24 707
Nieuwe regels omtrent de economische mededinging (Mededingingswet)

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 14 augustus 1996

De vaste commissie voor Economische Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek naar dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen met betrekking tot bovengenoemd wetsvoorstel.

Onder het voorbehoud dat de regering tijdig zal hebben geantwoord, acht de commissie de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

1. Algemeen

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat in het algemeen concurrentie een goede bijdrage kan leveren aan de kracht van de economie en de werkgelegenheid. Concurrentie leidt tot lagere prijzen, hogere kwaliteit van producten en dienstverlening, meer keuzemogelijkheden, en een grotere stimulans voor innovatie. Als gevolg stijgt de vraag naar goederen en diensten, hetgeen leidt tot een hogere groei van het nationaal inkomen en de werkgelegenheid. Concurrentie op nationale markten maakt bedrijven en ondernemers weerbaarder en slagvaardiger. Ook geeft vrije concurrentie nieuwe ondernemers, producenten, leveranciers en detaillisten, een kans zich een toegang tot de markt te verwerven. Dit alles is essentieel voor een goede concurrentiepositie op internationale markten, zeker in een klimaat van Europese integratie en «globalisering».

Een ander voordeel van concurrentie is dat lagere prijzen en premies bijdragen aan een koopkrachtverbetering van met name de lagere inkomens. Zij steunen daarom de hoofdlijn van dit wetsvoorstel, namelijk de overstap van een misbruik- naar een verbodstelsel in lijn met de overgrote meerderheid van de Europese Unie. Deze leden hopen dat maatschappelijk ongewenste vormen van kartels, prijsafspraken en marktverdeling daarmee tot het verleden gaan behoren. Met een versie van dit wetsvoorstel kan de minister van Economische Zaken zich eindelijk opwerpen als de beschermheer van alle consumenten.

Desalniettemin hebben de leden van de PvdA-fractie behoefte een aantal kritische kanttekeningen te plaatsen.

Allereerst, mededinging en concurrentie zijn geen doel op zich, maar een middel om de burger toegang te geven tot een grotere variëteit aan producten en diensten tegen lagere prijzen en een betere kwaliteit. Misbruik van economische machtsposities moet vermeden worden. Maar meer concurrentie kan niet in alle hevigheid op alle terreinen plaatsvinden. Zo zal op het terrein van de sociale verzekeringen onbeheerste concurrentie leiden tot risicoselectie zodat mensen «met een vlekje» niet verzekerd worden of alleen verzekerd worden tegen onbetaalbare premies.

Concurrentie kan de toegankelijkheid voor de lagere inkomens van essentiële voorzieningen op het spel zetten. Deze leden zijn dus van mening dat op een aantal terreinen concurrentie ongewenst is of alleen onder sociale voorwaarden mag plaatsvinden. De leden van de PvdA-fractie zijn immers voorstander van herregulering onder sociale voorwaarden, niet van deregulering sec.

Omgekeerd is op sommige terreinen privatisering en verzelfstandiging te ver doorgeschoten in de zin dat voldoende concurrentie nog niet gerealiseerd is. Zo is privatisering en verzelfstandiging ongewenst als het de uitvoering van wettelijke taken betreft (te denken valt aan het loodswezen en aan de luchtverkeersleiding) en concurrentie moeilijk te realiseren is. Ook zijn de leden van de PvdA-fractie van mening dat bij de professies, zoals apothekers, medisch specialisten en notarissen, duidelijk gekozen moet worden tussen zorgverlener met een ambtelijk inkomen en koopman met zoveel mogelijk vrije concurrentie. Wat zijn de gevolgen van dit wetsvoorstel voor die professies?

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat concurrentievervalsing door overheidsbedrijven zoveel mogelijk vermeden moet worden. Immers deze vorm van concurrentievervalsing is omvangrijk en zeer divers van vorm. Daarom is het gewenst dat bijvoorbeeld in de boekhouding de uitvoering van gesubsidieerde wettelijke taken en particuliere nevenactiviteiten duidelijk gescheiden worden. Welke andere spelregels moeten er naar de mening van de regering komen om concurrentievervalsing door (verzelfstandige) overheidsbedrijven te vermijden? In welke gevallen zijn kruissubsidies wel en in welke gevallen zijn kruissubsidies niet gewenst?

Hoewel er een potentiële belangentegenstelling is met andere ministeries, vinden de leden van de PvdA-fractie spelregels op dit terrein mogelijk en nodig. Waarom is niet meer over dergelijke spelregels in dit wetsvoorstel opgenomen? In de EU-competitieregels wordt een overheidsinstantie behandeld als ware het een «onderneming». Kan meer gedaan worden aan checks en balances in dit wetsvoorstel voor verzelfstandigde overheidsorganisaties en bedrijven?

De leden van de CDA-fractie hebben met waardering kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. De intensivering van het mededingingsbeleid is reeds aangevangen onder vorige kabinetten en vindt nu zijn afronding in de Mededingingswet.

Het in overeenstemming brengen van de nationale wetgeving met europese regelgeving via harmonisatie van nationale wetgeving is op het terrein van de mededinging toe te juichen, omdat de europese en de nationale regelgeving in hoge mate complementair is.

De motivering van het wetsvoorstel vinden de leden van de CDA-fractie enigszins fragmentarisch. Internationaal werkende markten zijn in hoge mate competitief, maar toch worden globalisering, technische ontwikkeling en afbouw, waarmee zal zijn bedoeld: afbreken van handelsbelemmeringen, aangeroepen als ontwikkelingen die het wetsvoorstel moeten motiveren.

Uiteindelijk blijkt dat nog steeds driekwart van de nationale afzet tot stand komt op zgn non-exposed markten. Daarin kan de motivering worden gezocht voor een actiever mededingingsbeleid. Efficiënt werkende markten kunnen de welvaart verhogen, maar het is niet vanzelfsprekend.

Zoals terecht opgemerkt zijn er velerlei terreinen waarop de overheid een regulerende, herverdelende of beschermende rol dient te spelen, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Daarnaast kan ook zelfregulering een heilzame werking hebben. Samenwerking op gebied van onderzoek en ontwikkeling, ter bereiking van schaalvoordelen, ter bestrijding van beunhazerij of van ongebreidelde concurrentie beoordelen deze leden ook als positief.

Graag willen de leden van de CDA-fractie een afdoende onderbouwing krijgen van de stelling van de regering dat deze vormen van zelfregulering maatschappelijk nadelig zijn. Het poneren van stellingen over welvaartseffecten en saldi van kosten-batenafwegingen is nog niet een begin van bewijs dat deze welvaartseffecten of per saldo positieve baten ook daadwerkelijk zullen optreden. Het is ook deze leden bekend dat het berekenen van welvaartseffecten en het kwantificeren van kosten-batenanalyses geen gemakkelijke taak is, maar geheel onmogelijk is het niet. Graag zien deze leden daarom nader uiteengezet en duidelijk onderbouwd met empirische studies de stelling dat de nieuwe mededingingswet tot positieve welvaartseffecten zal leiden, tot meer werkgelegenheid enz.

Mededinging is een onderdeel van de economische ordening. Als zodanig beschouwen de leden van de CDA-fractie een werkzame mededinging als een in aanleg geschikt middel om de coördinatie in de bedrijfskolom te regelen. Maar het is slechts een middel en nooit een doel op zichzelf. Het is ook een middel dat zijn beperkingen kent. Zo is de markt kortzichtig, laat alle ongeprijsde schaarste buiten beschouwing, houdt soms machtsposities in stand en levert niet uit zichzelf sociaal aanvaardbare uitkomsten op.

In zoverre de voorliggende wet er in slaagt ongewenste machtsposities op te heffen dan wel te voorkomen kan zij een nuttige rol spelen. Deelt de regering deze visie of ziet het een ambitieuze rol voor het mededingingsbeleid weggelegd.

Een onderwerp dat de leden van de CDA-fractie graag geregeld zien als het om mededingingsbeleid gaat is het voorkomen respectievelijk verbieden van dumping, het (tijdelijk) beneden kostprijs verkopen van goederen of diensten, teneinde concurrenten van de markt te verdrijven.

Is het in het kader van de Mededingingswet de bedoeling dergelijk de markt bedervend gedrag uit te bannen, zo vragen deze leden. Ook al kan een dergelijk dumping-verbod het best in het Burgerlijk Wetboek worden geregeld, dan nog zullen deze leden ervoor willen pleiten, in afwachting van deze regeling via het BW, een voorlopige voorziening in de Mededingingswet op te nemen.

De Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties RCO heeft zich in een brief van 29 april 1996 aan de minister van Economische Zaken erover beklaagd dat (semi) overheidsinstellingen vaak concurrentievervalsend optreden op de particuliere markt. Graag zien de leden van de CDA-fractie dat de regering ingaat op de kritiek van de RCO en op de daarin aangehaalde voorbeelden. Kan op grond van de voorliggende wet tegen dergelijke concurrentievervalsing effectief worden opgetreden, zo vragen deze leden. Indien dit niet mogelijk is wensen deze leden te vernemen welke maatregelen de regering dan denkt te nemen om aan deze ongewenste praktijk een einde te maken.

De leden van de fractie van de VVD hebben met veel belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij kunnen zich vinden in de argumentatie die de regering geeft voor de herziening van het mededingingsbeleid. Het is van belang, gezien de economische veranderingen die zich de laatste jaren hebben voorgedaan en de gevolgen die daaruit voortvloeien voor met name het concurrentiebeleid, dat het Nederlands mededingingsbeleid wordt herzien. Gezien de toenemende mondialisering lijkt een goed functionerende goederen- en dienstenmarkt een eerste vereiste. In dit kader zijn kartels of kartelmatig functionerende samenwerkingsverbanden en concentraties van economische macht storende elementen. Gezien de gevolgen die dergelijke elementen hebben op de werkgelegenheid en de economische groei lijkt de herziening van het mededingingsbeleid een noodzaak. Een eigen mededingingsbeleid gebaseerd op Europese mededingingsregels voorkomt de noodzaak om via de zgn. «Dutch clause» over fusies en concentraties een uitspraak van de Europese Commissie te vragen voor fusies met een omzet beneden de vijf miljard ECU. De leden van de VVD-fractie kunnen dan ook instemmen met de verandering van een misbruikstelsel naar een verbodstelsel. Toch hebben zij nog enige vragen over het onderhavige wetsvoorstel.

De voorgestelde wet beoogt de beperking van de concurrentie op te heffen door mededingingsbeperkende afspraken en misbruik van economische machtsposities tegen te gaan. Concurrentiebeperking bij nuttige vormen van samenwerking kan echter aanvaardbaar zijn. Wanneer is er sprake van dergelijk nuttige samenwerkingsverbanden en op welke wijze en door wie wordt dit bepaald? Voor de leden van de VVD-fractie zal het uitgangspunt voor de toetsing van de wet zijn of het onderhavige wetsvoorstel concurrentie bevorderend zal zijn in zijn uitwerking en niet concurrentie belemmerend.

Kan de regering de leden van de VVD-fractie uitgebreider informeren over het Duitse gecombineerde misbruik- en verbodstelsel?

De leden van de fractie van D66 zijn verheugd over het verschijnen van de nieuwe Mededingingswet. Er is lang op gewacht, vaak en veel over gespeculeerd en het is goed dat deze regelgeving in Nederland werkelijkheid gaat worden, al realiseren zij zich de enorme implicaties die een en ander zal hebben voor alle geledingen van het bedrijfsleven.

De leden van de fractie van D66 willen graag hun waardering uitspreken voor de hoeveelheid werk dat op vele fronten is verricht. Overigens zijn zij niet onverdeeld enthousiast over – belangrijke – onderdelen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden zullen zoals gebruikelijk de volgorde van de memorie van toelichting aanhouden, zij het dat het hen vergund is één of liever twee praktische opmerkingen te maken die een breder terrein beslaan dan de afbakening van het wetsvoorstel toelaat.

In de eerste plaats: dit wetsvoorstel is vooral bedoeld als een volgen van «Europa» in de mededingingsregelgeving. Op verschillende punten is echter deze regelgeving in Brussel op korte termijn naar verwachting aan verandering toe; het zal toch wel zeer te betreuren zijn als onze nationale wetgeving daar dan vervolgens opnieuw bij zal gaan achterlopen. Dit dient naar de mening van de leden van de fractie van D66 absoluut vermeden te worden.

In de tweede plaats missen deze leden de regeling van een onderwerp in het voorliggende wetsvoorstel dat er zo bij uitstek in thuis hoort: de oneerlijke concurrentie. Het is er de leden van de fractie van D66 zeer veel aan gelegen – en zij zal daar ook alles aan doen – dat dit alsnog in deze wet wordt opgenomen; transparant, zoals dat ook in de Wet op de energiedistributie is gebeurd. Dit wetsvoorstel biedt dé kans alle oneerlijke concurrentie uit te bannen. En daar is het toch vooral om begonnen.

Gaarne vernemen zij, hoe de regering meent dat het vraagstuk van oneerlijke mededinging zich verhoudt tot het voorliggende wetsvoorstel?

De leden van de fractie van D66 kunnen zich in het algemeen zeer goed verenigen met alle overwegingen die geleid hebben tot de intensivering van het mededingingsbeleid. Het belang van een goede marktwerking, inmiddels onderschreven door zeer velen, vereist een zekere concurrentiedruk, ook op de binnenlandse marktsectoren. Bij mededinging gaat het in wezen om de optimale verhouding tussen prijs en kwaliteit. Van een stringent en slagvaardig mededingingsbeleid is het de verwachting dat uiteindelijk de consument er beter van wordt. Mededingingsbeperkende afspraken leiden op termijn tot minder efficiëntie op markten, tot prijsopdrijving en tot het belemmeren van nieuwe producenten c.q. dienstenaanbieders tot een toegang tot de markt. Hierdoor worden nieuwe, wellicht goedkopere en betere producten aan de consument onthouden. Het zijn echter de ondernemers die de economische ambities van ons land voor een groot deel moeten dragen, en ook zijn zij het die kunnen lijden onder een wellicht té lankmoedig mededingingsbeleid, zoals dat de afgelopen jaren in Nederland gewoon is geweest.

Een goed concurrentievermogen weegt des te meer, wanneer de concurrentiedruk vanuit het buitenland als gevolg van de globalisering van de wereldeconomie steeds meer toeneemt. Noodzakelijk lijkt een vrij algemene cultuuromslag, waarin de trefwoorden zelfs inmiddels al aan een zekere slijtage onderhevig zijn – al heeft de omslag nog niet eens plaats gevonden! Dat zijn: alertheid, flexibiliteit en vernieuwingsgezindheid. De wapens die nu ingezet worden tegen de restanten van een ingedutte, beschermde Jan Saliegeest zijn: de afwijzing van mededingingsbeperkende afspraken in de ruimste zin des woords en de afwijzing van misbruik van een economische machtspositie.

Overigens wordt opgemerkt dat «bij nuttige vormen van samenwerking concurrentiebeperkingen aanvaardbaar kunnen zijn». Waarvan akte. Gaarne een nadere toelichting van de regering hierop. Doelt zij in dit verband bijvoorbeeld op de bindende prijsafspraken die thans bestaan in de dagbladpers?

Tevens wordt in dit wetsvoorstel preventief toezicht op fusies, concentraties en overnames uitgewerkt. Ook die kunnen immers, aldus de memorie van toelichting, een bedreiging vormen voor de mededinging.

Met grote interesse hebben de leden van de fractie van GroenLinks kennis genomen van het voorstel voor nieuwe regels omtrent de mededingingswet. Goede marktwerking is een belangrijk middel om de economische ontwikkeling te stimuleren. Bovendien komt concurrentie ten goede aan de consumenten.

Het is de leden van de fractie van GroenLinks opgevallen dat een degelijke economische onderbouwing van het wetsvoorstel onderbreekt. Is het nu werkelijk zo dat Nederland een kartelparadijs is. En de samenwerkingsverbanden die er bestaan, gaan die echt ten koste van de economische ontwikkeling?

In de memorie van toelichting wordt geconstateerd dat samenwerkingsverbanden niet zelden bestaan ter verwezenlijking van respectabele doelen, maar dat de kosten van zulke vormen van economische en sociale zelfregulering zelden opwegen tegen de baten. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waar deze constatering op gebaseerd is. De simpele mededeling dat marktwerking ten alle tijde goed is, is te simpel.

De leden van de GroenLinks-fractie zien graag een empirische analyse tegemoet van de nadelen van samenwerkingsverbanden in de Nederlandse economie en de voordelen die veel strictere regels zullen hebben. De opvatting dat de strengere mededingingsregels nodig zijn vanwege de globalisering van de economie zijn daarbij ook niet overtuigend.

Een Schumpeteriaanse visie op concurrentie à la Porter spreekt de leden van de fractie van GroenLinks aan. Via concurrentie, maar ook via regelgeving bijvoorbeeld op milieugebied, worden bedrijven gedwongen een innovatieve houding aan te nemen. Toch moet ook rekening gehouden worden met mogelijkheden voor bedrijven om daadwerkelijk te investeren in innovatieve projecten. Onstabiele marktverhoudingen brengen onzekerheid met zich mee. Onzekerheid remt de geneigdheid tot investeren. Onderlinge afspraken tussen bedrijven kunnen voor stabielere marktrelaties zorgen, waardoor bedrijven eerder aan langere termijn projecten zullen durven te denken, zoals investeren in milieuvriendelijke innovatieve projecten.

De leden van de RPF-fractie hebben kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel betreffende het nieuwe mededingingsbeleid.

Het wetsvoorstel wordt gemotiveerd door een beeld te schetsen van de Nederlandse markt waarin de concurrentie tot een minimum beperkt zal zijn, terwijl dit van groot belang is voor de werkgelegenheid, economische groei en exportafzet. De OESO heeft hier in het verleden al op gewezen dat Nederland bijna verwordt tot een kartelparadijs. De leden van de RPF-fractie stellen een goede regeling ten aanzien van de mededinging ook op prijs.

Wanneer de ontwikkelingen bekeken worden in bijvoorbeeld de sport en media-wereld moet worden afgevraagd of dit het ondernemingsklimaat in Nederland ten goede komt.

De vraag is wel waar de grenzen van de regeling moeten liggen. Het huidige systeem zal namelijk substantiële verliezen veroorzaken. Onduidelijk is naar welke empirische gegevens wordt verwezen om de stelling van substantiële verliezen op de verschillende terreinen te onderbouwen. Kan de regering aangeven om welke onderzoeken het in deze gaat? Is dit een algemeen beeld of zijn er ook tegenstrijdige aanwijzingen?

Een goede regeling op het mededingingsgebied moet niet ten koste gaan van het kenmerkende patroon van de Nederlandse economie, waar het midden- en kleinbedrijf een belangrijke plaats inneemt. De leden van de RPF-fractie hebben de mededingingswet met name kritisch bekeken aan de hand van de consequenties voor het midden- en kleinbedrijf.

