Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201324724 nr. 119

24 724 Studiefinanciering

Nr. 119 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2013

Hierbij informeer ik uw Kamer over de maatregelen die zijn getroffen om achterstallige studieschulden met meer kracht terug te vorderen op voormalige studenten die in het buitenland verblijven. De eerste resultaten zijn positief te noemen en maken duidelijk dat de krachtiger aanpak van de invordering effectief is. Ook kom ik tegemoet aan de motie van de leden Mohandis en Duisenberg die uw Kamer op 22 januari 2013 heeft aangenomen (Kamerstuk 33 453, nr. 11). De motie verzoekt de regering in te zetten op het realiseren van aanvullende (machts)middelen en wet- en regelgeving bij het niet terugbetalen van studieschulden door oud-studenten in het buitenland. Tevens doe ik hiermee gestand aan mijn toezegging op 14 mei tijdens het algemeen overleg inzake de Raad Onderwijs, Jeugdzaken, Cultuur en Sport om uw Kamer nog voor het zomerreces te informeren over de aanpak en de eerste resultaten daarvan.

Migratie maakt inning van studieschulden in het buitenland tot weerbarstige materie. Gevolg van migratie van zowel oud-studenten met de Nederlandse nationaliteit als oud-studenten met een buitenlandse nationaliteit is dat studieschulden in het buitenland moeten worden geïnd. Probleem hierbij is dat oud-studenten in het buitenland regelmatig moeilijk of zelfs helemaal niet traceerbaar zijn. Daardoor wordt de inning van de studieschuld bemoeilijkt en ontstaat het risico van verjaring. Evenals het traceren vergen ook verdere stappen in het incassoproces relatief grote en kostbare inspanningen. Ingeval een debiteur in het buitenland weigert terug te betalen, terwijl hij dat wel zou kunnen, moeten diverse juridische stappen worden doorlopen. Waar de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in Nederland de bevoegdheid heeft zonder tussenkomst van de rechter een dwangbevel uit te vaardigen, is dit in het buitenland niet het geval. De gang naar de rechter is kostbaar, want stukken moeten worden vertaald en er is veelal lokale rechtsbijstand nodig. Andere landen, waaronder Groot-Brittannië, hebben vergelijkbare problemen met de inning van studieschulden in het buitenland.

In mijn eerste, mondelinge reactie op de motie Mohandis/Duisenberg heb ik aangegeven dat de inspanningen om in het buitenland schulden te innen zijn vergroot. Zoals aangegeven ontbreekt van circa vijf procent van in totaal circa 600.000 debiteuren een betrouwbaar adres, dus van circa 30.000 debiteuren. Hun achterstallige schuld bedraagt in totaal ongeveer € 83 miljoen. Daarnaast ontbreekt op dit moment een betrouwbaar adres van circa 6.000 voormalige studenten die kortgeleden zijn afgestudeerd. Van de totale groep van 36.000 debiteuren heeft circa 80 procent de Nederlandse nationaliteit. Uit analyse van de beschikbare gegevens blijkt dat een groot deel zich vermoedelijk in de ons omringende landen bevindt, waaronder België, Duitsland en Groot-Brittannië, en een beperkt deel mogelijk in Nederland. Na inventarisatie en analyse van de gegevens is in het najaar van 2012 een actieplan opgesteld en zijn er aanvullende maatregelen getroffen.

Hieronder zet ik uiteen welke (extra) instrumenten worden ingezet en welke resultaten daarmee zijn geboekt.

  • Task force DUO. Er is een team van tien specialisten ingericht om debiteuren zonder betrouwbaar adres te traceren en tot betaling aan te zetten.

  • Inzet internetonderzoek. Door raadpleging van onder meer social media wordt getracht om adres- en contactgegevens te verkrijgen.

  • Communicatie richting studenten. (Oud-)studenten staan niet altijd stil bij het feit dat DUO bij vertrek naar het buitenland niet automatisch kan beschikken over hun actuele adresgegevens. Daarom zullen studenten en oud-studenten nog actiever worden gewezen op de noodzaak hun adres door te geven.

  • Gebruik paspoortsignalering. Tot nu toe werd er beperkt gebruik gemaakt van paspoortsignalering. Wanneer het te betalen bedrag is opgelopen tot boven een bepaald drempelbedrag, kan een Nederlander die zich door verblijf in het buitenland probeert onzichtbaar te maken worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Vraagt hij een nieuw identiteitsbewijs aan, dan wordt dit geweigerd totdat de schuld is voldaan of een acceptabele betalingsregeling is getroffen. Paspoortsignalering wordt in toenemende mate ingezet als machtsmiddel om de invordering kracht bij te zetten.

  • Gebruik opsporingsregister. Dit is een nieuw instrument dat in uitzonderlijke gevallen kan worden ingezet en het achterstallige bedrag (inclusief wettelijke rente en incassokosten) is opgelopen tot meer dan € 45.000. Door opname in het opsporingsregister kan het paspoort worden ingenomen wanneer de debiteur Nederland probeert te verlaten of terugkeert vanuit het buitenland. Ook dit middel zal waar nodig worden ingezet.

  • Openbaar betekenen. Om te voorkomen dat een vordering op een persoon met onbekend adres verjaart, wordt, wanneer dat zinvol wordt geacht, een bericht in een landelijk dagblad geplaatst om ervoor te zorgen dat de vordering opeisbaar blijft.

  • Inschakelen incassobureaus. In verschillende landen worden ter plaatse incassobureaus ingeschakeld. Dat gebeurt binnen Europa maar bijvoorbeeld ook in Marokko en in de Verenigde Staten.

  • Bundeling van krachten met andere overheden. Door het delen van expertise en door uitwisseling van gegevens kan effectiever in het buitenland worden geïnd. Ook in het kader van de Compacte Rijksdienst wordt hierop ingezet.

  • Juridische stappen. Het nemen van verdergaande, juridische stappen in het buitenland kost tijd en geld, want om een dwangbevel te verkrijgen moet een proces worden gevoerd en is juridische bijstand in het buitenland nodig. Juridische stappen zullen worden ondernomen in gevallen en landen die het meest kansrijk zijn.

  • Als resultaat van de extra inspanningen zijn in de eerste vier maanden van dit jaar circa 2.600 debiteuren opgespoord. In een vergelijkbare periode in 2012 zijn circa 400 personen getraceerd. Van de groep die in 2013 is getraceerd, heeft inmiddels ongeveer een derde de terugbetaling weer hervat. Er is al bijna € 800.000 ontvangen. Bij de groep die niet is gaan terugbetalen, worden passende incassoactiviteiten ontplooid, indien de verwachte opbrengsten opwegen tegen de kosten.

Langs bovenstaande lijnen wordt de invordering op oud-studenten in het buitenland onverkort aangepakt. Gegeven de resultaten in de eerste maanden en de extra instrumenten die vanaf nu worden ingezet, heb ik het vertrouwen dat de problematiek wordt teruggedrongen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker