Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24698 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24698 nr. 6 |
Vastgesteld 9 juli 1996
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het voorstel van wet voldoende voorbereid.
| Algemeen | 3 | |
| Hoofdstuk 1 | 3 | |
| 1.1 | Inleiding | 3 |
| 1.2 | Doelstelling en inzet van beleid | 9 |
| 1.3 | Herijking van verantwoordelijkheden | 13 |
| 1.4 | De wetsvoorstellen in het kort | 14 |
| 1.5 | Flankerend beleid | 18 |
| 1.6 | Het SER-advies | 21 |
| 1.7 | Overige commentaren | 21 |
| Hoofdstuk 2 Financiering en premiedifferentiatie WAO | 21 | |
| 2.1 | Algemeen | 21 |
| 2.2 | Vormgeving premiedifferentiatie | 24 |
| 2.3 | Overgang naar een systeem van premiedifferentiatie | 31 |
| 2.4 | Gevolgen van draagvlakversmalling | 32 |
| Hoofdstuk 3 De mogelijkheid tot eigen-risicodragen | 34 | |
| 3.1 | Doel van het eigen-risicodragen | 34 |
| 3.2 | Vormgeving van het eigen-risicodragen | 37 |
| 3.3 | Duur van de eigen-risicoperiode | 42 |
| 3.4 | Rol en verantwoordelijkheden van de publieke verzekeraar en van de werkgever in de eigen-risicoperiode | 43 |
| 3.5 | Procedure van het eigen-risicodragen | 54 |
| 3.6 | Financiering van op het moment van eigen-risicodragen reeds ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen | 57 |
| 3.7 | Vaststellen van het premieniveau nadat voor de werkgever het eigen-risicodragen is beëindigd | 58 |
| 3.8 | Samenloop van uitkeringen | 58 |
| 3.9 | Rechtsgang | 59 |
| 3.10 | Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden | 59 |
| 3.11 | Samenvattend overzicht van de financiering van de lasten | 60 |
| Hoofdstuk 4 De internationale en Europeesrechtelijke aspecten | 60 | |
| Hoofdstuk 5 Flankerend beleid | 61 | |
| Hoofdstuk 6 Voorlichting | 63 | |
| Hoofdstuk 7 Financieel-economische gevolgen | 64 | |
| Hoofdstuk 8 Overige onderwerpen | 67 | |
| Artikelen | 68 | |
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorstellen tot premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba). Hun waardering voor de uitvoerige memorie van toelichting willen zij hier bij aanvang van het verslag reeds uitspreken. Die toelichting heeft overigens nieuwe vragen opgeroepen, waarop zij van de regering een antwoord vragen. Daarbij tekenen de leden van de PvdA-fractie aan dat dit wetsvoorstel onderdeel is van een complex van wetswijzigingen en regelgeving, niet alleen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidswetgeving, maar ook met betrekking tot de uitvoering van die regelgeving. Zij wijzen op de wetsvoorstellen inzake arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ; kamerstuk 24 758), inzake arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en studenten (Wajong; kamerstuk 24 760), maar ook op de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (onder andere vanwege de inkomens- en loonkostenneutraliteit; kamerstuk 24 776) en de komende wetgeving met betrekking tot de Organisatiewet sociale verzekeringen (onder andere vanwege de sectorindeling). Bovendien zijn nog geen ontwerpen beschikbaar voor de algemene maatregelen van bestuur die in diverse artikelen van het wetsvoorstel Pemba worden genoemd en waarvan een aantal (zoals onder andere de algemene maatregel van bestuur genoemd in het nieuwe WAO-artikel 78, zesde lid) essentieel is voor de beoordeling van de Pemba-plannen. Worden overigens de algemene maatregelen van bestuur op grond van de WAO aan de Kamer voorgelegd voordat zij in werking treden, zo vragen de leden van de PvdA-fractie?
Voorzover hun onderstaande inbreng een oordeel bevat, maken zij daarbij noodzakelijkerwijs een voorbehoud omdat zo een oordeel nog slechts gebaseerd kan zijn op de nu uitgebrachte wetsvoorstellen.
Dit voorbehoud geldt niet ten aanzien van hun waardering voor het uitdrukkelijke streven van dit kabinet om de arbeidsongeschiktheid te beperken, niet door prijsmaatregelen (verlaging van de uitkering) maar door volumebeleid (terugdringen van vermijdbare arbeidsongeschiktheid). Daarbij kunnen financiële prikkels in de richting van werkgevers en uitvoeringsorganisaties wel degelijk een rol spelen, zo stellen de leden van de PvdA-fractie. Premiedifferentiatie lijkt daartoe bij uitstek een geschikt middel. Ook marktwerking kan als middel in principe aan dat doel bijdragen, voorzover het gebeurt onder sociale condities. Daaronder verstaan de leden van de PvdA-fractie dat:
– hoogte en duur van de uitkeringen onveranderd blijven;
– dat elke werknemer verzekerd is voor het risico van arbeidsongeschiktheid;
– dat elke werkgever (ook in het midden- en kleinbedrijf) zich tegen een redelijke premie moet kunnen verzekeren tegen de kosten van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;
– dat er geen selectie is van werknemers door middel van aanstellingskeuringen die niet functioneel zijn;
– dat er een fors pakket aan reïntegratiemaatregelen beschikbaar is voor huidige en nieuwe arbeidsongeschikten;
– dat arbeidsongeschiktheidskeuringen op onafhankelijke wijze plaatsvinden;
– en dat er een arbeidsongeschiktheidsverzekering is voor zelfstandigen, vroeggehandicapten en studenten.
Het nu voorliggende wetsvoorstel lijkt – gecombineerd met andere reeds toegezegde wetsvoorstellen – daarin te willen voorzien.
De leden van de PvdA-fractie voegen daaraan toe dat in hun opvatting de huidige wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan op diverse punten veel te wensen overlaat. Zij hoeven in dat verband slechts te wijzen op het teleurstellende gebruik van de reïntegratiemaatregelen om ex-arbeidsongeschikten of gedeeltelijk arbeidsongeschikten weer in het arbeidsproces te doen opnemen. Klaarblijkelijk hebben anderen dan de betrokken werknemers op dit moment te weinig belang bij hun terugkeer in de bedrijven. Het loont daarom zeer zeker de moeite om na te gaan of het belonen van bedrijven voor de heropname van (ex-)arbeidsongeschikten – de introductie van marktwerking – verbetering kan brengen in deze situatie.
In het voorliggende wetsvoorstel wordt uitgegaan van de huidige hoogte en duur van de uitkering vanwege de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De regering kiest daarmee uitdrukkelijk niet voor een model met een basisuitkering waarop al dan niet een toeslag wordt verstrekt. De leden van de PvdA-fractie onderschrijven die keuze van de regering om als overheid de regels te stellen voor hoogte en duur van uitkeringsrechten. Met een dergelijke primaat van de politiek wordt tegenwicht geboden aan een tendens tot het uiteenlopen van de arbeidsvoorwaarden.
De leden van de PvdA-fractie staan om bovengenoemde redenen in principe positief tegenover de regeringsvoorstellen. In één adem voegen zij daaraan toe dat nadere bestudering van het wetsvoorstel een reeks van vragen oproept of met de voorgenomen maatregelen wel altijd het gewenste effect zal kunnen worden bereikt.
Voordat zij uitvoeriger op de onderdelen ingaan willen de leden van de PvdA-fractie reeds hier een eerste reactie op hoofdlijnen geven over een viertal aspecten.
Het eerste is de combinatie van premiedifferentiatie en marktwerking. Waar de voorgestelde (gedempte) premiedifferentiatie leidt tot geleidelijke financiële prikkels, biedt de aangekondigde mogelijkheid van marktwerking een veel meer directe en sterke financiële prikkel. Daar is op zich niets op tegen, zolang daarmee het onmisbare publieke deel van de verzekering niet wordt bedreigd of ineffectief gemaakt. De leden van de PvdA-fractie zien hier echter nog obstakels, waarover zij de regering vragen willen stellen.
Het tweede aspect betreft de indeling in sectoren. De Pemba-voorstellen spreken met recht over de noodzaak van voldoende draagvlak en evenwichtigheid bij de wens om te komen tot een beperkt aantal sectoren. Juist daar ligt echter een complex van vragen vanwege de voorgenomen wetgeving rond de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (nOSV). Vanuit het nOSV-perspectief lijkt een ander indelingscriterium relevant: niet premie-evenwicht, maar vergelijkbaarheid van branches met betrekking tot beleid, onder andere met betrekking tot arbeidsongeschiktheid. Nog niet duidelijk is, zo stellen de leden van de PvdA-fractie, of hier sprake is van strijdigheid en hoe die dan is op te lossen.
Een derde complex van vragen betreft de reïntegratiemaatregelen. Het voornemen van de regering om te komen tot een Wet op de reïntegratie wordt door de leden van de PvdA-fractie van harte toegejuicht. Zij vragen zich niettemin af of deze plannen wel voldoende zwaar worden aangezet. Het lijkt erop dat de regering vooral wil inzetten op maatregelen die het aanbod van de gehandicapte op de arbeidsmarkt kunnen verbeteren: scholing, loonkostensubsidie, informatie, etc. Maar het is onzeker of dat wel toereikend is. Misschien moeten maatregelen worden genomen om de vraag naar arbeid van gehandicapten te vergroten.
Als vierde aspect noemen de leden van de PvdA-fractie de inkomens- en loonkostenneutraliteit. Juist omdat het geheel van wetsvoorstellen op dit terrein nog niet beschikbaar is, laat zich hier nog geen oordeel vellen over de uitvoering van dat (door hen onderschreven) voornemen. De leden van de PvdA-fractie willen hier zeker niet de goede intentie van de regering aan de orde stellen, maar weten dat het hier een complex probleem betreft.
De leden van de CDA-fractie hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Een en ander komt voort uit zowel de inhoud van het wetsvoorstel alsook uit het feit dat veel belangrijke informatie die noodzakelijk is om dit wetsvoorstel goed te kunnen beoordelen, nog ontbreekt. Ten aanzien van dit laatste aspect willen de leden van de CDA-fractie het volgende opmerken.
In de visie van laatstgenoemde leden is het voor een juiste beoordeling van dit wetsvoorstel van essentieel belang dat een en ander in de juiste samenhang met relevante andere wetsvoorstellen kan worden beoordeeld. In dit verband kan genoemd worden de WAZ, de Wajong, de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en de post-nOSV. Bovendien is voor de beoordeling van het voorstel ten aanzien van de premiedifferentiatie van cruciaal belang dat de nieuwe indeling van het Nederlandse bedrijfs- en beroepsleven bekend is. De leden van de CDA-fractie constateren dat post-nOSV en de eerder vermelde nieuwe indeling van sectoren nog niet beschikbaar zijn. Genoemde leden bepleiten een gezamenlijke parlementaire behandeling van genoemde wetten en regelingen, teneinde de samenhang hiervan zo optimaal mogelijk te doen zijn. Voor een zorgvuldige wetgeving is dat onontbeerlijk. In dit verband wijzen de leden van de CDA-fractie ook op de aanbevelingen van de Tijdelijke commissie onderzoek Ctsv (kamerstuk 24 653, nr. 15), voorzover het om zorgvuldige procedures van ingrijpende wetgeving gaat. Hoe kijkt de regering aan tegen deze aanbeveling?
De leden van de CDA-fractie realiseren zich daarbij dat de beoogde invoering van dit wetsvoorstel per 1 januari 1997 onder druk komt te staan. Uit oogpunt van een zorgvuldige wetsbehandeling dient een geforceerde invoering van dit wetsvoorstel, waarbij ook sprake is van ingrijpende consequenties op het terrein van de uitvoering, in ieder geval vermeden te worden.
In zijn algemeenheid willen de leden van de CDA-fractie het volgende opmerken. De regering heeft tot aanpassing van het oorspronkelijke wetsvoorstel besloten, nadat de Raad van State hierop fundamentele kritiek had geuit. Deze aanpassing kan gekwalificeerd worden als een nieuw wetsvoorstel; in de ogen van de leden van de CDA-fractie had het voor de hand gelegen dit nieuwe wetsvoorstel voor advies voor te leggen aan de Raad van State. Kan nader worden aangegeven, wat de reden is, dat hiervan is afgezien?
Met het voorliggende wetsvoorstel wordt in feite een nieuwe stelselwijziging geïntroduceerd. Dergelijke vergaande maatregelen dienen naar de mening van de leden van de CDA-fractie allereerst betrokken te worden bij een fundamentele discussie over de totale herziening van de sociale zekerheid. In het regeerakkoord was ook afgesproken hierover met het parlement van gedachten te wisselen. Door een dergelijk voorstel te doen, zoals nu voorligt, tracht de regering principiële vragen over bijvoorbeeld verantwoordelijkheidsverdeling in de sociale zekerheid te ontlopen. Blijkbaar is het halen van de financiële doelstelling belangrijker dan het vinden van een juiste verdeling tussen de private en publieke sector.
De leden van de CDA-fractie hebben de indruk dat met de nu voorgestelde regeling, die in het verlengde gezien moet worden van het afschaffen van de Ziektewet, de druk op risico-selectie alleen maar zal toenemen.
Gegeven het feit, dat niet alle relevante gegevens, die noodzakelijk zijn voor een juiste beoordeling van dit wetsvoorstel, willen de leden van de CDA-fractie zich in dit stadium beperken tot een aantal vragen. Deze komen hieronder aan de orde.
De leden van de VVD-fractie nemen in het kader van dit wetsvoorstel goede nota van de ondersteuning door de regering van het initiatiefwetsvoorstel-Van Boxtel (kamerstuk 23 259), maar zullen hun opvattingen dienaangaande aan de orde stellen bij de verdere behandeling van dat wetsvoorstel. Deze leden wensen hier wel te benadrukken dat er, gezien de formulering van de gewijzigde afspraak in het regeerakkoord, voor hen sprake is van een onlosmakelijk verband in de beoordeling van het initiatiefwetsvoorstel-Van Boxtel en het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de weergave van het regeerakkoord juist is dat alleen wanneer in 1996 zou blijken dat het voorziene beleid niet zou worden gerealiseerd er in deze kabinetsperiode nadere wijzigingen in de sociale zekerheid te overwegen zouden zijn. De mededeling daaraan volgend, dat er eerder belangrijke meevallers dan tegenvallers worden verwacht, is op zich positief maar laat onverlet dat de beleidsdoelstellingen, waaronder het invoeren van premiedifferentiatie en marktwerking in de WAO, eerst door dit wetsvoorstel worden gerealiseerd. Dat is in ieder geval reeds een jaar later dan voorzien, hetgeen automatisch betekent dat het bereiken van de beleidsmatige alsook de financiële doelstelling nog niet is gerealiseerd. Dat er elders financiële meevallers zijn is gunstig, maar die hadden bij eerdere invoering van Pemba omvangrijker en dus gunstiger kunnen zijn. Het moge duidelijk zijn dat voor de leden van de VVD-fractie een spoedige realisering van de in het Pemba-complex voorziene wetgeving dan ook van groot belang is.
Met grote verontrusting hebben de leden van de fractie van GroenLinks kennisgenomen van bovengenoemd wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel wordt een forse wijziging doorgevoerd in de verzekering tegen het risico van arbeidsongeschiktheid. Niet alleen wordt door invoering van premiedifferentiatie en marktwerking de WAO gewijzigd, ook heeft de regering het kennelijk nodig geacht de AAW geheel af te schaffen. Hiermee neemt de regering afscheid van de sinds 1976 op een brede basis berustende en de gehele bevolking betreffende verzekering tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid. Een verzekering die toentertijd werd gezien als de bekroning van het sociaal stelsel.
De regering motiveert de verregaande ingreep in de arbeidsongeschiktheidswetten door te wijzen op het belang van het vergroten van financiële prikkels bij werkgevers. Door werkgevers nadrukkelijker te confronteren met de kosten van arbeidsongeschiktheid, zouden zij zich meer inspannen waar het gaat om preventie van arbeidsongeschiktheid en reïntegratie van arbeidsongeschikten. Deze twee doelstellingen – preventie en reïntegratiebevordering – zijn uiteraard van groot belang. Toch rijst enerzijds de vraag of deze maatregelen daartoe wel in voldoende mate bijdragen en anderzijds de vraag of niet andere, meer zinvolle maatregelen te bedenken zijn. Bovendien menen de leden van de GroenLinks dat de regering de negatieve effecten van de voorstellen – zoals risicoselectie, maar ook mogelijkheden om de wet te ontduiken – teveel miskent. Ten slotte missen de leden van de fractie van GroenLinks een deugdelijke financiële onderbouwing van de voorstellen.
Het is de leden van de fractie van GroenLinks opgevallen dat het wetsvoorstel met forse kritiek vanuit allerlei organen en organisaties is ontvangen. De sociale partners hebben kennelijk grote moeite met het voorstel. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) en de Raad van State, maar ook bijvoorbeeld de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid zijn eigenlijk vernietigend geweest in hun advies, zelfs als afgezien wordt van de kritiek op het oorspronkelijke model van «opting-out». Een vergelijkbaar onthaal heeft indertijd het wetsvoorstel inzake uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) gehad. Toch heeft de regering gemeend daaraan te moeten vasthouden. Was het niet raadzaam geweest nu eerst eens pas op de plaats te maken en te bezien wat de effecten van Wulbz zijn? Waarom heeft de regering zoveel haast met het zetten van verdergaande stappen op een nog grotendeels onbekende weg, terwijl iedereen die er verstand van heeft de regering deze stappen heeft ontraden?
De leden van de fractie van Groep Nijpels hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Pemba. Na de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Wulbz, betekent het onderhavige wetsvoorstel (samen met de WAZ en Wajong alsmede de daarmede verband houdende Invoeringswet) wederom een diep ingrijpende wijziging van het stelsel van sociale zekerheid. Deze leden vinden, mede op grond van de ontvangen commentaren, de indiening van het onderhavige wetsvoorstel prematuur. Een grondige herbezinning op het stelsel van sociale zekerheid, voorafgaand aan de indiening van dit wetsvoorstel, is volgens de leden van de fractie van Groep Nijpels dan ook noodzakelijk, in het bijzonder ten aanzien van de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de publieke en private sector.
De leden van de RPF-fractie hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Opnieuw wordt een ingrijpende wijziging van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voorgesteld, terwijl de effecten van allerlei recente wijzigingen in de Ziektewet en de WAO/AAW nog allerminst kunnen worden overzien. Deze leden storen zich vooral aan het feit dat de regering de ene na de andere drastische ingreep in de sociale zekerheid in betrekkelijk korte tijd wil doorvoeren zonder dat daaraan een grondige evaluatie van bestaande regelgeving aan vooraf gaat. De Raad van State wijst erop dat de in het recente verleden doorgevoerde, veelal ingrijpende en deels elkaar overlappende, wijzigingen de tijd niet hebben gekregen om hun waarde in de praktijk te bewijzen.
Evenmin is sprake van een grondige, integrale bezinning op de toekomst van ons sociale zekerheidsstelsel. Waarom wordt deze bezinning gericht op de langere termijn? De leden van de RPF-fractie verzoeken de regering expliciet te reageren op hun vraag waarom niet juist nu een dergelijke integrale bezinning op de toekomst van het stelsel plaatsvindt, voordat wordt overgegaan tot een verbouwing van dat stelsel. Het is te hopen dat de regering zich daarbij niet beperkt tot een verwijzing naar het streven om een activerende sociale zekerheid te creëren. In dit kader merken zij op dat toch moeilijk is vol te houden dat de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) in feite niet hetzelfde beoogt, gelet op het feit dat ongeveer de helft van alle personen die op grond van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium zijn gekeurd geacht worden beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt.
Over de door de regering genoemde herijking van de verantwoordelijkheden moet volgens deze leden niet op ad hoc basis worden beslist. De verdeling van verantwoordelijkheden tussen de publieke en private sector dreigt nu via hap snap beleid tot stand te komen. Dat het tot nu toe gevoerde beleid succesvol wordt genoemd, omdat de aangebrachte aanpassingen in het stelsel hebben geleid tot een dalend volume onderstreept naar het oordeel van de leden van de RPF-fractie dat de regering deze materie wel erg eenzijdig benadert.
De leden van de RPF-fractie hadden de hoop dat althans een deel van de coalitie zich na de frustrerende ervaringen met de totstandkoming van de Wulbz minder zou laten binden door het regeerakkoord. Dat is immers geschreven in een periode waarin nog nauwelijks of geen zicht bestond op de effecten van de TBA en de Wet terugdringing ziekteverzuim en wijziging Arbeidsomstandighedenwet (TZ/Arbo). Nu wordt men keer op keer gedwongen in te stemmen met wetten die uit budgettair oogpunt niet noodzakelijk zijn, maar waarover in het regeerakkoord nu eenmaal afspraken zijn gemaakt. Het is te betreuren dat de regering toch vasthoudt aan de beoogde marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Pemba. Zij hebben allereerst vragen bij het tempo waarin dit wetsvoorstel blijkbaar door het parlement moet worden behandeld. De plenaire behandeling mag dan enige tijd naar voren geschoven zijn, deze leden hebben nog niet echt het gevoel dat wordt voldaan aan de tiende aanbeveling van de Tijdelijke commissie onderzoek Ctsv, namelijk «dat bij maatschappelijk ingrijpende wetsvoorstellen het belang van een zorgvuldige en voor burgers inzichtelijke wetgevingsprocedure te laten prevaleren boven financiële en formele argumenten». Deze leden stellen vervolgens de vraag of de regering van mening is dat de gevolgen van de Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (TAV), TBA, TZ en Wulbz inmiddels voldoende zijn uitgekristalliseerd en geëvalueerd, om tot volgende stappen te komen.
De leden van de GPV-fractie hebben met kritische belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Met het voorliggende voorstel beoogt de regering het WAO-volume te verminderen door werkgevers financieel te prikkelen om enerzijds maatregelen te nemen om arbeidsongeschiktheid te voorkomen en anderzijds om reïntegratie te bevorderen. Hoewel deze leden het doel kunnen onderschrijven, vragen deze leden allereerst of de voorgestelde drastische ingreep in het sociale zekerheidsstelsel wel nodig is. Overheidsmaatregelen gericht op een verdere afname van arbeidsongeschiktheidsvolume volgen elkaar in hoog tempo op. Resultaten van eerder genomen maatregelen zoals TZ/Arbo en de Wulbz zijn daardoor nog niet goed zichtbaar en hierdoor is het moeilijk om de consequenties van genomen maatregelen te overzien en in te schatten wat de meerwaarde is van voorliggend wetsvoorstel. Vervolgens vragen deze leden of dit voorstel wel gewenst is. Deze leden verwachten dat het voorliggend wetsvoorstel, ondanks het flankerend beleid dat wordt ingezet, de arbeidsmarktpositie van gehandicapten en chronisch zieken niet zal versterken. Tevens zijn de GPV-leden van mening dat een goede beoordeling nog niet mogelijk is, omdat er nog veel onduidelijkheid bestaat over essentiële onderdelen van het wetsvoorstel. De leden van de GPV-fractie staan terughoudend tegenover het voorstel de AAW in de WAO te integreren, maar zullen daarop dieper ingaan bij het verslag over de WAZ en de Wajong.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.
Zij vinden het wetsvoorstel in de eerste plaats ongewenst. Zowel de beoogde premiedifferentiatie als de mogelijkheid van het dragen van het eigen risico betekenen een uitholling van de solidariteit die aan de oorspronkelijke WAO ten grondslag ligt. De Raad van State spreekt van een diep ingrijpende stelselwijziging. De Gehandicaptenraad noemt de wet een radicale breuk met ons stelsel.
De leden van de SP-fractie vragen zich af of het wetsvoorstel wel in behandeling genomen moet worden. Er is nu al forse kritiek waar te nemen. De Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties (RCO) wijst het wetsvoorstel zelfs geheel af! Het Tica blijkt in zijn technisch advies van oordeel te zijn dat een afgewogen behandeling niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een reeks essentiële punten, die voor een juiste beoordeling van het wetsvoorstel van belang zijn.
De leden van de SP-fractie zijn van oordeel dat het wetsvoorstel zo ingrijpend is dat er eerst een discussie zou moeten plaatsvinden over de toekomst van ons sociaal zekerheidsstelsel. Volgens het regeerakkoord zou die discussie gevoerd worden in het kader van de begroting 1997. Dan zou de visie op het stelsel op de lange termijn aan de orde komen. De leden van de SP-fractie vernemen uit de media dat deze discussie niet gevoerd gaat worden. Zij vragen de regering daarom in de eerste plaats duidelijkheid te verschaffen op dit punt. In de tweede plaats lezen zij in het advies van de Raad van State (blz. 2) dat deze «een grondige bezinning op het stelsel wenselijk acht». Er zijn in kort tempo zoveel ingrijpende wijzigingen doorgevoerd dat er eerst grondig over de toekomst moet worden nagedacht. De leden van de SP-fractie vrezen bij verdere behandeling nu van dit wetsvoorstel een herhaling van wat er gebeurde met de Wulbz, waar met name de maatschappelijke reacties pas goed loskwamen toen het wetsvoorstel al was aangenomen door de Tweede Kamer, en noodgedwongen de Eerste Kamer de rol werd toebedeeld van «Kamer van Herkansing», overigens tevergeefs. Zij vragen de regering daarom of zij bereid is de volgorde om te keren, en eerst de discussie te voeren over de toekomst van ons stelsel van sociale zekerheid, en daarna dit wetsvoorstel zonodig in behandeling te nemen.
1.2 Doelstelling en inzet van het beleid
Dit kabinet heeft, zo stellen de leden van de PvdA-fractie, reeds tal van stappen gezet om te komen tot actualisering van het sociaal zekerheidsstelsel. Berichten uit omringende landen tonen aan dat de noodzaak van herijking geen specifiek Nederlands probleem is, maar zich evenzeer voordoet in omringende landen.
Voor wat betreft de effecten stelt de regering dat «uit het dalende volume blijkt dat het ingezette beleid succesvol is». De leden van de PvdA-fractie vragen meer specifiek in welke mate personen die na herkeuring geen recht meer hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering daadwerkelijk weer aan de slag zijn gekomen. Blijkt uit die cijfers dat het voor oudere herkeurde personen moeilijker is (weer) aan de slag te komen?
De leden van de VVD-fractie hebben met zeer veel belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij zijn het eens met de doelstelling en inzet van het regeringsbeleid en kunnen zich dan ook vinden in de argumenten voor de noodzaak tot herijking van verantwoordelijkheden. Zo zijn zij met de regering van mening dat de afwentelingsmogelijkheden op het collectief moeten worden verminderd en de verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven dient te worden vergroot. Tegelijkertijd dient, zoals ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) terecht constateerde, aan de herijkte verantwoordelijkheden belangen te worden gekoppeld om het stelsel beheersbaar te houden. Na de privatisering van de Ziektewet per 1 maart 1996 zijn de huidige voorstellen dan ook een logische en consistente stap in een richting van decollectivisering en het neerleggen van (financiële) belangen als prikkel om die herijkte verantwoordelijkheid op een effectieve en verantwoorde wijze vorm te geven.
De leden van de VVD-fractie konden zich vinden in de oorspronkelijke afspraken, gericht op het realiseren van de beoogde doelstelling: het verminderen van volume en kosten door middel van premiedifferentiatie en marktwerking. Niettemin hadden ook zij vanaf begin enige zorgen omtrent met name de financieringsaspecten van de parallelle privatisering. Zij stellen vast dat ook het huidige voorstel volledig voldoet aan de oorspronkelijke doelstelling. Daarom is het naar de mening van deze leden alleszins aanvaardbaar dat de oorspronkelijke opzet is vervangen door dit voorstel. Zij achten het bovendien getuigen van realiteitszin van de regering.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie kunnen de inzet van het regeringsbeleid, namelijk verhoging van de arbeidsparticipatie, onderschrijven. Meer mensen aan het werk en minder mensen met een uitkering.