Het nieuwe mededingingsbeleid zal, volgens de memorie van toelichting, een bijdrage kunnen en moeten leveren aan de vereiste cultuuromslag. Op dit moment spelen er naast vernieuwing van het mededingingsbeleid, veranderingen in de vestigingswet en de winkeltijdenwet. De leden van de RPF-fractie vragen of al deze voorgestelde veranderingen voor een overkill zorgen voor met name de detailhandel, waardoor het voor deze bedrijven niet zozeer de vraag is of zij sterk genoeg zijn om stand te houden in de markt, als wel of ze slim genoeg zijn en tijd genoeg hebben voor alle noodzakelijke aanpassingen die de overheid eist.

In hoeverre is met name bij het onderhavige wetsvoorstel getest wat voor toename in administratieve lasten dit geeft voor de (met name kleine) detailhandel? En in hoeverre past dit wetsvoorstel in het dereguleringsproces? De leden van de RPF-fractie vragen de regering dit nader toe te lichten.

De leden van de SGP-fractie hebben met enige reserves kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven met de regering het grote belang van een goede marktwerking. De overheid heeft tot taak om allerlei vormen van oneerlijke concurrentie, waaronder het misbruik maken van economische machtsposities, te bestrijden. Er dient echter voor te worden gewaakt dat de mededingingswetgeving de concurrentieverhouding tussen het midden- en kleinbedrijf en het grootbedrijf niet verstoord. Door middel van allerlei samenwerkingsverbanden slagen ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf erin een adequate concurrentiepositie ten opzichte van grote ondernemingen te handhaven.

Naar de mening van deze leden kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn een dam op te werpen tegen die vormen van commerciële samenwerking die naar hun aard niet concurrentiebeperkend zijn, maar juist de concurrentie bevorderen. Deze leden nodigen de regering uit haar visie ter zake te geven.

Het wetsvoorstel benadrukt nogal sterk het primaat van de vrije markt. Als algemeen uitgangspunt kunnen deze leden zich hierin vinden, maar zij zijn van mening dat de verschillende deelmarkten onderling soms grote verschillen kunnen vertonen.

Deelt de regering de opvatting dat een volledig vrije markt niet voor elke deelmarkt de meest geschikte optie is? In dit verband wijzen de leden van de SGP-fractie op de bouwmarkt, die in de memorie van toelichting genoemd wordt als voorbeeld van een ondoelmatig functionerende markt. Is de regering niet op de hoogte van de conclusie uit het zogeheten Atkins-rapport inzake de Europese bouwsector, waaruit blijkt dat het primaat van de vrije markt op de bouwmarkt geen opgeld doet?

Een aanscherping van het mededingingsbeleid kan naar de mening van deze leden alleen een rechtvaardiging vinden, indien aan de hand van de relevante feiten is aangetoond dat de huidige Wet economische mededinging onvoldoende mogelijkheden biedt om verstoring van de marktwerking door mededingingafspraken en/of misbruik van economische machtsposities effectief te bestrijden.

De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat de motivering van het wetsvoorstel veel vragen oproept. De memorie van toelichting wekt de indruk dat veel (vermeende) zwakheden van onze economie te herleiden zijn tot wat genoemd wordt een gebrek aan een effectief mededingingsbeleid. Zo wordt gesteld dat het slecht gesteld is met de marktwerking en dat ons land slecht scoort op het gebied van de werkgelegenheid en de groei. Kunnen deze nogal stellige uitspraken met praktijkvoorbeelden worden geadstrueeerd?

Hoewel toegegeven wordt dat macro-economisch onderzoek naar de effecten van concurrentie of de afwezigheid daarvan op de nationale economie niet eenvoudig is, wijzen de beschikbare empirische aanwijzingen van macro-economische schade in de richting van substantiële verliezen in termen van het scheppen van werkgelegenheid, groei en exportafzet, aldus de memorie van toelichting. Op welke economische studies is deze waarneming gebaseerd? Kan in het algemeen worden aangegeven hoe wordt vastgesteld dat de marktwerking door mededingingsafspraken wordt gefrustreerd?

Hoe valt te verklaren dat in de door het vorige kabinet uitgevoerde sterkte-zwakte analyse van de Nederlandse economie, zoals weergegeven in de Nota «Economie met open grenzen» (1990) ten aanzien van de mededinging slechts gesignaleerd wordt dat sprake is van een «soms gebrekkige marktwerking»?

Ook het argument dat een flink deel van onze nationale markten nog relatief beschut is tegen directe importconcurrentie klinkt bepaald niet overtuigend.

Wordt hier ook gedoeld op importconcurrentie uit andere lidstaten van de EU, zo vragen de leden van de SGP-fractie? In ieder geval kan niet worden ontkend dat de relatieve beschutting van de Nederlandse markt tegen directe importconcurrentie uit landen van buiten de EU niet zozeer te maken heeft met de beperking van mededinging, als wel met de handelsbeschermende maatregelen die met name in EG-verband tot stand zijn gekomen. Bovendien is zulks niet uniek voor Nederland, ook de markten van andere lidstaten van de EU worden door de handelsbelemmerende maatregelen van de Gemeenschap beschermd. Door sommigen wordt Nederland wel betiteld als een kartelparadijs. Hoe wordt het begrip kartel door de regering gedefinieerd? Zou de regering de kwalificatie dat ons land een kartelparadijs is voor haar rekening durven nemen? Kan worden toegelicht dat de laatste jaren nationaal de overtuiging gegroeid is dat de werking van de goederen- en dienstenmarkt in Nederland te wensen over laat? Gaat het hier slechts om een overtuiging of zijn er concrete bewijzen c.q. aanwijzingen?

Deelt de regering de opvatting dat uit het enkele feit dat in Nederland in de detailhandelssector een groot aantal samenwerkingsverbanden bestaat, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de marktwerking wordt belemmerd en de mededinging wordt beperkt? In de memorie van toelichting wordt er op gewezen, zo merken de leden van de SGP-fractie op, dat ook de structurele problemen van Nederland op het gebied van werkgelegenheid en groei onder meer verband houden met een jarenlang lankmoedig uitgevoerd mededingingsbeleid. Kan dit verband nader worden toegelicht? Is het niet juist zo dat Nederland als het gaat om de creatie van nieuwe werkgelegenheid de laatste jaren beter gescoord heeft dan de meeste andere lidstaten van de EU?

Volgens de OESO lijkt de concurrentiedruk in ons land zwak.

De OESO kiest hier zeer voorzichtige bewoordingen. Beschikt de OESO niet over harde bewijzen om haar oordeel kracht bij te kunnen zetten? Hoe wordt de concurrentiedruk gemeten? Zijn de marktkarakteristieken van de verschillende OESO-landen zonder meer vergelijkbaar?

Indien de concurrentiedruk in ons land zwak lijkt, hoe valt dan te verklaren dat, volgens de OESO-studie «Comparative price levels» (april 1996), het prijsniveau in Nederland tot het laagste van de ons omringende landen behoort en dat in de periode 1986 tot 1994 van alle OESO-landen de consumentenprijzen in Nederland het minst zijn gestegen?

De omzetting van het huidige misbruikstelsel in een verbodstelsel stuit bij de leden van de SGP-fractie niet op bezwaar. Het verschil is naar hun mening slechts optisch van aard. Daarbij komt dat uit EG-verdragrechte- lijke verplichtingen niet een automatische keuze voor een verbodstelsel voortvloeit.

In dit verband bevreemdt het deze leden dat als eerste overweging voor de nieuwe mededingsingswet genoemd wordt dat voor mededingingsafspraken en voor misbruik van economische machtsposities een verbodssysteem «moet» worden ingevoerd. De regering lijkt hier te suggereren dat de invoering van een verbodssysteem de enige methode is om een werkelijk serieus mededingingsbeleid te kunnen voeren. Is zij die mening werkelijk toegedaan?

De leden van de GPV-fractie hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden onderkennen de noodzaak van het streven van de regering de regels omtrent de economische mededinging te laten aansluiten bij de richtlijnen van de Economische Unie. Deze leden lezen in de toelichting dat Nederland als één van de weinige landen binnen de EG nog het misbruiksysteem hanteert en dus als één van de laatste landen haar wetgeving aan de EG-mede- dingingsregels aanpast.

Deze leden hebben echter vernomen dat binnen de Europese Commissie een groenboek verticale mededingingsbeperkingen wordt voorbereid, waardoor naar verwachting op korte termijn de EG-regel- geving op het gebied van de mededinging zal worden aangepast. Is het niet beter te wachten tot deze regelgeving bekend is, zodat de aanpassing aan de EG-regels up to date is en Nederland één van de eerste landen is die de regelgeving hierop heeft afgestemd?

2. Adviezen van de Sociaal-Economische Raad en van de Commissie economische mededinging

Volgens de adviesaanvraag zou de Mededingingswet oorspronkelijk niet voorzien in enige vorm van concentratietoezicht; het merendeel van de Commissie economische mededinging is daar echter een voorstander van. Heel opmerkelijk vinden de leden van de fractie van D66 het advies van zowel de Commissie economische mededinging als van de Sociaal Economische Raad, dat de bevoegheid tot het vaststellen van sanctiebeschikkingen – zeker gezien de keuze voor bestuursrechtelijke handhaving van de wet – moet worden toegekend aan een zelfstandig bestuursorgaan. Deze constructie heeft voorshands ook de voorkeur van de leden van de fractie van D66; later in deze inbreng zal daarop terug worden gekomen. Hier zij nog opgemerkt dat ook de Raad van State zeer uitvoerig ingaat op deze gewenste scheiding van toezicht en onderzoek enerzijds en bevoegdheid tot sanctieoplegging anderzijds.

Een ander punt in de beide adviezen is de bagatelvoorziening, waarbij beide organen pleiten voor een ruimhartig criterium, c.q. een aanzienlijke verruiming.

De SER wijst op een aangelegenheid die al geruime tijd ook de volle aandacht van de leden van de fractie van D66 heeft: nl. concurrentievervalsing door overheden. Uitsluitend aan stringente voorwaarden gebonden mededingingbeperkende afspraken kunnen voorwerp zijn van een bijzondere ontheffingsmogelijkheid. Zij delen deze mening en vragen de regering waarom het wetsvoorstel niet een ruimere regeling bevat die tevens oneerlijke (overheids-)concurrentie verbiedt?

3. Uitgangspunten van de mededingingswet

Ten aanzien van de doorwerking van het Europese recht in de nationale wetgeving zien de leden van de CDA-fractie graag een uiteenzetting tegemoet op welke wijze in de wet is voorzien dat alle Europese bekendmakingen terzake in de nationale wet worden overgenomen.

Het wetsvoorstel is van toepassing op iedere entiteit die aan het economisch proces, gericht op het produceren of distribueren van goederen of het verlenen van diensten, deelneemt. Dit geldt ongeacht de rechtsvorm of wijze van financiering. De leden van de VVD-fractie stellen in dit verband prijs op een toelichting op de positie van de overheid in de Mededingingswet. Concurrentievervalsing door (semi-)overheids- instellingen moet vermeden worden.

Kan de positie van (semi-)overheidsinstellingen en de prijsvorming van hun produkten nader uitgewerkt worden? Kunnen richtlijnen uitgewerkt worden voor de kostprijsbepalingen, bijvoorbeeld van contractonderzoek bij universiteiten? Ook bij deze wet bepleiten deze leden een duidelijker scheiding tussen het bedrijfsleven en de overheid. Zij dringen dan ook aan op de notitie van de regering over de positie van de ZBO's.

Een belangrijk uitgangspunt is de oriëntatie op het EG-Verdrag en dan met name op de artikelen 85 en 86. Toch is de wet «geen kopie» van die bepalingen. Echter, wie zo de wet doorexcerceert, ontdekt dat soms wel en soms niet de Europese regelgeving, de waarborgen en de systematiek gevolgd wordt. Hier en daar menen de leden van de fractie van D66 zelfs een discrepantie te bespeuren. Zij stellen het dan ook bijzonder op prijs wanneer de regering een inventarisatie kan maken van de punten waarop materieel en formeel de Europese garanties en systematiek gevolgd wordt en met name ook van de gevallen, waar daarvan wordt afgeweken. Zo bevreemdt het deze leden dat de Algemene Wet Bestuursrecht zo maar van toepassing wordt verklaard zonder op het specifieke terrein van het mededingingsrecht toegesneden nuanceringen: waar het Europese mededingingsrecht punt van oriëntatie is, lijkt dat niet het geval voor de daarbij gebruikelijke rechtsbescherming. Gaarne ook dit aspect bij de inventarisatie betrekken, zo vragen zij de regering.

Overigens zetten de leden van de fractie van D66 enigszins vraagtekens bij de verzekering dat de mededingingsregels niet strenger én niet soepeler zullen zijn dan de EG-regels. De voorbeelden van het tegendeel zullen vanzelf de revue passeren; zij noemen hier nu enkel artikel 32, waarbij fusies tussen banken en verzekeringen zich aan het Nederlandse fusietoezicht onttrekken. Kan de regering een nadere onderbouwing geven van deze bewering?

5. Mededingingsafspraken

5.1. Verbod van mededingingsafspraken

Opmerkelijk is dat voor een verbod ex artikel zes al voldoende wordt geacht het bestaan van consensus tussen ondernemingen om concurrentiegedrag te regelen. Daartoe is zelfs al voldoende dat «ondernemingen de bedoeling hebben om rekening te houden met elkaars belangen om zich te onderwerpen aan economische, sociale of morele druk». De leden van de fractie van D66 staan hier even bij stil, omdat het hier op het oog algemeen menselijke eigenschappen betreffen. Hoe moeten deze leden zich dit in de praktijk voorstellen?

Volgens artikel zes zijn alle overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen verboden, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt beperkt. Het gaat daarbij steeds om twee of meer zelfstandige ondernemingen; bij concentraties zal hiervan geen sprake zijn. Opmerkelijk genoeg valt een afspraak tussen de Staat en een onderneming niet onder het verbod. Waarom vallen zulke afspraken buiten het bestek van artikel zes, zo vragen de leden van de D66-fractie? Hetzelfde geldt, zij het dat een formulering hieromtrent in de tekst ontbreekt, voor collectieve arbeidsovereenkomsten. Is het voorstelbaar dat van een collectieve arbeidsovereenkomst een mededingingsbeperkende invloed uit kan gaan? En zo ja, waarom vallen deze dan buiten het verbod van artikel zes?

Het wetsvoorstel verbiedt overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

Uit de tekst van het wetsvoorstel leiden de leden van de SGP-fractie af dat niet alle prijsafspraken verboden worden.

Het beslissende criterium, zoals neergelegd in artikel zes, is dat afspraken of feitelijk afgestemd gedrag tussen ondernemers tot doel en/of tot gevolg heeft dat de mededinging wordt aangetast. Afspraken die dat doel of dat gevolg niet hebben zijn derhalve krachtens het wetsvoorstel toelaatbaar.

De hier aan het woord zijnde leden willen weten in welke gevallen sprake is van verhindering, beperking of vervalsing van mededinging. Is daarvan bijvoorbeeld sprake bij het vrijwillig filiaalbedrijf, zo vragen de leden van de SGP-fractie? Een kenmerk van de in dit samenwerkingsverband opererende winkeliers is dat zij in hun vestigingsgebied of klantenzône concurreren met alle andere winkeliers en niet met hun collega's waarmee ze samenwerken, omdat die per definitie in andere vestigingsgebieden opereren.

Deelt de regering, zo vragen de leden van de SGP-fractie, de opvatting van de Vereniging van In- en Verkoopcombinaties dat een dergelijk samenwerkingsverband niet tot gevolg heeft dat de concurrentie wordt beperkt, verhinderd of vervalst en dat deze samenwerkingsvorm derhalve niet onder de werkingssfeer van artikel zes valt, c.q. dient te vallen?

Deze leden hebben begrepen dat franchise-overeenkomsten onder het regime van het wetsvoorstel geen prijsafspraken meer mogen bevatten. In het blad Ondernemen, 2e jaargang, juni 1996, pagina 56, wordt de volgende uitspraak van de minister van Economische Zaken geciteerd: «Maar tegen adviesprijzen zullen we niet optreden». Wat is de reikwijdte van deze uitspraak?

In hoeverre is die uitspraak vol te houden in het licht van het bepaalde in artikel zes, in welk artikel nadrukkelijk is vastgelegd dat niet alleen overeenkomsten tussen ondernemingen en besluiten van ondernemersverenigingen, maar ook onderling afgestemde feitelijke gedragingen verboden zijn? Is het juist dat de uitspraak van de minister onverlet laat dat langs indirecte weg tegen (juridisch niet-bindende) adviesprijzen kan worden opgetreden, indien namelijk wordt vastgesteld dat sprake is van feitelijk afgestemd gedrag in de vorm van uniforme verkoopprijzen?

Bij sommige winkelketens komt het voor dat een deel van de filialen niet in eigendom is van de moederonderneming. Welk beleid zal worden gevoerd ten aanzien van deze gemengde ketens, zo vragen de leden van de SGP-fractie? Zijn onder de vigeur van het wetsvoorstel gemeenschappelijke advertenties met daarin bindende eenheidsprijzen nog toelaatbaar?

Hierbij tekenen deze leden aan dat naar hun mening sommige adviesprijsafspraken wél tot beperking van de mededinging kunnen leiden, doch andere niet. Het hangt er immers vanaf of de partijen in de situatie verkeren dat zij in directe concurrentie met elkaar treden. Alleen voor zover dit het geval is leiden die afspraken daadwerkelijk tot beperking van de mededinging en dienen zij verboden te worden.

5.1.2. Inhoud van de mededingingsbeperking

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het overnemen van het Europese verbodstelsel een noodzakelijke en goede aanpak is voor een modern mededingingsbeleid. Maar deze leden vragen of in bepaalde gevallen nationale nuanceringen gewenst zijn. Kan daarom nog eens aangegeven worden waarom voor de detailhandel bij bepaalde distributievormen klantenbinding of prijsbinding wel mag worden opgelegd (warenhuisketens) en bij andere distributievormen dergelijke vormen van klantenbinding en verticale prijsbinding niet mag worden opgelegd (franchises of vrijwillige filiaalbedrijven)?

Is hier sprake van oneerlijke discriminatie tussen ketens enerzijds en franchises of vrijwillige filiaalbedrijven anderzijds? Pleit het feit dat de vrijwillige filiaalbedrijven een waardevolle functie vervullen (in de zin dat zelfstandige winkeliers know how, techniek en zeer efficiënte aankoop en distributie aangeboden wordt) voor een versoepeling van het wetsvoorstel van het gebod op verticale prijsbinding? Dreigt het wetsvoorstel anders op dit punt niet ten koste van het midden- en kleinbedrijf te gaan? Denkt de regering dat ten gevolge van dit wetsvoorstel ketens zich zullen omvormen tot concerns, zo vragen de leden van de PvdA-fractie?

