. Er zijn verschillende hulpmiddelen en initiatieven die zij kunnen raadplegen. Voor de volledigheid worden deze ook benoemd in deze bijlage.

Er zijn verschillende organisaties en initiatieven die betrokkenen kunnen raadplegen. OpenOverGokken.nl is een initiatief van de Ksa, gefinancierd vanuit het eerdergenoemde Verslavingspreventiefonds. Op deze site kunnen betrokkenen terecht voor advies of om hun verhaal te delen. Zij kunnen bijvoorbeeld hulp krijgen bij hoe ze het gesprek aangaan met iemand met een gokverslaving, waar behandeling in de buurt te vinden is en welke hulpmiddelen kunnen ondersteunen. Daarnaast is het Trimbos-instituut een onafhankelijk wetenschappelijk kennisinstituut dat betrokkenen helpt met betrouwbare achtergrondinformatie over wat gokproblemen zijn, welke schade gokken kan veroorzaken en welke hulpvormen er zijn. Met financiering uit voornoemd Verslavingspreventiefonds is bij het Trimbos hiervoor het Expertisecentrum Gokken ingericht. De site Helderopvoeden.nl helpt ouders en verzorgers bij vragen over gokken. De site legt uit hoe je signalen van problematisch gokgedrag kunt herkennen en hoe je hierover met je kind in gesprek kunt gaan. Tot slot heeft Geldfit een pagina over gokken waar betrokkenen informatie kunnen vinden over geldproblemen door gokgedrag. De site legt uit welke financiële risico’s gokken kan hebben en verwijst door naar passende hulp. Ook kunnen mensen contact opnemen met Geldfit voor advies over schulden, betalingsproblemen of zorgen over geld door gokken.

Verder is er de zogeheten Gokstop. Naast vrijwillige inschrijving door de student kunnen betrokkenen een verzoek indienen om een naaste onvrijwillig in te schrijven. De Ksa beoordeelt dan of degene die wordt voorgedragen een Gokstop kan worden opgelegd. Als de Gokstop wordt opgelegd, kan de naaste in ieder geval 6 maanden niet gokken bij speelautomatenhallen, Holland Casino en legale online aanbieders.

In een uiterst geval kunnen ouders van de student op grond van artikel 1:432 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bij de kantonrechter een verzoek indienen om hun meerderjarige kind onder bewind te stellen wegens verkwisting, conform artikel 1:431 lid 1 onder b BW. Door dit zogeheten schuldenbewind krijgt de bewindvoerder het volledige beheer over het vermogen van de onderbewindgestelde. Deze maatregel kan eveneens preventief worden ingezet wanneer een kind nog minderjarig is, mits er een gegronde verwachting bestaat dat er sprake zal zijn van verkwisting op het moment dat de jongere de meerderjarige leeftijd bereikt (art. 1:431 lid 2 BW). In de praktijk kan een ouder hierbij zelf als bewindvoerder worden aangewezen (art. 1:435 lid 4 BW), wat hen de juridische middelen geeft om de studiefinanciering effectief te beheren en te waarborgen dat deze gelden daadwerkelijk worden aangewend voor de beoogde onderwijsdoeleinden. Gezien de ingrijpende aard van deze maatregel, die de financiële zelfstandigheid beperkt, zal de rechter slechts tot instelling van het bewind overgaan indien daar een zwaarwegende en dwingende aanleiding voor bestaat.

Bovengenoemde mogelijkheden zoals de Gokstop en initiatieven als OpenOvergokken.nl zijn uiteraard ook beschikbaar voor de jongeren zelf. Bij de inrichting van deze hulpmogelijkheden wordt erop gelet dat deze laagdrempelig en breed toegankelijk zijn.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Bij dezen is de toezegging dan ook afgedaan.


X Noot
1

2026D04554

X Noot
2

TZ202412-031

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/2025, 31 524, nr. 666

X Noot
4

TZ202604-101

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/2025, 31 288, nr. 1161

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/2026, 24 724, nr. 248

X Noot
7

TZ202412-031

X Noot
9

Kamerstukken II 2024/2025, 31 524, nr. 666

X Noot
10

Hiermee is voldaan aan toezegging TZ202604-101

X Noot
11

Kamerstukken 2025–2025, 24 557, nr. 282

X Noot
12

2026D29372

X Noot
13

Bij het Samenwerkingsverband vroegsignalering schade gokken zijn onder andere het Trimbos-instituut, Verslavingskunde Nederland (VKN), GGD GHOR Nederland en de Nederlandse Schuldhulproute (NSR) aangesloten. Via deze organisaties wordt nauw samengewerkt met verslavingszorginstellingen, gemeenten en ervaringsdeskundigen.

Naar boven