De leden van de D66-fractie hebben zich afgevraagd of nieuwe voorgestelde wijzigingen in de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen nodig zijn en of de voorgestelde vorm effectief is. Het gaat de leden van de D66-fractie met name om de doeltreffendheid, doelmatigheid en legitimiteit van nieuwe maatregelen. Bovendien nemen de leden van de D66-fractie de aanbeveling van de Tijdelijke commissie onderzoek Ctsv ter harte dat er systematisch aandacht moet zijn voor aspecten van uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en toezichtbaarheid van toekomstige wetgeving alsook voor reële implementatietermijnen.
Allereerst constateren en onderschrijven de leden van de D66-fractie met instemming dat de polisvoorwaarden van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen met name de duur en de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet ter discussie staan.
De leden van de D66-fractie hechten eraan de andere sociale randvoorwaarden van privatisering nog eens te herhalen. Alle werknemers dienen verzekerd te zijn terwijl alle werkgevers (ook kleine bedrijven) in staat moeten zijn zich op verantwoorde wijze te verzekeren. Bovendien zijn maatregelen vereist om de positie van (chronisch) zieke werknemers op de arbeidsmarkt te waarborgen.
De leden van de D66-fractie constateren dat het doel van de wijzigingen in de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is het terugdringen van het beroep op deze regelingen door vergroting van de activerende werking van het stelsel door het introduceren dan wel versterken van meer toegesneden prikkels.
De leden van de D66-fractie merken op dat er sinds 1994 een forse daling van het aantal WAO-uitkeringen is opgetreden. De cijfers spreken voor zich. Bedroeg het aantal WAO-uitkeringen in 1993 nog 921 000 (793 000 herleid tot volledig arbeidsongeschikten (heva's)), in 1995 was dit aantal gedaald tot 860 000 (727 000 heva's). De veranderingen die in 1993 hebben plaatsgevonden grepen aan op de inhoud van de wettelijke WAO-polis. De hoogte en duur veranderden alsmede het arbeidsongeschiktheidscriterium. Vooral dat laatste heeft geleid tot de onverwacht grote daling van het aantal uitkeringen, aldus de conclusie uit de Ctsv-rapporten inzake volume-effecten van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscriterium en inzake toegang tot de WAO. De leden van de D66-fractie merken op dat een conclusie uit dat laatstgenoemde rapport was dat in tegenstelling tot het gewenste beleid dat arbeidsongeschikten weer zoveel mogelijk in het arbeidsproces terugkeren, het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscriterium geen bijdrage levert aan het bevorderen van de reïntegratie.
De leden van de D66-fractie maken zich grote zorgen over de kwalitatieve effecten van de TBA-wetgeving. Waar het de regering gaat om verhoging van de arbeidsparticipatie blijkt uit verschillende recente onderzoeken dat voor herkeurde WAO-ers niet het geval te zijn. De leden van de D66-fractie verwijzen naar de resultaten van het rapport van het Ctsv inzake bemiddeling van herbeoordeelden, waaruit blijkt dat slechts een helft van de herbeoordeelden na de herkeuring werkte. Van de herbeoordeelden kreeg bovendien slecht de helft bemiddeling. Vooral mannen en hoger opgeleiden profiteerden daarvan. Bij een deel van de herbeoordeelden bleef echter onduidelijk waarom geen bemiddeling was aangeboden. De resultaten van het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut (Het zwaard van Damocles) bevestigen dit beeld evenals het Ctsv-rapport inzake toepassing van reïntegratie-instrumenten voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten. De leden van de D66-fractie vragen de regering naar de uitvoering van de breed aanvaarde motie-Schimmel. Deze motie hield in dat het van het grootste belang is dat de reïntegratie van herbeoordeelden zo snel mogelijk na herkeuring ter hand wordt genomen en dat er voor iedere herbeoordeelde een individueel reïntegratietrajectplan zou worden opgesteld.
Een ander somber beeld doemt op uit een ander recent Ctsv-rapport (Toepassing van reïntegratie-instrumenten voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten) waaruit blijkt dat het gebruik van reïntegratie-instrumenten voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten gering is. De leden van de D66-fractie constateren dat het aantal subsidies aan werkgevers die een arbeidsongeschikte in dienst nemen (ongeveer 5500) achter bij de verwachtingen van de wetgever. Het aantal gestarte scholingen is zelfs sterk gedaald (van 9000 in 1993 tot omstreeks 4500 in 1994). De leden van de D66-fractie merken op dat een oorzaak van het geringe gebruik de onbekendheid bij de ondernemers kan zijn. De leden van de D66-fractie constateren dat bij scholing problemen met financiering een rol spelen.
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat de uitkomsten van deze rapporten een belangrijke bijdrage bieden tot het verbeteren van de reïntegratie en vragen de regering het voorgestelde reïntegratiebeleid te toetsen aan de onderzoeksresultaten.
In zijn algemeenheid zijn de leden van de D66-fractie van mening dat de reïntegratiefunctie van het stelsel van sociale zekerheid als onderdeel van een effectief volume- en participatiebeleid veel beter tot uitvoering moet worden gebracht dan tot nu toe. Niet alleen moet het stelsel volgens de leden van de D66-fractie de nodige prikkels voor werkgevers en werknemers bevatten om gewenst gedrag uit te lokken, maar ook in de uitvoering en in de organisatie daarvan zullen de nodige voorwaarden dienen te worden gecreëerd voor een primair op reïntegratie gerichte effectieve gevalsbehandeling. De leden van de D66-fractie wijzen op de brieven van het Breed Platform Verzekeringen (d.d. 3 juni 1996) en de Gehandicaptenraad (d.d. 15 mei 1996). Er moet volgens de leden van de D66-fractie een sluitende dienstverlening ten behoeve van (re)integratie tot uitvoer worden gebracht.
De leden van de D66-fractie wijzen de regering op de brief van de Gehandicaptenraad die ook suggesties doet voor verbetering van de positie van mensen met een arbeidshandicap, zoals een verbod op discriminatie op grond van een handicap. De leden van de D66-fractie vragen de regering op deze suggestie in te gaan.
Ondanks de daling van het aantal uitkeringen en onder de voorwaarde dat er daadwerkelijke resultaten te zien zijn van reïntegratie, zien de leden van de D66-fractie reden om de voorliggende voorgestelde veranderingen in de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen te ondersteunen. De leden van de D66-fractie verwijzen daarvoor naar een aantal rapporten.
In de eerste plaats noemen zij de uitkomsten van de parlementaire enquête uitvoeringsorganen sociale verzekeringen. In dat rapport wordt geconstateerd, zo merken de leden van de D66-fractie op, dat het stelsel van sociale zekerheid een anonimiserende werking heeft gekregen. De collectieve premielasten worden niet beleefd als een door eigen gedrag te beïnvloeden gegeven. De lasten worden afgewenteld en de gevolgen daarvan worden gelaten geaccepteerd als een natuurgegeven waarmee we te leven hebben. Onder deze omstandigheden zijn burgers en organisaties gaan calculeren, aldus de commissie-Buurmeijer. Binnen bedrijven moet volgens deze commissie weer een direct belang gaan ontstaan om de premielast te verkleinen. De leden van de D66-fractie onderschrijven het uitgangspunt van de commissie-Buurmeijer dat het stelsel ertoe zal moeten bijdragen dat deze afwegingen zo dicht mogelijk bij belanghebbenden worden gemaakt. De leden van de D66-fractie stellen dat met de uitkomst van deze parlementaire enquête het debat over een betere uitvoeringsstructuur in een nieuwe fase is gekomen.
De leden van de D66-fractie merken verder op dat ook in de studie van de Sociaal-Economische Raad (SER) inzake de verantwoordelijkheidsverdeling sociale zekerheid wordt verwezen naar literatuur over gedragsaspecten van werkloosheid, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. In deze literatuur wordt, en de leden van de D66-fractie onderschrijven dat, voldoende houvast geboden voor het uitgangspunt dat de vormgeving en inrichting van het stelsel medebepalend kunnen zijn voor het gedrag van zowel werkgevers en werknemers als van de uitvoering en daarmee deels voor het beroep dat daarop wordt gedaan: «(i)n casu kan een herschikking van verantwoordelijkheden en bevoegdheden ten aanzien van de inrichting en financiering van het stelsel van sociale zekerheid niet alleen tot meer bewust gedrag leiden maar vooral ook tot een groter individueel en collectief besef van de noodzaak het beroep op het stelsel van sociale zekerheid tot een minimum te beperken».
Tenslotte wordt in de studie van de WRR (Belang en beleid) ook de betekenis onderstreept van de koppeling tussen verantwoordelijkheid voor de uitvoering en (financieel) belang bij het volumebeleid en het voorkomen van overgangen tussen regelingen en instanties enerzijds en meer marktwerking anderzijds.
De leden van de D66-fractie menen dat conclusies en aanbevelingen van de bovengenoemde studies door de regering zijn vormgegeven in het voorliggende wetsvoorstel. In het wetsvoorstel veranderen de verantwoordelijkheden van financiering en uitvoering van de regeling van inkomensbescherming bij arbeidsongeschiktheid met als doel de activerende werking van het stelsel te vergroten. De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot een andere doelstelling van het regeringsbeleid, namelijk het streven naar vereenvoudiging en het bevorderen van inzichtelijkheid van de regelgeving met het oog op het vergroten van de uitvoerbaarheid.
De leden van de D66-fractie merken op dat de regering aankondigt dat het stelsel aan een lange termijnverkenning moet worden onderworpen. De leden van de D66-fractie constateren dat in de memorie van toelichting (blz. 2) wordt gesproken van een lange termijnverkenning die zich concentreert op flexibilisering en sociale zekerheid en de financiering van de oudedagsvoorziening. Het verbaast de leden van de D66-fractie dat in het regeerakkoord nog sprake was van bijzondere aandacht aan de samenhang tussen individualisering en (nieuwe) solidariteit. De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe invulling in de lange-termijn- verkenning wordt gegeven aan de samenhang tussen individualisering en (nieuwe) solidariteit. De leden van de D66-fractie kunnen zich voorstellen dat binnen het publiekrechtelijke stelsel van sociale zekerheid meer keuzevrijheid aan de burger wordt geboden. Zo is volgens de leden van de D66-fractie denkbaar (en de leden verwijzen naar de SER-studie inzake verantwoordelijkheidsverdeling sociale zekerheid) dat wettelijke sociale zekerheidspakketten worden ontworpen die in reikwijdte of samenstelling verschillen en waaruit individuele burgers een keuze kunnen maken. Zo zou, merken de leden van de D66-fractie op, een minimaal of maximaal verzekeringspakket kunnen worden samengesteld. In de samenstelling van de pakketten kan dan rekening worden gehouden met de toenemende verscheidenheid in samenlevingsvormen en daarmee met de uiteenlopende behoeften aan risicodekking die individuele burgers naar gelang hun levens- en gezinsomstandigheden hebben. De leden van de D66-fractie vragen de regering om een reactie.
De leden van de fractie van Groep Nijpels constateren dat de doelstelling om zoveel mogelijk mensen aan het werk te helpen en aan het werk te houden, wordt uitgewerkt in beleidsvoornemens. Deze zijn gericht op het ontwikkelen van een stelsel van sociale zekerheid waarbinnen naast bescherming ook activering een belangrijke plaats inneemt. De verantwoordelijkheden worden neergelegd bij de individuele werknemer en het bedrijf, terwijl de mogelijkheden om het risico af te wentelen op het collectief worden verminderd.
De leden van de SGP-fractie willen weten of de regering een rangorde aanbrengt in de motieven om tot dit wetsvoorstel te komen; hebben financiële motieven (besparingen) nu het primaat, of staan principiële motieven (het scherp houden van de uitvoeringsorganisaties, betere arbeidsomstandigheden en meer reïntegratie) zonder meer vooraan? Wat deze laatste motieven betreft, vragen de leden van de SGP-fractie de regering of zij niet erkent dat de mogelijkheid tot het verbeteren van de arbeidsomstandigheden op zeker moment op grenzen stuit, m.a.w. is het nu wel rechtvaardig om alle prikkels in dit wetsvoorstel bij de werkgever te leggen? Ook vragen deze leden zichzelf af – en zij willen ook de regering in hun twijfel doen delen – of arbeidsongeschiktheidslasten wel altijd zijn terug te voeren op één verantwoordelijke werkgever. Deze leden verwijzen daarbij ook naar de zogenaamde vangnetgevallen in de Ziektewet.
1.3 Herijking van verantwoordelijkheden
De leden van de CDA-fractie willen vanuit hun eigen visie nog eens aangeven, waaraan een gewenste verantwoordelijkheidsverdeling in de sociale zekerheid dient te voldoen. Allereerst zijn mensen zelf verantwoordelijk voor het verwerven van eigen inkomen en economische zelfstandigheid; eigen verantwoordelijkheid betekent het leggen van cruciale keuzes bij individuen of groepen. Eigen verantwoordelijkheid betekent ook het leggen van een band tussen het eigen handelen en het dragen van de gevolgen van dit handelen. Rechten en plichten moeten in evenwicht zijn. Activering tot arbeid dient meer in het stelsel opgenomen te zijn. De overheid waarborgt vanuit het gerechtigheidsmotief elementaire bestaansvoorwaarden voor burgers, die dat zelf niet kunnen. Basistaak van de overheid is dus het zorgen voor een fatsoenlijke bestaansvloer gerelateerd aan het bestaand sociaal minimum. Bovendien zorgt een betrouwbare overheid voor goede overgangsregelingen. Tot zover in het kort de visie van de leden van de CDA-fractie. Met het voorliggende wetsvoorstel ontkent de regering in feite het hebben van die basistaak.
De leden van de D66-fractie onderschrijven de opvatting van de regering wat betreft de herijking van verantwoordelijkheden waarvoor zij de argumentatie en voorwaarden onder paragraaf 1.2. hebben gegeven. Evenals de regering menen de leden van de D66-fractie dat de financiering en de uitvoering van het stelsel van sociale zekerheid medebepalend kunnen zijn voor het gedrag van werkgevers en werknemers als van de uitvoering en daarmee deels voor het beroep dat op het stelsel wordt gedaan. Een herschikking zal volgens de leden van de D66-fractie tot een bewuster gedrag leiden en tot een groter individueel en collectief besef van de noodzaak het beroep op het stelsel te beperken. Ook bij Wulbz is de doelstelling het vermijdbare ziekteverzuim te beperken. De leden van de D66-fractie zijn overigens zeer geïnteresseerd in (voorlopige) evaluatieresultaten van Wulbz en vragen de regering hierop in te gaan.
De leden van de D66-fractie constateren tevreden dat de regering na de negatieve adviezen van de SER, het Tica en de Raad van State afgestapt is van haar oorspronkelijke voornemen om tot «opting-out» te komen. Niet alleen bleek dit geen reële mogelijkheid voor werkgevers te zijn (zelfs bij een groot bedrijf als de Koninklijke PTT Nederland zou de premie-hobbel pas na 12 jaar verdwenen zijn) maar ook kon niet aan de voorwaarden van gelijkblijvende polisvoorwaarden worden voldaan vanwege het gemis aan indexering in de particuliere sector. Tenslotte bleken bovendien aan het voornemen teveel uitvoeringstechnische en andere complicaties te kleven.
1.4 De wetsvoorstellen in het kort
De regering stelt dat met het introduceren van premiedifferentiatie en een systeem van eigen-risicodragen alle actoren in het veld worden geactiveerd tot en aangesproken op preventie en reïntegratie, zo constateren de leden van de PvdA-fractie. Dat is precies het gewenste gedragseffect. De stelling is zeker juist, vinden de leden van de PvdA-fractie, maar ze is – op deze wijze geformuleerd – evenzeer onvolledig. Het is van belang te voorkomen dat vermijdbare kosten van arbeidsongeschiktheid worden afgewenteld op de gemeenschap. Daarin ligt de belangrijkste reden voor het nu voorliggende wetsvoorstel. Maar de kostentoerekening naar actoren die invloed kunnen uitoefenen op het aantal arbeidsongeschikten heeft nog twee andere mogelijke gedragseffecten: voorkoming van risico's door selectie van personeel en afwenteling van risico's door ontslag of ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Wetgeving die kosten toerekent moet daarom evenzeer rekening houden met deze twee ongewenste gedragseffecten.
De leden van de CDA-fractie hebben grote moeite met het voorstel te komen tot afschaffen van de AAW. Allereerst is nog onvoldoende duidelijk, welke gevolgen dit voorstel heeft voor betrokkenen, zoals zelfstandigen en vroeggehandicapten. Immers, in het wetsvoorstel WAZ en Wajong wordt een verdere beperking van de kring van verzekerden voorgesteld. Bovendien wordt daarmee in de visie van de leden van de CDA-fractie volstrekt voorbij gegaan aan de principiële kant hiervan, zoals eerder aangegeven: de overheid dient onder meer voor het risico van arbeidsongeschiktheid een basisregeling te garanderen. Hoe verhoudt een en ander zich tot internationale verdragen op dit punt?
De leden van de VVD-fractie wijzen op het voornemen de integratie van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO inkomens- en loonkostenneutraal te laten plaatsvinden. Zij ondersteunen deze beleidslijn en zullen hierop nader ingaan bij het verslag van de Invoeringswet. Wel wensen zij thans reeds aan te geven zeer te hechten aan de toezegging van de regering dat geen groepen tussen wal en schip zullen vallen.
Voorts hebben deze leden kennisgenomen van de samenhang van het voorliggende wetsvoorstel en de nOSV. Omdat dienaangaande echter geen voorstellen voorliggen, gaat de regering terecht uit van de huidige situatie met bedrijfsverenigingen. Deze leden zullen de toekomstige wijziging nOSV dan ook als op zichzelf staand beschouwen tegen de achtergrond van de dan geldende of te verwachten wetgeving met betrekking tot de WAO.
De regering beargumenteert de voorgenomen aparte wetgeving voor zelfstandigen met verwijzingen naar overwegingen uit het verleden: het feit dat men slechts in geringe mate particulier verzekerd is. De thans gehanteerde benadering dat een dergelijke regeling wenselijk is, niet vanwege het slechts beperkt verzekerd zijn maar omdat geen garantie bestaat dat tegen maatschappelijk aanvaardbare condities een particuliere verzekering kan worden afgesloten, spreekt deze leden meer aan.
De leden van de D66-fractie merken op dat er geen voornemens zijn ten aanzien van de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Zij zullen via een landelijk uniforme omslagpremie worden gefinancierd. De leden van de D66-fractie ondersteunen deze lijn. Het instrument premiedifferentiatie stuit hier op praktische problemen, zoals het ontbreken van gegevens omtrent de laatste werkgever. Aan de andere kant vragen de leden van de D66-fractie zich af of premiedifferentiatie voor de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen een prikkel kan vormen voor reïntegratie van het oude bestand. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop in te gaan. Ook in het kader van gelijke behandeling vragen de leden van de D66-fractie in te gaan op de houdbaarheid en wenselijkheid van twee naast elkaar bestaande verschillende financieringssystemen voor arbeidsongeschiktheidsregelingen met gelijke polisvoorwaarden.
De leden van de D66-fractie merken op dat de integratie van de AAW/WAO-premies als scharnierpunt fungeert voor het verwezenlijken van de beleidsvoornemens van de regering. Deze integratie van de premies en het ten laste brengen van de geïntegreerde premie bij de werkgever leidt ertoe dat de werkgever wordt geconfronteerd met de kosten van arbeidsongeschiktheid. De leden van de D66-fractie onderschrijven dat een zoveel mogelijk ongedeelde verantwoordelijkheid het terugdringen van afwentelingsgedrag bevordert voor het totaal van de aan individuen verschuldigde uitkeringssom. Bovendien menen de leden van de D66-fractie dat de integratie van de AAW/WAO-premie de mogelijkheid biedt om enkele complicaties in de huidige heffingssystematiek te vermijden of te beperken (franchise WAO en de compensatie voor AAW-premie door middel van de overhevelingstoeslag).
De leden van de D66-fractie onderschrijven het uitgangspunt dat de integratie van de AAW/WAO-premie inkomens- en loonkostenneutraal plaatsvindt. De leden van de D66-fractie constateren dat daarin pas in september inzicht kan worden gegeven nadat de besprekingen rond de koopkracht zijn afgerond.
De leden van de D66-fractie constateren dat de werkgever de mogelijkheid wordt geboden het risico van de eerste vijf jaar van arbeidsongeschiktheid van zijn personeel zelf kunnen dragen. De werkgever kan vervolgens voor het financiële risico een particuliere verzekering afsluiten na overlegging van een zekerheidsstelling. De leden van de D66-fractie merken op dat het recht op uitkering en de hoogte en de duur blijven worden bepaald door de wet. De uitkering vloeit dus niet voort uit een werkgeverstoezegging in de zin van de Pensioen- en Spaarfondsenwet noch uit het arbeidsvoorwaardenoverleg ingevolge het nieuwe begrip pensioentoezegging als bedoeld in wetsvoorstel Wijziging van de Pensioen- en Spaarfondsenwet, invulling begrip pensioentoezegging (kamerstuk 24 697). Consequentie hiervan is dat pensioenfondsen niet in aanmerking komen om het financiële risico te verzekeren. De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op de mogelijkheid ook pensioenfondsen in staat te stellen om het financiële risico te dekken.
De leden van de D66-fractie gaan er vanuit dat bij invoering van het eigen risico zoveel mogelijk aan de voorwaarden zoals door de FNV, CNV, MHP en AVC gesteld in hun brief van 31 mei 1996 wordt voldaan. Het systeem moet handhaafbaar zijn en geen mogelijkheid bieden tot risicomanipulatie. Het moet reïntegratie bevorderen en niet of zo weinig mogelijk selectie op (vermeende) gezondheidsrisico's en vlucht in flexibele arbeidscontracten aanwakkeren.
De Registratiekamer vreest dat door de privatisering van de Ziektewet het risico wordt vergroot van ongeoorloofde uitwisseling van persoonsgegevens van werknemers. Met name particuliere verzekeringsmaatschappijen wensen meer gegevens over ziekte en ziekteverzuim van de werknemers dan de wet toestaat. De leden van de D66-fractie hechten zeer aan de privacybescherming en vertrouwelijkheid van medische gegevens.
Eigen risicodragen mag het systeem van premiedifferentiatie niet ontwrichten. Tenslotte vinden ook de leden van de D66-fractie dat werknemers een reële betrokkenheid en invloed op de beslissing van de werkgever te hebben om het eigen-risicodragerschap te kunnen uitoefenen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering in de memorie van toelichting spreekt over een solidariteitsbalans. Vooral uit de wereld van de bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen wordt gevreesd dat die solidariteitsbalans niet bereikt zal worden. Het gekozen stelsel van premiedifferentiatie zal een belemmering vormen voor het doen voelen van de werkelijke lasten via premiedifferentiatie. Dit zou de keuze voor eigen risicodragen oneigenlijk kunnen beïnvloeden en dit zou kunnen leiden tot een versterkte afkalving van de sector. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop in te gaan.
De leden van de D66-fractie constateren dat de AAW als volksverzekering verdwijnt en daarvoor in de plaats nieuwe wettelijke categoriale regelingen komen. Dit sluit aan bij de adviezen die door de SER hierover zijn uitgebracht en op de aanbeveling van de commissie-Buurmeijer. De Gehandicaptenraad vreest echter dat de vervanging van de AAW voor vroeggehandicapten door een sociale voorziening een verslechtering betekent. Een voorziening zou wellicht meer gevaar lopen door de budgetdiscipline. De leden van de D66-fractie vragen hierop in te gaan.
De leden van de D66-fractie constateren met tevredenheid dat zij inmiddels de beschikking hebben over de overige relevante wetsvoorstellen (WAZ, Wajong, Invoeringswet) met uitzondering van de wetsvoorstellen post-nOsv. De leden van de D66-fractie dringen erop aan dat de post-nOsv gelijktijdig met de Pemba in werking treedt, omdat deze leden niet kunnen inzien hoe de situatie eruit ziet als de Pemba eerder in werking treedt.
Bovendien dringen de leden van de D66-fractie erop aan dat de algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, zoals de algemene maatregel van bestuur met de criteria voor en de invulling van de aanpassingscoëfficiënt en de minimum- en maximumpremie alsmede de regelingen inzake de samenloop van de WAO-uitkering met uitkering ingevolge de WAZ en de Wajong die van belang zijn voor het voorliggende wetsvoorstel, voor de plenaire behandeling beschikbaar zijn.
De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op de relatie premiedifferentiatie WAO en de landelijk uniforme premie Werkloosheidswet (WW) en het mogelijke afwentelingsgedrag op de WW.
De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan hoe het staat met de vorderingen op het gebied van sectorindeling. Deze leden vragen in hoeverre er rekening wordt gehouden bij de sectorindeling met een vergelijkbaar risicoprofiel. De leden van de D66-fractie komen daar later in het verslag nog op terug.
De leden van de RPF-fractie constateren dat mede naar aanleiding van de kritiek van de Raad van State is besloten af te zien van het uitstappen uit de WAO. Deze leden vragen zich af of het daarvoor in de plaats gekomen alternatief, het voorstel tot eigen risico dragen in de WAO voor een periode van vijf jaar, wel voldoende tegemoet komt aan die kritiek. Deze leden hebben grote moeite met dit onderdeel van het wetsvoorstel. Ook in de nu voorgestelde opzet is allerminst zeker wat de gevolgen zullen zijn voor het publieke deel van het stelsel. Is de taxatie van deze leden juist dat het gewijzigde voorstel slechts een gradueel verschil betekent ten opzichte van het oorspronkelijke? Weliswaar blijft het publiek stelsel uitgangspunt, maar daarbinnen worden toch onmiskenbaar elementen van marktwerking in de vorm van premiedifferentiatie en eigen-risicodragen geïntroduceerd, waartussen overigens niet altijd vloeiende overgangen bestaan.
Overigens hebben de leden van de RPF-fractie minder moeite met de voorstellen ten aanzien van de premiedifferentiatie. Wel is hun opgevallen dat mede op dit onderdeel nog onvoldoende inzicht bestaat in de concrete uitwerking. Het heeft er alle schijn van dat de regering met het voorliggende wetsvoorstel veel te hard van stapel loopt. Deze leden wijzen erop dat het Tica stelt dat over essentiële onderdelen van de wet nog «schrikbarend veel onduidelijk is en dat heel veel zaken in lagere regelgeving nog ingevuld moeten worden». Bovendien stelt het Tica dat met de instrumenten in dit wetsvoorstel «geen evenwichtig stelsel» wordt gecreëerd. Invoering van een zo ingrijpende wet, waaraan door een gezaghebbende instantie als het Tica een dergelijke kwalificatie wordt gegeven lijkt deze leden volstrekt onverantwoord. Meer in het algemeen zijn zij beducht voor de gevolgen van deze wet. Zo is allerminst uit te sluiten dat ze uiteindelijk een nòg verdergaande verslechtering van de positie op de arbeidsmarkt betekent van degenen die een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico hebben. Dit element weegt voor de leden van de RPF-fractie bijzonder zwaar bij de beoordeling van het onderhavige wetsvoorstel.
Deze leden zetten ook grote vraagtekens bij andere onderdelen van de in gang gezette operatie, waaronder de beoogde afschaffing van de AAW en de gevolgen voor de koopkracht van diverse categorieën werknemers. Bij de behandeling van de wetsvoorstellen WAZ, Wajong en de Invoeringswet willen zij daar nader op ingaan. Wel vragen zij in dit verband om een reactie van de regering op het standpunt van de RCO dat «(h)et opheffen van de AAW zonder dat een gedegen discussie is gevoerd over de vereisten waaraan het stelsel op de lange termijn dient te voldoen is (...) voorbarig en beperkt onnodig de mogelijkheden om het stelsel aan te passen aan de nieuwe tijd».
De leden van de SGP-fractie vragen naar de relatie met de wetsvoorstellen WAZ en Wajong. Is het noodzakelijk dat deze gelijktijdig met Pemba van kracht worden? Het is deze leden nog niet geheel duidelijk of het voorliggende wetsvoorstel door de regering nu gezien wordt als een stap in een bepaalde richting, die te zijner tijd waarschijnlijk door volgende stappen gevolgd moet worden, en dat het wetsvoorstel dus in zekere zin een experimenteel karakter heeft, of dat de regering ervan uitgaat dat we nu te maken hebben met een min of meer definitieve regeling van de WAO, waarin dus premiedifferentiatie in het publieke bestel en een beperkte vorm van eigen risicodragen langere tijd naast elkaar zullen bestaan. De leden van de SGP-fractie zouden hierop graag een heldere reactie krijgen.
Hoewel de leden van de GPV-fractie blij zijn dat de regering heeft afgezien van de «opting out», vrezen zij dat door de voorgestelde mogelijkheid om 5 jaar eigen risico te dragen nog steeds onaanvaardbare gevolgen zullen optreden voor de werkgevers die achterblijven in het publieke stelsel. Invoering van een vorm van premiedifferentiatie wordt door deze leden op zichzelf positief ontvangen. Ze staan echter kritisch en terughoudend tegenover de vorm die in dit wetsvoorstel is gekozen, omdat de samenhang met de mogelijkheid van eigen-risicodragen gevolgen zal hebben voor de premies in het publieke stelsel. Kan de regering deze te verwachten gevolgen in kaart brengen en blijven er binnen het voorgestelde duale stelsel voldoende sturingsmogelijkheden over? Daarnaast leven bij deze GPV-leden talrijke vragen omtrent de uitvoering. Gezien de ingrijpende gevolgen van de voorstellen voor het sociale stelsel, zijn deze leden van mening dat voor een goede beoordeling ook op deze uitvoeringsvragen een antwoord moet worden verkregen.
De leden van de SP-fractie zien – evenals bijvoorbeeld de gezamenlijke vakbonden – een aantal nadelige effecten van dit wetsvoorstel.
In de eerste plaats het gevaar van selectie op gezondheid. Hetzelfde effect waarvoor allerwegen gewaarschuwd werd bij de behandeling van de nieuwe Ziektewet. MKB Nederland heeft inmiddels toegegeven dat 70% van haar leden als gevolg van de nieuwe Ziektewet wel degelijk selecteert op gezondheid. Dit effect zal – zo verwachten de leden van de SP-fractie – alleen maar versterkt worden.
In de tweede plaats een vlucht – door werkgevers – in flexibele contracten. Recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over het eerste kwartaal van dit jaar (Het Parool van 1 juni 1996) geven een «explosieve» stijging van het aantal flexibele contracten te zien. Onderzoek van de Inspectie SZW wijst uit dat «flex-werk» inmiddels al 16% beloopt van het totaal. Dit is 1% hoger dan de schatting waarvan de regering uitging bij de behandeling van de nieuwe Ziektewet. De stijging wordt dan ook direct toegeschreven aan de nieuwe Ziektewet. De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij de juistheid van deze cijfers erkent, en welke conclusie zij hieraan verbindt.
In de derde plaats het gevaar dat werkgevers de goede risico's en de slechte risico's zullen gaan scheiden en deze in aparte rechtspersonen zullen onderbrengen. Met name het Tica wijst op dit punt vanwege het feit dat de nieuwe eigen-risicodrager volgens het wetsvoorstel een kostenvoordeel heeft ten opzichte van de ondernemers die als eigen risicodrager nog oude/nieuwe gevallen moeten financieren of die als omslaglid premie betalen aan de sectorale arbeidsongeschiktheidskas.
De leden van de SP-fractie constateren in de verschillende commentaren op het wetsvoorstel twijfel over de werking van de beoogde premiedifferentiatie en het eigen risicodragen (de Raad van State, BVG, en het Tica). Nu de premie in het publieke stelsel gekoppeld wordt aan het sectorgemiddelde en dus niet aan het specifieke risico in de betreffende bedrijfstak gaat er van de premiedifferentiatie een onvoldoende prikkel uit. Anderzijds zullen eigen risicodragers vooral de «goede» risico's voor hun rekening nemen, waardoor het publieke stelsel uiteindelijk zal blijven zitten met de zware risico's en daar de premies zullen gaan stijgen. De BVG maakt in dit verband een vergelijking met een emmer (publieke stelsel) met een gat vlak boven de bodem (eigen risico), waardoor die emmer leeg stroomt. Het Verbond van Verzekeraars is van mening dat het «duale stelsel» niet werkt en constateert dat de eigen-risicodragers in het nadeel zijn. Er ontbreekt een «level-playing-field». De leden van de SP-fractie vragen de regering te reageren op die tegenstrijdigheid die uit de wet lijkt voort te vloeien.
De leden van de PvdA-fractie delen de constatering van de regering dat de toegankelijkheid en inzichtelijkheid van het reïntegratie-instrumentarium te wensen overlaat. De regering stelt daarom voor te komen tot een Wet op de reïntegratie, waarin de diverse maatregelen worden gestroomlijnd en gebundeld. Deze leden juichen de komst van zo'n wet toe. Vanuit het uitgangspunt dat arbeidsgeschikten hun inkomen in principe zelf moeten verwerven op de arbeidsmarkt, is er alle reden om de reïntegratie te bevorderen, dat wil zeggen de terugkeer naar de arbeidsmarkt te realiseren. Daarvoor is inmiddels een aanzienlijk instrumentarium ontwikkeld, dat inderdaad versnipperd is over diverse wetten en regelingen en weinig inzichtelijk is. Bundeling en stroomlijning is daarom wenselijk. Maar de leden van de PvdA-fractie betwijfelen of bundeling en stroomlijning voldoende is. De maatregelen die er nu zijn steunen de werkgever die bereid is gedeeltelijk arbeidsgeschikten of ex-arbeidsongeschikten weer aan de slag te helpen. Maar geen van die maatregelen effectueert op directe wijze de vraag naar arbeid van deze categorie werknemers. Bovendien blijkt uit onderzoek van het Ctsv (Toepassing van reïntegratie-instrumenten van gedeeltelijk arbeidsgeschikten, maart 1996) dat ongeveer de helft van de cliënten na (her)keuring geen bemiddeling kreeg van de bedrijfsvereniging. De toepassing van reïntegratie-instrumenten bleef dan ook sterk achter bij de verwachting. Dat geldt evenzeer voor wat betreft de toepassing van het scholingsinstrument, dat volgens het Ctsv-onderzoek sterk is afgenomen sinds het scholingsbudget niet meer op de begroting van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) staat. Deelt de regering de voorlopige conclusie van de leden van de PvdA-fractie dat de bedrijfsverenigingen te weinig investeren in reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en ex-arbeidsongeschikten? En deelt de regering hun opvatting dat werkgevers zonder forse extra vraaggerichte stimulansen nauwelijks geneigd zullen zijn voldoende aantallen gedeeltelijk arbeidsgeschikten en ex-arbeidsongeschikten in dienst te nemen?
De voortdurende druk op werknemers, zo vervolgen deze leden, schroeft de eisen die aan werknemers worden gesteld steeds meer op. Dat is op zich al onhoudbaar, maar wordt nog problematischer in een samenleving die vergrijst. De vraag is daarom of de integratie van gehandicapten nog wel bereikbaar is zonder de vraag naar deze arbeid op actieve wijze te vergroten. De samenleving die – met recht – streng is bij de beoordeling van de vraag of iemand al dan niet arbeidsongeschikt is, kan moeilijk volstaan met enig flankerend beleid. Een veel meer actieve inzet lijkt hier geboden. De leden van de PvdA-fractie vragen de reactie hierop van de regering.
Wat vindt de regering van de suggestie om bij de komende Wet op de reïntegratie ook een instelling te creëren die reïntegratiemaatregelen daadwerkelijk in een bedrijf kan implementeren?
In dit verband vragen de leden van de PvdA-fractie de regering om kwantitatieve gegevens over de personen die bij de herkeuringen sinds 1994 hun recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk hebben verloren. Zijn zij weer aan de slag gekomen of hebben zij een andere dan wel geen uitkering meer?
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over het flankerend beleid. Niet alleen blijken reïntegratiemiddelen maar mondjesmaat te worden ingezet, ook de bemiddelingsactiviteiten lopen ver achter bij de herbeoordelingen. De leden van de D66-fractie verwijzen naar hetgeen zij eerder hebben opgemerkt in dit verslag.
De maatregelen die nu genomen worden, zoals het verbieden van aanstellingskeuringen door werkgevers en entreekeuringen door verzekeraars en het opnemen van uitsluitingsclausules kunnen de goedkeuring van de leden van de D66-fractie dragen. Over de premiekorting voor chronisch zieken hebben deze leden twijfels, vooral omdat de premiekorting pas ingaat als een werkgever meer dan 5% mensen met een arbeidshandicap in dienst heeft. De leden van de D66-fractie merken op dat uit onderzoek blijkt dat werkgevers net 2% halen (WAGW bemiddelingspopulatie), waarbij opvallend is dat overheidswerkgevers onder de 2% blijven steken. Bovendien lijkt de premiekorting wel sterk op de recent afgeschafte bonus, die in praktijk nauwelijks toepassing vond. De leden van de D66-fractie onderschrijven het instellen van het meldpunt werving en selectie. Meer voorlichting en deskundigheidsbevordering is ook nodig gezien het onderzoeksresultaat van het Ctsv (R96/4) waaruit blijkt dat werkgevers nauwelijks op de hoogte zijn van reïntegratie-instrumenten.
De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op de suggestie van de Gehandicaptenraad gedaan in hun brief d.d. 3 juni 1996 om een verbod op discriminatie vanwege handicap in de wet op te nemen.
De leden van de D66-fractie maken zich grote zorgen over de compartimentering van de reïntegratie-instrumenten. Deze leden vrezen dat dit de toegankelijkheid in inzichtelijkheid van het instrumentarium niet vergroot, wat juist een voorwaarde is voor een betere reïntegratie-uitvoering. De leden van de D66-fractie ondersteunen een snelle stroomlijnen van de reïntegratie-instrumenten waarbij een snelle en sluitende dienstverlening voorop staat voor eenduidig omschreven doelgroepen.
De leden van de fractie van Groep Nijpels maken zich grote zorgen over de effecten van Pemba op de selectie van personeel. Door de Wulbz heeft de werkgever reeds een groot belang bij het aannemen van gezonde werknemers. Werkgevers worden geprikkeld om strenger te gaan selecteren op leeftijd en gezondheid bij het aannemen van personeel, zeker bij het aanstellen van werknemers in vaste dienst. Deze leden moeten constateren dat dit effect – zowel door de premiedifferentiatie als door het invoeren van de mogelijkheid van eigen-risicodragen – door het voorliggende wetsvoorstel nog zal worden versterkt. Ook het inschakelen van uitzendkrachten zal volgens de aan het woord zijnde leden flink toenemen.
De leden van de fractie van Groep Nijpels stellen dat grote groepen chronisch zieken, personen met een handicap of met gezondheidsproblemen uit het verleden door Pemba nog meer risico lopen uitgesloten te worden van duurzame deelname aan het arbeidsproces. Voor de werkgever blijft het – gelet op de directe toerekening van de arbeidsongeschiktheid aan zijn onderneming – ondanks alles echter aantrekkelijker om in zee te gaan met een gezonde werknemer dan met een werknemer met een arbeidshandicap of een verhoogde kans daarop. Deze leden zullen de toegezegde extra inspanning van de regering, ten aanzien van het flankerend beleid, om de druk die op de gezondheidsselectie van personeel ontstaat zo veel mogelijk te voorkomen, dan ook zeer kritisch volgen. Dit omdat zij betwijfelen of zo'n flankerend beleid ooit een voldoende remedie zal kunnen bieden tegen de prikkels om te selecteren. De verleiding om een streng selectief personeelsbeleid te voeren wordt als het ware ingegeven door de samenhang tussen Wulbz en Pemba. Daarom achten de leden van de fractie van Groep Nijpels een periodieke (halfjaarlijks dan wel jaarlijks) effectrapportage inzake het flankerend beleid noodzakelijk voor het eventueel bijstellen van de regelgeving.
Met betrekking tot het huidige reïntegratie-instrumentarium merken de leden van de RPF-fractie op dat dit nog lang niet de gewenste resultaten oplevert. Zij verwijzen naar de rapportage van het Ctsv (Toepassing van reïntegratie-instrumenten voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, april 1996), waaruit blijkt dat de toepassing hiervan – zacht gezegd – te wensen overlaat. Zij vragen de regering te reageren op dit Ctsv-rapport. Valt het verwachte aanzienlijk positief effect van de in de wet Amber vastgelegde (wettelijke) reïntegratie-instrumenten niet enorm tegen?
Deze leden zien met grote belangstelling uit naar de aangekondigde Wet op de Reïntegratie. Wanneer kan die naar verwachting worden ingediend? Gelet op de negatieve gevolgen van de voorliggende wet voor de positie van arbeidsongeschikten op de arbeidsmarkt zou deze wet naar het oordeel van de leden van de RPF-fractie zeer spoedig in werking moeten treden en bij voorkeur niet na, maar vóór realisering van het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting (blz. 7) dat de nadelen van de ook door Pemba beoogde marktwerking moeten worden opgevangen door flankerend beleid. Opnieuw wijst de regering op de inmiddels door de wet Amber gegeven reïntegratiemaatregelen. Er is echter nauwelijks iets bekend over het succes van die maatregelen. De leden van de SP-fractie hebben – samen met de leden van de fracties van het CDA en GroenLinks – de regering inmiddels gevraagd naar cijfers over de reïntegratie. Het Tica stelt vast dat in het wetsvoorstel geen heldere verdeling van verantwoordelijkheden is geformuleerd, en verwacht daarom dat de wet in de uitvoering zal leiden tot veel conflicten over bevoegdheden en verplichtingen en uitgebreide procedureregels en «daardoor niet zal bijdragen tot een effectieve en doelmatige reïntegratie van de werknemer». Daarnaast wijst het Tica erop dat in het wetsvoorstel voor de eigen-risiciodragers prikkels ontbreken om iets aan reïntegratie te doen. De BV voor Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (BVG) bevestigt dit. De leden van de SP-fractie vragen de regering hierop te reageren.
Opnieuw wordt bepleit – nu door de bonden – om de in de WAGW opgenomen plicht tot het in dienst nemen van een bepaald percentage gehandicapten in te voeren en verder een terugkeerrecht in de wet op te nemen. Graag ook hier het standpunt van de regering.
De leden van de VVD-fractie hebben tevens kennisgenomen van de keuze van de SER en het Verbond van Verzekeraars voor een stelsel, dat na de eerste jaren van eigen risico overgaat op een basisvoorziening op minimumniveau. De regering verwijst in dat verband naar het regeerakkoord waarin het handhaven van de huidige polisvoorwaarden staat vermeld. Deze leden zijn het met deze constatering eens, maar zouden het bedoelde alternatief op termijn zeker niet uit willen sluiten daar dit in de toekomst een voorstelbare oplossing zou kunnen blijken te zijn.
De leden van de RPF-fractie constateren dat over het door de SER gepresenteerde alternatief reeds bij de behandeling van het wetsvoorstel Wulbz het nodige is gezegd. Deze leden willen die discussie niet overdoen. Wel vragen zij om een nadere onderbouwing van de geraamde extra kosten van ca. 285 mln. in de structurele situatie. Zij verzoeken de regering deze cijfers te relateren aan de besparingen die sinds de inwerkingtreding van de TBA reeds zijn opgetreden op het terrein van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. In hoeverre zijn die besparingen overigens in overeenstemming met de ramingen uit 1993?
De leden van de CDA-fractie hebben kennis kunnen nemen van de niet malse kritiek op dit wetsvoorstel van de zijde van het Tica. Ongetwijfeld zal van de zijde van de regering tijdig met een reactie hierop gekomen worden. Met name ten aanzien van de twijfels bij de werking van het voorgestelde systeem van premiedifferentiatie raakt het Tica het hart van hetgeen de regering voorstelt.
Bovendien valt de kritiek van Tica op ten aanzien van de vele «noodremmen» die de regering in het wetsvoorstel heeft aangebracht. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? De leden van de CDA-fractie kunnen zich bij het bestuderen van het wetsvoorstel niet aan de indruk onttrekken, dat de regering ook zelf vreest dat het eigen risicodragen onbeheersbaar wordt en het draagvlak onder het publieke stelsel te klein wordt. Hoewel het advies van het Tica een wetstechnisch advies is, worden de leden van de CDA-fractie door dit advies gesterkt in die opvatting.
HOOFDSTUK 2. FINANCIERING EN PREMIEDIFFERENTIATIE WAO
De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat premiedifferentiatie een belangrijk en rationeel instrument is om vermijdbare arbeidsongeschiktheid terug te dringen.
De leden van de VVD-fractie zijn met de regering van mening dat de invoering van premiedifferentiatie in de WAO een van de instrumenten is om het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen. Zij zijn ook van mening dat de kosten daar moeten worden neergelegd waar zij het beste beheerst en beïnvloedt kunnen worden. De regering geeft in een beschouwing over premiedifferentiatie aan dat er enerzijds sprake moet zijn van een voldoende prikkel en anderzijds dat het niveau van premiedifferentiatie niet te laag kan worden gelegd. Met dergelijke enigszins abstracte bewoordingen zijn zij het eens. Het gaat naar de overtuiging van deze leden vervolgens om de vraag hoe de begrippen «voldoende prikkel» en «niet te laag» concreet worden ingevuld.
De leden van de D66-fractie constateren dat de nieuwe WAO wordt gefinancierd op basis van premiedifferentiatie. Voor de vormgeving zijn verschillende modaliteiten mogelijk. De regering kiest voor een bepaalde modaliteit. Uit het SER advies (95/05, blz. 72) blijkt dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet heeft willen voorzien in een modaliteit waarbinnen geen premiedifferentiatie naar onderneming plaatsvindt. De leden van de D66-fractie onderschrijven deze lijn.
Voor de vormgeving van premiedifferentiatie heeft de regering een viertal aspecten gewogen (memorie van toelichting, blz. 15). De leden van de D66-fractie vragen of hieraan ook reken- c.q. simulatiemodellen ten grondslag hebben gelegen.
Het Tica vreest blijkens zijn uitvoeringstechnisch commentaar dat de beoogde financiële prikkel voor de werkgever door een aantal factoren negatief zal worden beïnvloed. Het Tica wijt dat aan de voorgestelde vormgeving, zoals de wijze waarop werkgevers worden gegroepeerd en vertragingsfactoren (gemiddelde arbeidsongeschiktheidsrisico van de afgelopen vijf jaar, aanpassingscoëfficiënt) en beperking van de financiële prikkel door het stellen van een maximum- en minimumpremie. De leden van de D66-fractie merken op dat de invulling van deze sectorindeling, aanpassingscoëfficiënten en maximum- en minimumpremie nog niet heeft plaatsgevonden en kunnen derhalve niet beoordelen of de vrees van het Tica gegrond is. De leden van de D66-fractie dringen er bij de regering op aan dat zo snel mogelijk invulling wordt gegeven aan bovengenoemde onzekerheden.
De leden van de D66-fractie menen dat ook bij eigen risicodragen in de meeste gevallen het risico opnieuw verzekerd zal worden. De leden van de D66-fractie menen dat slechts in een beperkt aantal gevallen de werkgever zal volstaan met het dragen van het eigen risico. Deze werkgever zal dan het meeste profijt hebben van een gerealiseerd laag risico. De werkgevers die het eigen risico verzekerd hebben bij een private verzekeraar zullen, nemen de leden van de D66-fractie aan, ook terecht komen in de soort premiestellingen zoals die bij Wulbz plaatsvonden. De leden van de D66-fractie verwijzen naar de maximale premie van 2,5 keer de gemiddelde premie van de collectiviteit op basis van het bedrijfstakverzuim. Bovendien worden leeftijdsopbouw en loonsom van het bedrijf op de betreffende collectiviteit afgestemd. In de praktijk betekent dit dat verzekeraars voor een bedrijf tot 50 werknemers het bedrijfsverzuim slechts voor 20% laten meewegen en bij bedrijven tussen de 50 en 100 werknemers deze verhouding waarschijnlijk 50%–50% zal zijn. Bij grotere bedrijven (meer dan 500 werknemers) zal uitsluitend worden gekeken naar het bedrijfsverzuim. Ook in deze premiestellingen, constateren de leden van de D66-fractie, komen verevenings- en vertragingsfactoren voor. De leden van de D66-fractie wijzen erop dat de kritiek van het Tica wordt ondersteund door het Verbond van Verzekeraars in de brief d.d. 30 mei 1996. De leden van de D66-fractie vragen de regering hier nader op in te gaan.
De leden van de D66-fractie vragen of de sectorindeling gebaseerd zal zijn op een vergelijkbaar risicoprofiel. Het Platform van branche-organisaties in de commerciële dienstverlening pleit voor groepering op basis van economische activiteiten, waar eenzelfde type werk wordt uitgevoerd, de arbeidsomstandigheden gelijk zijn en de in- en uitstroom WAO op elkaar aansluiten en WW-aspect. De leden van de D66-fractie verwijzen in dit opzicht ook naar hetgeen het Verbond van Verzekeraars in bovenvermelde brief over Pemba heeft aangegeven en naar de brief van Werkgevers en Werknemers in de informatie- en grafische sector, alsmede de sectoren media en cultuur van 26 juni 1996.
Het Tica blijkt, constateren de leden van de D66-fractie, vanwege de onbekendheid met de financieel-technische gegevens, aanpassingscoëfficiënt, de bandbreedtes en de minimum- en maximumpremies niet in staat te zijn om alternatieven te presenteren. Overigens merken de leden van de D66-fractie op dat er vanuit het Tica niet zozeer principiële bezwaren bestaan tegen het voorgestelde systeem van een gemiddelde sectorpremie met adaptieve premies op ondernemingsniveau, maar dat veel afhangt van de concrete uitwerking zoals de indeling in sectoren, aanpassingscoëfficiënt, de bandbreedtes en de minimum- en maximumpremies. De leden van de D66-fractie dringen erop aan deze concrete invulling zo snel mogelijk af te ronden in goed overleg met de belanghebbenden, zodat deze gegevens voor de plenaire behandeling beschikbaar zijn.
De leden van de D66-fractie constateren dat het Tica twee andere systemen van premiedifferentiatie noemt, te weten «experience-rating» en het systeem waarin het arbeidsongeschiktheidsrisico van de onderneming wordt afgezet van het gemiddelde arbeidsongeschiktheidsrisico van een branche of een beperkte groep van ondernemingen. De leden van de D66-fractie constateren met spijt dat deze alternatieven niet globaal zijn vergeleken met het voorgestelde systeem van de regering. De leden van de D66-fractie hadden graag gezien dat het verschil tussen het voorgestelde systeem en «experience-rating» tegen elkaar afgezet waren. Bij «experience-rating» wordt de premie afhankelijk gesteld van het schadeverloop in het verleden, waarbij het doel is de verzekerde te stimuleren om de schade te beperken. De leden van de D66-fractie merken op dat ook de SER in zijn advies (mei 1995) «experience-rating» noemt. Volgens de SER is het niet goed mogelijk tot een dergelijk systeem in het publieke stelsel over te gaan, omdat dan de vraag rijst of de publieke verzekeraar in Europeesrechtelijk perspectief nog wel als uitvoerder van een sociale verzekering kan worden beschouwd.
Bij de tweede (niet) uitgewerkte variant van het Tica lijkt het te gaan om een systeem dat vergelijkbaar is met het systeem van de Ziektewet (ZW) van 1 januari 1994 tot 1 maart 1996. De leden van de D66-fractie merken op dat het model analoog aan de vroegere ZW-systematiek een bandbreedte kent waarbinnen een wijziging van het arbeidsongeschiktheidsrisico geen financiële consequenties heeft. Daardoor wordt een individuele werkgever alleen geprikkeld als de onderneming zich bevindt in het grensgebied tussen twee premieklassen. Bovendien herinneren de leden van de D66-fractie zich dat de bedrijfsvereniging binnen door haar te bepalen marges de premie in principe per werkgever diende te differentiëren. Deze leden verwijzen nogmaals naar het Ctsv-rapport Kwantitatieve effecten van de financiële prikkels in de Ziektewet: bij een verzuim dat bijna tweemaal zo hoog is of zo laag als het gemiddelde verzuim betaalt de werkgever een opslag respectievelijk een korting van slechts 0,1%. Overigens merken de leden van de D66-fractie op dat een dergelijke handelwijze niet zo snel meer kan optreden als de discretionaire bevoegdheid van de bedrijfsvereniging en de monopoliepositie van de uitvoeringsinstellingen wordt doorbroken, zoals in het voorliggende wetsvoorstel ook de bedoeling is.
De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat een van de twee gedachten waarop het wetsvoorstel hinkt de premiedifferentiatie is. Op zichzelf kan premiedifferentiatie inderdaad een goed middel zijn om de door de regering beoogde grotere financiële verantwoordelijkheid te leggen bij die bedrijven waar een relatief hoog arbeidsongeschiktheidsverzuim wordt geboekt. Toch roept de door de regering voorgestelde systematiek de nodige vragen op. Deze komen hieronder aan de orde.
De leden van de fractie van Groep Nijpels constateren dat Pemba voorziet onder meer in de invoering van een premiestelsel dat gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidsrisico van de onderneming (of groep van ondernemingen), de zogenaamde premiedifferentiatie. Uitgangspunt is dat de financiële verantwoordelijkheden terzake van arbeidsongeschiktheid worden gelegd daar waar de kosten tot stand komen en de risico's kunnen worden beïnvloed. Deze leden betwisten niet dat invoering van premiedifferentiatie kan leiden tot terugdringing van het beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen. Echter, zij wijzen invoering van premiedifferentiatie af omdat de effecten van het onderhavige voorstel ten aanzien van de selectie van personeel, vooral van oudere werknemers, zeer ingrijpend zullen zijn. Voorts vragen de leden van de fractie van Groep Nijpels zich af, in hoeverre de huidige tendens tot demotie hierdoor zal worden versterkt.
De leden van de RPF-fractie wijzen in beginsel een stelsel van premiedifferentiatie in de WAO niet af. Het uitgangspunt van de regering dat de kosten daar moeten worden gelegd waar ze het best kunnen worden beheerst en beïnvloed lijkt niet onredelijk, al zijn deze leden van oordeel dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat dit leidt tot een extra gezondheidsselectie. Een landelijke verevening van een deel van het arbeidsongeschiktheidsrisico zal daarom zeker noodzakelijk zijn. Anders zullen bedrijfstakken met een relatief hoog arbeidsongeschiktheidsrisico, zoals de bouw en het openbaar vervoer, met onevenredig hoge lasten worden geconfronteerd. Deze leden informeren op welke wijze kan worden vermeden dat de beoogde premiedifferentiatie een grotere risicoselectie tot gevolg heeft en hoe de continuïteit van arbeidsintensieve sectoren kan worden gewaarborgd.
De leden van de SGP-fractie kunnen op zichzelf de ratio inzien van het voorstel om in de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen een vorm van premiedifferentiatie te introduceren.
2.2 Vormgeving premiedifferentiatie
De leden van de PvdA-fractie merken op dat zich bij de vormgeving van premiedifferentiatie een aantal vraagstukken voordoet.
Een daarvan is het dilemma vanwege de combinatie met de voorgestelde vorm van eigen-risicodragen. Het regeringsvoorstel bevat technieken om de premieverschillen tussen en binnen de sectoren te beperken en de premiewijzigingen van jaar op jaar te dempen. Zo wordt uitgegaan van het gemiddelde van de sector over de afgelopen vijf jaar, wordt voor het bedrijf het (daardoor reeds gedempte) cijfer over de laatste vijf jaar genomen, worden premies gemaximeerd en wordt gewerkt met een aanpassingscoëfficiënt. Op zich zijn voor elk van die maatregelen en technieken voldoende argumenten aan te dragen. Ze voorkomen een schoksgewijze premie-ontwikkeling, hetgeen vooral voor kleinere bedrijven van belang is. Het probleem ontstaat zodra deze vorm van premiedifferentiatie wordt gecombineerd met de voorgestelde wijze van eigen-risicodragen.
De eigen-risico-drager die arbeidsongeschiktheid weet te beperken of juist niet, voelt de financiële effecten zonder die premiedemping, dus direct of zeer snel. Een organisatie die nog geen eigen risico draagt, maar die de arbeidsongeschiktheid weet terug te dringen, voelt het effect pas na verloop van tijd. Zo'n onderneming kan het positieve effect in de premiestelling dus veel eerder in klinkende munt omzetten door eigen-risicodrager te worden dan door niet-eigen-risicodrager te blijven. Sterker nog, zolang het bedrijf nog geen eigen risicodrager is, kan het zelfs worden geconfronteerd met een stijgende premie, zelfs als de arbeidsongeschiktheid wordt teruggedrongen. Het «uitstappen» van bedrijven met relatief lage arbeidsongeschiktheidscijfers betekent immers dat de gemiddelde premie voor de achterblijvers stijgt. Weliswaar wordt er een bandbreedte bepaald (de gemiddelde sectorpremie mag maximaal twee keer zo hoog zijn als de gemiddelde landelijke premie), maar wanneer in diverse sectoren de ondernemingen met lage risicocijfers eigen risicodrager worden, stijgt de landelijk gemiddelde premie direct. Het feit dat de minister een minimum- en een maximumpremie kan vaststellen, doet daaraan niet af. Het gaat immers altijd om een relatief niveau. De gemiddelde premie in de sector – uitgangspunt voor de premievaststelling per onderneming – stijgt eveneens doordat eigen-risicodragers in slechte tijden de neiging zullen hebben weer terug te keren tot de publiek gefinancierde verzekering. Een forse demping van de premiewijzigingen lijkt op die manier te leiden tot een onevenwichtigheid ten nadele van de niet-eigen-risicodragers. Premiedifferentiatie en eigen-risicodragen zijn dan niet aanvullend, maar bestrijden elkaar, met als gevolg een grote gebruikersruimte voor risicomijdende of risicomanipulerende werkgevers. De leden van de PvdA-fractie vragen een reactie van de regering op deze ogenschijnlijke onevenwichtigheid: wordt, zo is hun vraag, het systeem van premiedifferentiatie op die manier niet bedreigd door de combinatie met de gekozen vorm van eigen-risicodragen?
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe, ten behoeve van de maximering van de premies, de gemiddelde premie wordt berekend. Wordt inderdaad het gemiddelde bedoeld of de mediane premie?
Om te voorkomen dat premies te hoog of te laag worden, krijgt de minister de bevoegdheid een boven- en ondergrens aan de premies te stellen. Geldt die boven- en ondergrens voor alle sectoren tegelijk en uniform, of kunnen per sector dergelijke grenzen worden gesteld, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
De basis voor premiedifferentiatie is het verschil tussen bedrijven, branches of sectoren naar instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Hoewel in een aanzienlijk aantal gevallen arbeidsongeschiktheid niet beïnvloedbaar is door de onderneming, hoeft dit geen probleem te zijn door de willekeurige spreiding van dergelijke onvermijdelijke arbeidsongeschiktheid. Dat ligt echter anders met factoren als leeftijd en geslacht. Het Ctsv-rapport Ontwikkeling arbeidsongeschiktheid, Jaaroverzicht AAW/WAO 1994 toont aan (blz. 18) dat het arbeidsongeschiktheidspercentage leeftijd- en geslachtsgebonden is. Zo is het percentage voor de 25/35-jarige werknemers 2,3, terwijl dat voor 55-plussers 48,4 is. Voor vrouwelijke werknemers is het instroompercentage 1,7, terwijl dat voor mannelijke werknemers 1,1 is. Betekent dat niet, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat premiedifferentiatie een impliciete bonus is op de werving van jong mannelijk personeel en een impliciete malus op de werving van ouder personeel? Is bij premiedifferentiatie daarom een correctiefactor wenselijk, zo voegen zij daaraan toe?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven of ook alternatieve vormen van premiedifferentiatie zijn overwogen, waarbij niet wordt uitgegaan van de gemiddelde premie op sectorniveau met een adaptatie naar de individuele onderneming? In hoeverre vormt het feit, dat uitgegaan wordt van een omslagstelsel een beletsel voor alternatieven?
De leden van de CDA-fractie vragen of er bij het vaststellen van de premie over het eerste jaar van invoering niet te veel onzekerheden zijn. Zo zal het aantal werkgevers dat eigen risicodrager zal worden ingeschat moeten worden. Kan aangegeven worden wat de gevolgen van een daardoor te laag vastgestelde premie kunnen zijn?
De leden van de VVD-fractie merken op dat zij eens zijn met de opvatting dat premiedifferentiatie niet moet blijven steken op het niveau van bedrijfsvereniging of sector. De vraag kan vervolgens echter worden gesteld waar dan wel. Deze leden hebben zich steeds uitgesproken voor een zo diep en direct mogelijke differentiatie naar of liever per onderneming. Het uitgangspunt is dan ook dat iedere onderneming een afzonderlijke oftewel adaptieve premie krijgt. Deze leden begrijpen dat, maar wensen daarbij aan te tekenen dat daarmee niet automatisch een zo direct mogelijke en per onderneming maximaal gedifferentieerde premie is gerealiseerd. De beperking zit in eerste instantie in de premieafbakening per sector, hetgeen op basis van de draagvlakgedachte begrijpelijk, maar niet noodzakelijk is, en vervolgens in de voorgestelde aanpassingscoëfficiënt.
De in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel neergelegde redenering onder deze aanpassingscoëfficiënt kan worden gekarakteriseerd als het handhaven van de mogelijkheid tot een grotere mate van verevening. En dat is, na al hetgeen daaraan voorafgaand in deze memorie is gezegd over het tegengaan van verevening en de noodzaak tot prikkels toch als enigszins vreemd te beschouwen. «Ondernemingen, die het relatief goed doen krijgen immers niet direct de bij hun risico behorende korting doorberekend, maar slechts een deel daarvan....», zo lezen zij in de memorie van toelichting. Maar als het er nu om gaat om ondernemingen het inderdaad «goed te laten doen», en daar gaat het volgens deze leden toch om, dan lijkt dat toch precies het verkeerde signaal om de beloning op dat goede gedrag af te zwakken. Voor deze leden is, gezien de door de regering gegeven onderbouwing niet duidelijk wat de functie van deze aanpassingscoëfficiënt is. Zij achten een nadere toelichting van de regering op dit punt zeer gewenst. Daar waar deze coëfficiënt door de minister wordt vastgesteld, eventueel zelfs verschillend voor groepen binnen sectoren, willen zij tevens graag vernemen welke concrete criteria daarbij zullen worden gehanteerd. Zij zouden daarbij in dit verband willen aantekenen een te grote verevening onwenselijk te vinden, temeer daar naast de al genoemde verevening via sectoren en de aanpassingscoëfficiënt het voorts nog mogelijk is dat de minister een boven- en ondergrens aan de premie stelt. Met andere woorden, ook al «doe je het als ondernemer goed» dan zul je niet al het voordeel binnenhalen en ook al doe je het slecht, dat «betaalt de vervuiler niet zelf», maar komt dat voor een deel ten laste van de bedrijven met een gering arbeidsongeschiktheidsvolume.
Deze leden vragen zich af of de cumulatie van al deze vereveningsmaatregelen niet een beetje veel van het goede zijn. Ware niet te kiezen voor de een of de andere maatregel of ware niet vast te leggen, dat de ene of de andere maatregel alleen zal worden toegepast in, dan ook nader te omschrijven zeer bijzondere omstandigheden? Dit zou de voorkeur van deze leden hebben, gezien de twijfels die bij hen bestaan hebben ten aanzien van de driedubbele verevening.
Bovendien stelt de regering voor om naast de reeds (te) vergaande verevening ook nog de mogelijkheid te introduceren om gelden uit het door een ieder, ook de goed presterenden, gefinancierde Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) over te hevelen naar de sector. Dat zal gebeuren wanneer een bandbreedte van twee maal de landelijk gemiddelde premie wordt overschreden. Wanneer op deze wijze de premiehoogte wordt gemitigeerd, dan vragen deze leden zich af waarom het nog noodzakelijk is de mogelijkheid te creëren voor de minister om een maximumpremie te bepalen? Kan bovendien wat meer inzicht worden gegeven in de wijze waarop de regering voornemens is hier invulling aan te geven. Het moge duidelijk zijn dat naar de mening van deze leden zeer terughoudend beleid van de regering hier op zijn plaats is, daar ook dit instrument een zeker vereveningskarakter niet geheel kan worden ontzegd.
Samenvattend zouden de leden van de VVD-fractie over de voorgestelde premiedifferentiatie willen stellen dat zij het instrument sec toejuichen, maar dan wel zo diep mogelijk en met zo weinig mogelijk verevening. Die verevening lijkt in het regeringsvoorstel echter wel ver te gaan. Dit zou enigszins kunnen worden beperkt door strenge criteria bij bepaling coëfficiënt en minimum- en maximumpremie te hanteren.
Met het principe van adaptieve premies kunnen deze leden, met inachtneming van hetgeen zij te dien aanzien hiervoor reeds hebben vermeld, instemmen. Wel hebben zij nog wat vragen ten aanzien van de keuze het arbeidsongeschiktheidsrisico als criterium te kiezen op basis waarvan het premieniveau op individueel ondernemingsniveau wordt bepaald. Als het gaat om de verhouding uitkeringslasten en loonsom vragen zij de regering precies aan te geven wat onder de «loonsom» wordt verstaan en wat de effecten zijn voor een onderneming met veel laag betaalde werknemers respectievelijk veel hoog betaalde werknemers. Is deze laatste onderneming, door de hogere uitkeringslasten per persoon dan niet in het nadeel?
De leden van de D66-fractie kunnen de keuze van de regering voor het systeem van adaptieve premies onderschrijven.
De leden van de D66-fractie merken op dat de regering stelt dat een systeem van adaptieve premies vanuit Europeesrechtelijk opzicht in ieder geval geen belemmeringen oproept. Uit de brief van 5 april 1995 is de leden van de D66-fractie gebleken dat het stelsel van adaptieve premies aan de hand van het risicoprofiel van de individuele onderneming en gemitigeerd door een aanpassingscoëfficiënt mits dwingend van overheidswege vastgesteld waarbij geen enkele ruimte voor een eigen afweging van de bedrijfsvereniging wordt geboden. De leden van de D66-fractie vragen de regering of dit de mening is van de Europese Commissie en verwijzen naar hetgeen prof. mr K.J.M. Mortelmans daarover heeft gezegd (Publikaties SCOSZ 15, Privatisering in de sociale zekerheid, blz. 54). Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat een stelsel waarin de bedrijfsvereniging een discretionaire bevoegdheid krijgt om factoren vast te stellen die bij de premieberekening een rol kunnen spelen door de Europese Commissie voorshands minder welwillend tegemoet werd getreden. De leden van de D66-fractie constateren dat een dergelijke discretionaire bevoegdheid niet in de bedoeling ligt (blz. 57 memorie van toelichting) en vragen de regering om een bevestiging.
De leden van de D66-fractie constateren dat in de adviesaanvrage aan de SER de regering een zekere voorkeur heeft voor premiedifferentiatie op bedrijfstakniveau met doorvertaling naar de onderneming. Daarbij werd uitgegaan van achttien bedrijfsverenigingen exclusief de overheid. De leden van de D66-fractie vragen te motiveren waarom deze voorkeur is veranderd in een voorkeur voor 6 à 8 sectoren en waarop het aantal van 6 à 8 sectoren is gebaseerd en niet bijvoorbeeld 4 à 5 sectoren of 10 à 12 sectoren. De leden van de D66-fractie verwijzen in dit opzicht ook naar het commentaar van de RCO over Pemba gaat hier ook over. De leden van de D66-fractie vragen hoe de verschillende bestuurlijke bevoegdheden zijn ten aanzien van de indeling van het beroeps- en bedrijfsleven, de indeling van werkgever, de bepaling van het criterium op basis waarvan de premiedifferentiatie wordt toegepast, de aanpassingscoëfficiënt en de maximale en minimale premie.
De leden van de D66-fractie zijn het met de regering eens dat voor het langerdurend risico (na 5 jaar) minder noodzakelijk is een prikkel per sector in te bouwen. De prikkel is dan volgens de leden van de D66-fractie uitgewerkt. Overigens zijn de leden van de D66-fractie van mening dat dat niet geldt voor de reïntegratie-inspanningen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de aanpassingscoëfficiënt lager dan het sectorniveau kan worden vastgesteld bijvoorbeeld voor een groep van ondernemers en daarbinnen nog onderscheid kan worden gemaakt tussen grote en kleine ondernemers. Naar de mening van de leden van de D66-fractie wordt niet uitvoerig beargumenteerd waarom de aanpassingscoëfficiënt op een lager dan sectorniveau kan worden gehanteerd als een middel tot verevening en de premiedifferentiatie als zodanig niet. Bovendien kan bovenstaande systematiek leiden tot een veelvoud van aanpassingscoëfficiënten. Hetzelfde geldt voor de minimale en maximale premie. De leden van de D66-fractie is het bovendien onduidelijk of de grenzen van de aanpassingscoëfficiënten dezelfde grenzen van de minimale en maximale premies zijn. Graag een reactie van de regering.
De leden van de D66-fractie merken op dat in het uitvoeringstechnisch commentaar van het Tica een aantal vragen worden gesteld over de bepaling van het arbeidsongeschiktheidsrisico. Het is van belang dat het duidelijk is welke uitkeringen precies moeten worden toegerekend en hoe dat dit te geschieden (kasbasis of transactiebasis) in verband met beroepszaken, te late aanvragen en verhaalszaken. Ook is het de leden van D66-fractie met het Tica onduidelijk hoe de uitkeringslasten worden toegerekend in het geval een werknemer meerdere werkgevers heeft en voor situaties dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte voor de restcapaciteit bij een andere werkgever gaat werken en er een toename van de arbeidsongeschiktheid plaatsvindt. Tevens vragen de leden van de D66-fractie de regering in te gaan hoe de uitkeringslasten van werknemers die op het moment van intreden van arbeidsongeschiktheid geen directe arbeidsrelatie met een werkgever hebben worden toegerekend aan een werkgever voor wie zij arbeid verrichten. Tenslotte wijzen de leden van de D66-fractie erop dat het nog niet helemaal duidelijk is op welke wijze de uitkeringslasten worden gerelateerd aan de loonsommen in de refertejaren, bijvoorbeeld als een werkgever een schommelend personeelsbestand heeft.
De leden van de D66-fractie merken op dat de maximale en minimale premies per bedrijfstak en ook binnen bedrijfstakken voor categorieën werkgevers kunnen verschillen. De leden vragen de regering in te gaan waarom de minimum- en maximumpremie op een lager niveau mag worden gehanteerd en de premiedifferentiatie niet. Het is onduidelijk op basis van welke criteria deze maximale en minimale premies worden vastgesteld. De leden van de D66-fractie vragen of de niveaus van aanpassingscoëfficiënten gelijk oplopen met de niveaus van maximale en minimale premies.
Het lijkt de leden van de fractie van GroenLinks twijfelachtig of het voorgestelde systeem inderdaad werkt als een prikkel voor werkgevers om meer te investeren in preventie en reïntegratie. Daarvoor is noodzakelijk dat een werkgever ziet dat zo'n investering direct iets oplevert.
Het maakt in de eerste plaats nogal wat uit hoe de sectorindeling vorm zal krijgen. Als allerlei bedrijven en bedrijfstakken met zeer verschillende risicoprofielen in één sector worden gecombineerd, zal het instrument van premiedifferentiatie minder effectief zijn. De mate van differentiatie wordt dan eerder bepaald door de verschillen in risicoprofiel dan door de verschillen in inspanningen op het gebied van preventie en reïntegratie.
Verder maakt de mate van differentiatie en de snelheid waarmee de premie wordt aangepast aan het gerealiseerde verzuim veel uit voor de effectiviteit van het instrument. Leidt de temporisatie in de premiebepaling er niet toe dat werkgevers de beloning voor hun inspanningen pas erg laat kunnen incasseren, c.q. de premieverhogingen door bovengemiddelde arbeidsongeschiktheid ook pas in de loop van een aantal jaren doorberekend krijgen, zodat zij wellicht veel minder dan beoogd geprikkeld worden iets aan preventie en reïntegratie te doen? Is er nagedacht over de voors en tegens van snellere adaptatie van de premie aan het werkelijk gerealiseerde verzuim? Hoe kijkt de regering in dit verband aan tegen het feit dat het «bonus/malussysteem» indertijd juist werd afgeschaft vanwege zijn averechtse effecten? Voert de regering nu niet een nieuw bonus/malussysteem in in een afgezwakte vorm, waarbij de nadelen (gevaar voor risicoselectie, toenemende bureaucratie, toenemende kans op beroepsprocedures tegen arbeidsongeschiktheidsverklaringen door de bedrijfsverenigingen) recht overeind blijven en de voordelen (zoals zichtbaar rendement bij reïntegratie van arbeidsongeschikten) onvoldoende uit de verf komen?
Uit de memorie van toelichting valt nog weinig op te maken over de uiteindelijke kosten van de WAO voor diverse bedrijven en sectoren. Kan de regering aan de hand van enige concrete voorbeelden aangeven hoe de gedifferentieerde minimum- en maximumpremies er in de diverse sectoren uitzien in het collectieve bestel?
De leden van de fractie van GroenLinks zijn benieuwd of de regering andere vormen van premiedifferentiatie heeft overwogen. Zo is het denkbaar dat de premiehoogte niet gekoppeld wordt aan de mate waarin werknemers in een bepaald bedrijf of in een bepaalde sector arbeidsongeschikt raken, maar bijvoorbeeld aan de gezondheidstoestand of de leeftijd van de werknemers, aan de omvang van hun dienstverband of aan de kwaliteit van het arbo-beleid van het bedrijf of de bedrijfstak. Zo is voorstelbaar dat er voor werknemers met een slechte gezondheid, oudere werknemers of deeltijdwerknemers een relatief lagere premie wordt gerekend dan voor anderen. Of dat inspanningen op het gebied van de verbetering van de arbeidsomstandigheden beloond worden met premiekorting. Vooral dit laatste differentiatiecriterium zou volgens de leden van de fractie van GroenLinks beter recht doen aan de doelstelling van het wetsvoorstel. Is overwogen om investeringen in de sfeer van het arbo-beleid te stimuleren door daaraan premiekortingen te verbinden of om andere alternatieve vormen van premiedifferentiatie te beproeven?
Het was denkbaar geweest dat het wetsvoorstel zich had beperkt tot het invoeren van premiedifferentiatie. Door hoge aanpassingscoëfficiënten zou ook dan de verantwoordelijkheid van werkgevers vrij groot kunnen worden. Heeft de regering overwogen de wijziging beperkt te houden tot premiedifferentiatie en wat heeft de regering precies ertoe bewogen naast premiedifferentiatie ook voor marktwerking te kiezen? Was er ook een model denkbaar waarbij enerzijds meer financiële verantwoordelijkheid bij werkgevers wordt gelegd maar anderzijds de AAW in tact gelaten zou kunnen worden? Wat heeft de regering, met andere woorden tegen op bijvoorbeeld denkmodel C van de SER?
De leden van de RPF-fractie zijn benieuwd naar de consequenties van de door de regering voorgestelde vorm van premiedifferentiatie. Welke ervaringen zijn hiermee opgedaan in het buitenland?
Ten aanzien van de aanpassingscoëfficiënt bestaat nog veel onduidelijkheid. Zo is niet duidelijk op grond van welke criteria de hoogte van de coëfficiënt wordt vastgesteld en waarom de coëfficiënt wel op een lager dan sectorniveau kan worden gehanteerd als middel tot verevening en de premiedifferentiatie niet. De leden van de RPF-fractie vragen deze aspecten wat breder te belichten.
Zij vragen voorts of het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog in de loop van de behandeling van dit wetsvoorstel in staat is de gegevens te verschaffen, waaruit de gemiddelde sectorale premies en de daarvan af te leiden premies voor ondernemingen zijn te berekenen. Als het antwoord ontkennend is, zal het parlement zich moeten uitspreken over een wet, waarvan de gevolgen nog niet bij benadering zijn te overzien. Vindt de regering dat acceptabel?
In hoeverre zullen ondernemers door het voorgestelde instrument worden geprikkeld de uitstoot naar de arbeidsongeschiktheidsregeling terug te dringen? Is voor een daadwerkelijk financiële prikkel niet een veel directere vorm van premiedifferentiatie nodig, zodat de effecten van het gedrag van de werkgever op kortere termijn of zelfs onmiddellijk voelbaar zijn? De leden van de RPF-fractie verwijzen naar het Tica-commentaar terzake, waarin overigens nog meer factoren worden genoemd die de beoogde financiële prikkel negatief zullen beïnvloeden. Zij verzoeken de regering hierop te reageren.
De minister heeft op grond van de wet de bevoegdheid een boven- en ondergrens aan het premieniveau te stellen. Kan nader worden aangegeven onder welke omstandigheden de minister daartoe mag overgaan, zo vragen de leden van de RPF-fractie?
De leden van de SGP-fractie stellen vast dat vanuit allerlei maatschappelijke geledingen kritiek is geleverd op de wijze waarop de regering de premiedifferentiatie heeft vorm gegeven. Enerzijds leeft bij groeperingen de angst dat door premiedifferentiatie niet een belangrijk stuk solidariteit in het huidige stelsel van sociale zekerheid wordt prijsgegeven. De leden van de SGP zouden graag zien dat de regering hierop reageerde en dat zij hierbij ook de navolgende vragen meenam. Kan de stelling weerlegd worden dat nog volslagen onbekend is hoe premiedifferentiatie in de praktijk concreet zal uitwerken en hoever de premies uiteen zullen gaan lopen en dat we dus eigenlijk bezig zijn met een sprong in het duister? Het is toch juist dat je met het maximeren van de onderlinge verschillen tussen de landelijke sectorale premies op zichzelf nog niets zegt over de absolute hoogte van die premies? Waarom zijn er geen financiële berekeningen per sector, zodat de gevolgen enigszins ingeschat kunnen worden? Is er in het buitenland een dergelijk systeem, waaruit lessen geleerd kunnen worden? Kan wel van de volksvertegenwoordiging verwacht worden over dit wetsvoorstel te oordelen zonder dat de invulling bekend is van de op artikel 78, derde lid, gebaseerde algemene maatregel van bestuur? Zijn de problemen rond de sectorindeling al bevredigend opgelost?
Anderzijds zijn er groeperingen die stellen dat de premiedifferentiatie in dit wetsvoorstel niet voldoende consequent is doorgevoerd om echt dat effect te sorteren dat beoogd is. Ook hierop vragen de leden van de SGP-fractie een reactie van de regering, en zij voegen daar nog de navolgende vragen aan toe. Vertalen in dit wetsvoorstel de door de werkgever gepleegde inspanningen om tot een lagere schade te komen, zich wel snel genoeg in een lagere publieke premie? Zijn er wat dit betreft niet teveel vervlakkingen ingebouwd? Kan gereageerd worden op de kritiek van het Verbond van Verzekeraars, dat de mening is toegedaan dat een actuariële benadering een meer direct doorwerkende prikkel geeft?
De leden van de GPV-fractie vragen of de wijze waarop de hoogte van de arbeidsongeschiktheidspremie voor werkgevers in het publieke bestel wordt vastgesteld wel recht doet aan het doel dat de regering beoogt. Namelijk dat door het inbrengen van financiële prikkels arbeidsongeschiktheidsrisico's door werkgevers worden gereduceerd en reïntegratie-inspanningen worden geïntensiveerd. Deze leden constateren dat enkele factoren de doorwerking van de financiële prikkel naar de individuele werkgever vertragen. Is het niet curieus dat de premie eerst wordt gebaseerd op het arbeidsongeschiktheidsrisico van de afgelopen drie jaar om vervolgens twee jaar na inwerkingtreding de termijn uit te breiden tot 5 jaar, zodat succesvol beleid zich pas na 6 jaar volledig uitbetaalt? Is het niet beter vast te houden aan de 3 jaar omdat dan de effecten van gerealiseerd beleid zich sneller uitbetalen, wat tot een grotere prikkel bij de werkgevers leidt?
De leden van de GPV-fractie lezen dat jaarlijks de premie opnieuw wordt vastgesteld, waarbij gebruik wordt gemaakt van een aanpassingscoëfficiënt dat het verschil tussen het individuele risico en het gemiddelde risico binnen de sector doorberekent. Deze leden zijn van mening dat het voor een goede beoordeling van het wetsvoorstel noodzakelijk is dat er duidelijkheid bestaat over het niveau van de aanpassingscoëfficiënt. Tevens zijn deze GPV-leden van mening dat het niet vanzelfsprekend is dat binnen een sector de kortingen en de opslagen elkaar opheffen. Volgens deze leden betekent dit dat het gebruik van een aanpassingscoëfficiënt er niet in alle gevallen toe leidt dat werkgevers die een succesvol beleid hebben gevoerd minder premie betalen dan het jaar ervoor. Immers de gemiddelde sectorpremie wordt ook opnieuw vastgesteld en als deze premie stijgt, hoeft een korting niet te betekenen dat er ook nominaal minder betaald hoeft te worden dan het jaar ervoor. Is het, om de financiële prikkel van de werkgever te vergroten, niet wenselijker om de korting of opslag te berekenen aan de hand van de gemiddelde sectorpremie van het vorige jaar?
De leden van de GPV-fractie zijn van mening dat het hanteren van maximum- en minimumpremies van invloed is op de beslissing om wel of geen eigen risico te dragen. Voor werkgevers die de minimumpremie betalen, de gunstige risico's, kan eigen risico dragen lonend zijn. Binnen het publieke bestel bestaat er voor hen immers geen financiële prikkel om de risico's verder te verkleinen. Voor werkgevers die de maximumpremie betalen is eigen risico dragen niet lonend. De leden vragen of als gevolg van deze systematiek zich een spiraalwerking kan voordoen, waardoor het publieke bestel langzaam «leegloopt». Of anders gezegd, kan de staatssecretaris bevestigen dat het reëel is te verwachten dat de gunstige risico's uit het publieke bestel zullen stappen, waardoor de slechte risico's overblijven met als gevolg hoge premies?
Volgens de GPV-leden blijkt uit de toelichting dat de premiedifferentiatie op sectorniveau plaatsvindt, maar dat de bepaling van de omvang van de aanpassingscoëfficiënt en de minimum- en maximumpremies ook op een lager niveau kunnen worden vastgesteld. Indien de zienswijze van de leden van de GPV-fractie juist is, kan de regering uiteenzetten waarom premiedifferentiatie niet op een lager niveau kan plaatsvinden?
De leden van de GPV-fractie vernamen uit de media (De Volkskrant van 21 mei 1996) dat, volgens een door het GAK verstrekt overzicht, voor een groot aantal arbeidsongeschikte werknemers geen werkgever meer is te vinden waardoor deze arbeidsongeschiktheidskosten in de voorgestelde systematiek door het collectief moet worden opgebracht. Kan de regering meer inzicht geven in deze cijfers en welke mogelijkheden ziet hij om dit aantal tot een minimum te beperken, zo vragen deze leden. Tevens vernemen deze leden graag welke oorzaken hieraan ten grondslag liggen?
2.3 Overgang naar een systeem van premiedifferentiatie
De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie gesteld wordt dat de eerste premiedifferentiatie na invoering van de wet, om praktische reden zal zijn gebaseerd op de gegevens over de laatste drie jaren in plaats van 5 jaren. Betekent dat, zo vragen deze leden de regering aan te geven, dat al direct met een algemene aanpassingscoëfficiënt van 0,6 zal worden gewerkt?
Voor reeds ontstane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is het niet mogelijk deze toe te rekenen aan een specifieke werkgever. Maar indien wel het arbeidsongeschiktheidsrisico over de laatste 3 jaren kan worden bepaald, dan kan toch ook de relatie uitkering–werkgever worden gelegd, waardoor het wel mogelijk is lopende uitkeringen onder het nieuwe systeem te betrekken? Zij vragen de regering hierop te reageren. Het komt de leden van de VVD-fractie voor, dat dergelijke gegevens in ieder geval over een kortere periode, bijvoorbeeld het laatste jaar, beschikbaar zouden moeten zijn.