In gevallen van gemeenschappelijke inkoop is sprake van monopsonie. Verbiedt het wetsvoorstel monopsonistisch gedrag op dezelfde manier als het monopolistisch gedrag verbiedt?

Is het rigide beleid dat Brussel vanouds voert met betrekking tot «vertical restraints» heilzaam voor de Nederlandse economie met ook in het bedrijfsleven een corporatistische cultuur van samenwerking en afstemming?

Op grond van welke argumenten is de regering van mening dat het wetsvoorstel een belangrijk winstpunt is in de zin dat een ondernemer op grond van eigen kostenoverwegingen en inschattingen van de eigen marktpositie zelf de eigen prijzen kan vaststellen? Is de regering van mening dat het wetsvoorstel niet noodzakelijk ten koste van franchises c.q. vrijwillige filiaalbedrijven en dus de detailhandel hoeft te gaan? Hoe kijkt de regering aan tegen de suggestie dat het in ieder geval goed geregeld moet worden dat ondernemers kunnen samenwerken in de vorm van landelijke reclamecampagnes met bijvoorbeeld folders met maximum adviesprijzen terwijl tegelijkertijd individuele ondernemers het recht hebben lagere prijzen dan de maximum adviesprijzen te vragen? Dit komt goed uit voor ondernemers; immers uit onderzoek van de detailhandel blijkt dat de meeste ondernemers zelf hun eigen prijsbeleid willen voeren, zeker als daar waar winkels van een bepaalde keten niet op een dusdanig korte afstand van elkaar liggen dat gevreesd moet worden voor concurrentie. Bovendien willen consumenten zekerheid dat prijzen niet hoger zijn dan de adviesprijzen. Is de regering het eens met de stelling dat in het geval van de franchises en de vrijwillige filiaalbedrijven in de detailhandel binding alleen slecht voor de consument is als er sprake is van starheid naar beneden terwijl het geen kwaad kan voor de consument als er binding naar boven is? Immers concurrentie welke leidt tot lagere prijzen van leden van een franchise of vrijwillig filiaalbedrijf kan immers alleen maar de consument ten goede komen.

Welke inkoop- en verkooporganisaties worden wel en welke niet verboden (dit met het oog op het mogelijkerwijs behalen van aanzienlijke schaalvoordelen) in deze variant van het wetsvoorstel, zo vragen de leden van de PvdA-fractie?

Het hanteren van uniforme maximum adviesprijzen maakt regionale en landelijke reclamecampagnes mogelijk, terwijl individuele leden in lokale markten in de gelegenheid zijn hun prijzen onder deze adviesprijzen vast te stellen en te concurreren op lokale markten. De prijsvoordelen van gezamenlijke inkoop door franchises en andere samenwerkings-verbanden zijn bevorderlijk voor het druk zetten op leveranciers, maar dat laat onverlet volgens de leden van de PvdA-fractie dat er niets mis is met adviesprijzen en wel iets mis is met prijsafspraken.

De stelling van het KUB-proefschrift van W.J.M. Reijnders («Prestaties van Netwerken in de Detailhandel», 1994) is dat samenwerkende, zelfstandige detaillisten doorgaans op een lager prijspeil opereren dan detaillisten die niet samenwerken. Kan een reactie gegeven worden op de implicaties van deze stelling voor het wetsvoorstel?

Kan aangegeven worden, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, hoe met samenwerkingsverbanden van detaillisten in andere landen omgegaan wordt? Is het juist dat de uitzondering die voor de detailhandel in Zweden bedongen is alleen geldt voor adviesprijzen en niet voor de prijzen zelf?

Vindt de regering het belangrijk dat kleine bedrijven toegestaan wordt om onderling de concurrentie te beperken met als doel gezamenlijk, feller te kunnen concurreren met grote ondernemingen? Is het zo dat enige beperking van intra-brand-concurrentie kan leiden tot meer inter-brand-concurrentie? Hoe kijkt de regering aan tegen het niet van toepassing verklaren van het kartelverbod van artikel 6 op gezamenlijke reclamecampagnes van samenwerkende ondernemers in de groot- en detailhandelssector, waarbij het hanteren van uniforme prijzen gedurende tenminste één seizoen (zes maanden) is toegestaan? Ziet de regering in verband met de gewenste pluriformiteit reden een uitzondering te maken voor de verkoopprijzen van dagbladen?

Ten aanzien van de mededingingsafspraken wordt dikwijls een onderscheid aangebracht tussen verticale en horizontale afspraken. Daarmee wordt gesuggereerd dat verticale afspraken minder concurrentiebeperkend zullen zijn dan horizontaal werkende overeenkomsten. De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre dit onderscheid verwatert nu steeds meer samenwerkingsvormen, die van oorsprong een zuiver verticaal dan wel horizontaal karakter hebben, sprekend op elkaar beginnen te lijken. Kan de regering nader aangeven en aantonen in hoeverre er inderdaad een ontwikkeling gaande is waarin het onderscheid tussen verticale en horizontale mededingingsafspraken op de achtergrond raakt.

Kan tevens worden aangegeven waar het onderscheid nog wel degelijk relevant is en of in de praktijk van de Mededingingswet met dit onderscheid rekening kan en zal worden gehouden. Hoe is deze kwestie van het onderscheid tussen verticale en horizontale afspraken geregeld in de Duitse kartelwet en waarom sluiten wij ons niet daarbij aan?

In dit verband willen de leden van de CDA-fractie graag duidelijkheid hebben over de komst van een Europees Groenboek, waarin, naar verluidt, juist dit onderscheid tussen horizontale en verticale afspraken als zeer relevant zal worden aangemerkt, in die zin dat verticale afspraken veel milder zullen worden behandeld. Wanneer is de komst van dit Groenboek voorzien, gaat het inderdaad in de richting van een milder regime voor verticale afspraken en welke consequenties heeft dit voor het voorliggende wetsvoorstel? Met name voor samenwerkingsvormen in de detailhandel is het huidige wetsvoorstel van ingrijpende betekenis, in die zin dat uniforme prijsafspraken, voorzover zij verder gaan dan advies-prijzen, verboden worden verklaard. Het kan toch niet zo zijn dat het verbod op uniforme prijzen enkele maanden na inwerkingtreden van de Mededingingswet weer moet worden herzien wegens de implicaties van het Groenboek. De leden van de CDA-fractie zouden dit een zeer onzorgvuldige werkwijze vinden en in dat geval willen pleiten voor uitstel van behandeling van dit wetsvoorstel totdat het Groenboek is verschenen. Graag zien zij volstrekte helderheid op dit punt. In dit verband wijzen deze leden erop dat de Europese Commissaris van Miert op vragen vanuit het Europees Parlement onlangs heeft geantwoord: «De Commissie deelt de opvatting ... dat de verschillende vormen van commerciële samenwerking tussen kleine en middelgrote ondernemingen, zoals inkooporganisaties, vergemakkelijkt zouden moeten worden». Het zou aanbeveling verdienen wanneer de regering in dezen de opvatting van de Europese Commissie vraagt en in de nota naar aanleiding van het verslag de opvatting van de Europese Commissie inzake de waarschijnlijke inhoud en de procedure van het Groenboek opneemt.

Wat naar de mening van de leden van de CDA-fractie ontbreekt in de memorie van toelichting is een duidelijke uiteenzetting van de gevolgen die de voorgestelde wet zal hebben op de detailhandel. Ten aanzien van de franchising is duidelijk dat deze wordt vrijgesteld behalve de uniforme prijzen, tenzij deze worden vorm gegeven via adviesprijzen. Maar hoe staat het met vrijwillig filiaalbedrijven en inkoopcombinaties? Geldt daarvoor hetzelfde, te weten dat zij zijn vrijgesteld behalve voorzover prijzen uniform worden bepaald en afgedwongen? Welke effecten zijn van deze maatregel te verwachten?

Mogen dergelijke samenwerkingsvormen van ondernemingen nog folders verspreiden waarin uniforme prijzen zijn opgenomen; mogen nog gedurende bepaalde tijd speciale acties worden ondernomen, waarin ook op uniforme wijze prijskortingen worden aangeboden; mag in de winkels nog van een barcode worden gebruik gemaakt aan de kassa of is in deze gevallen sprake van onderling afgestemd en daarmee verboden gedrag, zo vragen deze leden. Welke consequenties heeft de wet voor winkelketens die werken met zowel filialen als met zelfstandige franchise-nemers?

Graag zien de leden van de CDA-fractie een uiteenzetting tegemoet van de zijde van de regering waarin duidelijk wordt aangegeven waarom op deze manier de positie van zelfstandige ondernemers moet worden verzwakt tegenover de grote en kapitaalkrachtige winkelketens, met hun vele filiaalbedrijven. Is juist niet een van de functies van een werkzame mededinging dat in een markt countervailing power ontstaat tegenover de grote en machtige marktpartijen? Eén van de doorslaggevende redenen waarom ons land nog in het gelukkige bezit is van vele zelfstandige ondernemers is dat dezen zich veelal op tijd hebben gevoegd in een samenwerkingsverband, waardoor men zich met succes kon verweren tegen de macht van het grootwinkelbedrijf. Desondanks is een doorgaande afbraak zichtbaar van het aandeel zelfstandige ondernemers. Dit moet niet als een teken van vooruitgang worden beschouwd, omdat het dikwijls gevolgen heeft voor de voorzieningsgraad, met name op het platteland.

Zien de leden van de CDA-fractie het goed dan is de concurrentie in de detailhandel dikwijls hervormd tot een concurrentie tussen winkelformules. Deze concurrentie kan zeer effectief zijn, zoals ook wel wordt aangetoond door relatief lage consumentenprijzen in ons land. De negatieve effecten op de monotone samenstelling en uitmonstering van het winkelareaal in de Nederlandse binnensteden (de ver«blokker»ing) moeten dan maar op de koop toe worden genomen. In deze concurrentieslag tussen winkelformules worden de samenwerkingsvormen van kleine, zelfstandige ondernemers door de Mededingingswet in een nadeliger positie gezet ten opzichte van de grootwinkelbedrijven.

Graag zien de leden van de CDA-fractie uiteengezet hoe de concurrentie tussen klein en groot in de detailhandel tot een versterking van de positie van de kleine zelfstandige ondernemers zal leiden. Dat moet immers het effect zijn conform het ook door de regering gekozen uitgangspunt, dat concurrentie goed is, maar dat ook bepaalde vormen van samenwerking tussen ondernemingen tot maatschappelijke voordelen kunnen leiden. De leden van de CDA-fractie vinden echter niet dat het aan deze samenwerkingsvormen is om deze maatschappelijke voordelen te bewijzen.

Nu het de regering is die in de onderlinge krachtsverhouding wenst in te grijpen zal zij ook moeten aantonen dat hiervan maatschappelijke voordelen kunnen worden geplukt. In dit verband wordt dikwijls gewezen op de Zweedse wetgeving. Kan de regering aangeven waarin de Zweedse wet op dit punt afwijkt van het Nederlandse wetsvoorstel? Tenslotte vragen deze leden waarom wordt afgeweken van de besluitvorming door de vorige regering, waarin bij het verbod op prijsbinding een generieke vrijstelling werd gegeven aan de traditionele samenwerkingsvormen in de detailhandel. Zo'n ingrijpende beleidswijziging vraagt om een overtuigende uiteenzetting.

Recent zijn in de pers berichten verschenen waaruit blijkt dat de minister van Economische Zaken een gesprek heeft gevoerd met de Nederlandse detailhandel (zie bijvoorbeeld Het Financiële Dagblad van 15–17 juni 1996). Uit dit persbericht blijkt dat een werkgroep van ambtenaren en ondernemers is samengesteld die de wet gaat toetsen aan de praktijk om te weten wat binnen de winkelformules wel en niet is toegestaan op grond van de Mededingingswet. De leden van de CDA-fractie vinden het ongemakkelijk dit verslag te moeten uitbrengen terwijl niet kan worden beschikt over de uitkomsten van deze werkgroep. Zij gaan ervan uit dat de resultaten van de werkgroep worden vermeld in de nota naar aanleiding van het verslag.

Waarom heeft de Commissie economische mededinging een voorkeur voor een verbod van horizontale en verticale regelingen, evenwel zonder de verplichte aanmelding van verticale regelingen en met een ruimhartig bagatelcriterium? Voorts wensen de leden van de VVD-fractie te vernemen op welke punten de regering van mening verschilt met de Commissie als het gaat om de verplichte aanmelding van verticale regelingen.

Is het argument, zo wensen de leden van VVD-fractie te vernemen, dat verticale prijsafspraken in zo groten getale voorkomen niet een argument voor de toepassing van het misbruikstelsel? Anders dan bij het verbodstelsel hoeft de dienst alleen een onderzoek te openen als toch blijkt dat er sprake is van een merkbare beperking van de mededinging.

Het verbod op mededingingsafspraken geldt zowel voor horizontale als voor verticale mededingingsafspraken cq. samenwerkingsvormen. De leden van de fractie van D66 tekenen hierbij aan dat in Brussel met name het oordeel over verticale afspraken in revisie is en het wachten eigenlijk is op een Groenboek van de Europese Commissie, waarin met name op dit punt een herijking wordt verwacht. In de Verenigde Staten is het beleid hieromtrent al aangepast. Het is niet verstandig, enerzijds Europa te willen volgen en anderzijds wetgeving vast te stellen die daar dan weer bij achterloopt.

Ziet de regering, gelet op deze nieuwe Europese geluiden, een reden voor aanpassing van het thans ongeclausuleerde verbod op verticale mededingingsafspraken? Is het mogelijk voor verticale integratie het misbruikstelsel te handhaven?

De leden van de fractie van D66 vragen bijzondere aandacht voor de horizontale en verticale samenwerkingsvormen in het midden- en kleinbedrijf. Vaak zullen die bedrijven alleen kunnen overleven door dergelijke samenwerkingsvormen op het gebied van distributie, toelevering, advertentiecampagnes etc.. De Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties wijst erop in een reactie dat in de detailhandel 40% van de 117 000 vestigingen deel neemt aan een van de talrijke samenwerkingsverbanden. Thans is het zo dat vaste prijsafspraken en andere samenwerkingsvormen binnen franchiseketens onder de vigerende Wet economische mededinging zijn toegelaten. Samenwerkingsverbanden uitsluitend gebaseerd op adviesprijzen zal niet slagvaardig genoeg zijn.

Het kan naar het oordeel van de leden van de fractie van D66 niet zo zijn, dat waar concurrentie en scherpe prijsstelling binnen een samenwerkingsverband in het belang van de consument wordt beoogd, mededingingsregelgeving een averechtse uitwerking kan hebben op dit streven, dat immers geheel in lijn is met het beoogde mededingingsbeleid van de regering. Hoe beoordeelt de regering de uit de kring van betrokkenen veel gehoorde grief, dat het voorliggende wetsvoorstel geen onderscheid maakt tussen enerzijds onderlinge concurrentie binnen een en hetzelfde samenwerkingsverband (intra brand concurrentie) en anderzijds de onderlinge concurrentie tussen samenwerkingsverbanden (inter brand concurrentie)? Intra brand concurrentie zou kosten-inefficiëntie in de hand werken en daarmee leiden tot extra kosten c.q. prijsopdrijving, dat uiteindelijk nadelig uitpakt voor de consument. In dit verband wordt tevens genoemd dat de voorliggende wet te veel zou uitgaan van regionale of wel Nederlandse concurrentievervalsing, terwijl juist uit vele reacties blijkt dat het Nederlandse midden- en kleinbedrijf met vereende krachten zich te weer moet kunnen stellen tegen de internationale concurrentiedruk. Deze leden vragen de regering nader in te gaan op deze grieven.

Het verbaast de leden van de D66-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel onderscheid lijkt te maken tussen in formeel juridisch opzicht «echte» filialen van een grootwinkelbedrijf en vrijwillige winkelbedrijven of wel franchiseformules? Waarom mogen «echte» filialen wel gebonden zijn aan prijsafspraken met het moederbedrijf, terwijl dat voor franchisenemers verboden wordt? Hoe wordt de positie van de detailhandelsconcernen die óók franchiseformules kennen (Ahold). Zullen zij dan voor de helft van de winkels wél en voor de andere helft geen uniforme prijsstelling mogen hanteren?

Bestaat er niet het gevaar dat Nederland uit de Europese pas gaat lopen met het verbod op verticale samenwerking in plaats van toezicht op misbruik, zo vragen de leden van de GroenLinks-fractie?

Het huidige wetsvoorstel maakt geen onderscheid tussen verticale en horizontale samenwerking. Beide worden in principe verboden. Dit zal, volgens de memorie van toelichting, overeenkomen met de reikwijdte van het verbod van artikel 85, eerste lid van het EG-verdrag en ook met het meerderheidsadvies van de SER en de Commissie economische Mededinging. Ondanks deze onderbouwing hebben de leden van de RPF-fractie enige vragen over het feit dat de verticale samenwerking ook onder het verbodstelsel valt.

Waarom heeft de regering niet gekozen voor het misbruiksysteem ten aanzien van de verticale samenwerking? In andere landen blijkt dit ook mogelijk. Ook is een verschuiving zichtbaar in de EG, dat er meer vrij zal worden gelaten op het terrein van de verticale samenwerking. Vanuit de historie en huidige praktijk in Nederland is er veel voor te zeggen. Waarom wordt er niet een duidelijker onderscheid gemaakt tussen horizontale en verticale samenwerking? Wat zijn nu de consequenties voor inkoopcombinaties, franchiseondernemers etc, ondernemingen die verticaal samenwerken? Wordt het belang niet onderschat van de samenwerking tussen kleine bedrijven in verhouding tot de grotere bedrijven, zo vragen de leden van de RPF-fractie?

Levert het huidige voorstel niet te veel problemen op voor bedrijven zoals Blokker en Hema, die te maken hebben met zelfstandige ondernemers en filialen. Levert de huidige constructie gevaren op voor de concurrentie? Op welke manier kan de consument in de toekomst rekenen op een zelfde behandeling bij alle Blokkers?

De leden van de SGP-fractie merken op dat het wetsvoorstel geen onderscheid maakt tussen verticale en horizontale samenwerkingsvormen. De regering heeft aangegeven de nationale mededingingswetgeving in overeenstemming te willen brengen met het Europese beleid ter zake. Op Europees niveau zijn thans echter ontwikkelingen gaande die naar alle waarschijnlijkheid zullen leiden tot een herwaardering van het verschijnsel van de verticale prijsbinding. Zo heeft de Europese Commissie een groenboek aangekondigd als aanzet tot herijking van het beleid ten aanzien van deze samenwerkingsvorm. Daarenboven handhaaft Duitsland haar misbruikstelsel. Bovendien is handhaving van het misbruikstelsel, naar deze leden begrijpen, als zodanig niet in strijd met het EG-Verdrag. Verdient het in het licht van vorenstaande overwegingen geen aanbeveling voor verticale samenwerkingsverbanden het misbruikstelsel vooralsnog te handhaven?

De leden van de GPV-fractie constateren dat met het voorliggend wetsvoorstel wordt afgestapt van het misbruikstelsel en een op Europese leest gestoeld verbodsysteem wordt ingevoerd. In eerdere besluitvorming is feitelijk al een verbod op horizontale prijsafspraken ingevoerd. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd ook de verticale afspraken te verbieden. Als belangrijkste argument hiervoor lezen deze leden dat concurrentiebeperkingen in het algemeen negatieve effecten hebben. Deze leden zijn echter van mening dat in enkele belangrijke gevallen concurrentiebeperking gewenst is. Voorkomen moet worden dat door de introductie van een verbodsysteem de met name kleinere ondernemingen het loodje leggen. Daarom hebben zij sympathie voor dat deel van de SER dat voorstander is van misbruiktoezicht voor verticale mededingingsafspraken.

De leden van de GPV-fractie constateren dat met name in de groot- en detailhandelssector verticale mededingingsbeperkingen belangrijk zijn. In deze sector bestaan veel verschillende samenwerkingsverbanden die met elkaar concurreren. Deze leden lezen in de toelichting dat de regering wil dat de concurrentie zowel binnen die samenwerkingsverbanden als tussen die samenwerkingsverbanden in stand blijft. Ziet de regering de ondernemers die zijn aangesloten bij hetzelfde samenwerkingsverband als concurrenten van elkaar, zo vragen deze leden? Begrijpen de hier aan het woord zijnde leden de regering goed, dat zij niet wil dat de concurrentie binnen een samenwerkingsverband vermindert? Impliceert dit dat de huidige praktijk, waarbij in de meeste gevallen deze ondernemers niet in hetzelfde gebied werkzaam zijn en dus elkaar niet beconcurreren, wat de regering betreft gehandhaafd kan blijven?

De leden van de GPV-fractie concluderen op basis van de toelichting dat het met dit wetsvoorstel niet meer mogelijk wordt voor ondernemingen binnen een samenwerkingsverband vaste verkoopprijzen te hanteren en gezamenlijk reclame-acties te voeren. Deze leden vragen de regering of zij daarmee afstand neemt van het Besluit horizontale prijsbinding van 4 februari 1993 (staatsblad 1993, nr. 80, pag. 7), waarin zij juist aangaf dat de distributie en de schaal van inkoop zo'n beperking van de concurrentie kan rechtvaardigen.

Als dat het geval is, kan de regering dan aangeven welke inzichten haar tot deze koerswijziging hebben gebracht? De leden van de GPV-fractie vragen de regering of zij ook niet van mening is, dat als gevolg van het ontnemen van de mogelijkheid tot gezamenlijke inkoop, prijs- en verkoopbeleid, binnen een samenwerkingsverband, de concurrentiepositie van zelfstandige ondernemers ten opzichte van concernbedrijven sterk zal verslechteren?

De leden van de GPV-fractie zijn van oordeel dat juist als gevolg van samenwerkingsverbanden kleine zelfstandigen in staat zijn een onderneming draaiende te houden. Volgens deze leden kan door het bestaan van deze samenwerkingsverbanden de concurrentie bevorderd worden. Zij krijgen op basis van de toelichting de indruk dat de regering van mening is dat er in het geheel geen mededingingsbevorderende effecten van samenwerking bestaan. Kan de regering deze indruk wegnemen?

De leden van de GPV-fractie betwijfelen of de voorgestelde maatregelen ten goede komen aan de consument. Deze leden zijn ervan overtuigd dat zelfstandige ondernemers als gevolg van bestaande samenwerking kostenvoordelen behalen, wat in ieder geval voor een deel ten goede komt aan de consument. Ook de bestaande prijszekerheid en grotere transparantie in de markt komt naar de mening van deze leden tegemoet aan de behoeften van de consument, waardoor er een betere prijsvergelijking kan plaatsvinden. Kan de regering aangeven in welke mate het beoogd consumentenvoordeel, heeft meegespeeld in de voorgestelde verbodsbepalingen?

5.1.3. Merkbaarheidsvereiste

Graag wensen de leden van de fractie van de VVD geïnformeerd te worden over de redenen die de regering heeft om, in tegenstelling tot het advies van de Raad van State, het merkbaarheidsvereiste niet op te nemen in het eerste lid van artikel 6 maar het merkbaarheidsvereiste in te vullen met de in artikel 7 opgenomen criteria. Leidt een dergelijke constructie niet tot verwarring, zo vragen deze leden.

In nauwe relatie hiermee staat het zogenoemde «merkbaarheidsver-eiste» uit het Europese mededingingsrecht, dat in het voorliggende wetsvoorstel niet zelfstandig is opgenomen. Het komt de leden van de fractie van D66 voor dat het hier nou juist gaat om een belangrijk inhoudelijk criterium, waar in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG invulling aan gegeven is. Gaat het er in de Nederlandse mededingingssituatie niet om, dat je moet kunnen merken dat de concurrentie daadwerkelijk belemmerd wordt? Hoe zal straks in de Nederlandse situatie worden omgegaan met een onbelangrijke, geen effect hebbende afspraak tussen ondernemingen? Naar de mening van deze leden geeft het nog te bespreken bagatelcriterium in dit opzicht niet de gewenste inhoudelijke futiliteitsdrempel. Immers iedere afspraak tussen ondernemingen, hoe onbelangrijk ook, die valt binnen de criteria van artikel zeven valt onder het onderzoeksregime van de wet. Leidt dit uitgangspunt niet tot wel heel veel onnodige administratieve rompslomp?

5.2. Bagatelvoorziening

De voorgestelde bagatelregeling geldt voor kartels waarbij niet meer dan acht ondernemingen betrokken zijn en waarbij de gezamenlijke omzet (exclusief omzet tussen betrokken ondernemingen) niet meer dan 5 miljoen gulden betreft als hun hoofdactiviteit het leveren van goederen is en 1 miljoen gulden in andere gevallen. Hoe kijkt de regering aan, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, tegen de stelling dat een verruiming van bijvoorbeeld het omzetcriterium van de zogenaamde bagatelregeling gewenst is?

Is de regering van mening dat een dergelijke verruiming van het wetsvoorstel een grotere kans geeft aan enkele spelers op een lokale markt de mededinging te beperken? En zo ja, waarom? De grenzen van de voorgestelde bagatelregeling sluiten aan bij het Besluit Horizontale Prijsbinding, het Besluit Mededingingsregelingen bij Aanbestedingen en het Besluit Marktverdelingsregelingen die in de praktijk geen grote problemen (bijvoorbeeld een prohibitief hoge administratieve lastendruk) opleveren. Hoe staat het met de administratieve lastendruk resulterend uit het wetsvoorstel? Hoe kijkt de regering aan tegen de Belgische bagatelregeling (per onderneming maximaal 50 personeelsleden, maximaal 10 miljoen gulden jaaromzet, maximaal 5 miljoen gulden balanstotaal)?

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden over het niet meer mogelijk maken van het stellen van bodemprijzen» door producenten of leveranciers. Is de regering van mening dat ook machtsconcentraties bij verticale integratie ten koste kunnen gaan van de concurrentie en de keuzevrijheid van de consument?

Het is de leden van de CDA-fractie opgevallen dat de bagatelvrijstelling wat de kwantitatieve criteria betreft aansluit bij dezelfde voorziening in de onverbindend verklaring op grond van artikel 10 WEM, zoals die door de vorige regering is getroffen. Niettemin constateren deze leden dat veel bezwaar wordt gemaakt tegen de drempelbedragen van de bagatelvrijstelling. Zo kan worden gewezen op de opvatting van de SER, de Commissie Economische Mededinging en de Raad van State. Kan de regering aangeven hoeveel van de thans bekende mededingingsafspraken vrijgesteld zullen worden op grond van de in de Mededingingswet voorgestelde bagatelvoorziening en hoe groot dit aandeel zal worden indien de suggestie van de SER zal worden opgevolgd de criteria te verviervoudigen? Kan ook worden aangegeven wat de effecten op de werkzaamheid van de Medingingswet zullen zijn indien de criteria worden gehanteerd zoals in België in de wet zijn opgenomen?

Graag willen de leden van de CDA-fractie meer duidelijkheid krijgen over de vraag welke mededingingsautoriteit bevoegd is in het gebied tussen de nationale bagatelvrijstelling en de afspraken die zodanige interstatelijke omvang hebben dat zij onder de jurisdictie van Brussel vallen. Is hier sprake van een grijs gebied? Kunnen ondernemingen hier selectief winkelen? Is hier geen beroep mogelijk op «one-stop-shopping»?

De bagatelcriteria zijn dezelfde als die in de drie generieke onverbindendverklaringen, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Deze leden vragen de regering op welke schaal tot nu toe gebruik is gemaakt van deze bagatelcriteria. Op welke termijn wordt besloten tot een evaluatie van de bagatelcriteria? Wordt elk jaar opnieuw bekeken of deze criteria nog passend zijn? Wanneer kan gesproken worden van niet meer passende criteria?

De regering leidt de criteria voor bagatellisering af uit de drie generieke onverbindendverklaringen die voortkomen uit de huidige misbruikwetgeving. Kan aangegeven worden of deze criteria strenger zijn dan in andere EU-landen? Kan de regering aangeven wat het Europees gebruik is? Waarom is de regering voorbijgegaan aan het advies van de Raad van State om de bagatelvoorziening aanzienlijk te verruimen?

Welke criteria zijn uitgangspunt voor de keuze van een omzet van vijf miljoen gulden voor goederen en een miljoen gulden voor diensten met een maximum van acht ondernemingen? In het wetsvoorstel is als criterium voor de bagatelvoorziening gekozen voor de omzet. Theoretisch is marktaandeel juister als criterium, maar het is doorgaans niet mogelijk de grootte van een markt objectief vast te stellen. Echter, in het kader van concentratietoezicht zou de Dienst voor de mededinging het marktaandeel wèl als criterium moeten gebruiken. Kan uitgelegd worden, zo vragen de leden van de VVD-fractie, waarom het marktaandeelcriterium niet goed toepasbaar is voor de bagatelvoorziening, maar wel in het kader van het concentratietoezicht van de Dienst voor de mededinging? Is ook het omzetcriterium van 250 miljoen gulden en twee maal 30 miljoen gulden in Nederland voor concentratietoezicht niet aan de lage kant?

De bagatelregeling zal er toe leiden dat vele honderden samenwerkingsverbanden vergunningen en ontheffingen moeten aanvragen. De leden van de fractie van de VVD vragen of zulks niet leidt tot een extra werkdruk voor de Dienst voor de mededinging. Worden bij de vaststelling van het relevante marktaandeel ook substitutiegoederen en vraagelasticiteiten betrokken?

Hoe staat de regering tegenover het bagatelcriterium naar Belgisch model? Daarbij wordt uitgegaan van samenwerkingen waarbij de afzonderlijke deelnemers niet meer dan 50 personeelsleden hebben en niet meer omzet genereren dan 10 miljoen gulden. Zal deze bagatelregeling een meer werkbare oplossing kunnen zijn, zo vragen de leden van de VVD-fractie?

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe bedrijven binnen een franchise-overeenkomst de vrije mededinging kunnen belemmeren. Een franchise-overeenkomst behelst een contractuele eenvormigheid in aanbod, presentatie en doorgaans ook prijs. De consument zal de vestiging van een franchisenemer doorgaans niet als zodanig herkennen.

Behoudens ontheffing wordt in de Mededingingswet prijsbinding verboden.

Kan de regering aangeven, zo vragen de leden van de fractie van de VVD, of er problemen ontstaan als een onderneming met zowel filialen als franchise-outlets onderscheid moet maken tussen beide soorten winkels? Zo ja, welke aard hebben deze problemen? Kan de regering onderzoeken of maatregelen ten behoeve van anti-dumping mogelijk zijn?

Het vrijwillig filiaalbedrijf biedt vele kleine zelfstandige winkeliers de mogelijkheid om effectief te concurreren met grootwinkelbedrijven. Is de regering van mening dat het vrijwillig filiaalbedrijf in zijn huidige opzet een belemmering vormt voor de vrije mededinging? Zo niet, overweegt de regering dan een generieke vrijstelling voor in- en verkooporganisaties van levensmiddelen? Zo ja, onder welke voorwaarden wordt deze ontheffing verleend voor deze winkelvorm? Maakt de voorgestelde wetgeving een eind aan de gezamenlijke slagkracht bij de promotie en publiciteit? Zal dit leiden tot hogere kosten voor de zelfstandige winkelier en in het ongunstigste geval tot het totaal afzien van prijsconcurrentie, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Blijft het mogelijk om samenwerkingsverbanden te onderhouden die de ondernemer verplichten voor langere tijd een groot gedeelte van zijn goederen af te nemen van dezelfde organisatie? Kunnen in de toekomst overeenkomsten gesloten worden met de strekking dat ondernemers bij verkoop hun bedrijf moeten aanbieden aan de organisatie waarmee zij hebben samengewerkt? Wat is het effect van de hantering van adviesprijzen (Hema-formule)? Wat is de mening van de regering over het toestaan van maximumprijzen?

De leden van de VVD-fractie vragen of de Mededingingswet op het gebied van franchise-overeenkomsten niet zijn eigen doel bestrijdt. Is het mogelijk ondernemingen die onder een gezamenlijke naam opereren in de WEM te beschouwen als economische eenheid?

Op die eenheid is dan met name concentratietoezicht van toepassing, wat doelmatige en efficiënte controle door de Dienst voor de mededinging aanzienlijk vereenvoudigt. Wordt daarmee niet, aldus deze leden, een ander nadeel ondervangen: volgens dit wetsvoorstel zal een markt volledig gedomineerd kunnen worden door één franchise-verband, mits binnen dat verband geen prijsafspraken worden gemaakt.

Ten aanzien van de bagatelvoorziening en haar criteria, overgenomen uit de al bestaande regelingen omtrent generieke onverbindendverklaringen, willen de leden van de D66-fractie het volgende opmerken. De ondergrenzen zijn laag gesteld. Het regime van de Mededingingswet treedt sowieso in werking, wanneer acht of meer ondernemingen aan een afspraak als bedoeld in artikel zes gebonden zijn, als hun gezamenlijke omzet vijf mln gulden bedraagt bij handel in goederen of een mln gulden in alle andere gevallen. Het woord «ondernemingen» lijkt bij een dergelijke omzet nauwelijks meer op z'n plaats. De Raad van State acht deze ondergrens wel rijkelijk laag, en het college waarschuwt voor ongewenste administratieve bemoeienis met het bedrijfsleven. Op zich steunen zij het uitgangspunt van de regering, dat de nieuwe wet ook zal kunnen ingrijpen in regionale of kleinschalige concurrentievervalsingen, bijvoorbeeld in een bepaald gebied of in één bepaalde winkelstraat. Deze leden vragen zich echter af of de zeer ruime voorziening, zoals die thans is neergelegd in het wetsvoorstel, wel voldoende recht doet aan het uitgangspunt van de regering, dat de bagatelregeling de lasten voor kleinere ondernemingen zoveel mogelijk zal beperken?

In dit verband vragen de leden van de fractie van D66 zich af, waarom bij het toezicht op concentratie voor een veel hogere omzetdrempel is gekozen nl. 250 mln gulden; kunnen er zich geen concentraties voordoen met wezenlijk effect op een regionale markt, waar er omzetten zijn van een geheel andere orde van grootte? Hoe beoordeelt de regering de concentratie en de ongewenste effecten die kunnen ontstaan door overname van een levensmiddelenhandel door de enige andere levensmiddelenhandel in een dorp in Friesland? Gaarne een nadere toelichting op de veel hogere drempel voor concentraties.

Het frappeert de leden van de fractie van D66 dat de SER ervoor pleit het gerealiseerde marktaandeel een rol te laten spelen bij de bagatelvoorziening en bestempelt het gekozen criterium als te willekeurig. Deze leden realiseren zich het probleem van het kiezen van een getalscriterium, maar willen toch graag wijzen op de wetgeving in België. Deze leden hebben reacties bereikt als zouden de bagatelcriteria daar aanmerkelijk realistischer zijn dan die de regering thans voorstaat. Hoe beoordeelt de regering het Belgische stelsel op dit punt?

De reacties van maatschappelijke organisaties richten zich voornamelijk op de bagatelcriteria. Vooral vanuit het midden- en kleinbedrijf en de detailhandel wordt kritiek geuit op de nieuwe voorgestelde regels. Het argument is dat juist door samenwerking de concurrentie met het grootbedrijf aangegaan kan worden. De leden van de GroenLinks-fractie vragen in hoeverre dit een geldig argument is. Is het zo dat de nieuwe mededingingsregels samenwerkingsverbanden tussen kleine en middelgrote ondernemingen onmogelijk maken ten koste van de concurrentiemogelijkheden met het grootbedrijf? Komt het midden- en kleinbedrijf dan in economische moeilijkheden? Als dat zo is dan zullen de nieuwe regels het ongewenste gevolg kunnen hebben dat er juist minder concurrentie ontstaat op sommige markten. Bovendien is er het argument dat samenwerking tussen kleinere detailhandelbedrijven juist voor lagere prijzen kan zorgen. Consumentenorganisaties – de consumentenbond – zijn zeer voor een stevig anti-kartelbeleid. De leden van de GroenLinks-fractie ook. Maar de leden van de GroenLinks-fractie vragen of de nieuwe regels niet ten koste van de consumentenbelangen kunnen gaan.

Ten aanzien van de bagatelcriteria hebben de leden van de GroenLinks-fractie nog de volgende vragen. De Raad van State en de SER vinden dat de bagatelcriteria verruimd moeten worden. Waarom is er geen relatie gelegd met de criteria die op Europees niveau geldig zijn. Bestaat inderdaad niet het gevaar dat er een aanzienlijke verhoging van de administratieve lastendruk zal plaatsvinden bij te lage criteria?

Het wetsvoorstel maakt ook geen onderscheid tussen verticale en horizontale samenwerking. Op Europees niveau lijkt er wel een beweging op gang te komen om te komen tot een evaluatie c.q. een aanpassing van de mogelijkheden voor verticale samenwerking.

De bagatelvoorziening biedt ook geen werkelijke mogelijkheid voor bedrijven om buiten de regeling te vallen. Kan de regering aangeven hoeveel bestaande bedrijven die verticaal samenwerken nu onder de bagatelvoorziening zullen vallen, zo vragen de leden van de RPF-fractie.

De Raad van State geeft ook aan dat de criteria van de voorgestelde bagatelvoorziening te laag zijn in het geval van de verticale samenwerking. De leden van de RPF-fractie kunnen het argument van de regering niet volgen dat omdat de bagatelcriteria hetzelfde zijn als bij de horizontale en het daar geen problemen oplevert, dit ook het geval zal zijn bij de verticale samenwerking. Er zitten toch grote verschillen tussen doelstelling, consequenties etc. van horizontale en verticale samenwerking?