De leden van de D66-fractie vragen zich af alle sectoren in staat zijn gegevens op te leveren, met name ook het FAOP.
2.4 Gevolgen van draagvlakversmalling
De leden van de PvdA-fractie merken het volgende op. De mogelijkheid van eigen-risicodragen vereist sectoren van voldoende omvang zodat een gezonde financiële basis aanwezig is, óók als bedrijven zelf het risico gaan dragen. De regering denkt daarom aan 6 tot 8 sectoren. De indeling van die sectoren zal volgens het wetsvoorstel gebeuren in het kader van de wijziging van de uitvoeringsorganisatie van de werknemersverzekeringen. Dat is een indeling, zo menen de leden van de PvdA-fractie, gebaseerd op inhoudelijke criteria: welke bedrijven hebben voldoende gelijksoortige en herkenbare hoofdactiviteiten, gelijke of overeenkomende CAO's, etc. om samen een sector te vormen. Een indeling ten behoeve van premiedifferentiatie heeft een andere invalshoek: de vergelijkbaarheid van de risicopremies voor arbeidsongeschiktheid. Zijn de verschillen op dit vlak te groot dan kan er immers «aanleiding zijn voor de Minister van SZW om de sector-indeling opnieuw in ogenschouw te nemen».
Premiedifferentiatie heeft een groot pluspunt indien het wordt gekoppeld aan bestaande bedrijfstakorganen en grote CAO-gebieden: de premiehoogte is dan beïnvloedbaar via bedrijfstakafspraken (arbo-, preventie- en reïntegratie-afspraken). Dit pluspunt lijkt terzijde te worden geschoven door de keuze in dit wetsvoorstel voor 6 à 8 supersectoren die heterogene bedrijfstakken kunnen overkoepelen. De mogelijkheid van eigen-risicodragen leidt daarmee tot een sectorindeling die een efficiënte verwerking tegengaat van de impulsen die uitgaan van premiedifferentiatie.
Tot slot stellen de leden van de PvdA-fractie nog het volgende aan de orde. In deze paragraaf wordt gesteld dat in het wetsvoorstel post-nOsv zal worden voorgesteld de bedrijfsverenigingen van hun taak te ontheffen. In het vervolg van het voorliggende wetsvoorstel wordt echter herhaaldelijk gesproken over de bedrijfsvereniging. In de toelichting op artikel 1 onder X (artikel 78 WAO) wordt gesteld dat in die toelichting op dat artikel gemakshalve overal wordt gesproken over sectoren. In de tekst van het artikel 78 worden beide termen gebruikt als wordt gesteld dat de sectorale premie wordt geheven door de bedrijfsvereniging. Moet in plaats van «bedrijfsvereniging» straks «sector» worden gelezen? En moet een uitdrukking als «Bedrijfsverenigingspercentages kunnen derhalve verschillen» (blz. 85 memorie van toelichting) worden gelezen als: «Sectorpercentages kunnen derhalve verschillen»?
De leden van de VVD-fractie constateren dat met betrekking tot de invulling en vormgeving van de premiedifferentiatie de regering voorstelt te komen tot 6 à 8 sectoren, waarbinnen de eigen, binnen die sector gegenereerde lasten worden gedragen. Gaat het bij dat uitgangspunt primair om een breed draagvlak, waardoor in het resterende publieke deel voor die sector niet direct financiële problemen gaan ontstaan, in de vorm van hoge premies, wanneer ten behoeve van een bepaald aantal werknemers in die sector eigen risico wordt gedragen, zo vragen deze leden? Of wordt bij de clustering ook nog beoogd gelijksoortige en verwante activiteiten te combineren? Wanneer dat laatste het geval is, wat zijn daarvoor dan de overwegingen? Indien het alleen gaat om de draagvlakproblematiek, hoe is dan gekomen tot het genoemde aantal en is een ander getal, variërend tussen 1 en bijvoorbeeld 18 voorstelbaar? Kan de beleidsmatige clusterindeling niet ook weer als een zekere vorm van verevening worden gezien, zo vragen deze leden?
De clustering van de sectoren zal plaatsvinden in het kader van de wijziging van de nOSV. Een dergelijke aanpak lijkt logisch en voor de hand liggend. De suggestie gaat er vanuit, dat de sectorindeling, zoals die wordt tot stand gebracht in dat kader, in overeenstemming en gelijkluidend moet zijn aan de sector indeling in het kader van de Pemba. Naar de mening van de leden van de VVD-fractie is dat zoals gezegd wel voor de hand liggend, maar zeker niet noodzakelijk. Deelt de regering deze mening?
De leden van de D66-fractie willen graag inzicht in de vorderingen op het gebied van de nieuwe sectorindeling. Het is de leden van de D66-fractie onduidelijk hoe de bestuurlijke bevoegdheid over de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren geregeld is en verzoeken de regering hierop in te gaan.
De leden van de D66-fractie vragen waarop de indeling in 6 à 8 sectoren gebaseerd is en waarom niet gekozen is voor een indeling in minder of meer sectoren. Deze leden merken op dat na 3 jaar tot een nieuwe herschikking van sectoren kan worden overgegaan. Zij vragen zich af of de werkgever bij herschikking in een andere sector zijn premiepercentage op basis van indeling in de oude sector kan meenemen.
De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op hetgeen het Tica in zijn uitvoeringstechnisch commentaar opmerken op het fonds beheer waar het betreft de premievaststelling en de financiering.
De leden van de GroenLinks-fractie stellen dat er over de precieze sectorindeling en de verhouding tussen de sectorindeling en het post nOsv-traject nog weinig duidelijkheid bestaat. Het Tica heeft in dit verband op een aantal mogelijke knelpunten gewezen. Met name de in het wetsvoorstel genoemde mogelijkheid de sectorindeling in de toekomst eventueel te wijzigen lijkt grote uitvoeringstechnische consequenties te hebben. Hoe beoordeelt de regering deze gevolgen? In hoeverre kan een individuele werkgever opkomen tegen indeling in een bepaalde sector dan wel wijziging van de indeling? Kan een werkgever naar aanleiding van een wijziging van de sectorindeling eigen risico-drager worden, ook als hij korte tijd daarvoor vanuit een situatie van eigen-risicodragen in het publieke bestel is teruggekeerd?
De leden van de fractie van Groep Nijpels wijzen op het risico dat een grove indeling en een samenvoeging van branches op basis van arbeidsongeschiktheidsrisico's tot een ongewenste sectorindeling kan leiden. Gevolg van een indeling met zeer uiteenlopende bedrijven zou kunnen zijn dat branches onvoldoende mogelijkheden worden geboden een gezamenlijk effectief beleid te voeren. Daarmee wordt de prikkel ondergraven om een goed en duurzaam volumebeleid te gaan voeren. Deze leden zijn daarom van mening dat volumebeleid alleen op zinvolle wijze ontwikkeld kan worden als in een sectorraad die branches van het bedrijfsleven bij elkaar worden ingedeeld, die in de dagelijkse praktijk en realiteit met elkaar te maken hebben, bijvoorbeeld door hun economische activiteiten en historisch gegroeide sociaal-economische verbanden. In dit verband vinden de aan het woord zijnde leden het verstandig bij de indeling ook de taken die sectorraden zullen gaan krijgen volgens de nOsv in het achterhoofd te houden.
De verevening van de premie op sectorniveau betekent dat werkgevers binnen een sector elkaars lasten betalen. De leden van de fractie van Groep Nijpels bepleiten een verevening van de premies op het brancheniveau en niet op sectorniveau zoals in Pemba wordt voorgesteld, zodat branches en bedrijven daadwerkelijk gemotiveerd en in staat zijn volumebeleid te ontwikkelen en uit te voeren.
Deze leden van de RPF-fractie vragen om een nadere onderbouwing van de keuze voor het voorstel om het bedrijfs- en beroepsleven in te delen in 6 à 8 sectoren. Zij informeren in hoeverre dit aantal arbitrair van aard is. Is te voorzien dat bij een kleiner aantal het draagvlak te klein wordt? Zo ja, op grond van welke gegevens is de regering tot die conclusie gekomen? Aansluitend vragen deze leden hoe de verschillende overheidssectoren bij die indeling betrokken zullen worden als het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen valt. Het Tica wijst erop dat inwerkingtreding van Pemba vóór de post-nOsv inhoudt dat voor dit onderdeel een aparte wettelijke regeling moet zijn getroffen. Gaat de regering ervan uit dat de post-nOsv-discussie tijdig zal zijn afgerond of moet inderdaad in het voorliggende voorstel een voorziening worden getroffen?
De leden van de GPV-fractie lezen in de toelichting dat de bedrijven worden ingedeeld naar 6 of 8 sectoren, waarbij de gemiddelde sectorpremie als uitgangspunt wordt genomen voor de bepaling van de door de individuele werkgever te betalen premie. Voorts constateren deze leden dat het niet duidelijk is op basis van welke criteria de sectoren worden ingedeeld. Wordt er aangesloten bij de sectoren die ontstaan als gevolg van de clustering van bedrijven in het kader van de post-nOsv? Is het vanzelfsprekend dat het bij het kiezen van een sectorindeling in het kader van de post-nOsv rekening wordt gehouden met criteria waardoor premiedifferentiatie binnen de sectoren aanvaardbaar kan worden ingevoerd? Kan de regering meer inzichtelijk maken dat de indeling van de sectoren zodanig plaatsvindt dat er tussen de ondernemingen binnen een sector een zekere mate van vergelijkbaarheid bestaat wat premiedifferentiatie, waarbij de prestaties van de ondernemingen binnen een sector als norm wordt gehanteerd voor een individuele onderneming, rechtvaardigt?
De leden van de GPV-fractie lezen in de toelichting (blz. 23) dat de minister, indien er sprake is van een onevenwichtigheid binnen de sectoren, de mogelijkheid heeft de sectoren te herschikken. Kan de regering aangeven welke uitvoeringstechnische consequenties dit kan hebben? Kan bijvoorbeeld een werkgever die bij herschikking in een andere sector terecht komt zijn oude premiepercentage meenemen? Is de kans gezien de koppeling met eigen-risicodragen niet erg groot dat deze onevenwichtigheden zich voordoen?
HOOFDSTUK 3. DE MOGELIJKHEID TOT EIGEN-RISICODRAGEN
3.1 Het doel van het eigen-risicodragen
De leden van de PvdA-fractie merken het volgende op. Omdat een werkgever kan kiezen, zo stelt de regering, wordt het monopolie van de publieke uitvoeringsorganisaties doorbroken. Door ook de private markt de ruimte te geven, zo vervolgt het wetsvoorstel, wordt de publieke uitvoering geprikkeld tot kostenbewust handelen. Het is maar de vraag, volgens de leden van de PvdA-fractie, of dit nodig is en of het waar is. Als argument om de publieke verzekeraars scherp te houden lijkt het bieden van de mogelijkheid van eigen-risicodragen achterhaald. De splitsing tussen bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen leidt tot concurrentie tussen die uitvoeringsinstellingen. Dáár zit de prikkel voor een kostenbewuste wetsuitvoering. De uitvoeringsinstellingen moeten immers concurreren om de opdrachten van de bedrijfsverenigingen, bedrijven of sectoren.
Daarnaast is het volgens de leden van de PvdA-fractie nog maar de vraag of de bedrijfsverenigingen kunnen en zullen concurreren met de private markt. De laatste hoeft niet te werken met adaptieve premies, de laatste hoeft niet te werken met minimumpremies, de laatste kan bedrijven met grote risico's weigeren, waar de publieke verzekeraar een acceptatieplicht heeft. Wie hetzelfde spel moet spelen maar aan beperkende regels is gebonden staat bij voorbaat al op achterstand.
De werkgever die het risico zelf wil dragen, kan dit onderbrengen bij een particuliere verzekeraar. Worden hiertoe in dit geval ook de bedrijfspensioenfondsen gerekend? Indien dit binnen de huidige wetgeving niet mogelijk is, zou de regering dan willen overwegen de wetgeving op dit punt te wijzigen?
Op deze vragen zouden de leden van de PvdA-fractie graag een gemotiveerd antwoord van de regering krijgen.
De leden van de VVD-fractie zijn verheugd over de voorgestelde introductie van eigen risicodragen voor vijf jaar als het gaat om het WAO-risico. Zij juichen het toe dat er op deze wijze marktwerking in de WAO wordt geïntroduceerd en het monopolie van de publieke uitvoeringsorganisaties wordt doorbroken. Zij delen de mening van de regering dat de introductie van eigen-risicodragen ook logisch is gelet op de ontwikkelingen in de Ziektewet, waar na de verruiming van het eigen risicodragen vanaf 1 december 1994 ten gevolge van het door de Kamer aanvaarde amendement-Linschoten en de Ziektewet vanaf 1 maart 1996 is geprivatiseerd. Het is volstrekt helder en toe te juichen dat de regering deze ingezette lijn ten aanzien van de WAO wenst voort te zetten. Deze leden ondersteunen dat van ganser harte.
Wel vragen zij de regering concreet aan te geven waar de verwachting concreet op gebaseerd is dat het eigen-risicodragen een reële optie voor een aanzienlijk aantal ondernemingen zal zijn. Hoewel dit met de regering hopen, zouden zij graag een iets uitgebreide motivering voor dit verwachtingspatroon verkrijgen.
De leden van de D66-fractie merken op dat eigen-risicodragen een alternatief is voor «opting-out». Beiden hebben als doelstelling de publieke uitvoering een groter belang tot een effectieve en efficiënte uitvoering te geven. De leden van de D66-fractie ondersteunen deze opvatting. Door de mogelijkheid te creëren wordt de monopoliepositie van de publieke uitvoeringsorganisaties doorbroken en wordt ook voor het arbeidsongeschiktheidsrisico de sociale verzekeringsmarkt opengesteld voor private verzekeraars, waarbij de (her)keuring, de vaststelling en hoogte van de uitkering en de uitreiking van de beslissing aan de belanghebbende binnen het publieke stelsel blijft. De leden van de D66-fractie menen dat concurrentie tussen al dan niet publiek verzekeraars van belang is.
De leden van de D66-fractie constateren dat zowel premiedifferentiatie als eigen risicodragen ertoe dienen bij de werkgever een belang te leggen om het beroep op de WAO zo gering mogelijk te doen houden. Het Tica vreest, zo merken de leden van de D66-fractie op, dat de sectoren in een onvoordelige concurrentiepositie komen te verkeren door het gekozen premiedifferentiatiesysteem voor het publieke stelsel. Veel hangt af volgens de leden van de D66-fractie hoe de concrete invulling plaatsvindt. Het lijkt de leden van de D66-fractie prematuur om nu al te spreken van een onvoordelige concurrentiepositie en verwijzen naar hetgeen zij daarover al eerder in dit verslag hebben opgemerkt.
De leden van de D66-fractie vragen enig inzicht te verkrijgen in een prognose van de omvang van het eigen risicodragen. In de memorie van toelichting van Wulbz werd gesteld dat 1231 (GAK) bedrijven en 2500 BVG bedrijven (niet verbazingwekkend gezien het bovengenoemde) een verzoek hadden ingediend om eigen-risicodrager te worden. Is dit een indicatie van de mate van het eigen-risicodragen in de WAO, vragen de leden van de D66-fractie.
Bij het verzekeren van het eigen-risico moet de private verzekeraar bij aanvang van het uitkeringsrecht ook meteen voor de daaropvolgende uitkeringsjaren een vermogen vormen terwijl de publieke verzekeraar de uitkeringslasten van jaar tot jaar over de premiebetalers omslaat. De verzekeraar rekent daardoor meteen de structurele premie terwijl de publieke verzekeraar pas over een aantal jaren toegroeit naar een structurele premie. Voor de werkgever kan het voordelig zijn de eerste jaren binnen de publieke sector te blijven en daarna pas naar een particuliere verzekeraar over te stappen. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop in te gaan.
De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat het wetsvoorstel naast premiedifferentiatie de mogelijkheid voor werkgevers introduceert om de kosten van de eerste vijf jaar van arbeidsongeschiktheid van hun werknemers voor eigen rekening te nemen. Een werkgever die hiervoor kiest wordt op de meest rechtstreekse wijze afgerekend op het verzuim dat in zijn bedrijf ontstaat. Het wetsvoorstel roept op dit punt ook een aantal vragen op.
Het is de leden van de fractie van GroenLinks opgevallen dat in de memorie van toelichting geen prognose wordt gegeven over de mate waarin werkgevers zullen kiezen voor het dragen van eigen risico voor de eerste vijf jaar van arbeidsongeschiktheid van hun personeel. Zullen het alleen de grote bedrijven zijn die zich zo'n keuze kunnen permitteren of verwacht de regering dat particuliere verzekeraars kans zullen zien ook de grote markt van kleinere werkgevers tot het eigenrisicodragen te bewegen? Het is belangrijk te weten in hoeverre het eigen risico dragen een succes zal worden om het systeem van premiedifferentiatie te kunnen beoordelen. Met name door het Tica is gewezen op de interferentie tussen beide systemen. De hoogte van de maximum- en de minimumpremie bepaalt waarschijnlijk in hoge mate de «overloop» naar het eigen risico dragen. De werkgevers die op de maximumpremie zitten (en dus eigenlijk verhoudingsgewijs te weinig betalen) veroorzaken immers een hogere premiedruk op de hele sector. Dat maakt het voor werkgevers met een laag risico, die door het systeem van minimumpremies veelal toch al een relatief hoge premie betalen, aanlokkelijk om eigen risicodrager te worden. De vraag naar de hoogte van de aanpassingscoëfficiënt is daarbij eveneens van belang. Is die aanpassingscoëfficiënt laag, dan zal de stap naar eigen-risicodragen sneller gezet worden. Particuliere verzekeringsmaatschappijen zullen immers de premies sneller aan kunnen passen aan het gerealiseerde verzuim van een verzekerde. Verder is de samenstelling van de sectoren van belang voor de vraag hoeveel werkgevers waarschijnlijk hun eigen risico gaan dragen. Zijn daarin verschillende bedrijfstakken met grote onderlinge verschillen samengenomen, dan ontstaat het gevaar dat hele bedrijfstakken verdwijnen en de premie voor de achterblijvers zeer hoog wordt. Hoe dan ook, in het collectieve systeem zullen steeds de werkgevers achterblijven met relatief de hoogste risico's. Uiteindelijk kan het collectieve stelsel op die manier uitgehold worden. Onderkent de regering dit gevaar? Voor een goede beoordeling van het wetsvoorstel is het noodzakelijk in te kunnen schatten in hoeverre het collectieve stelsel uiteindelijk door de uittreding van eigen-risicodragers onhoudbaar wordt. Kan de regering hier een nadere beschouwing aan wijden? Hoe beoordeelt de regering voorspellingen dat het publieke stelsel uiteindelijk een lege huls zal worden?
Heeft de regering overwogen om thans slechts te starten met premiedifferentiatie en een beslissing over marktwerking nog enkele jaren aan te houden totdat meer duidelijk is over de mate waarin door premiedifferentiatie aan de doelstellingen van dit wetsvoorstel wordt voldaan?
De leden van de fractie van Groep Nijpels zijn van mening dat het eigen-risicodragen onzekerheid bevat omtrent de wijze waarop dit in de toekomst zal uitwerken. Binnen het bestaande publieke stelsel krijgen werkgevers in de toekomst de mogelijkheid hun eigen risico te dragen voor de kosten van arbeidsongeschiktheid. Hierdoor kunnen werkgevers profiteren van het door hen ingezette preventie- en reïntegratiebeleid. Toch voorziet mijn fractie daarbij grote problemen, in het bijzonder met de zekerheidsstelling van de financiële verplichtingen terzake van langlopende risico's.
Werkgevers kunnen kiezen de kosten van de door hen te financieren arbeidsongeschiktheidsuitkeringen onder te brengen bij een private verzekeraar. Aangezien de premies daarvan de eerste jaren erg hoog zullen zijn, verwacht mijn fractie dat slechts weinig werkgevers voor het eigen-risicodragen zullen kiezen. Mijn fractie twijfelt dan ook sterk aan de positieve verwachting van de regering dat er per saldo een redelijk evenwicht tussen het publieke en private deel zal ontstaan.
Een ander scenario zou kunnen zijn dat, door een relatief gunstig risicoprofiel, bepaalde werkgevers juist wel gebruik zullen maken van de mogelijkheid van het eigen-risicodragen, waardoor mogelijk op termijn het voortbestaan van de publieke regeling zal worden ondergraven. Ook hierdoor zal geen sprake meer zijn van een door de regering nagestreefd evenwicht.
Mijn fractie heeft kortweg grondige bedenkingen over het realiteits-, effectiviteits-, en stabiliteitsgehalte van het onderhavige wetsvoorstel.
De leden van de GPV-fractie lezen in de toelichting dat als de premie in een sector tot een te hoog niveau stijgt, gelden uit het Aof worden overgeheveld naar de sectorkas. Betekent dit dat bedrijven die gekozen hebben voor eigen risico, door hun keuze die gevolgen heeft voor de premie-ontwikkeling in de sector die ze verlaten hebben, geconfronteerd kunnen worden met een premiestijging? Is dit billijk, gezien vanuit de grondgedachte van het dragen van eigen risico? Betekent dit eigenlijk niet dat het beoogde draagvlak binnen een sector moet worden aangevuld door bedrijven die juist gekozen hebben voor het dragen van eigen risico? In de toelichting staat dat elementen van verevening die aanwezig zijn in het systeem van premiedifferentiatie bij eigen-risicodragen ontbreken. Is dat altijd wel het geval, gezien het bovenstaande?
3.2 Vormgeving van het eigen-risicodragen
De leden van de VVD-fractie zijn verheugd op het gegeven dat er bij het eigen-risicodragen geen elementen van verevening aanwezig zijn, temeer daar deze leden bezorgd zijn over de mate van verevening die ten aanzien van de premiedifferentiatie wordt voorgesteld.
De leden van de D66-fractie merken op dat de werkgever de betalingsverplichting van de bedrijfsvereniging tijdens de eigen-risicoperiode overneemt. Voor de leden van de D66-fractie is van belang dat de werknemer zijn rechten blijft ontlenen aan de bepalingen in de WAO waardoor de polisvoorwaarden volledig gewaarborgd blijven.
De WAO-uitkering van de werknemers die bij de werkgever in dienst zijn dan wel in dienst zijn geweest komen voor de rekening van de werkgever ook voor werknemers op tijdelijk contract of op projectbasis. De leden van de D66-fractie vragen de regering of het recht op uitkering altijd zo gemakkelijk vast te stellen is bij alle (nieuwe) soorten flexibele contracten zoals min/max-contract, nulurenovereenkomst, detacheringsovereenkomst, voorovereenkomst/intentieverklaring (voor piekarbeid), contract met uitgestelde prestatieplicht, contracten voor een project, inleenovereenkomst, aanneming van werk, freelance enzovoorts. De leden van de fractie van D66 gaan er vanuit dat het voornemen van de regering om onduidelijkheden over het contracttype te verkleinen (ter verlichting van de bewijslast) een weerlegbaar rechtsvermoeden in het Burgerlijk Wetboek neer te leggen voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, wanneer tegen betaling gedurende 3 opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel tenminste twintig uren per maand arbeid is verricht. Desalniettemin willen de leden van de D66-fractie de regering een aantal casusposities voorleggen.
a. Een werkgever heeft voor zijn werknemer passende arbeid gevonden bij een andere werkgever. Als regel geldt dat de werknemer in dienst blijft bij zijn eigen werkgever.
De werknemer krijgt na een paar maanden last van zijn rug. Rugklachten waren niet de oorzaak van zijn oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid. Later blijkt dat de werknemer ook dit werk niet meer kan doen en zijn arbeidsongeschiktheid neemt toe. De werknemer is dus niet in dienst bij de werkgever waar hij werk verricht die hem als passend is aangeboden door zijn echte werkgever. De leden van de D66-fractie vragen de regering wie nu de arbeidsongeschiktheidsuitkering moet betalen indien beide werkgevers eigen risicodrager zijn.
b. Weer de zelfde werknemer die passende arbeid verricht bij een ander bedrijf. Hij werkt deeltijd en verder zit hij in de WW. De nieuwe «werkgever» biedt hem aan voltijd te werken en treedt dus voor de andere helft echt in dienst bij deze werkgever. De werknemer krijgt een ongeluk tijdens werk en kan – blijkt later – niet meer werken en is arbeidsongeschikt. Niet duidelijk is of de werknemer door zijn oorspronkelijke ziekte ook (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Wie moet nou de eerste vijf jaar betalen, beide werkgevers zijn eigen risico dragers.
c. De werknemer doet na het werk nog een klusje voor het bedrijf waarin hij passende arbeid verricht, dit zou eenmalig zijn. Tijdens dit klusje krijgt de werknemer een ongeluk en kan niet meer werken, de werkzaamheden vielen niet onder het omschreven begrip passende arbeid, maar die passende arbeid kan hij niet meer verrichten en vervolgens wordt hij arbeidsongeschikt. Wie moet nou zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering betalen?
De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat werkgevers tot op zekere hoogte kunnen «winkelen» tussen het collectieve en het private bestel. Zij kunnen eigen risico-drager worden als zij lage arbeidsongeschiktheidslasten genereren, maar vervolgens na tegenvallende resultaten op dit punt terugkeren in het publieke bestel. Hun relatief hoge lasten drijven vervolgens de sectorpremies op. Hoewel de leden van de fractie van GroenLinks snappen dat dit de eenvoudigste manier is om in- en uittreden vorm te geven, menen zij dat deze vormgeving tot ongewenst afwentelingsgedrag kan leiden. Hoe beoordeelt de regering deze mogelijkheid?
Het komt de leden van de fractie van GroenLinks voor het dat door het systeem van eigen-risicodragen in de toekomst praktisch veel moeilijker zal zijn om eventueel verbeteringen in de polisvoorwaarden van de WAO door te voeren. Weliswaar zijn verbeteringen in de afgelopen jaren niet aan de orde geweest, niet valt uit te sluiten dat er op langere termijn behoefte zal bestaan aan hetzij een verruiming van de keuringsnormen, hetzij een verhoging van het uitkeringspercentage, hetzij een terugkeer naar het systeem van verdiscontering van de werkloosheid. Zijn dergelijke verbeteringen wel door te voeren als werkgevers massaal uit het collectieve bestel stappen en zich particulier gaan herverzekeren?
Bij de behandeling van het wetsvoorstel Wulbz hebben de leden van de fractie van GroenLinks aangegeven dat afschaffing van de Ziektewet voor vaste werknemers zou leiden tot een vlucht in flexibele arbeidscontracten. Deze voorspelling lijkt bewaarheid te worden. De uitzendsector vormt langzamerhand de grootste groeisector. Externe flexibilisering neemt hand over hand toe. Het onderhavige wetsvoorstel lijkt met name de vlucht in uitzendrelaties te bevorderen. Werkgevers zullen immers wel verantwoordelijk zijn voor de kosten van arbeidsongeschiktheid van werknemers die ziek worden en werkzaam zijn op een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van uitzendkrachten zijn zij echter niet aansprakelijk. Verwacht ook de regering dat het verschijnsel uitzendarbeid hierdoor nog verder zal toenemen? Acht de regering dit een wenselijke situatie?
Op zich vinden de leden van de fractie van GroenLinks het terecht dat voor werknemers die werkzaam zijn op een contract voor bepaalde tijd geen uitzondering geldt op het beginsel dat een werkgever wordt «afgerekend» op hun arbeidsongeschiktheidsverzuim. Dit ligt anders voor wat het Ziektewet-risico betreft. Daardoor kan zich de situatie voordoen dat een werknemer die voor bepaalde tijd in dienst is bij ziekte eerst maximaal een jaar een beroep doet op de «vangnet-ziektewet». De werkgever heeft in die periode geen bemoeienis met deze werknemer, noch in financiële zin, noch waar het gaat om reïntegratiepogingen. Na ommekomst van dat jaar kan zich echter de situatie voordoen dat de werkgever geconfronteerd wordt met de kosten van arbeidsongeschiktheid van deze werknemer. Van een arbeidsovereenkomst is dan geen sprake meer. De werkgever heeft daarbij het nadeel dat hij geen zicht heeft op de reïntegratiepogingen die de bedrijfsvereniging in de voorafgaande periode in het werk heeft gesteld. Ligt hier niet een potentiële bron van conflicten? Welke instrumenten staan de werkgever ten dienste om te voorkomen dat de bedrijfsvereniging zich onvoldoende inspant om de tijdelijke werknemer in de eerste 52 weken van ziekte naar ander werk te begeleiden?