Ziet de regering het gevaar dat door het verbod op verticale samenwerking juist het concurrentievermogen van de Nederlandse economie kan aantasten en ook de dynamische en samenhangende netwerken van bedrijven en kennisinstituten, zo vragen de leden van de RPF-fractie. Is met name de R&D van de kleinere bedrijven van groot belang voor de verdere ontwikkeling, mede met het oog op de toenemende uitbesteding van onderdelen door grotere bedrijven? In hoeverre wordt de bestaande toeleveringspraktijk in de wielen gereden door de mededingingswet? Vraagt deze wet niet te veel tijd en papier om voor dergelijke samenwerkingen toestemming te kunnen krijgen?

De leden van de SGP-fractie merken op dat in het wetsvoorstel bij de invulling van de bagatelregeling is gekozen voor een van het EG-recht afwijkende benadering. Vrijgesteld zijn afspraken waarbij niet meer dan acht ondernemingen betrokken zijn, waarvan de totale omzet niet meer mag belopen dan een miljoen gulden voor diensten en vijf miljoen gulden voor goederen. Hoe realistisch is deze regeling? Is een samenwerkingsverband van bijvoorbeeld acht zelfstandige detaillisten met een gezamen- lijke omzet van niet meer dan vijf miljoen, gezien het geringe daaruit te realiseren bruto explotatieresultaat, voorstelbaar? Het lage bodembedrag voor de bagatelregeling valt wellicht te rechtvaardigen vanuit het oogpunt van de wenselijkheid van de bestrijding van regionale kartels, feit is wel dat de wetgever hiermee kiest voor een regeling die sterk afwijkt ten opzichte van wat in de ons omringende landen gebruikelijk is. De hier aan het woord zijnde leden zijn hiermee weinig gelukkig en dringen bij de regering aan op een substantiële verruiming tot het niveau van wat in andere EU-landen gebruikelijk is. Is de regering hiertoe bereid?

Het begrip marktaandeel als kwantitatief bagatelcriterium wordt door de regering afgewezen met een beroep op de nadelen die uit bestuurlijk oogpunt aan dit criterium verbonden zijn.

Als zodanig kunnen deze leden hiervoor enig begrip opbrengen. Anderzijds hebben deze leden begrepen dat desalniettemin een aantal EU-landen dit criterium hanteert, zonder dat dit kennelijk onoverkomelijke bezwaren oplevert.

De leden van de SGP-fractie merken op dat het wetsvoorstel in zoverre consistent is dat ook bij de regeling van het concentratietoezicht de toevlucht is genomen tot het in de wettekst vastleggen van een absolute drempel. De regering wijst er in dit verband zelf op dat de vaststelling van de hoogte van de drempels in zekere mate arbitrair is.

Het wetsvoorstel bevat echter een duidelijke inconsistentie waar immers op het terrein van de mededingingafspraken een dusdanig lage drempel wordt aangehouden, dat de mededingingswet ook op het schaalniveau van de regio effectief blijft, terwijl op het gebied van het concentratietoezicht een zodanig hoge drempel wordt aangelegd dat op voorhand duidelijk is dat de regeling op regionaal niveau niet effectief zal zijn. Waarom hanteert de regering als het gaat om concentratietoezicht op regionale schaal een soepeler benadering dan voor het toezicht op regionale mededingingsafspraken?

Overigens vragen de leden van de SGP-fractie of de Dienst voor de mededinging er steeds aan zal kunnen ontkomen een beoordeling te geven van het relatieve marktaandeel van een concentratie.

De leden van de GPV-fractie merken op dat de bagatelvoorziening bedoeld is om mededingingsafspraken vrij te stellen die vanuit een oogpunt van het Nederlandse mededingingsbeleid van ondergeschikte betekenis zijn. Evenals de Raad van State en de SER zijn deze leden van mening dat de opgenomen getalscriteria zeer laag zijn en aanmerkelijk hoger kunnen worden vastgesteld zonder dat dit de mededinging op de Nederlandse markt wezenlijk beperkt. Volgens deze leden moet het mededingingsbeleid gericht zijn op het tegengaan van economische machtsposities. Met de regering zijn zij van mening dat marktaandeel als kwantitatief bagatelcriterium het betrouwbaarste aangeeft in hoeverre een kartel de markt beïnvloed. Deze leden constateren echter dat de regering uit doelmatigheidsoverwegingen kiest voor het hanteren van het omzetcriterium. Deze leden vragen of dit daadwerkelijk doelmatig is. Leidt dit niet tot hogere administratieve lasten, juist nu ook de mogelijkheden voor verticale prijsbinding wordt ingeperkt? Is het niet te verwachten dat door deze lage ondergrens in de toekomst een onevenredig groot aantal ondernemingen zijn afspraken moet aanmelden voor een ontheffing?

Binnen de Europese regelgeving wordt uitgegaan van een marktaandeel, die gekoppeld is aan een omzetcriterium. Kan de regering aangeven of op Europees niveau de hanteerbaarheid van deze criteria tot problemen leidt? Is het, gezien het feit dat de regering met de voorgestelde wet aansluiting zoekt bij de Europese regelgeving, niet gewenst voor dezelfde systematiek te kiezen?

6. Vrijstellingen en ontheffingen

Wordt er in Nederland niet een beleid gevoerd dat haaks op dit pleidooi staat en is het daarom niet gewenst uiteindelijk de elektriciteitsmarkt ook onder de werking van het wetsvoorstel te laten vallen in plaats van sectorwetgeving? Is het de bedoeling, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat het tijdelijke, ongeclausuleerde toezicht dat is ondergebracht bij het Commissariaat van de Media uiteindelijk ondergebracht wordt bij De Dienst? Meer in het algemeen vragen deze leden of het niet beter is al het toezicht centraal te regelen en het meer te zoeken in interne scheidingen binnen de Dienst?

In het bijzonder zijn de door het Ziekenfonds en de AWBZ verplicht gestelde overeenkomstenstelsels en de resulterende afspraken tussen zorgverzekeraars en hulpverleners in strijd met de voorstellen van het wetsvoorstel. Is het doenlijk en doelmatig voor de uitvoeringsorganen (zoals de ziekenfondsen) om individueel met een zeer groot aantal personen verschillende overeenkomsten te sluiten? Zijn medische beroepsoefenaren erop toegerust om zelf met tientallen ziekenfondsen te overleggen over tal van zaken, zoals de tarieven, of voorziet de regering dat dat niet nodig is? Wat zijn de gevolgen van het wetsvoorstel voor de apothekers die momenteel veel regionaal afspreken en een blok vormen richting de verzekeraars?

Er worden in de memorie van toelichting enkele speciale wetten genoemd, die de mededinging beperkende afspraken bevatten en derhalve niet onder de werking van de Mededingingswet zullen vallen, aldus de leden van de CDA-fractie. Is de opsomming limitatief en zo niet, kan de regering dan alsnog een limitatieve opsomming geven van mededingingsafspraken die, op grond van regeling in bijzondere wetten, buiten de werking van de Mededingingswet zullen blijven vallen? Zijn de banken en de verzekeringsmaatschappijen ook uitgezonderd? Wordt in de specifieke wetgeving die wordt voorbereid op de gebieden telecommunicatie, media en openbaar vervoer voldaan aan de bedoelingen van de Mededingingswet of is het juist de bedoeling deze wet te omzeilen?

Ook zien de leden van de CDA-fractie graag duidelijkheid over de verhouding van de Mededingingswet en de daarin beoogde Dienst mededinging ten opzichte van op andere terreinen actieve toezichthoudende instellingen.

In de dynamische markttheorie wordt ervan uitgegaan dat mededingingsafspraken een verschillende functie vervullen naar gelang de rijpheid van een markt, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Hoe denkt de regering rekening te houden met dit verschil in de fase van de levenscyclus waarin een markt zich bevindt bij zijn beoordeling of een afspraak aanvaardbaar is of juist niet?

De leden van de CDA-fractie willen ten aanzien van de zgn. «comfort letters» waarmee in Brussel wordt gewerkt het volgende opmerken. Hoe wordt dit instrument in de nationale wet verwerkt? Waarom wijkt de Nederlandse wet trouwens af van de Europese regelgeving op het punt van de «comfort letters»? Is er een verschil in administratieve lastendruk tussen het Brusselse gebruik van «comfort letters» en het Nederlandse vergunningensysteem?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe groot het aantal ontheffingen is als percentage van het totaal aantal aanvragen dat wordt verleend op Europees niveau voor verticale mededingingsregelingen. Kan de regering aangeven op welke termijn regelgeving op dit punt is te verwachten?

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie waarom de voor gezamenlijke reclamecampagnes gemaakte uitzondering, in het Besluit horizontale prijsbinding en de daarbij gegeven toelichting (Stb. 1993, 80), in het wetsvoorstel komt te vervallen? Zijn de beleidsinzichten van enkele jaren geleden nu verouderd of zijn zij onjuist gebleken? Kan de regering aangeven in welke richting de Europese regelgeving zich op het punt van de verticale samenwerking zal ontwikkelen? Is reeds aan te geven op welke termijn regelgeving op dit punt is te verwachten?

De EG-vrijstellingen werken door in de nationale wetgeving, evenals de ontheffingen, met uitzondering van de zogenoemde «negatieve verklaringen». De vraag van de leden van de fractie van D66 is of hierbij ook niet geldt net als bij de EG-Bagatelbekendmaking – dat voor de nationale mededingingssituatie andere criteria gelden, dan die van kracht zijn binnen de reikwijdte van het Europees mededingingsbeleid. En áls dan gekozen wordt voor doorwerking, waarom maken dan niet ook de Bekendmakingen en de zogenoemde «comfort letters» daar geen deel van uit? Nu kan de situatie zich voordoen dat een onderneming, in het bezit van een comfort letter, bij een ontheffingsverzoek krachtens nationaal recht nul op het request krijgt. Klopt dat? Dreigt de rechtzekerheid hierdoor niet in de knel te raken? Hoe strookt een en andere met het uitgangspunt dat de mededingingswet strenger en niet soepeler dient te zijn dan de EG-regels?

Aparte aandacht verdienen de vrijstellingen voor ondernemingen, belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang de artikelen 11 en 25 in het bijzonder. De leden van de fractie van D66 zijn met name mét de regering benieuwd naar de uiteindelijke heldere afbakening tussen de mededingingsaspecten en de bestaande wetten, die formeel voorzien in toezicht op overeenkomsten tussen ondernemingen en besluiten van ondernemersverenigingen.

Is de regering voornemens op termijn een eind te maken aan de collectieve tariefafspraken in de gezondheidszorg tussen hulpverleners en zorgverzekeraars? Deze leden zijn benieuwd naar het aangekondigde wetsvoorstel betreffende de afbakening tussen mededinging en formeel wettelijk (prijzen-)toezicht. Kan de regering voorts in dit verband een nadere uiteenzetting geven over het voorgestande mededingingsbeleid in de energiesector?

Bij AMvB zal worden vastgesteld hoevéél informatie ondernemingen moeten overleggen bij een aanmelding voor ontheffing. Gelet op de gevoeligheid van zo'n maatregel geven de leden van de D66-fractie er de voorkeur aan betrokken te zijn bij de vaststelling van die regeling.

De termijn waarbinnen beslist moet worden, is in artikel 19 vastgesteld op vier maanden; die nog eens met dezelfde periode verlengd kan worden. Dat lijkt nogal lang, zeker gezien in relatie tot het slagvaardig ondernemen.

Kan hier de gelijkstelling met het termijnenregime bij vergunningverlening voor concentraties worden gevolgd: als de Dienst niet gereageert binnen de gestelde termijn, wordt de ontheffing geacht te zijn verleend?

Hoewel de regering algemene mededingingsregels prefereert boven sectorspecifieke regelgeving, geeft de memorie van toelichting uitzicht op specifieke regelgeving, bijvoorbeeld op het gebied van de telecommunicatie en de media. De leden van de fractie van D66 willen op deze plek nog eens uitdrukkelijk het verlangen uitspreken in deze wet een specifieke paragraaf omtrent die specifieke sector op te nemen, in navolging van de Wet op de energiedistributie. Gaarne een reactie van de regering daarop. Zijn er nog andere branches waar de regering specifieke mededingingsvoorzieningen nodig acht?

Het wetsvoorstel voorziet in een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Die voorwaarden houden, onder andere, in dat samenwerkingsafspraken bijdragen aan een verbetering van de productie of distributie of aan de verbetering van de technische of economische vooruitgang. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de vrijstellingsvoorwaarden niet al te rigide zijn vastgesteld. Hetzelfde geld voor de mogelijkheid om ontheffing aan te vragen. De leden van de GroenLinks-fractie hechten aan ruime mogelijkheden om tot samenwerkingsafspraken te kunnen komen, zeker in het midden- en kleinbedrijf, als dat ten goede komt aan sociale of milieudoelen. Het economische doel moet niet heilig verklaard worden.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot het regime van de Ziekenfondswet en de Algemene wet bijzondere ziektekosten, welke wetten in de gehele gezondheidszorg het sluiten van overeenkomsten verplicht stellen, alvorens voor rekening van de ziekenfondsen hulp kan worden verleend. Tussen ziekenfondsen en zorgverleners bestaan overeenkomsten, waarvan de inhoud door de wetgever op onderdelen is bepaald, waarbij met name zijn te noemen afspraken over het tarief. Deze leden nemen aan dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn dat het regime van beide genoemde wetten door het wetsvoorstel wordt doorkruist.

Voorts willen deze leden weten welke consequenties het wetsvoorstel zal hebben voor de energiesector. Onder het thans geldende regime is zowel in het Besluit horizontale prijsbinding als in het Besluit marktverdelingsregelingen een uitzondering gemaakt voor de tariefstelling inzake energieleveranties. Valt de energiesector onder de werkingssfeer van artikel 11? Zo ja, in hoeverre is een uitzonderingspositie voor de energiesector vol te houden in het licht van de geleidelijke liberalisering van de energiemarkt, zo vragen de leden van de SGP-fractie?

De hier aan het woord zijnde leden vragen naar de betekenis van artikel 16, waarin de vrijstelling voor overeenkomsten die op grond van enige wettelijke verplichting tot stand gekomen zijn, geregeld wordt. Zo stipuleert de Electriciteitswet een leveringsplicht voor elektriciteitsdistributiebedrijven. Moet artikel 16 zo worden uitgelegd, dat de overeenkomsten die op grond van deze leveringsplicht aangegaan moeten worden, per definitie vrijgesteld zijn van het verbod ex artikel 6 van het wetsvoorstel?

De leden van de GPV-fractie hebben met verbazing kennis genomen dat wettelijk geregelde overeenkomsten binnen de gezondheidszorg alsnog getoetst moeten worden op de gevolgen voor de mededinging. Is het niet gewenst, ook gezien de praktische onmogelijkheid van uitvoeringsorganen om in individuele overeenkomsten afspraken te maken, de regelingen die onderworpen zijn aan goedkeuring of toezicht van de overheid op basis van de wetten AWBZ, WTG en de Ziekenfondswet vrij te stellen van de bepaling in artikel zes, eerste lid?

Tevens vragen de leden van de GPV-fractie of de markt van de gezondheidszorg wel gezien kan worden als een werkelijk vrije markt, omdat als gevolg van de omvangrijke regelgeving, afhankelijkheid van budgettoekenning en het bestaan van volume-afspraken, vrije prijsconcurrentie is uitgesloten.

7. Verbod van misbruik van een economische machtspositie

Hoe kijkt de regering aan tegen de suggestie verkoop van «lokartikelen» met verlies (verkoopprijs lager dan inkoopprijs plus btw plus laagste distributiekosten) als onrechtmatige daad te bestempelen met als gevolg dat handhaving civielrechtelijk van aard zal zijn, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Is de regering van mening dat een dergelijke aanpassing van het wetsvoorstel verschraling van het distributie-apparaat zal vermijden? Gaat het toestaan van verkoop van dergelijke lokartikelen ten koste van de grote A-merken?

De leden van de CDA-fractie hebben er enig begrip voor dat ter bepaling van het ongewenst zijn van de mededinging beperkende afspraken wordt gekozen voor goed hanteerbare criteria in plaats van criteria die wellicht theoretisch zuiverder zijn, maar praktisch minder goed hanteerbaar. Daarom wordt het criterium marktaandeel en relevante markt hier uitgebannen. Echter dit criterium is wel noodzakelijk als het gaat om misbruik van economische machtsposities. Levert dit geen moeilijkheden op en ruimte voor verschillende interpretaties, zo vragen deze leden. Kan bijvoorbeeld worden aangegeven wat de relevante markt is voor de dagbladpers en welke markt relevant is voor andere sectoren van de oude en nieuwe media? Zal de Mededingingswet aanleiding zijn tot het ontbinden van regionale dagbladmonopolies? Kan de regering aangeven of het KNVB-kartel als eerste zal worden ontbonden? Hoe moeten vanuit het criterium van de relevante markt bezien de machtsposities van banken/verzekeraars worden beoordeeld? Meer in het algemeen: van welke machtsposities is op dit moment reeds bekend dat zij zullen vallen onder het verbod van artikel 24?

Bestaat, zo vragen de leden van de CDA-fractie, het gevaar dat door de hantering van simpele criteria als omzet en aantal ondernemingen, mededingingsafspraken te zeer juridisch-formeel zullen worden beoordeeld en te weinig vanuit een economische optiek, die rekening houdt met actuele machtsposities op de relevante markt, met de fase van rijpheid waarin een onderneming verkeert, met een begrip als «countervailing power». Graag zien deze leden een uiteenzetting van de inzet die de regering voornemens is mee te geven aan de uitvoerende ambtelijke dienst inzake de beleidspraktijk. Immers de wet laat aan de directeur discretionaire bevoegdheden te beslissen inzake ontheffingen en vrijstellingen. Veel zal derhalve afhangen van de beleidspraktijk.

In dit verband vernemen deze leden graag het commentaar van de regering op de uitlatingen van enkele medewerkers van het ministerie van Economische Zaken, zoals aangehaald in Harry van Dalen en Arjo Klamer, Telgen van Tinbergen, 1996, blz. 219–220, waarin deze economen wijzen op het gebrek aan economisch onderbouwend onderzoek ten behoeve van de Mededingingswet en op het van oudsher sterk juridische karakter van het mededingingsbeleid in ons land.

Graag zien deze leden dat ook wat dit betreft wordt gekomen tot een cultuuromslag in het beleid, waarin de economische benadering het gaat winnen van de juridisch-dogmatische.

Het hoofdstuk omtrent het verbod van misbruik van economische machtsposities, eigenlijk het hart van het voorliggende wetsvoorstel, bestrijkt slechts twee artikelen: het verbod en de uitzonderingen, zo merken de leden van de D66-fractie op. Opmerkelijk genoeg is hierbij plotseling het marktaandeel wél het criterium voor beoordeling of er sprake is van misbruik. Hoe verklaart de regering dit verschil in benadering?

Uit de kring van betrokkenen wordt ernstig de behoefte gevoeld aan een verbod op verkoop met verlies. Onder de inkoopprijs verkopen of wel dumping zal leiden tot verschraling van het distributie-apparaat en daarmee tot minder winkels, hogere prijzen en per saldo meer ongemak voor de consument. De leden van de fractie van D66 wijzen erop dat een voorziening tegen het misbruiken van een economische machtspositie niet noodzakelijkerwijs een drempel opwerpt tegen verkoop onder de inkoopprijs. Hoe beoordeelt de regering de mogelijkheden om aan deze wens tegemoet te komen? Is het mogelijk om verkoop met verlies te bestempelen als een onrechtmatige daad? Hoe zijn de ervaringen in België met een verbod op verkoop onder de inkoopprijs?

De leden van de SGP-fractie stellen vast dat het wetsvoorstel niet voorziet in een bepaling die de verkoop van goederen of diensten met verlies verbiedt. Het ontbreken van een effectief juridisch instrument tegen verkoop met verlies kan leiden tot het ontstaan van ongewenste machtsposities van ondernemingen die dit wapen in de concurrentiestrijd hanteren. Het opnemen in het Burgerlijk Wetboek van een bepaling die verkoop met verlies kwalificeert als onrechtmatige daad verdient, mede uit overwegingen van rechtsefficiency, de voorkeur. Deze leden willen weten of de regering deze opvatting deelt en zo ja, of zij voornemens is het Burgerlijk Wetboek op dit punt aan te vullen. Is de regering bereid bij wijze van overgangsmaatregel een verbod als hiervoor bedoeld in het wetsvoorstel op te nemen?

8. Vrijstelling in verband met de vervulling van taken van algemeen economisch belang

In principe zijn de voorgestelde regels van toepassing op alle sectoren. Doch sectoren waarin ondernemingen zijn belast met taken van algemeen economisch belang zijn gebonden aan bijzondere mededingingspolitieke normen. Kan aangegeven worden, zo vragen de leden van de VVD-fractie, op welke sectoren wordt gedoeld en welke bijzondere mededingingspolitieke normen hierop van toepassing zijn?

De uitzondering van artikel 25 betreft voornamelijk overheids- en semi-overheidsinstellingen belast met taken op basis van publiekrechtelijke regelingen. De memorie van toelichting noemt zelf al de meest gevoelige sectoren daarin: de nutsbedrijven en bedrijven werkzaam in openbaar vervoer en afvalverwijdering. De leden van de fractie van D66 zijn verheugd met de uitspraak dat deze ondernemingen niet van de mededingingswet uitgezonderd dienen te worden.

Beperkingen mogen niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de vervulling van de opgedragen taken. En daar zit in de praktijk vaak de pijn. Waarom heeft de regering gekozen voor de vrijstellingsvariant en niet voor een ontheffingsmodaliteit onder stringente voorwaarden, zoals door de SER bepleit? Zij vinden dit een aanzienlijk zuiverder keuze, die zal leiden tot transparantie en rechtszekerheid.

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre het wetsvoorstel voorziet in mogelijkheden om oneerlijke mededinging door overheidsbedrijven te bestrijden. Zijdens de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties is gewezen op tal van voorbeelden van concurrentievervalsende commerciële activiteiten die door overheidsbedrijven worden verricht. Als voorbeelden kunnen worden genoemd: tariefvoordelen voor overheidsinstanties bij de verbranding van huishoudelijke afvalstoffen, het BTW-voordeel voor regionale reinigingsdiensten bij de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, bescherming van de eigen ophaaldienst door weigering van een vergunning aan een particuliere inzamelaar en de commerciële activiteiten door innovatiecentra en bedrijfsmilieudiensten.

Deelt de regering de opvatting dat in de onderhavige gevallen steeds mededingingsaspecten in het geding zijn en dat derhalve het wetsvoorstel zou moeten voorzien in een adequaat instrumentarium om de concurrentie tussen overheidsbedrijven en bedrijven uit de marktsector volgens de regels van het spel te laten verlopen?

Welke juridische middelen staan bedrijven uit de marktsector ter beschikking om te ageren tegen concurrentieverstorende praktijken door (semi-)overheidsbedrijven, zo vragen de leden van de SGP-fractie?

10. Concentratietoezicht

Dit wetsvoorstel bouwt voort op het grondige werk van de voormalige staatssecretaris van Economische Zaken, mevrouw Van Rooij. Een van de belangrijke aanvullingen die de huidige minister van Economische Zaken bewerkstelligd heeft is de fusiecontrole.

Het wetsvoorstel regelt voorafgaand toezicht op fusies boven een drempel van 250 miljoen gulden netto-omzet, waarvan door tenminste twee ondernemingen ieder ten minste 30 miljoen gulden in Nederland is behaald. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom de drempels niet hoger gesteld worden. Het onderscheid tussen «melding» ex artikel 34 en «aanvraag vergunning» ex artikel 41 geeft reeds aan dat in de praktijk meer dan tachtig procent sowieso geen rood licht krijgt. Is het vanuit dit oogpunt bezien zinvol bedrijven bij eenvoudige fusies dan toch op te zadelen met een hoop administratieve rompslomp? Leidt deze gang van zaken niet tot een heleboel werk en omzet voor mededingingsjuristen in plaats van een dynamische en sterke economie?

Daarentegen vragen de PvdA-leden zich af of een repressief fusietoezicht ten aanzien van alle fusies, ook die onder de drempels vallen, mogelijk gemaakt moet worden. Is het denkbaar dat het zinvol is ook te kijken naar bepaalde vormen van fusies (bijvoorbeeld fusie van alle kappers in een klein dorp) die nu helemaal buiten schot blijven? Waarom heeft de regering ervoor gekozen marktafspraken van kleine omvang, op regionale en lokale markten niet aan te pakken?

Waarom is het gewenst, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat het concentratietoezicht op de bankensector en verzekeringssector over vijf jaar onder de nieuwe mededingingswet moet vallen? Betekent dit dat dit toezicht dus niet meer onder de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 valt? In het algemeen vragen de leden van de PvdA-fractie zich af of het niet gewenst is dat er centraal toezicht in plaats van sector-specifiek toezicht plaatsvindt. Is de regering van mening dat dubbele toetsing vermeden moet worden? De Dienst zou natuurlijk in de toekomst een beroep kunnen doen op de specialistische expertise bij het ministerie van Financiën en bij De Nederlandsche Bank? Deelt de regering het pleidooi van de Nederlandse Vereniging van Banken om de uitzondering permanent te maken?

Kan de regering meedelen hoe de situatie er uit gaat zien en wat de afspraken voor de toekomst zijn bij mededingings- en fusietoezicht op de kabel, de telecommunicatie en de nutsbedrijven?

Is de regering van plan binnen afzienbare tijd alle toezichtwetten voor de specifieke sectoren in een wet onder te brengen? Is dit immers ook niet het geval bij het Bundeskartelamt en de Europese Commissie? Is het niet een beetje bizar, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat het wetsvoorstel zich concentreert op een sector waar al veel concurrentie is terwijl andere specifieke sectoren waar wel degelijk sprake is van monopolievorming niet onder het wetsvoorstel vallen? Hoe reageert de regering op recent onderzoek van Huygen en Theeuwes (ESB, 1996) waarin gepleit wordt voor een onafhankelijke netbeheerder, het tegengaan van machtsconcentratie in de productie en het scheiden van productie en distributie in de elektriciteitsmarkt?

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat toezicht op concentratie niet kan worden gemist in een effectieve mededingingswet. Zonder een dergelijk toezicht zou concentratie wellicht onnodig in de hand wordt gewerkt. Is het zo, dat door het hanteren van drempels in de nationale respectievelijk de europese regelgeving het gebied waarop de nationale mededingingsautoriteit bevoegd is, hier helder is afgebakend? Maar wat gebeurt er wanneer bij een voorgenomen fusie meer lidstaten zijn betrokken, alhoewel de fusie beneden de europese drempelwaarde ligt? Is in dat geval niet te voldoen aan one-stop-shopping of kan in dergelijke gevallen de Europese Commissie alsnog bevoegd worden verklaard?

De leden van de CDA-fractie hebben enige zorg over de toeneming van de (administratieve) lastendruk die met de invoering van deze wet gepaard zal gaan. Bij het toezicht op concentraties zal in een AMvB worden aangegeven welke gegevens door ondernemingen moeten worden verstrekt ex artikel 35.

Ter bepaling van de zwaarte van de administratieve lastendruk zien deze leden graag een concept-AMvB op dit punt tegemoet, zodat deze kan worden betrokken bij de verdere behandeling van de Mededingingswet in de Kamer.

De leden van de VVD-fractie hebben begrepen dat de regering daar waar het regels van concentratietoezicht betreft in beginsel in haar adviesaanvraag heeft voorgesteld om voorlopig geen concentratietoezicht in te voeren. Welke redenen heeft de regering om wel tot een dergelijk adviesaanvraag over te gaan? In de memorie van toelichting wordt gesteld dat concentratietoezicht een logisch onderdeel is van een mededingingswet.

Waarom is de regering dan niet direct, en niet pas na het advies van de SER en de Commissie economische mededinging, overgegaan tot het opnemen van concentratietoezicht in het onderhavige wetsvoorstel?

Op kleinere product- c.q. geografische markten kan ook met een relatief bescheiden omzet een hoog marktaandeel worden bereikt. Daar kan dus sprake zijn van machtsposities die ontsnappen aan de toepassing van het voorgestelde regime. Op welke wijze denkt de regering deze machtsposities aan te pakken, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Geldt voor deze machtsposities het criterium van machtsmisbruik?

Graag worden de leden van de VVD-fractie geïnformeerd over de aard van de gegevens die bij aanmelding van een concentratie moeten worden overlegd? Is het mogelijk de AMvB terzake bekend te maken voordat over het wetsvoorstel wordt beslist?

De leden van de fractie van de VVD vragen de regering hoe de Dienst de gevolgen voor de mededinging beoordeelt als een concentratie de mededinging op de Nederlandse markt significant kan verhinderen, maar noodzakelijk is om mee te spelen op de relevante internationale markt?

In de bancaire en verzekeringssector wordt reeds een specifiek toezicht op concentraties uitgeoefend. Voorlopig wordt dan ook deze sector vrijgesteld van toezicht op grond van de voorgestelde wet ex artikel 32. Op grond van artikel 101, derde lid van dit wetsvoorstel zal dit artikel op een nader te bepalen tijdstip komen te vervallen. Gesproken wordt over een periode van vijf jaar na inwerkingtreding van hoofdstuk vijf van het wetsvoorstel. Is voor het toezicht op een zo specifieke sector niet een bepaalde deskundigheid nodig, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Is deze expertise aanwezig bij de Dienst voor de mededinging? Zal na afloop van de vijf jaar het toezicht van De Nederlandsche Bank geheel vervallen? Zo nee, zal dit dan niet leiden tot doublures en een verhoging van de administratieve lastendruk?

De minister heeft de mogelijkheid van heroverweging, zo blijkt uit de memorie van toelichting. Dit betekent dat het oordeel van de Dienst voor de mededinging niet in alle gevallen beslissend is voor het niet toelaten van een concentratie. Op grond van andere zwaarwegende maatschappelijk belangen kan een bepaalde concentratie wel toelaatbaar zijn. Welke andere zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn dit, zo vragen de leden van de fractie van de VVD.

De jarenlange discussie over wel of niet concentratietoezicht, en het wisselend oordeel over de wenselijkheid ervan, hebben dan uiteindelijk geresulteerd in de constatering dat preventief fusietoezicht een onmisbaar element in deze wetgeving is. Zij het dat daar in de SER en in de Commissie economische mededinging gevarieerd over wordt gedacht. Wellicht heeft bij deze keuze in het wetsvoorstel de discussie rond het inroepen van de «Dutch clause» ook een rol gespeeld. De leden van de fractie van D66 kunnen zich zeer wel verenigen met toezicht, maar vragen zich af of invoering ervan niet zal leiden tot onnodige bureaucratie en veel tijdverlies, daar waar dat bepaald niet gewenst is uit ondernemersoogpunt? In dit verband dringen zij erop aan dat de AMvB, waar de inhoud van de aanmelding zal worden bepaald, bij de behandeling van dit wetsvoorstel wordt betrokken.

De regeling geldt alleen voor concentraties waarbij de gezamenlijke omzet meer dan 250 mln gulden bedraagt, en als daarvan door ten minste twee betrokken ondernemingen voor 30 mln gulden is omgezet in Nederland. Fusies met een Europese dimensie blijven onder het Nederlandse regime buiten schot. Opmerkelijk genoeg geldt dit ook voor banken en verzekeraars ex artikel 32; vooralsnog bij wijze van uitzondering. Die vervalt pas wanneer de ministeries van Economische Zaken en van Financiën daartoe een gezamenlijke voordracht doen ex atikel 101. De vraag is of dat ooit gebeuren zal. De leden van de fractie van D66 willen graag weten waarom voor dit regime is gekozen?

De procedure voor de melding vooraf is naar het oordeel van de leden van de D66-fractie nogal zwaar en tijdrovend, met name als daarbij tevens de beroeps- en bezwaarschriftprocedure in ogenschouw wordt genomen. Ook hierbij is bepaald dat de gegevens die overlegd dienen te worden bij AMvB nader zullen worden vastgesteld.

Ook hier willen deze leden bepleiten dat de inhoud daarvan bekend is en deel kan uitmaken van de parlementaire behandeling van de voorliggende wet. Dit klemt temeer nu partijen geen zeggenschap hebben over de mate van vertrouwelijkheid, die in concrete gevallen door de Dienst zal worden betracht.

De regering spreekt de verwachting uit dat gemiddeld zo'n honderd concentraties per jaar aangemeld moeten worden. Advocaten werkzaam op dit terrein oordelen echter dat het een veelvoud hiervan zal betreffen. Waarop is de verwachting van de regering gebaseerd?

Het wetsvoorstel voorziet wél in een mogelijkheid voor heroverweging door de Minister van Economische Zaken van de beslissing van de directeur, als het algemeen belang een heroverweging van diens beslissing verlangt ex artikel 47. Voorziet het wetsvoorstel omgekeerd ook in een controle-regeling die ex post zal kunnen leiden tot een ingreep bij bijvoorbeeld niet-meldingsplichtige concentraties, die wel degelijk een mededingingsbelemmerend effect blijken te hebben? Hoe beoordeelt de regering bijvoorbeeld de concentratie in de vorm van een maatschap van medische specialisten, die de naar verwachting 30 mln gulden omzet nog niet zal halen? De leden van de D66-fractie vragen of de regering aanleiding ziet de wet in deze zin aan te passen?

De leden van de SGP-fractie delen de opvatting van de regering dat toezicht op concentraties een logisch onderdeel vormt van een mededingingswet. Deze leden leden hebben echter ernstige twijfels over de juistheid van de keuze voor de omzet als toetsingscriterium. Gaat het bij de beoordeling uiteindelijk niet steeds om de relatieve machtspositie die een concentratie op de markt inneemt?

De drempel voor het toepassingsbereik van de toezichtsregels op concentraties kunnen zijn geformuleerd in termen van balanstotaal, omzet, marktaandeel of combinaties daarvan. Het marktaandeel is naar de opvatting van de regering geen geschikt criterium voor een preventief systeem. Om die reden is in het wetsvoorstel gekozen voor een omzetdrempel ter grootte van 250 miljoen gulden. Is de omzetdrempel niet een te grofmazig criterium, zo vragen deze leden. Zij achten het voorstelbaar dat op sommige deelmarkten, vooral die op welke nauwelijks enige concurrentie vanuit het buitenland plaatsvindt, al spoedig sprake kan zijn van een economische machtspositie indien een concentratie een jaaromzet heeft tussen de 200 en 250 miljoen. Voor andere deelmarkten geldt het omgekeerde. Met andere woorden: is de conclusie juist dat de omzet als zodanig geen getrouw beeld oplevert van de feitelijke economische machtspositie die door een concentratie wordt opgebouwd?

In dit verband vinden de leden van de SGP-fractie het opmerkelijk dat de regering in het Nader Rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State opmerkt dat bij de beoordeling of sprake is van het ontstaan of het versterken van een economische machtspositie, de relevante geografische markt dient te worden vastgesteld. Indien zulks mogelijk blijkt te zijn en dit blijkbaar geen onoverkomelijke problemen hoeft op te leveren, dan kan toch ook het marktaandeel van de betreffende concentratie worden bepaald?

De leden van de GPV-fractie zijn het met de regering eens dat concentraties de concurrentie kunnen beperken en dat hanteren van een toezichtsinstrument daartegen een adequaat preventief middel kan zijn.

De leden van de GPV-fractie lezen dat ondernemingen die hun marktpositie willen versterken door bijvoorbeeld fusies aan te gaan dit vooraf moeten melden aan de nieuw op te richten Dienst voor de mededinging. Na maximaal vier weken deelt de directeur mee of een vergunning is vereist. Indien een onderneming een vergunning behoort te hebben moet er opnieuw een aanvraag worden ingediend, waarna binnen 13 weken deze vergunning al dan niet wordt verleend. Waarom moet er, indien er een vergunning nodig is, opnieuw een aanvraag worden ingediend? Wordt met de voorgestelde procedure niet onnodig tijd verloren en betekent dit geen onnodige administratieve last voor de betrokken ondernemingen en de Dienst voor de mededinging?

11. Handhaving

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de nieuwe mededingingswet in de praktijk net zo belangrijk voor juristen als voor economen is en vragen daarom of de aansluiting bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel voldoende doordacht is. Hoewel het Europese verbodstelsel overgenomen wordt, lijkt het of het daarbij behorende niveau van rechtsbescherming niet wordt overgenomen. Zo is er op Europees niveau meer en betere bescherming van de vertrouwelijkheid van stukken, een betere regeling van de positie van de klager, een rechter die elk feitelijk en juridisch oordeel van de kartelautoriteit kan «overrulen» en dus niet op afstand en marginaal toetst, een rechter die zonodig boetes mag verlagen, enz. Kan zowel materieel als procedureel duidelijk geïnventariseerd worden waar het Europese model wel wordt overgenomen en waar ervan wordt afgeweken? Kan aangegeven worden of op grond van deze inventarisatie aanvullende garanties wenselijk zijn? Hoe verhoudt het wetsvoorstel zich met de bestaande praktijk van «comfort letters» (niet goedkeuren, maar kan geen kwaad zolang aangemeld is) die in Europa gangbaar zijn?