Ook de werknemer kan nadeel ondervinden. Er is immers geen sprake meer van een arbeidsovereenkomst op grond waarvan hij bij zijn voormalige werkgever een (passende) arbeidsplaats kan claimen. Hij is wat dat betreft afhankelijk van de bereidheid van de werkgever hem te werk te stellen. Zeker als de werkgever eigen risico-drager is, heeft de werknemer ook nauwelijks mogelijkheden om de bedrijfsvereniging om hulp bij reïntegratie te verzoeken. Kan de regering een nadere beschouwing wijden aan de positie van werkgever en werknemer in de situatie waarin geen arbeidsovereenkomst meer bestaat? Waar liggen potentiële belemmeringen voor een spoedige reïntegratie?
Onduidelijk is voor welke werknemers de werkgever die eigen risico-drager is nu precies verantwoordelijkheid draagt als het gaat om de kosten van arbeidsongeschiktheid. Het moet gaan om werknemers met wie hij een arbeidsrelatie heeft in de zin van het BW, maar de groepen die genoemd worden in de artikelen 4 en 5 van de huidige WAO blijven ten laste komen van het publieke bestel. Is het denkbaar dat een eigen risico-drager zijn eigen risico kan beperken door wijziging van contracten met werknemers met een relatief groot gezondheidsrisico? Voor gezonde werknemers kan een werkgever aldus eigen risico dragen en de minder valide werknemers komen dan ten laste van het publieke bestel. In hoeverre bestaat dergelijke «gebruikersruimte»?
Een andere vluchtroute kan gezocht worden door werknemers met een minder goede gezondheid op afroep te laten werken. Op die manier kan een werkgever zijn risico beperken tot die dagen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht. Wordt een werknemer op andere dagen ziek dan valt hij onder het publieke bestel. Daarvoor behoeft de werkgever in kwestie geen premie te betalen. Is hier sprake van een mogelijkheid lasten af te wentelen, zoals het Tica stelt? Welke mogelijkheden staan een werkgever voorts ten dienste om zijn risico op werknemers zelf af te wentelen? Kan hij bijvoorbeeld door het aanbieden van free lance contracten in plaats van arbeidsovereenkomsten werknemers zelf verantwoordelijk maken voor de kosten van hun arbeidsongeschiktheid? Kan hij door het aanmerken van een deel van het salaris als onkostenvergoeding zijn risico verkleinen?
Het Tica heeft er voorts aandacht voor gevraagd dat de aard van een contract niet onveranderlijk is. De werkgever dient aan de bedrijfsvereniging opgave te doen van de aard van de arbeidsrelaties in het bedrijf. De bedrijfsvereniging moet de opgave (kunnen) controleren. Toch kunnen zich in de aard van de arbeidsrelatie in de loop der tijd wijzigingen voordoen, waardoor de melding aan de bedrijfsvereniging niet altijd in overeenstemming hoeft te zijn met de aard van de arbeidsrelatie op het moment van arbeidsongeschiktheid. Klopt hetgeen het Tica stelt, namelijk dat de wet hiermee een gebruikersruimte en een handhavingsprobleem oproept? Klopt het bovendien dat de controle van deze gegevens een tijdrovende en kostbare aangelegenheid is?
Een andere mogelijkheid voor werkgevers om hun risico te beperken is het splitsen van een bedrijf in twee zelfstandige onderdelen. In het ene bedrijfsonderdeel, waarvoor de werkgever eigen risico-drager wordt, laat de werkgever de werknemers werken met een relatief laag gezondheidsrisico. In het andere onderdeel, dat in het publieke bestel blijft, laat hij werknemers werken met een relatief groot risico. Als van dat gedeelte van de werknemers bovendien ook nog 5% tot de WAGW-populatie behoort, kan de werkgever voor dat bedrijfsonderdeel premiekorting krijgen. Op die manier kan een werkgever optimaal profiteren van de ruimte die de wet biedt. Is dat toelaatbaar? Onderkent de regering het gevaar voor uitholling van het publieke bestel dat daarmee op kan treden, zo vragen de leden van de GroenLinks-fractie.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel Wulbz is door Tweede en Eerste Kamer veel aandacht besteed aan het gevaar dat door het vergroten van de financiële verantwoordelijkheid van werkgevers het gevaar van risicoselectie toeneemt. Dit kan zich op verschillende manieren uiten: door verscherpte selectie op gezondheid en leeftijd tijdens de fase van werving en selectie, maar ook door werknemers met gezondheidsrisico's slechts voor korte tijd of op uitzendbasis in dienst te nemen of door werknemers die veelvuldig verzuimen te ontslaan. De leden van de fractie van GroenLinks zijn van mening dat dit wetsvoorstel dat proces van risicoselectie verder zal versterken. Het inmiddels in de Tweede Kamer aanvaarde inititatiefwetsvoorstel-Van Boxtel kan deze problemen voor een deel verhelpen, maar biedt geen oplossing tegen andere vormen van selectie dan via medische aanstellingskeuringen. Zullen werkgevers niet op andere wijze, bijvoorbeeld door het opvragen van informatie aan vorige werkgevers of door het toepassen van leeftijdsdiscriminatie trachten het risico op de aanstelling van werknemers met een relatief slechte gezondheid trachten te verkleinen? Zal dit wetsvoorstel de tweedeling op de arbeidsmarkt tussen valide en minder valide werknemers niet verder vergroten? Is het niet raadzaam eerst eens af te wachten welke effecten de per 1 maart jl. doorgevoerde wijzigingen in het loondervingsrisico bij ziekte op dit vlak met zich meebrengen? Zal dit wetsvoorstel de (re)integratie van gehandicapten en chronisch zieken niet verder bemoeilijken? Wanneer kan de Kamer trouwens het toegezegde wetsvoorstel tegemoetzien waarin een verbod op leeftijdsdiscriminatie is vervat?
De leden van de RPF-fractie hebben moeite met de in de wet geboden mogelijkheid voor werkgevers om voor een periode van maximaal vijf jaar het risico voor arbeidsongeschiktheid zelf te dragen. Naar hun oordeel moet dat welhaast onvermijdelijk leiden tot risicoselectie. Zij hebben in dit verband geen al te hoge verwachtingen van het flankerend beleid. Zo zal moeilijk kunnen worden voorkomen dat tijdens sollicitaties wordt gevraagd naar de gezondheidssituatie. Van reïntegratie van arbeidsongeschikten zal in een dergelijk klimaat niet veel terecht komen, laat staan van integratie. Deze leden vragen de regering dit aspect nader te belichten. Kan met name ook worden ingegaan op de vraag op welke wijze in het nieuwe regime rekening is gehouden met de integratie (dus niet reïntegratie) van arbeidsongeschikten?
Te voorzien is dat met name ondernemingen met een relatief gezond personeelsbestand geneigd zullen zijn het publieke stelsel vijf jaar te verlaten. De leden van de RPF-fractie menen dat het risico groot is dat een dergelijke ontwikkeling zal leiden tot een erg hoge premie in het publieke deel en dat zo de brede basis van solidariteit onder dit deel van het stelsel van sociale zekerheid wordt weggehaald. Zij verzoeken de regering nader aan te geven op welke wijze dit risico wordt geminimaliseerd.
Deze leden vragen de aandacht voor de vier voorwaarden, waaraan volgens de vakcentrales het eigen-risico dragen moet voldoen. Ten eerste moet het systeem handhaafbaar zijn en geen mogelijkheid bieden tot risicomanipulatie. Hoe reëel is de kans dat ondernemingen onder het regime van deze wet overgaan tot ondernemingssplitsingen, waarbij onderdelen met ouder en risicovoller personeel binnen het publieke bestel blijven en andere onderdelen eigen-risicodrager worden? In het verlengde hiervan vragen deze leden in hoeverre de wet een verstoring zou kunnen veroorzaken in de concurrentieverhoudingen tussen bestaande en nieuwe ondernemingen. Een tweede voorwaarde waaraan volgens de vakcentrales moet worden voldaan is dat hierdoor de reïntegratie moet worden bevorderd en niet het omgekeerde. Verder mag het eigen-risicodragen het systeem van premiedifferentiatie niet ontwrichten. Ten slotte vinden de vakcentrales dat werknemers en sectororganen een reële betrokkenheid en invloed moeten hebben op de beslissing van de werkgever om eigen-risicodragerschap te kunnen uitoefenen, door het beoogde adviesrecht terzake te wijzigen in instemmingsrecht. Terzijde merken deze leden op dat de werkgevers te kennen hebben gegeven dat ze het adviesrecht al te ver vinden gaan. Hoe beoordeelt de regering bovengenoemde voorwaarden?
De leden van de SGP-fractie herinneren zich dat een van de hoofdbezwaren tegen eerdere WAO-plannen van deze regering (volledige «opting-out») was dat er een mogelijkheid zou bestaan dat er allerlei ontduikingsconstructies werden gevonden, dat bedrijven zich zouden opsplitsen om op die wijze de slechte risico's buiten haakjes te plaatsen en voor rekening van het publieke bestel te laten komen. Zij vragen in dit licht de regering nog eens helder uiteen te zetten wat in dit wetsvoorstel nu precies de garanties zijn tegen leegloop van het publieke bestel en tegen het achterblijven van alleen de slechte risico's in het publieke bestel? Wat heeft zich ertegen verzet om het in dit wetsvoorstel alleen bij premiedifferentiatie te laten? Kan de regering een inschatting doen van het percentage werkgevers dat waarschijnlijk eigen risicodrager zal worden en van het percentage werkgevers dat in het publieke bestel zal blijven? Is de regering het eens met de stelling dat het welslagen van dit wetsvoorstel in hoge mate afhangt van de wijze waarop premiedifferentiatie en eigen risicodragen op elkaar in zullen werken? Als er teveel eigen risicodragers komen, wordt daarmee immers het mechanisme van premiedifferentiatie ontkracht?
De leden van de SGP-fractie distilleren uit de diverse reacties op dit wetsvoorstel ook ten aanzien van het eigen-risicodragen twee soorten van kritiek. De ene soort betreft de angst dat het eigen risicodragen te aantrekkelijk is, de andere dat het eigen risicodragen barrières kent. In dit licht vragen de leden van de SGP-fractie de regering of het geen belemmering voor het eigen-risicodragen betekent dat een werkgever die de uitkeringslasten geheel zelf wil dragen, in feite een blanco cheque van zijn bank aan de bedrijfsvereniging moet overhandigen, om afwenteling van risico's op de publieke sector te voorkomen.
Verder vragen de leden van de SGP-fractie zich af of de toerekening van arbeidsongeschiktheidsrisico's in dit wetsvoorstel wel voldoende aansluit bij de steeds meer op flexibiliteit ingerichte arbeidsmarkt. Te denken valt aan werknemers met een afroep-contract. Aangezien er sprake is van een arbeidsovereenkomst, kan de werkgever voor hen eigen- risicodrager worden, zodat hij geen premie verschuldigd is. Als zo'n werknemer arbeidsongeschikt wordt, zal hij zijn recht op uitkering vaak ontlenen niet aan een verzekering op grond van een bestaande arbeidsovereenkomst, maar op grond van nawerking van de verzekering. Dit betekent weer dat de uitkeringslasten voor rekening komen van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas, waarvoor de eigen-risicodrager echter geen premies heeft betaald. Ook hierop graag een reactie van de regering.
De leden van de GPV-fractie vragen of het mogelijk is dat een werkgever die gekozen heeft voor het zelf dragen van risico, bepaalde bedrijfsactiviteiten waar sprake is van een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico stopt, om deze vervolgens in een nieuwe onderneming op te starten en daardoor de grote risico's af te wentelen op het publieke stelsel? Tevens vragen deze GPV-leden of de terugkeermogelijkheid van eigen risicodragers naar het publieke stelsel geen ontsnappingsmogelijkheid biedt aan individuele werkgevers met sterk gestegen arbeidsongeschiktheidslasten om de kosten van arbeidsongeschiktheidsrisico op het collectief af te wentelen?
3.3 Duur van de eigen-risicoperiode
De leden van de CDA-fractie vragen of de duur van het eigen risicodragen van vijf jaar niet te lang is, wanneer daarbij bedacht wordt dat de kansen op reïntegratie juist in de eerste jaren van arbeidsongeschiktheid liggen.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de keuze van de regering voor een eigen risicoperiode van vijf jaar. Zij zijn ervan overtuigd dat, wil er sprake zijn van een substantieel effect en van voldoende marktwerking, een periode van vijf jaar een absolute voorwaarde is. Zij onderschrijven tevens de beide overwegingen die de regering geeft die voor een dergelijke periode pleiten: de lasten die binnen de eigen-risicoperiode vallen en de daaraan verbonden prikkel enerzijds en het financieel voordeel dat een werkgever heeft bij reïntegratie heeft anderzijds. Zij zouden daar echter nog een belangrijke derde overweging aan toe willen voegen, namelijk dat een kortere periode dan vijf jaar het voor een werkgever aantrekkelijk kan maken om weer snel af te wentelen op het collectief, zeker nu en zolang er na de eigen risicoperiode sprake is van een algemene verplichte verzekering.
De leden van de D66-fractie merken op dat op basis van verschillende, soms tegenstrijdige overwegingen de duur van de eigen risicoperiode op 5 jaar is gesteld. Deze leden vragen of ook andere modaliteiten zijn overwogen, bijvoorbeeld een periode van eigen risicodragen van 2 à 3 jaar (zie ook adviezen van onder andere het Tica, de SER en het Verbond van Verzekeraars). Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol. In de praktijk blijkt dat de kansen op reïntegratie voornamelijk de eerste jaren van de arbeidsongeschiktheid liggen. De financiële prikkel voor de werkgever is het meest effectief in de periode, waarin de beinvloedingsmogelijkheden het grootst zijn. Bovendien is het verschil in publieke en private premie minder groot bij een risicoperiode van 2 à 3 jaar. Daardoor krijgen kleine bedrijven ook nog een enigszins zinvolle keuzemogelijkheid.
Het omslagpunt ligt volgens de regering bij een eigen risicoperiode van vijf jaar slechts twee jaar verder dan bij de duur van de eigen risicoperiode van bijvoorbeeld drie jaar. De leden van de D66-fractie vragen de regering waar het break-even-point bij een eigen risicoperiode van bijvoorbeeld drie jaar en een eigen risicoperiode van 5 jaar ligt. De leden van de D66-fractie vragen of het break-even-point voor de afweging om eigen risicodrager te worden niet meer van belang is dan het omslagpunt. Daardoor voelt de publieke uitvoering bij een eigen risicoperiode van drie jaar meer concurrentie dan bij een eigen risicoperiode van vijf jaar, aldus deze leden. Tenslotte, merken de leden van de D66-fractie op, is het vliegwieleffect van een eigen risicoperiode van twee à drie jaar geringer dan bij een eigen risicoperiode van vijf jaar. De aan het woord zijnde leden vragen de regering op de voor- en nadelen van een eigen risicoperiode van 2 à 3 jaar in te gaan.
De leden van de RPF-fractie vragen wat de opvatting van de regering is inzake het standpunt van de werkgeversorganisaties dat de voorgestelde periode van vijf jaar eigen-risicodragerschap (met inbegrip van de geprivatiseerde ZW dus zelfs zes jaar) een papieren optie wordt, omdat die periode te lang is? Wil de regering daarbij ingaan op de vraag op grond van welke redenen werkgevers kunnen afzien van eigen-risicodragen en met name in hoeverre de financierbaarheid van de afkoop van de zogenaamde 'nieuwe oude gevallen' (de na invoering van dit wetsvoorstel en reeds voor aanvang van het eigen risicodragen ingegane uitkeringen die nog geen vijf jaar hebben geduurd) daarvoor een belemmering kan zijn?
De leden van de GPV-fractie constateren dat gekozen is voor een eigen risico periode van 5 jaar. Inclusief de verplichte loondoorbetaling in het eerste jaar als gevolg van de Wulbz, betekent dit dat de werkgever maximaal 6 jaar opdraait voor de kosten van de arbeidsongeschikte werknemer. Hierdoor wordt naar de mening van deze leden het primaat voor de reïntegratie nadrukkelijk bij de betreffende werkgever gelegd. De prikkel om de reïntegratie te bevorderen zal naar de mening van deze leden echter alleen effect hebben voor de periode dat hiervoor ook daadwerkelijk de mogelijkheden bestaan. Uit de praktijk is gebleken dat reïntegratiemaatregelen vooral in het eerste jaar van de arbeidsongeschiktheid effectief zijn. Pleit dit er niet voor om de eigen-risico termijn, en daarmee ook de termijn van de premiedifferentiatie, te verkorten? Is het niet erg laat dat pas na 3 jaar WAO, dat wil dus zeggen 4 jaar na de eerste ziektedag, de bedrijfsvereniging toetst of de werkgever zijn verantwoordelijkheid heeft waar gemaakt? Dit is toch niet in het belang van de arbeidsongeschikte, aangezien de kans op een succesvolle reïntegratie in het eerste jaar het grootst is? Zorgt een verkorting van de eigen risicoperiode er ook niet voor dat succesvol beleid zich sneller uitbetaald?
3.4 Rol en verantwoordelijkheden van de publieke verzekeraar en van de werkgever in de eigen-risicoperiode
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering een chronologisch overzicht van de momenten en voorgeschreven inhoud van het contact tussen eigen-risicodragende onderneming en bedrijfsvereniging, vanaf het moment van ziekmelding door de werknemer tot en met de 5-jarige periode van het eigen-risicodragen. Welke mogelijkheden heeft de bedrijfsvereniging om tussentijds bij te sturen wanneer de werkgever onverhoopt te weinig actief is om de werknemer te doen terugkeren in het arbeidsproces?
Volgens het wetsvoorstel is de eigen-risicodragende werkgever verplicht om namens de bedrijfsvereniging de arbeidsongeschiktheidsuitkering te betalen. Ligt het niet meer voor de hand, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat de bedrijfsvereniging de uitkering betaalt en vervolgens verhaalt op de werkgever? De werknemer is immers een duidelijk zwakkere partij dan de werkgever. Bij conflicten over de hoogte van de uitkering staat dan in ieder geval de werknemer buiten schot. Bovendien kan de werkgever niet, maar de bedrijfsvereniging wèl rekening houden met samenloop van uitkeringen. Zeker bij pogingen tot reïntegratie zou het toch de voorkeur verdienen wanneer er één vaste regisseurshand is, zo stellen zij.
Bij samenloop van uitkeringen kunnen door de betrokken uitkeringsorganisaties (waaronder de eigen-risicodragende onderneming) maatregelen worden genomen, gericht op herstel of behoud van arbeidsgeschiktheid en terugkeer naar de arbeidsmarkt. Afstemming is dus nodig, waarvoor naar de mening van de regering kan worden volstaan met algemene informatiebepalingen. Informatieuitwisseling is onmiskenbaar nodig, zo stellen de leden van de PvdA-fractie. Maar wat te doen bij conflicterende eisen? Niet uitgesloten is dat de werknemer door tegenstrijdige eisen, waaraan hij verplicht is te voldoen, in een onmogelijke situatie komt.
De eigen-risicodragende werkgever heeft straks geen plicht meer tot een 13e-weeks ziektemelding aan de bedrijfsvereniging. Wel moet binnen die periode een reïntegratieplan worden opgesteld. Gebeurt dat niet, dan kan de werknemer de bedrijfsvereniging vragen dit op kosten van de werkgever op te stellen. Maar, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, kan de werknemer beoordelen of een lijst maatregelen de benaming «reïntegratieplan» verdient? En springt de bedrijfsvereniging bij inschakeling direct in met een eigen plan of duurt dat nogmaals een aantal weken?
Pas na drie jaar arbeidsongeschiktheid kan de bedrijfsvereniging toetsen of de eigen-risicodragende werkgever zijn reïntegratieplicht heeft waargemaakt. Is dat niet te laat, vragen de leden van de PvdA-fractie. Hoe groot zijn nu de kansen op terugkeer na 1 jaar, na 2 jaar, na 3 jaar, na 4 jaar, na 5 jaar, zo vragen zij de regering.
Wat gebeurt er bij conflicten tussen bedrijfsvereniging en werkgever? Heeft beroep schorsende werking?
De ontslagbescherming van zieken en arbeidsongeschikten geldt voor een periode van 2 jaar. Bij de beoordeling van een ontslagaanvraag kan de directeur van het RBA in dergelijke gevallen dus geen advies inwinnen bij de bedrijfsvereniging, omdat die zich immers pas een jaar later op de hoogte mag stellen. Wordt de ontslagbescherming van arbeidsongeschikten zo niet uitgehold, vragen de leden van de PvdA-fractie. Zou het niet beter zijn de ontslagbescherming in zulke gevallen te verlengen tot dezelfde periode van 5 jaar als geldt voor de eigen-risicoperiode?
De leden van de CDA-fractie vragen zich verder af of de verantwoordelijkheden van de werkgever en de publieke uitvoeringsinstellingen in alle gevallen wel voldoende zijn afgebakend. Met name als het gaat om de verantwoordelijkheid bij reïntegratie is het wetsvoorstel niet altijd even duidelijk.
De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering voorstelt om de arbeidsongeschiktheidskeuringen binnen het publieke bestel door de bedrijfsvereniging te laten uitvoeren. Deze leden plaatsen daar de nodige kanttekeningen en vraagtekens bij. Zij hebben reeds op eerdere momenten, waaronder tijdens een algemeen overleg over de ontvlechting, de gedachte geopperd om, ook toen er nog sprake was van «opting-out», te komen tot een onafhankelijke keuringsinstantie. Deze leden kunnen zich vinden in de argumenten en overwegingen om te kiezen voor een keuringsinstantie binnen het publieke bestel. Zij zijn van mening dat die argumenten en het tegengaan van een dubbelrol van de bedrijfsvereniging of diens rechtsopvolger en de relatie van de werkgever met zijn uitvoeringsinstantie op geen enkele manier van invloed mogen zijn op kwaliteit, onafhankelijkheid etc. van de keuring. Zeker gelet op de nieuwe concurrentieverhoudingen zal iedere schijn van belangenverstrengeling dienen te worden vermeden. Daarom geven deze leden de regering opnieuw in overweging om niet alleen te spreken van een keuring door een publieke instantie, maar door een onafhankelijke publieke instantie. Het is dan bovendien de vraag af of in die situatie nog een nieuwe extra beroepsinstantie nodig is. Deze leden vragen zich ten aanzien van het nieuw voorgestelde beroepsrecht overigens of dit een beroep is naast de huidige beroepsmogelijkheden aangaande de arbeidsongeschiktheidsvaststelling en tot welke situaties dit kan leiden. Is het bijvoorbeeld mogelijk dat een werkgever zijn beroepszaak wint en de werknemer eveneens en wat zijn de consequenties daarvan dan?
Zij zouden hier graag een nadere uiteenzetting over krijgen.
Kan worden aangegeven op welke wijze in de aangekondigde algemene maatregel van bestuur de uitkeringslasten die ten onrechte zijn vastgesteld voor rekening van de bedrijfsvereniging komen. Waar wordt aan gedacht en waarom is gekozen voor de vorm van een algemene maatregel van bestuur?
De leden van de VVD-fractie vinden het logisch dat een werkgever het door hem opgestelde reïntegratieplan niet meer na 13 weken aan de bedrijfsvereniging hoeft te overleggen en evenmin meer melding aan de bedrijfsvereniging hoeft te doen van het gegeven dat een werknemer dertien weken ziek is. Dit is naar de mening van deze leden inderdaad in overeenstemming met de terughoudender rol van de bedrijfsvereniging als poortwachter van de WAO bij eigen-risicodragen. Bij de behandeling van de Wulbz hebben de leden van de VVD-fractie reeds aangedrongen op het schrappen van de verplichting van de 13e-weeks melding. Het doet deze leden dan ook genoegen nu vast te stellen, dat in de voorliggende voorstellen deze melding voor de eigen risico-drager inderdaad is vervallen. De gedachte van het opstellen van een reïntegratieplan en toetsing op de invulling daarvan achteraf stemt eveneens overeen met de gedachten die deze leden bij de Wulbz hebben geformuleerd. Wel vragen zij de regering aan te geven of het nodig is om exact aan de 13e-weeks termijn aan te houden. Een en ander neemt echter niet weg, dat de regels van die toetsing, en ook hier weer de arbitrage in geval van conflicten, van belang zijn. Graag zouden we daar meer over vernemen.
Evenals bij de Wulbz constateren de leden van de VVD-fractie ook hier weer het probleem dat om privacy-redenen geen medische gegevens mogen worden verstrekt aan de werkgever. Niettemin heeft de werkgever met het oog op het bepalen van de reïntegratiemogelijkheden toch inzicht nodig in tenminste die medische gegevens die in dat verband relevant en essentieel zijn. De werkgever mag, indien geen toestemming van betrokkene is verkregen alleen via een gemachtigd arts inzage in medische gegevens. Dat geldt bij conflict over mate van arbeidsongeschiktheid.
Deze leden vragen de regering aan te geven of een dergelijke constructie niet altijd (via Arbodienst) zou kunnen gelden ten behoeve van reïntegratiemogelijkheden en onderzoek?
Wanneer de werknemer niet meewerkt aan integratie kan de werkgever, zo constateren deze leden om adequate maatregelen verzoeken bij de bedrijfsvereniging. Wat heeft de bedrijfsvereniging voor adequate maatregelen en heeft de werkgever dan zelf geen mogelijkheden, zoals het stoppen van betalen van de uitkering, min of meer analoog aan het bepaalde in de Wulbz? Bovendien achten deze leden het gewenst dat, indien zou blijken dat de werknemer daadwerkelijk onwillig is om mee te werken aan reïntegratie, de bedrijfsvereniging ten alle tijde verplicht is om maatregelen te treffen. Zij verzoeken de regering daarop in te gaan. Hetzelfde geldt naar de mening van deze leden ten aanzien van de terugvordering. Gelet op het feit dat de eigen risicodragende werkgever een direct financieel belang heeft bij terugvordering omdat de teruggevorderde bedragen aan hem moeten worden uitbetaald, moet de bedrijfsvereniging middels een imperatieve bepaling verplicht worden om terug te vorderen. Deelt de regering deze visie?
De eigen risico drager is, zo begrijpen deze leden, eerstverantwoordelijke voor de reïntegratie. Echter wanneer hij tegen de grenzen van zijn mogelijkheden aanloopt, zal hij zich melden bij de bedrijfsvereniging die alsdan initiatief en verantwoordelijkheid overneemt. In dat kader hebben de leden van de VVD-fractie de volgende vragen: is die wel of niet melding verplicht?; door wie en hoe wordt bepaald waar de grenzen van de mogelijkheden van de werkgever liggen en hoe is de arbitrage in geval van verschil in inzicht geregeld? Als de bedrijfsvereniging verantwoordelijk is, heeft de werkgever dan helemaal geen zeggenschap meer en dienen alle door de bedrijfsvereniging nodig geachte kosten dan ook maar zonder meer door de werkgever te worden geaccepteerd? Datzelfde geldt voor de situatie waarin de werkgever niet tot reïntegratie-activiteiten besluit en de werknemer zich tot de bedrijfsvereniging wendt, die dan eventueel wel tot inzet van enig instrumentarium komt. Ook dan zullen de kosten voor rekening van de werkgever komen. Hier kan echter gekozen worden voor een maximering. Waarom is hier geen sprake van een imperatieve maat van een «kan»-bepaling en op basis waarvan en door wie wordt besloten of er inderdaad van een maximering sprake zal zijn en op welk niveau dan? Deze vragen gelden op gelijke wijze voor de situatie dat de bedrijfsvereniging na drie jaar besluit zelf tot actie over te gaan. Een situatie waarvan de regering overigens uitspreekt dat die situatie zich slechts sporadisch zal voordoen. Op basis waarvan komt de regering tot die mening, zo vragen de leden van de VVD-fractie zich af?