Waarom is het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, de nu bevoegde rechter in WEM-zaken en gespecialiseerd in sociaal-economisch recht, uit het wetsvoorstel geschreven? Hoeveel zaken verliest het ministerie van Economische Zaken? Heeft het antwoord op deze vraag iets te maken met het wegnemen van de rol van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven?

Komt de voorgestelde nieuwe vorm van rechtsbescherming bij de rechtbank Rotterdam, met beroep op de Raad van State, neer op een ernstige vorm van juridische kapitaalvernieting, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Is bij boetes een beroep in twee instanties gewenst? Waarom is men voor het hoger beroep op de Raad van State aangewezen in plaats van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven?

Waarom bevat het wetsvoorstel geen regels over de bewijsvoering en andere waarborgen? Waarom worden, gezien de verwachte overbelasting van het apparaat van de Dienst en een blokkade voor betrokken bedrijven bij de rechter (die in de praktijk al snel zo'n zes à twaalf maanden duurt), de voorbereidingscommissie én de bezwaarschriftenprocedure verplicht gesteld? Waarom is er niet voor gekozen de bezwaarschriftenprocedure te schrappen of facultatief te stellen?

De belangen van consumenten zijn zeer diffuus verspreid over de samenleving. Bovendien hebben individuele consumenten te weinig tijd en kennis om mededingingsvraagstukken aan de orde te stellen. Daarom zijn de leden van de PvdA-fractie van mening dat organisaties die opkomen voor de belangen van consumenten alle kans moeten krijgen hun taak te vervullen. Is overwogen om consumentenbelangenor gani- saties zoals de Consumentenbond meer kansen te geven een beroepsprocedure te starten in het belang van consumenten? Is het feit dat de Consumentenbond geen belanghebbende is in de zin van de Awb, het voor hen onmogelijk een beroepsprocedure te starten?

Inzake de keuze voor een bestuursrechtelijke handhaving van de Mededingingswet, in tegenstelling tot de WEM, die strafrechtelijk wordt gehandhaafd, komt de SER niet tot een zo duidelijke keuze als de regering. Ook in het commentaar van prof. Mok, in TVVS van juni 1996, uit hij overwegende bezwaren tegen het voorgestelde handhavingssysteem. Graag zien de leden van de PvdA-fractie dat de regering uitgebreid de argumentatie van de SER en van prof. Mok langsloopt teneinde twijfel aan de keuze voor bestuursrechtelijke handhaving weg te nemen.

Kan aangegeven worden waarom regels over uitlokking, deelneming, poging en uitsluiting van strafbaarheid ontbreken, zo vragen de leden van de VVD-fractie?

Is overwogen om het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) in de rechtsgang (rechtspraak in twee instanties) te betrekken zodat haar deskundigheid op dit terrein gebruikt zal kunnen worden? Zo ja, waarom is besloten geen gebruik te maken van deze aanwezige deskundigheid?

Gekozen is, ondanks andersluidend advies van de Commissie economische mededinging en de SER, dat in de richting van civielrechtelijke handhaving gaat, voor een bestuursrechtelijke handhaving van de Mededingingswet. De leden van de D66-fractie nemen met belangstelling kennis van de variëteit aan overwegingen die hiertoe geleid hebben. Het is opvallend dat dit besluit voor deze wijze van afdoening haaks lijkt te staan op het criterium geformuleerd door de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten, dat stelt dat overtreding van een verbod, i.c. de artikelen 6 en 24, eenvoudig moet zijn vast te stellen en dat er op grond van die normen een vaste gedragslijn ontwikkeld moet kunnen worden, wil er sprake kunnen zijn van bestuursrechtelijke handhaving. Echter de regering vindt dat dat in uitzonderlijke gevallen wél kan, als er maar een gespecialiseerd opsporingsorgaan is, dat aan de handhaving adequaat gestalte kan geven. En daar is sprake van, aldus de memorie van toelichting.

Het bevreemdt de leden van de fractie van D66 nogal dat bij de uitvoering van de Mededingingswet het College van Beroep voor het Bedrijfsleven – bij uitstek deskundig – geen enkele rol is toebedeeld. Gaarne opheldering op dit punt van de zijde van de regering.

Tegen de sanctiebeschikking van de directeur staat beroep open bij de Sector Bestuursrecht van de rechtbank Rotterdam, waartegen hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hoe beoordeelt de regering de kennis en kunde aanwezig bij deze bestuursrechterlijke colleges op het gebied van het mededingingsrecht?

Zullen deze colleges, gelet op het specialistische karakter van de onderhavige materie, voldoende in staat zijn overtuigend en adequaat op te treden op het gebied van het mededingingstoezicht? Gaarne zien de leden van de fractie van D66 een uitvoerige beschouwing op dit punt tegemoet.

12. Geheimhouding en samenwerking

De Dienst voor de mededinging heeft een geheimhoudingsplicht betreffende de informatie die ondernemingen aan de Dienst ter beschikking stellen. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat deze geheimhoudingsplicht van zeer groot belang is aangezien bedrijven er op moeten kunnen rekenen dat vertrouwelijke bedrijfsinformatie niet openbaar wordt. Toch kan in bepaalde gevallen van deze regel worden afgeweken.

De geheimhoudingsplicht geldt namelijk niet indien een goede uitvoering van de desbetreffende taak mededeling noodzakelijk maakt. Wanneer is sprake van een dergelijke noodzakelijkheid? Voorts informeren zij over de waarborgen voor de onderneming als het gaat om de vertrouwelijkheid van informatie. Welke informatie mag de minister wel en niet aan de Tweede Kamer bekend maken? Tot wie kan de onderneming zich richten in geval van een conflict met de Dienst over de informatie die de onderneming dient te verstrekken? Kan de onderneming die meent onjuist te worden behandeld zich richten tot de ombudsman?

13. Uitvoering van de mededingingswet

De leden PvdA-fractie zijn van mening dat van een verbodstelsel meer preventieve werking uitgaat dan van een misbruikstelsel. Bovendien is de norm van het verbod voor iedereen dan helder. Een goede werking van het verbodstelsel staat of valt met een stevig en onafhankelijk toezicht.

Deze leden zien problemen in de gedachte dat onderzoek en opsporing enerzijds en strafvervolging (dwangsommen/boetes) anderzijds in één hand zijn. Dwangsommen en boetes van tientallen miljoenen guldens (maximaal tien procent van de netto-omzet) zullen geen uitzondering zijn. Waarom is, gezien deze omvang en het punitieve element van boetes, geen scheiding tussen onderzoek/opsporing en dwangsommen/boetes aangebracht?

Zij maken zich ook zorgen over het karakter van de Dienst. De gekozen vorm van «interne verzelfstandiging» is immers een compromis en gaat enigszins ten koste van de geloofwaardigheid van het toezicht. Is een ZBO-status voor de Dienst, zeker op termijn, wenselijker, vooral als in de wet ook regels worden opgenomen over bepaalde vormen van oneerlijke overheidsconcurrentie? Een gerelateerd probleem met een ambtelijke Dienst is dat een overheid die aandeelhouder is kampt met de schijn van partijdigheid daar waar het poogt op eerlijke concurrentieverhoudingen toe te zien.

Dit alles pleit volgens de leden van de PvdA-fractie voor een Dienst die op meer afstand van het Ministerie van Economische Zaken staat met een zelfstandige verantwoordelijkheid en met een eigen rechtspositie en bevoegdheden. Immers een streng toezicht waarvan de onafhankelijkheid niet betwijfeld kan worden is essentieel. Hoe wordt in het huidige wetsvoorstel de schijn van belangenverstrengeling vermeden?

Helaas, wordt volgens het wetsvoorstel pas na vijf jaar bezien of naar een verzelfstandiging van de Dienst overgestapt wordt. Waarom wordt reeds nu niet gekozen voor een Dienst meer op afstand van de overheid binnen een bepaalde termijn? Waarom is de termijn van heroverweging van de status van de Dienst gesteld op vijf in plaats van bijvoorbeeld drie jaar?

Met een dergelijke ZBO-constructie voor de Dienst (vgl. het Bundes-kartelamt) kan naar de mening van deze leden altijd nog geregeld worden dat de minister de mogelijkheid krijgt een besluit van het orgaan op grond van sociale, milieu-, werkgelegenheids- of nationaal industrie-politieke belangen te vernietigen en daarmee zo nodig in debat met de Tweede Kamer te kunnen treden.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het een geïntegreerd mededingingsbeleid ten goede komt als van tevoren wordt vastgelegd dat de Dienst zich desgevraagd of ex officio tevoren uitlaat over concept-wetgeving met mededingings-rechtelijk relevante aspecten. Wat is de opvatting van de regering hierover? Hoe zit het met de voorbereiding en het personeel van de toekomstige Dienst? Wordt er nu reeds voldoende gedaan aan opleiding, stages, enz. voor het toekomstige personeel? Zijn er voldoende geschikte economen en juristen op de arbeidsmarkt om de Dienst te gaan bezetten?

Ten aanzien van de ambtelijke dienst die wordt belast met de uitvoering en het toezicht op het beleid kunnen de leden van de CDA-fractie ermee instemmen dat deze voorlopig op niet al te grote afstand van de verantwoordelijke minister opereert. Tegelijkertijd hechten deze leden eraan dat de dienst zodanig kwalitatief sterk wordt bemand dat zij binnen de kortste keren zoveel autoriteit, aanzien en gezag verwerft dat na de voorziene aanvangsperiode kan worden overgegaan tot een meer zelfstandige dienst. Het zou goed zijn wanneer de dienst eenzelfde gezag krijgt als de Algemene Rekenkamer of De Nederlandsche Bank, om de gedachten te bepalen.

Vragen plaatsen de leden van de CDA-fractie bij het samenvoegen van zowel toezicht als sanctie-opleggende instantie in één ambtelijke dienst, zonder dat er sprake is van voldoende hoge «chinese walls». Graag zien deze leden dat een nadere afweging wordt gemaakt ten aanzien van bijvoorbeeld een voorstel van de Raad van State van een zelfstandige functionaris binnen de dienst, die is belast met de sanctie-oplegging.

Is het feit dat de opsporing, de vervolging en de sanctie uitgeoefend worden door een en dezelfde Dienst voor de mededinging niet schadelijk voor de rechtszekerheid van de betrokken ondernemingen, zo vragen de leden van de VVD-fractie? In België zijn deze bevoegdheden van elkaar gescheiden. Kan aangegeven worden waarom niet gekozen is voor een dergelijke organisatie? Hoe is de organisatie van DG IV?

De Dienst kan ambtshalve gebruik maken van haar bevoegdheden. Het is van belang dat er een actief mededingingsbeleid kan worden gevoerd. De leden van de fractie van de VVD kunnen zich hier dan ook vinden. Wel vragen zij de regering wanneer de Dienst zal overgaan tot een ambtshalve uitvoering van haar bevoegdheden. Voorts vragen deze leden hoe groot de discretionaire ruimte is die de Dienst heeft bij de beslissing of hij een klacht in behandeling neemt en welke prioriteiten hij daarbij stelt. Toezicht en onderzoek zullen worden uitgeoefend door ambtenaren van de Dienst voor de mededinging. De procedures worden beschreven in bepalingen van het nog niet tot stand gekomen hoofdstuk vijf van de Algemene Wet Bestuursrecht. Wanneer wordt dit hoofdstuk van kracht? Zal deze de inwerkingtreding van de WEM kunnen belemmeren?

Wat betreft de ministeriële verantwoordelijkheid hebben de leden van de VVD-fractie de volgende vraag. Waarom wordt de ministeriële verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de mededingingswet voor een periode van vijf jaar ten volle in stand gehouden? Is deze periode willekeurig gekozen of is daar een achterliggende reden voor? Zal er in die tussentijd een evaluatie plaatsvinden? Welke criteria zullen worden gehanteerd bij de evaluatie?

Zal de capaciteit van de Dienst voor de mededinging toereikend zijn voor haar taak? Hoe groot is die capaciteit? Zijn er risico's dat de Dienst, zeker in het begin van haar werkzaamheden, te zwaar belast zal worden gezien het bagatelcriterium van vijf miljoen gulden? Zo ja, op welke wijze zal dit worden ondervangen? Hoe reëel is de inschatting dat er ± 100 gevallen per jaar door de Dienst zullen worden behandeld? De leden van de fractie van de VVD zijn het eens met de regering dat de Dienst een reputatie en uitstraling van onberispelijkheid, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid moet opbouwen.

Op welke wijze zal een hoge standaard van deskundigheid en vakkennis worden gewaarborgd? In de memorie van toelichting wordt in dit verband verwezen naar o.a. het Bundeskartellamt in Duitsland. Hoe is de standaard van de Duitse kartelautoriteit? Wordt deze standaard in Duitsland bewaakt, zo ja op welke wijze?

De leden van de VVD-fractie vragen welke argumenten ten grondslag hebben gelegen aan het besluit veel hogere vermogenssancties te vorderen dan tot nu toe in Nederland gebruikelijk is. Kan nader worden uitgewerkt op welke wijze de telastelegging inhoud zal krijgen? Zal de directeur van de Dienst de zaak aan de hand van de telastelegging moeten onderzoeken? Voorts wensen deze leden te vernemen welke criteria voor het bewijs zullen gelden. Zal de betrokken onderneming moeten aantonen dat haar geen verwijt treft? Kan de aantoonbaarheid van de bewijslast nader uitgewerkt worden? Heeft de ondernemer recht op bijstand?

Met vergunningaanvragen voor concentraties bestaat op basis van de Wet economische Mededinging bij het bedrijfsleven geen ervaring omdat die wet niet in een concentratietoezicht voorziet. Op welke wijze kan een onderneming zich laten informeren over dergelijke vergunningen? Zal hierbij door de Dienst voor de Mededinging een voorlichtende rol gespeeld worden?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe in het buitenland, waar reeds ervaring is opgedaan met concentratietoezicht, de financiële nalevingseffecten zijn? Voorts informeren zij of de detailhandel in de ons omringende landen meer speelruimte heeft gekregen dan het EG-recht toelaat. Hoe zit dat bijvoorbeeld in België en Frankrijk?

De leden van de fractie van de VVD informeren in hoeverre de Dienst voor de mededinging invloed heeft op samenwerkingsverbanden van buitenlandse bedrijven op de Nederlandse markt. De uitvoeringsinstantie kan naleving afdwingen bij bedrijven die in Nederland gevestigd zijn of in Nederland dochterondernemingen hebben. Hoe wordt echter omgegaan met samenwerkingsverbanden door buitenlandse ondernemingen die exporteren naar Nederlands grondgebied? Op gespecialiseerde terreinen (defensiemateriaal, farmaceutica) is dat denkbaar. Worden dergelijke verbanden ondervangen door Europese regelgeving? Kan de regering deze leden informeren of een situatie kan ontstaan dat mededingingsafspraken tussen Nederlandse ondernemers wordt verboden terwijl dezelfde afspraken door buitenlandse ondernemers wel is toegestaan op dezelfde Nederlandse markt? Hoe waarschijnlijk acht de regering deze mogelijkheid en is zij bevoegd hiertegen maatregelen te nemen?

De uitvoering van de wet zal plaatsvinden op afstand van het beleid, maar met behoud van de verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken. Gekozen is dus voor interne verzelfstandiging, waarmee de leden van de fractie van D66, zij het met enige aarzeling, wel kunnen instemmen.

Zij zijn op zich eerder voorstander van een zelfstandig, extern, onafhankelijk oordeel ter waarborging van belangen van derden, dan van directe politieke bemoeienis daarmee.

Het is echter, mede gezien de vele onzekerheden bij het verloop van de toepassing straks van deze nieuwe wet, wél te verkiezen dat er een specifiek politieke verantwoordelijkheid – althans voor de komende vijf jaar – blijft rusten bij de minister van Economische Zaken. Ingenomen zijn deze leden dan ook met het bekendmaken van de ambtelijke instructies aan de directeur en met het publiceren van een jaarlijks verslag. Overigens moet de directeur wel, gezien zijn bevoegdheden, de eigenschappen combineren van een top-advocaat, een top-adviseur, een rechter en een voorzitter Raad van Bestuur!

Minder gelukkig zijn de leden van de fractie van D66 met de verstrengeling in één Dienst van op zichzelf staande onderscheiden bevoegdheden, zoals hierboven reeds is opgemerkt. Het argument van slagvaardigheid kan de gewenste scheiding van toezicht en onderzoek enerzijds en sanctie-oplegging anderzijds niet terzijde zetten. De feitelijke scheiding van de werkzaamheden moet zichtbaar worden doordat binnen de dienst twee verschillende afdelingen worden belast, met voor justitiabelen ook zichtbaar andere ambtenaren, aldus de memorie van toelichting. Alsof het daarom gaat! De beroemde Chinese muur moet de wetenschap van collega's van elkaar gescheiden houden in het nieuwe gebouw. De muur eindigt bij de directeur daar vloeien de bevoegdheden immers weer samen. Ligt hier belangenverstrengeling op de loer?

De leden van de fractie van D66 hebben grote twijfels over dit gesignaleerde gebrek aan scheiding. Het wezenlijk splitsen van deze bevoegdheden behoort tot de grondbeginselen van onze rechtspraak. Deze leden willen dan ook, in navolging van zowel de Commissie economische mededinging als de Sociaal Economische Raad als ook de Raad van State, pleiten voor een onafhankelijke functionaris belast met sanctieoplegging, hetzij binnen, maar liever buiten de dienst. Ziet de regering een mogelijkheid om aan deze wens tegemoet te komen?

Kan de regering nader inzicht geven in de wijze waarop de Dienst concreet vorm zal geven aan de onderzoekstaak en in de bevoegdheden die daar bij horen?

Tot slot nog een punt van ernstige zorg. De leden van de D66-fractie hebben gerede twijfels ten aanzien van een verantwoorde uitvoering van deze wet. Immers zij vragen zich in gemoede af, of er wel voldoende beschikbaar potentieel aan deskundigheid op het gebied van mededingingsbeleid voorradig is om straks de uitvoering van de ambitieuze voornemens van de wet slagvaardig ter hand te kunnen nemen? Een welhaast onmogelijke opgave, komt het deze leden voor.

Dit klemt temeer daar de directeur van de toekomstige Dienst toegerust is met vérstrekkende bevoegdheden.

De leden van de D66-fractie signaleren een redeneren naar de eigen oplossing toe in een onderhoudende analyse van het te verwachten vele extra werk voor de rechterlijke macht. Zo komt de bestuurlijke boete uit de bus, ter voorkoming van overbelasting van het apparaat. En de directeur van de Dienst is bevoegd tot het opleggen van sanctiebeschikkingen.

Tegen sanctiebeschikkingen van de directeur staat beroep open bij de rechtbank te Rotterdam ná het doorlopen van een bezwaarschriftprocedure. Vervolgens kan hoger beroep worden aangetekend bij de Raad van State. Dat is naar de mening van deze leden een wat ongebruikelijke rechtsgang. Is de regering bereid te overwegen een taak weg te leggen voor het College van Beroep voor het Bedrijfsleven op het gebied van de handhaving van de Mededingingswet? In de Wet op de economische mededinging treedt dit college met de nodige deskundigheid op in eerste en enige aanleg. Zal het College van Beroep voor het Bedrijfsleven dan ook niet een betere beroepsinstantie zijn dan de Raad van State? Hoe denkt de regering over deze mogelijkheid?