De regering stelt dat reïntegratie middels inkoop altijd ten laste komt van de werkgever die eigen risicodrager is. In dat kader wensen de leden een reactie van de regering op de vraagtekens die het Tica daarbij stelt, namelijk dat blijkt dat de reïntegratie-instrumenten van gedeeltelijk arbeidsongeschikten vooral ten goede komt aan de werkloosheids- en dus niet de arbeidsongeschiktheidscomponent.
De leden van de D66-fractie herinneren zich de aanvaarde motie-Van Mierlo waarin werd verzocht om onafhankelijke claimbeoordeling.
De leden van de D66-fractie kunnen onderschrijven dat de keuring binnen het publieke stelsel blijft.
De leden van de D66-fractie constateren dat de keuring nu plaatsvindt bij de 5 uitvoeringsinstellingen. Als argument wordt gebruikt dat een zo eenduidig en uniform mogelijke wijze van keuring plaatsvindt door de publieke instantie. Uit het rapport van het Verwey-Jonker instituut (Het Zwaard van Damocles) blijkt dat de keuringsresultaten verschillen bij de diverse keuringsinstanties. De leden van de D66-fractie vragen naar een reactie van de regering.
De leden van de D66-fractie merken op dat de uitvoeringsinstellingen nu nog niet met elkaar concurreren, maar dat straks per 1 januari 1999 wel de bedoeling is. Bovendien krijgen deze uitvoeringsinstellingen straks concurrentie van private verzekeraars. De leden van de D66-fractie vragen of dan nog zo logisch is dat de keuring ondergebracht blijft bij de huidige vijf uitvoeringsinstellingen en of er niet beter gestreefd kan worden naar een werkelijk zelfstandig en onafhankelijk keuringsinstituut los van de (in de nabije toekomst concurrerende) uitvoeringsinstellingen. De leden van de D66-fractie verwijzen naar de aanbeveling van de commissie-Buurmeijer, waarin wordt gepleit voor een centraal bestuurde organisatie die volgens strakke normen gedeconcentreerd werkt. De leden van de D66-fractie vragen op deze optie in te gaan.
De leden van de D66-fractie vragen de regering of alle in juni 1995 besproken wijzigingen in de (her)keuringspraktijk daadwerkelijk ingevoerd zijn en tot uitvoering worden gebracht mede gezien de onderzoeksresultaten en vragen de regering hierop in te gaan.
De verplichtingen van de werknemer en de werkgever jegens de bedrijfsvereniging blijven grotendeels bestaan, constateren de leden van de D66-fractie. Zij merken op dat de verplichtingen weliswaar grotendeels blijven bestaan, maar de bedrijfsverenigingen als publiekrechtelijke organen in de post-nOsv periode verdwijnen. Het is de leden van de D66-fractie onduidelijk hoe deze tekst gelezen moet worden. Zij vragen of in plaats van de bedrijfsvereniging de sector moet worden gelezen.
Voor wat betreft de eigen-risicodrager komen er enkele verplichtingen bij zoals de tijdige aanvraag bij de bedrijfsvereniging vergezeld van een zekerheidsstelling bij de bedrijfsvereniging en een tijdig verzoek om beëindiging. Het Tica stelt in haar uitvoeringstechnische advies vragen over de begrippen bank en verzekeraar, over de ongeclausuleerde garantie, over het moment van overleggen van garantie en uitgestelde werking beëindiging garantie. De leden van de D66-fractie menen uit de memorie van toelichting (blz. 40) te begrijpen dat wat betreft de begrippen bank en verzekeraar bij algemene maatregel van bestuur zo nodig nadere regels worden gesteld. De leden van de D66-fractie vragen of hetzelfde het geval is voor de overige elementen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de eigen-risicodrager niet meer verplicht is tot een 13e-weeks melding, noch verplicht is dan een reïntegratieplan aan de bedrijfsvereniging te overleggen. De leden van de D66-fractie constateren verder dat de werkgever verplicht blijft na 13 weken een reïntegratieplan op te stellen voor de werknemer. De werknemer kan als dat niet gebeurt de bedrijfsvereniging verzoeken een reïntegratieplan op te stellen, waarvan de kosten in rekening van de werkgever worden gebracht. De leden van de D66-fractie vragen welke rechten de werknemer aan dit reïntegratieplan kan ontlenen. Zij denken daarbij aan bijvoorbeeld verplichte inzet van reïntegratie-instrumenten. Bovendien vragen de leden van de D66-fractie of dit een reïntegratieplan bij een eigen werkgever of bij een andere werkgever betreft, zowel voor passend werk als voor andere reïntegratie-activiteiten. Deze leden vragen de regering hoe de grens moet worden gelegd tussen reïntegratie bij eigen werkgever en een andere werkgever.
De leden van de D66-fractie constateren dat er in de plaats van een 13e-weeks melding een 7e-maands melding komt. De leden van de D66-fractie vragen welke prikkels er in de wet voor de werkgever zijn opgenomen om ook tijdig de arbeidsongeschiktheid te melden.
De leden van de D66-fractie lezen dat de bedrijfsvereniging als poortwachter na drie jaar een toetsingsmogelijkheid heeft om te zien of de werkgever zijn reïntegratieprimaat heeft waargemaakt. Bij niet of onvoldoende nakoming kent de wet een sanctie van f 25 000. Deze leden zijn van mening dat er onderscheid kan worden gemaakt naar niet of onvoldoende nakoming van de reïntegratieverplichtingen en daarmee in de mate van verwijtbaarheid en vragen de regering hierop in te gaan.
De werkgever, zo constateren de leden van de D66-fractie kan de bedrijfsvereniging verzoeken adequate maatregelen te treffen als de werknemer zonder deugdelijke grond weigert medewerking te verlenen aan reïntegratie-inspanningen van de werkgever. Als voorbeeld van zo'n adequate maatregel wordt een herbeoordeling onder aanname van een voltooide scholing gegeven. De leden van de D66-fractie vragen wat er gebeurt als dat vooral een scholing is en de werknemer er niets voor voelt of als het geschil gaat over hervatting in aangepast werk of functie en of de kosten die met dit soort beoordelingen samenhangen ten laste komen van de publieke sector.
Het is de leden van de D66-fractie niet duidelijk of de werkgever een recht van bezwaar en beroep toekomt als de bedrijfsvereniging naar zijn mening ten onrechte geen toepassing of te beperkt toepassing geeft aan deze bepalingen.
De leden van de D66-fractie missen in de opsomming de wettelijke toetsingsverplichting van de bedrijfsvereniging met betrekking tot de werkgever de werknemer ander passend werk aanbiedt, de adviesrol van de bedrijfsvereniging bij ontslag na twee jaar arbeidsongeschiktheid en de toetsing van de bedrijfsvereniging van zowel de naleving van de werkgeversverplichting tot aanpassing van de werkplek als de verstrekking van voorzieningen door de werkgever.
De leden van de D66-fractie constateren dat voor de arbeidsongeschikte werknemer van de eigen-risicodrager alle bij de wet opgelegde verplichtingen jegens de bedrijfsvereniging onverkort van toepassing blijven.
Ten overvloede wijzen de leden van de D66-fractie erop dat er tussen de bedrijfsvereniging en een werkloze arbeidsongeschikte altijd contact is. Het Tica merkt op, zo lezen de leden van de D66-fractie, dat aan de hand van het activerings- en controlemodel de bedrijfsvereniging op de hoogte kan worden gesteld van de activiteiten van de werkgever. De leden van de D66-fractie vragen de regering meer inzicht in de werking en toepassing van het activerings- en controlemodel te verschaffen.
De leden van de D66-fractie merken op dat op blz. 33 van de memorie van toelichting wordt gesteld dat de bedrijfsvereniging verplicht is de door de eigen-risicodrager teveel betaalde uitkering terug te vorderen en deze aan de eigen risicodrager terug te betalen na invordering. Volgens het Tica is het aannemelijker dat de bedrijfsvereniging op grond van het BW aansprakelijk is voor de foutieve beslissing op grond waarvan de eigen-risicodrager de uitkering heeft betaald. Indien dit het geval is, dan moet de bedrijfsvereniging direct de eigen risicodrager diens gedane uitgaven vergoeden, ongeacht de vraag of en op welk moment zij in staat is het onverschuldigd betaalde in te vorderen bij de werknemer. Aan het stellen van nadere regels komt de bedrijfsvereniging dan niet toe. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop in te gaan.
Bovendien is het de leden van de D66-fractie niet duidelijk wat de gevolgen zijn als de werkgever het niet eens is met de door de bedrijfsvereniging vastgestelde afkoopsom voor lopende uitkeringen in nieuwe/oude gevallen.
De leden van de D66-fractie merken op dat de bedrijfsvereniging een berichtenverkeer met de eigen-risicodrager moet onderhouden over de vaststelling van zijn betalingsverplichtingen. De bedrijfsvereniging moet vaststellen welke werknemers voor risico zijn van de werkgever en welke niet. De leden van de D66-fractie vragen de regering hier nader in te gaan op de moeilijkheden die zich hierbij kunnen voordoen.
De leden van de D66-fractie constateren dat het er allemaal niet eenvoudiger op wordt. Dat is volgens deze leden toch een noodzakelijke voorwaarde om reïntegratie beter te doen verlopen.
De leden van de D66-fractie wijzen op het rapport van het Ctsv over toepassing van reïntegratie-instrumenten van gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Daarin wordt geconcludeerd dat er weinig gebruik wordt gemaakt van stimulerende maatregelen om herkeurde WAO-ers weer aan het werk te helpen. Het aantal subsidies aan werkgevers blijft achter bij de verwachtingen, het aantal scholingen van gedeeltelijk arbeidsgeschikten daalde zelfs van ca. 9000 in 1993 naar ongeveer 4600 in 1994! Slechts de helft van de herkeurde WAO-ers kreeg bemiddeling. De andere helft niet. Slechts eenderde van de bemiddelden vond binnen een jaar werk. Van degenen die niet bemiddeld werden was overigens eenzelfde percentage binnen een jaar aan de slag. Juist degenen die relatief kansrijk zijn op de arbeidsmarkt krijgen bemiddeling. Dat is volgens de leden van de D66-fractie in tegenspraak met dat juist de zeer moeilijk bemiddelbaren extra aandacht moeten krijgen. Personen met lage opleidingen zijn sterk ondervertegenwoordigd bij de WAO-ers die scholing krijgen.
De leden van de D66-fractie sommen ten overvloede het aantal toepassingen van de instrumenten in 1995 op: arbeidsbemiddeling 40 000; scholing 4600; werkvoorziening ten behoeve van gehandicapten 7000; werkvoorziening ten behoeve van werkgever 660; loondispensatie 540; loonkosten- en inwerk/begeleidingssubsidie 3700; bonus 1200; verhoging ziekengeld 420; stimuleringsuitkering 145; passende arbeid 200 000; uitstel schatting na aanvaarding arbeid?, herziening naar hoger dagloon?, uitstel schatting naar scholing? Het zal duidelijk zijn dat de leden van de D66-fractie zich grote zorgen maken over de reïntegratie. De leden van de D66-fractie hebben er behoefte aan nog eens onder de aandacht te brengen dat tot nu toe onvoldoende aandacht is gegeven aan de reïntegratiefunctie van het stelsel. Deze leden vragen een uitvoerige reactie van de regering.
De leden van de D66-fractie constateren dat uitgangspunt voor de regering is dat de kosten van reïntegratie-instrumenten in de eigen risicoperiode voor rekening van de eigen risicodrager zijn. Zij maken enige kanttekeningen bij deze opvatting mede naar aanleiding van het uitvoeringstechnisch commentaar van het Tica.
De allereerste kanttekening betreft het belang van de bedrijfsvereniging bij reïntegratie. Alle WAO-uitkeringslasten komen na 5 jaar weer ten laste van het Aof. Tevens komen alle uitvoeringskosten bij het Aof.
Ten tweede heeft de bedrijfsvereniging een direct belang bij toetsing van de reïntegratieresultaten aangezien het publieke stelsel grotendeels financieel verantwoordelijk is voor de inzet van publieke reïntegratiemiddelen waar de eigen risicodrager een beroep op kan doen.
Ten derde hebben de bedrijfsvereniging en de eigen risicodrager een gedeeld belang bij snelle integratie van de werkloze arbeidsongeschikte.
Het Tica trekt uit bovenstaande overwegingen de conclusie dat de bedrijfsvereniging ook in de eerste vier jaar van de arbeidsongeschiktheid draagt die door de invoering van het eigen risicodragen niet verdwijnen. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop in te gaan.
De leden van de D66-fractie merken op dat indien de eigen risicodrager zijn eigen risico bij een particuliere verzekeraar heeft verzekerd, het belang bij de particuliere verzekeraar ligt. De leden van de D66-fractie gaan ervan uit dat de particuliere verzekeraar zal proberen zijn schadelast te minimaliseren. Deze leden vragen de regering hierop in te gaan.
De leden van de D66-fractie constateren dat uitgangspunt voor de regering is dat de kosten van reïntegratie-instrumenten in de eigen risicoperiode voor rekening zijn van de eigen risicodrager. De eigen risicodrager kan instrumenten inkopen bij de bedrijfsvereniging of elders. Deze inkoopbenadering van publieke instrumenten geldt slechts voor de kosten van scholing of opleiding (artikel 64 WAO), toelagen en vergoedingen (artikel 65 WAO), werkvoorzieningen (artikel 65, eerste lid, WAO). Bij ministeriële regeling kunnen deze instrumenten worden gemaximeerd. Ook de kosten die voor rekening komen van de eigen risicodrager als de bedrijfsvereniging zijn reïntegratietaak overneemt worden gemaximeerd. De leden van de D66-fractie vragen waarom deze maximering nodig is, hoe hoog de maximering zal zijn en welke criteria zullen worden gehanteerd.
De leden van de D66-fractie vragen hetzelfde ten aanzien van de maximering van de instrumenten die ingezet worden door de bedrijfsvereniging namelijk de loonkostensubsidie, loonsuppletie, kosten scholing en opleiding.
De leden van de D66-fractie vinden het terecht dat de loonsuppletie en de dagloongarantie ook voor arbeidsongeschikte werknemers van eigen risicodragers worden toegepast.
De overige instrumenten (loonkostensubsidie en proefplaatsing) lenen zich volgens de regering daar niet voor. De leden van de D66-fractie vinden de argumentatie van de regering op dit punt onhelder en vragen meer toelichting.
Bovendien vragen de leden van de D66-fractie naar toepassing en financiering van de overige reïntegratie-instrumenten uit andere wetten.
De leden van de D66-fractie merken op dat over de inkoop van arbeidstoeleidings- en bemiddelingsactiviteiten door de eigen risicodrager voor eigen rekening niets wordt geregeld. De leden van de D66-fractie vragen of deze inkoop ongeclausuleerd is.
De leden van de D66-fractie vragen wat de bedrijfsvereniging mag inkopen als de bedrijfsvereniging de reïntegratietaak van de eigen risicodrager overneemt. Deze leden vragen of de bedrijfsverenigingen naast wettelijke instrumenten ook instrumenten mogen inkopen bij derden en zo ja tegen welke bedragen.
De leden van de D66-fractie vragen wie verantwoordelijk is voor welke kosten gedurende de periode van eigen risicodragen en waarom.
De aan het woord zijnde leden verwijzen naar het uitvoeringstechnisch commentaar van het Tica waarin wordt gesteld dat het voor de eigen-risicodrager aantrekkelijk kan zijn de reïntegratietaak voor zijn werknemer al in het eerste arbeidsongeschiktheidsjaar over te dragen naar de bedrijfsvereniging. Niet alle kosten worden bij de eigen risicodrager in rekening gebracht. Daartegenover krijgt het publieke stelsel extra kosten waar op korte termijn geen baten tegenover staan. De leden van de D66-fractie vragen een reactie van de regering.
Deze leden vragen zich af wat er gebeurt als eigen risicodrager en bedrijfsvereniging verschillende visies hebben over de inzet van publieke instrumenten ten behoeve van reïntegratie. De leden van de D66-fractie vragen wiens visie dan de doorslag geeft. Zij vragen of een bedrijfsvereniging ook mag weigeren om publieke instrumenten in te zetten uit bijvoorbeeld kostenoverwegingen? De leden van de D66-fractie wijzen ook op hetgeen in het uitvoeringstechnisch commentaar van het Tica (blz. 29) aan de orde is gesteld en vragen de regering om een reactie.
De leden van de D66-fractie verwachten dat de reactie van de regering bijdraagt tot een heldere verdeling van verantwoordelijkheden om zo te komen tot een effectieve en doelmatige reïntegratie van de werknemer. De leden van de D66-fractie vragen in dit opzicht met name in te gaan op het door het Tica gepresenteerde transactiemodel. Naar de mening van deze leden lijken er geen wettelijke belemmeringen te bestaan om tot een overeenkomst tussen werkgever en bedrijfsvereniging op het punt van reïntegratie te komen en vragen de regering of die opvatting juist is.
De leden van de D66-fractie vragen wat er dient te gebeuren als een werkgever een reeds overgedragen werknemer (vanaf de eerste WAO dag) terugkrijgt van de bedrijfsvereniging aangezien hij als eigen risicodrager verantwoordelijk is.
De aan het woord zijnde leden merken op dat de bedrijfsvereniging geen mogelijkheden tot eigen initiatief heeft gedurende de eerste vier jaar arbeidsongeschiktheid. De leden van de D66-fractie vragen hoe dit spoort met de aanvaarde motie-Schimmel.
De leden van de D66-fractie merken op dat de bedrijfsvereniging de werknemer van de eigen-risicodrager in aanmerking brengt voor voorzieningen respectievelijk toeslagen. De kosten worden in rekening gebracht bij de eigen-risicodrager. Als de eigen-risicodrager extra kosten maakt in verband met aanpassing van de arbeidsplaats van een gehandicapte werknemer ontvangt de eigen risicodrager een voorziening ten laste van het Aof. Deze leden vragen of hierin geen element van willekeur zit. Afhankelijk of de voorziening wel of niet meegenomen kan worden en bruikbaar is bij een andere werkgever wordt gekozen voor ofwel een vergoeding voor een aanpassing aan de werkgever ofwel verstrekking van een voorziening aan een werknemer. De leden van de D66-fractie merken op dat een mogelijkheid wordt gecreëerd om de soort voorziening afhankelijk te stellen van de financieringsbron. De gekozen structuur kan uitlokken tot het verstrekken van vergoedingen van aanpassingen aan de werkgever (altijd ten laste van het Aof) en daarmee komen de voorzieningen aan de werknemer op de tweede plaats. De leden van de D66-fractie vragen de regering in dit opzicht in te gaan op de brief van 31 mei 1996 van de Gehandicaptenraad inzake Pemba.
De leden van de D66-fractie vinden stroomlijning van de reïntegratie-instrumenten noodzakelijk. Als gevolg van het introduceren van eigen-risicodragen komt er een compartimentering van de reïntegratie-instrumenten. Ook de regering constateert dat er sprake is van een tamelijk complex beeld. Dat baart de leden van de D66-fractie grote zorgen. Voor slechts een klein aantal instrumenten worden verschillende financieel verantwoordelijken aangewezen met maximering van de kosten. Enkele instrumenten komen ten laste van de sectorale kas, eigen risicodrager of het Aof, afhankelijk van de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer en eigen-risicodragerschap. Stroomlijning vinden de leden van de D66-fractie een grote noodzaak. Daarin zal, zo constateren de leden van de D66-fractie, worden voorzien in de Wet op de Reïntegratie. De leden van de D66-fractie hebben in het verleden meerdere malen de wens geuit om te komen tot een dergelijke reïntegratiewet. Overigens merken de leden van de D66-fractie op dat deze wet meer moet zijn dan een opsomming van alle bestaande reïntegratie-instrumenten. In deze wet moet voor een benadering worden gekozen waarbij de discussie of de reïntegratielasten nu moeten worden gelegd bij de werkloosheids- of de arbeidsongeschiktheidscomponent verdwijnt. Bovendien zijn de leden van de D66-fractie van mening dat met deze voorgestelde reïntegratiewet aansluiting moet worden gezocht bij de procesgerichte samenwerking, die zo snel mogelijk moet leiden tot een sluitende dienstverlening aan alle (en niet alleen arbeidsongeschikte) uitkeringsgerechtigden die werkzoekend zijn. De leden van de D66-fractie verzoeken de regering hier uitgebreid op in te gaan.
De aan het woord zijnde leden begrijpen dat de rechtmatigheid en doelmatigheid van uitkeringen voor rekening van de eigen risicodragers ook onder toezicht van het Ctsv vallen. De leden van de D66-fractie onderschrijven de aanbeveling van de Tijdelijke commissie Ctsv dat bij de vormgeving van het toezicht expliciet aandacht moet worden geschonken aan de risico's inzake toezichtbaarheid bij het ontstaan van publiek-private holdingconstructies en publiek-private organisatievormen op het snijvlak van de zorgsector, de sociale zekerheid en het bank- en verzekeringswezen. De leden van de D66-fractie verwachten dat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag Pemba wat uitgebreider op de regeling van het toezicht terugkomt.
Tenslotte merken de leden van de D66-fractie het volgende op. Ingevolge het besluit ex artikel 60 WAO kan de loonsuppletie als arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd. In de memorie van toelichting staat dat in de financiering van dit reïntegratie-instrument door alle werkgevers moet worden voorzien. Deze leden vragen de regering of de eigen-risicodrager op grond van het bovenstaande de loonsuppletie voor de werknemer, die werk aanvaardt tegen een lagere beloning dan dat overeenkomt met zijn theoretische verdiencapaciteit, betaalt.
De leden van de fractie van D66 constateren dat noodzakelijke wijzigingen als gevolg van bijvoorbeeld de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, de sanctiebepalingen inzake WAO-voorzieningen, informatieplicht ex artikel 80, boete op de te late melding binnen het eerste ziektejaar door de eigen-risicodrager en niet voldoende meewerken aan toetsing begeleidingsinspanning, niet zijn meegenomen. Deze leden vragen een reactie van de regering.
De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat bij het vergroten van de financiële verantwoordelijkheid van werkgevers bij de kosten van arbeidsongeschiktheid het bevorderen van reïntegratie een van de oogmerken is. Immers door arbeidsongeschikte werknemers weer zo snel mogelijk terug te laten keren in het bedrijf kan een werkgever de kosten beperken. De vraag is in hoeverre een sterke nadruk op reïntegratie niet een belemmering kan betekenen voor integratie van arbeidsongeschikten die geen band (meer) hebben met een werkgever. Voor werkgevers is het immers vooral aantrekkelijk eigen werknemers weer terug te laten keren. Hoe kijkt de regering hier tegenaan?
Bij eigen-risicodragers ligt het primaat voor de reïntegratie bij de werkgever. De vraag is wat deze taak voorstelt nu in veel gevallen al in het wachtjaar duidelijk is in hoeverre er binnen het bedrijf van de werkgevers reïntegratiemogelijkheden bestaan. Dan zal de bedrijfsvereniging in beeld komen. Twijfelachtig is echter of de bedrijfsvereniging wel voldoende belang heeft bij de begeleiding naar werk van werknemers die onder het eigen risico van een individuele werkgever vallen. De bedrijfsvereniging heeft er immers vooral belang bij arbeidsongeschikten uit het collectieve bestel te laten reïntegreren. Hoe beoordeelt de regering deze belangentegenstelling? Hoe kan beter worden gewaarborgd dat ook de arbeidsongeschikten van eigen-risicodragers meer voldoende kans krijgen op reïntegratie elders, vragen de leden van de GroenLinks-fractie.
Na drie jaar arbeidsongeschiktheid (dat is vier jaar na de eerste ziektedag) zal de bedrijfsvereniging toetsen in hoeverre de werkgever/eigen-risicodrager zijn reïntegratietaak naar behoren heeft uitgevoerd. Is dat niet erg lang na het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Zijn dan niet wellicht al waardevolle reïntegratiemogelijkheden onbenut gebleven? Is het niet juist zaak dat de bedrijfsvereniging in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken wordt bij pogingen de betrokkene weer aan het werk te krijgen?
Veel arbeidsongeschikte werknemers ontvangen een gedeeltelijke WAO-uitkering en een gedeeltelijke WW-uitkering. Indien zij reïntegreren in aangepast werk, verliezen zij in de eerste plaats de WW-uitkering. Voor de werkgever levert dit geen enkel voordeel op, zolang de aanvullende WAO-uitkering doorbetaald blijft worden. In hoeverre zal dit een belemmering zijn voor reïntegratie van werknemers van eigen risico-dragers?
Een belangrijk reïntegratie-instrument is scholing. Een probleem kan echter ontstaan waar scholing wel leidt tot arbeidsgeschiktheid, maar niet tot daadwerkelijke reïntegratie. Voor eigen risico-dragers (en ook voor bedrijfsverenigingen) kan scholing op die manier een goedkoop middel zijn om de WAO-lasten te beperken, waarbij echter de werknemer het kind van de rekening wordt. Heeft de regering overwogen een dam op te werpen tegen het op die wijze beperken van de uitkeringslasten?
Meer in het algemeen moet het de leden van de fractie van GroenLinks van het hart dat de regering het belang van reïntegratie weliswaar steeds onderstreept, maar dat er onvoldoende effectieve instrumenten lijken te zijn om die reïntegratie naderbij te brengen. Tot dusverre is het bijna ondoenlijk gebleken bijvoorbeeld herkeurde arbeidsongeschikten weer blijvend aan betaald werk te helpen. Zijn langzamerhand niet andere, dwingender maatregelen noodzakelijk om de uitzichtloze arbeidsmarktpositie van veel arbeidsongeschikten te verbeteren, zoals bijvoorbeeld volledige invoering, inclusief sanctiebepalingen van de WAGW? Overweegt de regering in de aangekondigde Wet op de Reïntegratie slechts een samenvoeging van bestaande instrumenten of is er zicht op dat in die wet ook nieuwe, verdergaande instrumenten worden voorgesteld? Indien dat laatste niet het geval is, is de regering het eens met de stelling dat bij ongewijzigd beleid van de reïntegratiedoelstelling te weinig terecht komt? Zijn er maatregelen denkbaar waardoor de bedrijfsverenigingen meer invloed kunnen uitoefenen op het arbo-beleid van werkgevers?
Evenals bij de privatisering van het ziekterisico het geval was, roept dit wetsvoorstel problemen op waar het gaat om de privacy van de werknemer in relatie tot de mogelijkheden van werkgevers om op te komen tegen een beslissing van de bedrijfsvereniging terzake arbeidsongeschiktheid. De werkgever/eigen-risicodrager heeft een duidelijk belang bij die beslissing en moet daar in rechte tegen op kunnen komen. Geldt dat ook voor de werkgever in het publieke bestel? Goed beschouwd wel, want deze kan door de beslissing met een hogere premie worden geconfronteerd en bovendien bij een eventuele toekomstige beslissing om eigen risico te dragen voor de kosten van financiering worden geplaatst. Waarom stelt de regering echter dat de werkgever in het collectieve bestel niet als belanghebbende hoeft te worden aangemerkt?