Vanwege de verandering van het misbruiksysteem naar het verbodsysteem wordt ook een geheel ander handhavingssysteem voorgesteld. Een intern verzelfstandigde dienst zal worden belast met het toezicht op de naleving van de wet, zo merken de leden van de RPF-fractie op. Waarom is niet gekozen voor een zelfstandig bestuursorgaan? En waarom is gekozen voor een handhavingssysteem waar opsporing, vervolging en berechting in één hand komen? Lokt dit uiteindelijk niet allemaal gerechtelijke procedures uit die veel administratieve rompslomp vragen? Wat zijn de overwegingen geweest om niet aan te sluiten bij de Wet economische mededinging en de administratieve rechtspraak?

De leden van de GPV-fractie begrijpen dat voor toezicht en onderzoek met betrekking tot de regelgeving binnen het voorliggend wetsvoorstel een Dienst voor de Mededinging in het leven wordt geroepen. De leden vragen wat de omvang van deze dienst zal zijn. Is het de bedoeling dat de kosten van deze dienst worden gedekt uit de te verwachten inkomsten van vergunningsaanvragen en op te leggen boetes?

De leden van de GPV-fractie constateren dat in het onderhavig wetsvoorstel is gekozen voor een intern verzelfstandigde uitvoeringsorganisatie.

In de toelichting lezen deze leden dat de Dienst voor de mededinging voor het vaststellen van sanctiebeschikkingen, maar ook bij de beslissing op ontheffingsaanvragen over discretionaire ruimte beschikt. Betekent dit niet een vergroting van de rechtsonzekerheid, zo vragen deze leden? Kan dit er niet toe leiden dat beslissingen van de Dienst veelvuldig worden aangevochten? En is deze interpretatieruimte niet in strijd met de zinsnede «dat besluitvorming op basis van de mededingingswet doorzichtig moet zijn»? Zal dit er niet toe leiden dat de minister veelvuldig gebruik moet maken van zijn bevoegdheid te sturen in afzonderlijke gevallen?

De leden van de GPV-fractie merken ten principale op dat zij het ongewenst vinden dat degene die belast is met het opleggen van de sanctie ook verantwoordelijk is voor toezicht en onderzoek. De leden van de GPV-fractie zijn met de Raad van State, de SER en de Commissie economische mededinging van mening dat er een duidelijke scheiding moet worden aangebracht tussen toezicht en onderzoek aan de ene kant en het opleggen van sancties aan de andere kant. In het voorliggend wetsvoorstel wordt weliswaar een scheiding aangebracht in werkzaamheden door een taakverdeling over twee afdelingen, maar de verantwoordelijkheid voor beide afdelingen blijft liggen bij de directeur van de Dienst. Deze leden concluderen op basis van de toelichting dat de regering een formele scheiding niet gewenst acht, omdat volgens haar daarmee de doeltreffendheid en de slagkracht van het mededingingsbeleid in gevaar kan komen. Betekent dit dat de regering de zuiverheid van taakuitoefening belangrijk vindt, zolang dat niet ten koste gaat van de efficiency?

14. Bedrijfseffectentoets

Bij het aanvragen van een vergunning of ontheffing kunnen de kosten voor de betrokken onderneming al snel oplopen tot enkele tienduizenden gulden. De leden van de CDA-fractie willen graag weten tot welke omvang de regering deze kosten voor bedrijven nog aanvaardbaar vindt. Het zou niet goed zijn wanneer het belangrijkste werkgelegenheidseffect van de Mededingingswet zich zou voordoen bij de advocatenkantoren, zo menen deze leden.

15. Overgangstermijn

De leden van de PvdA-fractie zien vooralsnog geen problemen met de overgangstermijn van drie maanden of, als binnen die termijn ontheffing is aangevraagd, totdat op die aanvraag is beslist tot maximaal achttien maanden.

16. Slotopmerkingen

Het is de leden van de CDA-fractie opgevallen dat in de Mededingingswet geen melding wordt gemaakt van een adviescommissie, zoals de huidige Commissie Economische Mededinging. Deze leden zien graag de motivering tegemoet waarom de regering denkt de uitvoering van het mededingingsbeleid voortaan wel af te kunnen zonder enige reguliere inbreng, hetzij in de vorm van overleg, hetzij in de vorm van advies, vanuit expertise in organisaties van degenen die dagelijks met de praktijk of de wetenschap van de mededinging te maken hebben. Bestaat niet het gevaar dat het mededingingsbeleid in een ivoren toren zal belanden, wanneer in geen enkele betrokkenheid vanuit de maatschappij wordt voorzien. Kan de regering aangeven in hoeverre zij het functioneren van de Commissie Economische Mededinging gedurende de afgelopen 35 jaar beoordeelt?

Hoe is het gesteld met de rechtswaarborgen en de rechtsbescherming van betrokkenen, zo vragen de leden van de D66-fractie? Het is welhaast symbolisch dat hoofdstuk 12 van de wet slechts uit één artikel bestaat. Is het mogelijk dat de Consumentenbond in het kader van de Mededingingswet optreedt voor alle consumenten in rechte, naar analogie met dit wettelijk recht neergelegd in het burgerlijk recht?

De leden van de SGP-fractie vragen naar de toekomstige positie van de Commissie economische mededinging. In het wetsvoorstel is niet voorzien in de instandhouding van dit orgaan. Ziet de regering voor dit adviescollege geen taak meer weggelegd?

ARTIKELEN

Artikel 1

De nieuwe wet definieert «ondernemingen» overeenkomstig het Europees kartelrecht. Betekent «deelnemen aan het economisch proces» dat er sprake moet zijn van de uitoefening van een beroep of bedrijf, zo vragen de leden van de VVD-fractie?

Artikel 1f

De leden van de CDA-fractie willen graag weten wat verstaan wordt onder een economische activiteit? Wat zijn de consequenties voor de arbeidsbemiddeling in ons land en meer specifiek voor het CBA, indien deze onder de nieuwe mededingingswet komt te vallen?

Artikel 2

Is de gekozen constructie voor een Dienst voor de mededinging de meest logische, wanneer zo nauw mogelijk wordt aangesloten bij de Europese regelgeving? Hoe wordt de mededingingswet in de overige EG-lidstaten uitgevoerd en gehandhaafd, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Kan de regering haar mening geven over de eventuele wenselijkheid van een European Cartel Office op Europees niveau met het oog op de fundamentele discussie hierover in de komende tijd?

De leden van de CDA-fractie willen weten waarom de nadere omschrijving van de bevoegdheden van de minister conform het advies van de SER toch niet zinvol wordt geacht, met name uit het oogpunt van de noodzakelijke transparantie van de regelgeving. Zijn de algemene beleidsregels op te stellen op basis van artikel 4 niet te vaag?

Artikel 3

De leden van de CDA-fractie merken op dat bij een inbreukprocedure twee verschillende afdelingen na elkaar worden geschakeld om op die wijze de objectiviteit te waarborgen. Is dit voldoende om zulks te bewerkstelligen? Is er een, en zo ja wat is de verhouding met artikel zes van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)? Met andere woorden, voldoet de voorgestelde procedure aan de eisen van het EVRM?

Artikel 4

Er wordt gesteld dat de «keerzijde» van artikel 4.4.5 van het wetsvoorstel derde tranche Awb gelegen is in het feit dat ook belanghebbenden zich hierop kunnen beroepen. Acht de regering dit niet juist positief, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Wanneer wordt overigens de invoering van de derde tranche Awb verwacht? Is het juist dat de mededingingswet niet in werking kan treden voordat deze derde tranche Awb in werking is getreden?

Artikel 6

De leden van de SGP-fractie vragen of het geen aanbeveling verdient de in de memorie van toelichting genoemde voorbeelden van verboden overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde gedragingen in de wettekst zelf op te nemen, bij wijze van niet-limitatieve opsomming.

Voorts vragen deze leden een nadere toelichting op de keuze van de regering om in artikel zes niet het zogeheten merkbaarheidsvereiste op te nemen.

Artikel 7

Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie een nadere toelichting waarom in afwijking van het SER-advies toch besloten is om marktaandeel als criterium voor de bagatelvrijstelling buiten beschouwing te laten.

Hoe reëel is de geformuleerde bagatelvoorziening, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Is het criterium van vijf miljoen gulden aan gezamenlijke omzet niet te laag? Klopt het rekenvoorbeeld dat door de Vereniging van In- en Verkoopcombinaties is gemaakt in haar brief van 3 juni aan de vaste commissie voor Economische Zaken (EZ 96-282)? In die brief wordt gesteld dat een samenwerkingsverband van acht detaillisten met niet meer dan vijf miljoen gulden gemeenschappelijke omzet niet bestaat en ook nauwelijks kan bestaan, gezien het daaruit te realiseren bruto exploitatieresultaat. Graag ontvangen de leden van de fractie van de VVD een reactie van de regering. Op welke wijze is dit in de Belgische wet geregeld? Welke norm heeft als uitgangspunt gediend voor de keuze van vijf miljoen gulden omzet indien daarbij uitsluitend ondernemingen zijn betrokken wier activiteiten zich in hoofdzaak richten op het leveren van goederen en een miljoen gulden in alle andere gevallen? Kan aangegeven worden hoe dit bedrag zich verhoudt tot de bagatelomzet van andere EU-landen van een vergelijkbare omvang?

Artikel 10

Graag zien de leden van de CDA-fractie een toelichting op hoofdlijnen tegemoet van de Mededeling van de Commissie betreffende nevenrestricties bij concentraties.

Artikel 11

In de toelichting wordt gesteld dat niet is uit te sluiten dat een conglomeraat van regelgeving, overeenkomsten en besluiten ook de basis kan zijn voor een onderneming belast met een dienst van algemeen economisch belang. Waaraan moet hier concreet worden gedacht? Waarom wordt afgeweken van artikel 90 lid 2 van het Verdrag, zo willen de leden van de CDA-fractie graag weten? Wie bepaalt de inhoud van het begrip «algemeen economisch belang»? Kan worden ingegaan op de discussie op Europees niveau over de «services publiques», zo vragen de leden van de CDA-fractie?

In het huidige Besluit horizontale prijsbinding en het Besluit marktverdelingsregelingen is een uitzondering opgenomen voor regelingen die betrekking hebben op prijzen van elektriciteit of aardgas en de produktie en distributie van elektriciteit of aardgas. Vallen dergelijke afspraken wel onder de nieuwe wet, zo informeren de leden van de VVD-fractie?

Artikel 14

Waarom is niet gekozen voor het opvolgen van de suggestie van de Raad van State om aan dit artikel toe te voegen dat bij het ontheffings- en vrijstellingenbeleid met «andere uit maatschappelijk oogpunt bezien nuttige effecten» rekening kan worden gehouden, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

Artikel 15

Waarom heeft de regering geen concrete voornemens om een generieke vrijstelling op basis van dit artikel te nemen? Op welke termijn zijn die te verwachten? Na inventarisatie van de recentelijk ingestelde werkgroep van ambtenaren en detailhandel? Het is naar de mening van de leden van de CDA-fractie goed wanneer nu reeds inzicht wordt verschaft in de beleidspraktijk die de regering voor ogen staat.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de begrippen «verbetering van de produktie of van de distributie of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang» nader uitgewerkt kunnen worden.

Artikel 16

De leden van de VVD-fractie vragen naar de redenen voor het laten vervallen van artikel 16 na verloop van een periode van vijf jaar.

Artikel 19

Waarom is niet gekozen voor de procedure zoals opgenomen in de artikelen 37 en 44, tweede lid, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Met andere woorden dat bij het verstrijken van termijnen het voordeel van de twijfel doorslag geeft aan degene die potentieel de mededingingswet heeft overtreden (oppositieprocedure).

Artikel 28

Is de termijn om tijdelijk over aandelenpakketten te beschikken van een jaar niet te kort, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Wat vindt de regering van de suggestie van de Nederlandse Vereniging van Banken deze termijn op bijvoorbeeld vijf jaar te stellen?

Het tijdelijk houden van deelnemingen door kredietinstellingen wordt niet als een concentratie beschouwd, mits geen stemrecht wordt uitgeoefend om het marktgedrag te beïnvloeden. Op nationaal niveau lukt het vaak niet om grote aandelenpakketten binnen een jaar weer af te stoten. Indien de markt dit weet, kan dit de prijs ongunstig beïnvloeden. Waarom, vragen de leden van de fractie van de VVD, is in dit verband gekozen voor een periode van één jaar? Wat vindt de regering van het voorstel van de Nederlandse Vereniging van Banken om deze periode uit te breiden naar een periode van vijf jaar?

Geldt artikel 28 lid 1 sub c ook voor indirecte zeggenschap van een houdstermaatschappij via een participatiemaatschappij? Zo ja, is het mogelijk dit duidelijker tot uitdrukking te laten komen in de wet? Graag ontvangen de leden van de VVD-fractie hierop een reactie.

Artikel 29

De leden van de SGP-fractie vragen om welke reden in dit artikel bepaald is dat door ten minste twee van de betrokken ondernemingen ten minste ieder een omzet van 30 miljoen gulden in Nederland moet zijn behaald.

Artikel 35 en 38

Het is de bedoeling dat een standaardformulier wordt vastgesteld. De leden van de CDA-fractie willen graag weten waar deze vaststelling nog vanaf hangt?

Artikel 41

Een vergunning kan worden verleend onder beperkingen. Omdat het gaat om een beoordeling van structurele marktverhoudingen is het volgende de RCO noodzakelijk om conform het Europees recht te bepalen dat de op te leggen beperkingen of de aan een vergunning te verbinden voorschriften van structurele aard zijn, zodat zij niet kunnen ontaarden in gedragscontrole. Deelt de regering deze zienswijze van de RCO, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

Artikel 43

Waarom is niet voorzien in het geven van een vergoeding van gemaakte kosten aan ondernemingen die inlichtingen en gegevens moeten verschaffen ondanks dat zij niet bij de concentratie zijn betrokken, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

Artikel 45

Gesteld wordt dat het intrekken van een vergunning niet altijd het juiste middel is indien de verstrekte gegevens onjuist blijken te zijn. Aan welke andere maatregelen wordt gedacht, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

Artikel 50

«Grosso modo» stemmen de bevoegdheden overeen met die van de Commissie, zo wordt gesteld. Waarin zijn de verschillen dan nog gelegen, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

Artikel 51

Geldt de geheimhoudingsplicht ook voor bedrijfsjuristen, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

De leden van de fractie van de VVD informeren of de geheimhoudingsplicht zoals die uit artikel 51 voortvloeit ook niet van toepassing dient te zijn op bedrijfsjuristen die aangesloten zijn bij de NGB.

Artikel 56

Waarom wordt niet expliciet in dit artikel vermeld dat het artikel niet beoogt bestuurders persoonlijk aansprakelijk te stellen? Waarom, zo vragen de leden van de CDA-fractie, is in afwijking van de EG gekozen voor een automatische koppeling van dwangsom en maatregel?

Artikel 57

Het is voor de oplegging van de boete niet relevant of de ondernemersvereniging de boete al of niet op haar leden kan verhalen. Wordt daar geen rekening mee gehouden, zo vragen de leden van de CDA-fractie? De financiële positie van de onderneming wordt wel mee in aanmerking genomen volgens de memorie van toelichting. Vanwaar dit onderscheid?

Artikel 69

Waarom wordt geen hogere boete gezet op overtreding van de medewerkingsplicht? Immers de boete voor het weigeren van medewerking en de boete voor overtreding liggen onevenredig ver uit elkaar, zo menen de leden van de CDA-fractie.

Artikel 79

Is de overgangsregeling van drie maanden niet erg kort, zo vragen de leden van de CDA-fractie, zeker gezien het feit dat in de memorie van toelichting wordt geconstateerd dat het voor de Dienst van de mededinging niet doenlijk zal zijn alle ingediende ontheffingsverzoeken binnen de termijn van artikel 19 af te werken.

Artikel 88 en 89

Kan worden ingegaan, met het oog op datgene dat wordt opgemerkt over de decentrale toepassing van de verbodsbepalingen van de EG-mededingingsregels, op de suggestie die is vervat in het House of Lords rapport «Enforcement of Community Competition rules» (session 1993/94) om deze decentrale toepassing onder controle van het Europese Hof te brengen, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

Moet het wetsvoorstel niet een verbod bevatten om in Nederland gevolg te geven aan maatregelen van buitenlandse mededingingsautoriteiten, die strijdig zijn met hetzij ontheffing van, hetzij verbod door het Nederlands mededingingsrecht? Graag wensen de leden van de VVD-fractie hierover geïnformeerd te worden.

Artikel 91

Hoe reëel is de waarborg, zo vragen de leden van de CDA-fractie, voor vertrouwelijke behandeling van gevoelige gegevens, mede in het licht van de vele lekken die zich recentelijk in het overheidsapparaat hebben voorgedaan?

Kunnen gegevens die onder geheimhouding aan de Nederlandse mededingingsautoriteiten zijn verstrekt zonder instemming van de betrokkenen worden doorgegeven aan buitenlandse kartelautoriteiten? Is dit niet in strijd met de principes van rechtszekerheid en rechtsbescherming?

De leden van de VVD-fractie vragen of artikel 91 niet in strijd is met de principes van rechtszekerheid en rechtsbescherming.

Artikel 92

De leden van de fractie van de VVD vragen de regering waarom, in afwijking van de Algemene Wet Bestuursrecht, is gekozen voor het aanwijzen van één rechtbank in Rotterdam?

De voorzitter van de Commissie,

Vos

De griffier van de Commissie,

Tielens-Tripels


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), ondervoorzitter, Mateman (CDA)), Blaauw (VVD), Van der Vlies (SGP), H. Vos (PvdA), voorzitter, Van Gelder (PvdA), Smits (CDA), Ter Veer (D66), De Jong (CDA), Leers (CDA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Vreeman (PvdA), Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66) en Houda (PvdA).

Plv. leden: Passtoors (VVD), Ten Hoopen (CDA), Van Rey (VVD), Van Middelkoop (GPV), Woltjer (PvdA), Sterk (PvdA), Van Rooy (CDA), Ybema (D66), Wolters (CDA), Lansink (CDA), Terpstra (CDA), Weisglas (VVD), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), M. B. Vos (GroenLinks), Bakker (D66), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Verbugt (VVD), Klein Molekamp (VVD), Witteveen-Hevinga (PvdA), Poppe (SP), Leerkes (Unie 55+), Verspaget (PvdA), Adelmund (PvdA), Jeekel (D66) en Crone (PvdA).

Naar boven