De regering doet het voorstel in eventuele beroepszaken een onderscheid te maken tussen medische en andere gegevens. De medische gegevens zijn alleen inzichtelijk voor een arts die daartoe door de werkgever wordt aangezocht. Dit leidt tot buitengewoon complexe, zelfs onuitvoerbare procedures. Om te beginnen zijn gegevens niet altijd eenduidig wel of niet medisch. Verder is het slecht voor te stellen dat procedures, beroepschriften, zittingen en beschikkingen telkens worden gesplitst in een deel dat niet voor de oren en ogen van een werkgever is bestemd en een openbaar deel. Hoe beoordeelt de regering in dit verband de stellige kritiek van het Tica? Overigens is het in het algemeen onwenselijk dat een gemachtigde arts van de werkgever zonder toestemming van de werknemer en zonder persoonlijk contact met hem te hebben inzage heeft in zijn medisch dossier. Bestaan er voldoende waarborgen dat zo'n gemachtigde uitsluitend op basis van het dossier tot een voldoende deskundig advies aan de werkgever kan komen, zo vragen de leden van de GroenLinks-fractie.
De leden van de fractie van Groep Nijpels merken op dat de regering zich op het standpunt stelt dat in geval van het eigen-risicodragen het primaat tot het inzetten van reïntegratie-instrumenten bij de eigen-risicodragende werkgever ligt. Deze laatste kan kiezen om gebruik te maken van het wettelijk reïntegratie-instrumentarium òf van een ander instrumentarium. Echter, het is ook mogelijk dat de eigen-risico dragende werkgever besluit geen reïntegratie-inspanningen te ontplooien, omdat hij tot een negatieve kosten-batenafweging komt. Een werknemer van een eigen-risicodrager kan zich dan wenden tot de bedrijfsvereniging en om toepassing van een van deze instrumenten verzoeken. Mijn fractie vraagt zich af wat er gebeurt in het geval de bedrijfsvereniging beslist dat geen van de reïntegratie-instrumenten wordt toegekend. Staat tegen deze beslissing bezwaar en beroep open?
Deze leden vrezen dat juist door Pemba ondernemingen creatieve constructies zullen bedenken voor een gunstige samenstelling van hun werknemersbestand waardoor de toch al hoge personeelskosten zoveel mogelijk worden beperkt. Een dergelijke koers acht mijn fractie meer waarschijnlijk dan dat ondernemingen daadwerkelijk worden gestimuleerd tot een personeelsbeleid dat gericht is op volume-verbetering via gerichte preventie-en reïntegratiemaatregelen.
De leden van de RPF-fractie informeren hoe reëel het is te verwachten dat arbeidsongeschikte werknemers zelfs tot zes jaar, inclusief de ZW-periode, nog kunnen reïntegreren? De band tussen werkgever en werknemer is na een zo lange periode normaal gesproken toch verdwenen? De poortwachtersfunctie van de bedrijfsverenigingen is ten aanzien van de eigen-risicodrager aangepast, in die zin dat deze rol naar achteren wordt geschoven. Een tijdige opstelling van een adequaat reïntegratieplan zal in deze opzet wellicht vaak achterwege blijven. De leden van de RPF-fractie informeren of dit de mogelijkheden van reïntegratie niet belemmert. De eigen-risicodrager heeft volgens het Tica niet voldoende existentieel belang bij het zelf ter hand nemen van de reïntegratie, waardoor afwentelingsgedrag wordt gestimuleerd. Wil de regering hierop ingaan? Is ook meer informatie te verstrekken over een eventuele administratieve sanctie ingeval van onvoldoende reïntegratie-inspanningen?
De leden van de RPF-fractie vinden dat de regering goede argumenten hanteert voor zijn keuze voor een publieke claimbeoordeling. Keuringen binnen het publieke bestel bieden inderdaad de beste waarborgen voor toetsing aan de wettelijke regels en normen. Deze leden verzoeken de regering niettemin te reageren op het standpunt van het Verbond van Verzekeraars dat verzekeraars betrokken moeten worden bij de claimbeoordeling. De verzekeraars vinden het bezwaarlijk dat bij het vaststellen van de schadelast de instantie die de schadelast draagt buitenspel staat.
De leden van de SGP-fractie zijn ervan overtuigd dat er op het punt van reïntegratie nog wel een en ander te verbeteren valt. Reïntegratie heeft echter de meeste kans van slagen in de eerste paar jaar van arbeidsongeschiktheid; in dat licht vragen zij de regering of de periode van premiedifferentiatie en eigen risicodragen niet verkort moet worden.
De leden van de SGP-fractie hebben ook enkele vragen bij de mogelijkheid die in dit wetsvoorstel wordt geschapen tot een administratieve boete van f 25 000. Is dit nu niet meer een straf dan een prikkel? Wordt het systeem van positieve prikkels hierdoor niet op een onlogische en inconsequente wijze doorbroken? Is dit ook geen ongenuanceerd systeem, aangezien alle gevallen van onvoldoende begeleiding slechts op één en dezelfde wijze kunnen worden gestraft? Is deze regeling niet als zeer conflictopwekkend te beschouwen?
De eigen-risicodrager kan gedurende de eigen risicoperiode de reïntegratietaak overdragen aan de bedrijfsvereniging. Deze overdracht lijkt zeer aantrekkelijk te zijn, wat verantwoordelijkheidsverdeling en kosten betreft. Is de regering het met het Tica eens dat de eigen-risicodrager in feite wordt geprikkeld om de betrokken werknemers snel over te dragen aan de bedrijfsvereniging? De leden van de SGP-fractie hebben nog enkele vragen over bovengenoemde overdracht. Is het geen probleem dat in dat geval de bedrijfsvereniging op korte termijn (5 jaar!) weinig of geen enkel financieel belang heeft bij reïntegratie van de betrokken werknemer, terwijl een deel van de instrumenten wèl voor rekening komt van het publieke bestel? Kan een werknemer zo niet tussen wal en schip raken? Vaak heeft de bedrijfsvereniging wèl enig belang bij reïntegratie (uitvoeringskosten voor Aof, deel van reïntegratiemiddelen uit publieke bestel bekostigd, bij gedeeltelijk arbeidsgeschikten komen kosten WW voor rekening van bedrijfsvereniging), maar kan de bedrijfsvereniging een overdracht door een eigen risicodrager (bijvoorbeeld nog vóór de toets van 4 jaar arbeidsongeschiktheid) nu ook weigeren en de werkgever verplichten een beter reïntegratiebeleid te voeren?
Wanneer de eigen risicodrager de bedrijfsvereniging verzoekt publieke instrumenten in te zetten ten laste van het Aof, en werkgever en bedrijfsvereniging verschillende visies hebben op de wijze van inzet van die instrumenten, heeft de bedrijfsvereniging dan inspraak? Hoe kijkt de regering aan tegen het door het Tica voorgestelde zogenaamde transactiemodel? De overdracht van reïntegratie (verantwoordelijkheid) van eigen-risicodrager naar bedrijfsvereniging kan plaats vinden «als de werkgever aan de grenzen van zijn mogelijkheden komt en hij geen mogelijkheden meer ziet voor reïntegratie van de werknemer in zijn eigen bedrijf». De leden van de SGP-fractie vragen de regering of altijd voldoende duidelijk is wanneer dit het geval is. Welke criteria moeten hierbij aangelegd worden? Wat denkt de regering van het voorstel van het Tica om overdracht naar de bedrijfsvereniging alleen toe te staan wanneer de betreffende werknemer in het eigen bedrijf niet gereïntegreerd kan worden? Hoe denkt de regering over het stellen van een tijdlimiet in dezen, nader uit te splitsen in een tijdlimiet voor grote en voor kleine bedrijven, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
3.5 Procedure van het eigen-risicodragen
De werkgever die eigen-risicodrager is, draagt geen arbeidsongeschiktheidslasten voor werknemers met wie hij geen arbeidsrelatie had op het moment van ziek worden. Betekent dit dat de eigen-risicodrager niet verantwoordelijk is voor de arbeidsongeschiktheidskosten van oproepkrachten, zo vragen de leden van de PvdA-fractie?
De eigen-risicodrager is ook financieel verantwoordelijk voor reeds ingegane WAO-lasten. Bestaat niet het risico, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat een bedrijf zich splitst, waarbij een deel met lage lasten eigen-risicodrager wordt en het meer risicovolle deel publiek gefinancierd blijft?
De eigen-risicodragende werkgever loopt het betalingsrisico voor de werknemers die bij hem in dienst zijn (geweest) en die na aanvang van het eigen-risicodragen ziek zijn geworden. Dat wil zeggen, zo redeneren de leden van de PvdA-fractie, dat de datum van ziek worden van groot belang is. Hoe wordt dat bepaald, welke controle is daarop, nu de bedrijfsvereniging pas bij de 7e-maands melding van de ziekte hoort?
De werkgever die eigen-risico wil dragen meldt zich tijdig aan bij de bedrijfsvereniging. Die moet daarmee instemmen indien sprake is van een voldoende zekerheidsstelling. Het «uitstappen» heeft echter gevolgen voor het beleid van de sector om de arbeidsongeschiktheid terug te dringen. Zou de sector daarom geen invloed moeten hebben op de instemming met het eigen-risicodragen, vragen de leden van de PvdA-fractie de regering.
Na beëindiging van het eigen-risicodragen komen de reeds ingegane WAO-lasten weer ten laste van het collectief. Dit is inderdaad – zoals de regering stelt – spiegelbeeldig ten opzichte van het aangaan van eigen risico, waarbij de bestaande lasten worden meegenomen. Een vaste periode van minstens 3 jaar moet een duiventil-effect (op- en neergaan tussen eigen en publiek risico) voorkomen. Maar hoe wordt de premie dan vastgesteld, zo vragen de leden van de PvdA-fractie zich af. Geldt dan ook de aanpassingscoëfficiënt die te grote premiestijgingen van jaar op jaar voorkomt? Geldt dan ook de eventuele maximumpremie? Zo ja, biedt dit dan niet de mogelijkheid om een relatief te lage premie te betalen en de meerkosten af te wentelen op het collectief? Dit probleem kan zich in versterkte mate voordoen als de bank of verzekeraar de garantiestelling voor een eigen-risicodrager opzegt. De eigen-risicodrager kan dan via een versnelde procedure weer terug in het publieke risicodeel, om daar vervolgens de sectorpremie en de gemiddelde landelijke premie te verhogen. Het zullen immers niet de beste risico's zijn die door bank en verzekeraars worden afgestoten! De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe precies de regeling eruit ziet, indien een werkgever besluit van eigen-risicodragen weer naar het publieke stelsel te stappen. Komen dan de reeds lopende uitkeringen en verplichtingen meteen voor rekening van het collectief?
Is in het wetsvoorstel, met name als het gaat om het eigen risicodragen, wel voldoende rekening gehouden met de toenemende flexibiliteit op de arbeidsmarkt, zo vragen deze leden.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven welke termijn precies nodig is voor het aanvragen van een status van eigen risico-drager. Hoeveel voorbereiding heeft een werkgever gemiddeld nodig voor zo'n aanvraag? Wat betekent dat voor het aanleveren van de benodigde gegevens door de bedrijfsvereniging?
De leden van de VVD-fractie zeggen begrip te hebben voor de voorgestelde introductie van de zekerheidsstelling als voorwaarde om eigen- risicodrager te worden. Dit om te voorkomen dat bij betalingsonmacht – deze leden gaan er daarbij vanuit dat mede op faillissementen wordt gedoeld – de lasten niet op derden worden afgewenteld. De zekerheidsstelling wordt afgegeven door een verzekeraar of kredietinstelling. Kan de regering aangeven wie de omvang van die zekerheidsstelling bepaalt? Kan voorts worden aangegeven welke concrete criteria respectievelijk eisen en voorwaarden aan het verkrijgen van een zekerheidsstelling worden gesteld? Door wie en op basis waarvan worden mogelijke conflicten ter zake tussen werkgever en publieke verzekeraar respectievelijk kredietinstelling beslecht? Aan welke nadere regels denkt de regering concreet als het gaat om de aangekondigde algemene maatregel van bestuur over aanvang en beëindiging eigen-risicodragen naast de reeds genoemde? Om welke reden wordt de omschrijving van kredietinstelling niet nu reeds ter hand genomen?
De aanvraag tot eigen risico dragen moet tijdig en met zekerheidsstelling worden ingediend bij de verzekeraar. Hoewel er begrip bestaat voor een zekere voorbereidingstijd en voor de noodzakelijke uitvoeringsaspecten, stellen de leden van de VVD-fractie toch de vraag aan de orde waarom de mogelijkheid om over te gaan tot eigen-risicodragen is beperkt tot 1 januari van enig jaar. Zij zijn van mening dat zulks gedurende het gehele jaar of tenminste vaker per jaar zou moeten kunnen. Zij verzoeken de regering op dit punt om een nadere toelichting.
Volgens de memorie van toelichting dient de bedrijfsvereniging binnen acht weken te beslissen op de aanvraag om eigen risicodrager te worden. De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarover de bedrijfsvereniging dan dient te beslissen. Immers, de enige voorwaarde voor eigen risicodragen is toch de zekerheidsstelling? Wanneer die er is, dan is er toch automatisch de mogelijkheid tot eigen risico dragen, zodat er eigenlijk alleen sprake is van controle van de zekerheidsstelling en registratie van het eigen-risicodragerschap. In dat kader begrijpen deze leden niet waarom dit maar liefst acht weken moet duren. Graag een uitvoerige reactie van de regering op dit punt.
De leden van de D66-fractie constateren dat de eigen-risicodrager het betalingsrisico loopt voor werknemers die bij de eigen risicodrager in dienst zijn of zijn geweest en die na aanvang van het eigen-risicodragen ziek zijn geworden. Bepalend is dat op het moment dat de werknemer ziek wordt er een arbeidsrelatie is met de werkgever (in de zin van BW of AAW), ook al is de arbeidsrelatie inmiddels verbroken.
De leden van de D66-fractie merken op dat het aantal Ziektewet-uitkeringen van uitzendkrachten in maart 1996 33% hoger lag dan in dezelfde maand een jaar eerder. Dit wordt gedeeltelijk toegeschreven aan de privatisering van de Ziektewet. De leden van de D66-fractie vragen de regering naar het effect van voorgestelde wet op het uitzendwerk.
De aan het woord zijnde leden vragen in navolging van het uitvoeringstechnisch commentaar van het Tica of voor mensen met een afroepcontract het recht op een uitkering (van de eigen risicodrager) niet afhankelijk is van de vraag of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag een arbeidsovereenkomst bestond. Hierdoor is volgens de leden van de D66-fractie sprake van afwenteling van lasten en kan het bovendien lonend zijn het meer afsluiten van afroepcontracten.
De leden van de D66-fractie merken op dat de bedrijfsvereniging moet controleren of de eigen risicodrager correcte opgaven doet voor welke personen hij wel en voor welke personen hij geen premie verschuldigd is. Het Tica stelt dat de MBV niet permanent doorslaggevend zijn voor de beoordeling van premieplicht en aanspraak op ziekengeld of arbeidsongeschiktheidsuitkering van de bedrijfsvereniging. De leden van de D66-fractie vragen welke ervaringen daarmee zijn opgedaan sinds per 1 maart 1996 de ziektewet grotendeels geprivatiseerd is. De leden van de D66-fractie merken op dat per 1 januari 1997 bij de premie-inning voor de werknemersverzekeringen door de bedrijfsvereniging wordt overgestapt op het systeem van afdracht op aangifte. De leden van de D66-fractie vragen de regering of dit de uitvoering van de controle van bedrijfsvereniging zal vereenvoudigen.
De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat startende werkgevers direct eigen-risicodrager worden. Het is bekend dat vrij veel startende bedrijven binnen de eerste paar jaar van hun bestaan failleren of ophouden te bestaan. Zijn er in deze fase reeds werknemers arbeidsongeschikt geraakt dan komen hun uitkeringslasten voor rekening van het collectieve bestel. Dat lijkt, indien dat op grote schaal voorkomt, de leden van de fractie van GroenLinks niet redelijk. Heeft de regering overwogen het eigen-risicodragen te koppelen aan bepaalde eisen ten aanzien van levensvatbaarheid van bedrijven?
De leden van de GPV-fractie lezen dat een werkgever om eigen-risicodrager te kunnen worden een garantstelling van een kredietinstelling of een verzekeraar moet kunnen overleggen. Is dit een eenmalige zaak, bij de overstap van het publieke naar het private stelsel, of moet dit bij elke verandering die gevolgen kan hebben voor de financiële positie van het bedrijf? De kredietwaardigheid en de samenstelling van een bedrijf kan immers veranderen. Tevens vragen deze leden of de in het wetsvoorstel neergelegde systematiek met zich meebrengt dat de werkgever een niet gemaximeerde garantie moet overleggen?
3.6 Financiering van op het moment van eigen-risicodragen reeds ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
De leden van de VVD-fractie stellen dat het bij de financiering van de nieuwe oude gevallen gaat om uitkeringen die zijn ontstaan na invoering van dit wetsvoorstel en die zijn ingegaan in de laatste 5 jaar voorafgaand aan het eigen risico dragen. Daar waar elders in de memorie van toelichting wordt gezegd, dat de gegevens van de laatste 5 jaar niet voorhanden zijn en er daarom gefaseerd gewerkt wordt met perioden van 3 respectievelijk 4 jaar, zou het naar de mening van deze leden voor de hand liggen deze perioden ook te hanteren bij de bepaling van kosten verbonden aan de nieuwe oude gevallen. Zij vernemen graag de visie van de regering in deze.
De leden van de D66-fractie merken op dat de wet erin voorziet dat de eigen-risicodrager de uitkering van de nieuwe oude gevallen betaalt voor de resterende duur dan wel deze afkoopt. De regering stelt dat de bedrijfsvereniging voor iedere werkgever die eigen-risicodrager wil worden direct kan vaststellen welke last hij dient te financieren. De leden van de D66-fractie vragen of het zo eenvoudig zal zijn de hoogte van de afkoopsom vast te stellen rekening houdend met de te verwachten duur, de hoogte van de lopende uitkeringen en de noodzaak en kosten van reïntegratie-instrumenten.
De aan het woord zijnde leden merken op dat het Tica in zijn uitvoeringstechnisch commentaar stelt dat het van belang is om inzake overnames, fusies en splitsingen de verschillende arbeidsongeschiktheidsverplichtingen te kunnen onderscheiden. Het Tica stelt voor tot omkering van de bewijslast te komen. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop in te gaan.
De leden van de D66-fractie constateren dat startende ondernemers ieder moment van het jaar eigen risicodrager kunnen worden, mits zij aan alle voorwaarden verder voldoen. De startende ondernemer betaalt slechts de basispremie. Zolang de startende ondernemer geen uitkeringslasten heeft, heeft hij een kostenvoordeel ten opzichte van de eigen risicodrager en het omslaglid. Bedrijfseconomisch kan het gunstig zijn om als bestaande ondernemer de bedrijfsactiviteiten te stoppen en activiteiten in een nieuwe onderneming te starten. De regering schat de gebruikersruimte niet groot in. De leden van de D66-fractie vragen hier nog eens nader op in te gaan.
Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat de werkgever die eigen-risicodrager wil worden en het risico te groot vindt een private verzekering kan afsluiten. Dat geldt niet voor de financiering van de nieuwe oude gevallen. Bij Wulbz is met de verzekeraars geregeld dat de oude gevallen gedurende drie maanden door de particuliere verzekeraars meegenomen zouden worden. Zij vragen naar de mogelijkheden in verband met voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat een werkgever die eigen risico gaat dragen de kosten van de nieuwe oude gevallen voor zijn rekening zal moeten gaan nemen. Dit is terecht. Anderzijds hebben nieuwe werkgevers die eigen-risicodrager worden ten opzichte van eerstgenoemde werkgevers een concurrentievoordeel. Zij hebben immers geen kosten aan nieuwe oude gevallen. Dit gegeven kan werkgevers ertoe verleiden een bedrijf(sactiviteit) te beëindigen en onder een andere noemer opnieuw te starten. In de memorie van toelichting wordt weliswaar aangegeven dat gewaakt zal worden tegen misbruik, maar de vraag is of dergelijk misbruik altijd traceerbaar is. Niet altijd is immers duidelijk of er sprake is van een pure overname van oude bedrijfsactiviteiten.
Erkent de regering dat hier ruimte voor misbruik of oneigenlijk gebruik gegeven wordt?
Het Tica signaleert dat onduidelijkheid bestaat in de situatie waarin een bedrijf wordt overgenomen, waarbij de overnemende werkgever vervolgens (na enige tijd) eigen-risicodrager wordt. Wordt de tweede werkgever vervolgens verantwoordelijk voor de financiering van de uitkeringslasten van de oude nieuwe gevallen van de rechtsvoorganger?
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre de financierbaarheid van de nieuwe oude gevallen een belemmering kan vormen voor het eigen risicodragen. Deze leden vragen verder of zij het goed zien dat iemand die direct bij inwerkingtreding van Pemba tot eigen risicodragen besluit, veel beter af is dan iemand die dat na enkele jaren besluit. Is het nog wel aantrekkelijk om pas later eigen risicodrager te worden? Deze leden vragen ook of er niet sprake is van een in de wet ingebed concurrentievoordeel voor nieuwe, startende ondernemers die direct eigen risicodrager worden, ten opzichte van bestaande ondernemers? Wordt in deze wet nu echt op sluitende wijze voorkomen dat iemand zijn bedrijf stopt en opnieuw start?
Gaat het niet te ver dat de mogelijkheid wordt geboden dat een eigen-risicodrager met grote arbeidsongeschiktheidslasten terugkeert in het publieke bestel, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
3.7. Vaststellen van het premieniveau nadat voor de werkgever het eigen-risicodragen is geëindigd
De leden van de D66-fractie merken op dat het Tica stelt in tegenstelling tot het oude wetsvoorstel Pemba de eigen risicodrager die het eigen risicodragen beëindigt zijn eigen lasten weer terug neemt naar het publieke bestel. Deze arbeidsongeschiktheidslasten komen nu verplicht voor rekening van het publieke bestel. De eigen-risicodrager lijkt hiermee een ontsnappingsmogelijkheid te hebben als hij de lasten te groot vindt. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop in te gaan.
3.8. Samenloop van uitkeringen
Bij samenloop neemt de complexiteit van de regelgeving snel toe, zo stellen de leden van de PvdA-fractie. Bovendien kan dan verschil van mening bestaan tussen betrokken organisaties, zoals twee werkgevers, een werkgever en een bedrijfsvereniging of twee bedrijfsverenigingen. Is het niet veel duidelijker, dus efficiënter, om bij samenloop één bedrijfsvereniging verantwoordelijk te stellen?
In het geval een gedeeltelijk arbeidsongeschikte bij een andere werkgever gaat werken en daar verder arbeidsongeschikt wordt, is de oorspronkelijk bevoegde instantie verantwoordelijk voor de herziening van de uitkering. De ratio hiervan is gelegen in de reïntegratiekans, zo stelt het wetsvoorstel, met instemming van de leden van de PvdA-fractie. Maar verwacht de regering begrip bij de eigen-risicodrager die een gedeeltelijke uitkering betaalt en geconfronteerd wordt met verhoogde uitkeringskosten omdat de werknemer bij een ander bedrijf verder arbeidsongeschikt is geworden? Is het in dat geval niet meer voor de hand liggend dat de bedrijfsvereniging die (aanvullende) lasten betaalt? Speelt hier overigens de oorzaak van de toegenomen arbeidsongeschiktheid nog een rol?
De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op de situatie zoals die wordt geschetst in het uitvoeringstechnisch commentaar van het Tica over gelijktijdige samenloop (de twee of meer werkgevers zijn eigen risicodrager), volgtijdelijke samenloop (nieuwe werkgever heeft geen prikkel om de werknemer optimaal te reïntegreren) en samentelling van arbeidsongeschiktheidsperioden. Bovendien vragen de leden van de D66-fractie een reactie op de suggestie van het Tica om eigen risicodrager en de bedrijfsvereniging afspraken te laten maken over de wijze van betaling en verrekening tussen beide van de betalingen.
De leden van de GPV-fractie lezen in de toelichting dat een werkgever die eigen risico drager is, waarbij een werknemer gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, 5 jaar lang voor de kosten van de arbeidsongeschiktheid moet opdraaien, ook als deze werknemer bij een andere werkgever gaat werken en de arbeidsongeschiktheid toeneemt. Is dit niet merkwaardig, indien de gedeeltelijk arbeidsongeschikte er zelf voor kiest om bij een andere werkgever te gaan werken?
De eigen-risicodrager is belanghebbende bij het besluit tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en heeft dus recht op bezwaar en beroep. De regering heeft daarvoor een regeling ontworpen die zowel recht doet aan deze belanghebbende werkgever als tegemoet komt aan het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer. De leden van de PvdA-fractie hebben daarvan met waardering kennisgenomen. Heeft beroep, zo vragen zij, schorsende werking? Is dit overigens een andere regeling dan de gang van zaken bij de Sociale Diensten indien een belanghebbende (bijvoorbeeld iemand op wie de kosten van bijstand worden verhaald) inzicht vraagt in andermans dossier, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op de vragen die in het uitvoeringstechnische commentaar van het Tica zijn opgeworpen over de rechtsgang. Dat betreft het al dan niet belanghebbend zijn van de niet eigen risico drager, de beroepsmogelijkheden van de eigen risicodrager in toekenning van nieuwe/oude WAO uitkeringen, het belanghebbend zijn van de verzekerde eigen-risicodrager, de definitie van medisch besluit, de scheiding van medische en andere gegevens alsmede van het openbaar en besloten deel van de zitting, de rol van de advocaat als gemachtigde en het inzage- en correctierecht voor de werkgever.
3.10 Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden
De leden van de PvdA-fractie constateren dat de regering erkent dat het besluit van de werkgever om eigen-risicodrager te worden ook van belang is voor de werknemers. Vandaar de betrokkenheid van de Ondernemingsraad. Maar met een verwijzing naar het adagium «wie betaalt, bepaalt» wordt de ondernemingsraad alleen een adviesrecht toegekend, geen instemmingsrecht. De leden van de PvdA-fractie erkennen dat het besluit om eigen-risicodrager te worden direct de financiën van de werkgever raakt. Maar de WAO heeft niet alleen betrekking op een uitkering, de wet is evenzeer gericht op voorkoming en beëindiging van arbeidsongeschiktheid. De werkgever die eigen-risicodrager wordt, neemt vier jaar lang (eerste ziektejaar en de eerste drie jaar van de arbeidsongeschiktheidsperiode) volledig buiten de bedrijfsvereniging om alle beslissingen die van wezenlijk belang kunnen zijn voor de werknemer. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of het financiële aspect dan ook niet te zwaar wordt gewogen en of instemmingsrecht van de ondernemingsraad niet toch de voorkeur heeft boven adviesrecht.
De leden van de D66-fractie merken op dat de ondernemingsraad adviesrecht omtrent het al dan risicodragen krijgt en niet het instemmingsrecht. De doelstelling van deze wetgeving is toch het vermijdbaar arbeidsongeschiktheid vermijden onder andere door een beter arbeidsomstandighedenbeleid. Daarbij komt het de leden van de D66-fractie voor dat het instemmingsrecht meer voor de hand ligt. De leden van de D66-fractie vragen een nadere motivering van de regering.
De leden van de GroenLinks-fractie stellen dat de vraag of een werkgever eigen risico zal gaan dragen en zo ja, hoe hij dat eigen risico eventueel herverzekert, voor werknemers indirect van groot belang is. Deze leden menen dat de ondernemingsraad ten aanzien van deze besluiten instemmingsrecht dient toe te komen en zij verzoeken de regering haar visie op dit onderdeel te heroverwegen.
De leden van de SGP-fractie stellen vast dat er bij dit wetsvoorstel in principe nu eens niets verandert voor werknemers en uitkeringsgerechtigden (of het moet indirect zijn in de sfeer van risico-selectie). Zij zijn er dan ook niet van overtuigd dat de ondernemingsraad met dit alles iets te maken heeft. Waarom moet zij een instemmingsrecht hebben bij de keuze voor eigen-risicodrager?
3.11 Samenvattend overzicht van de financiering van de lasten
De leden van de VVD-fractie constateren dat ook de uitvoeringskosten met betrekking tot de nieuwe gevallen, inclusief de uitkeringen die korter dan 5 jaar duren, ten laste van de basispremie komen. Als argument geeft de regering dat ook eigen risico dragers voor een belangrijk deel gebruik maken van het publieke bestel. Deze leden plaatsen hier een enkel vraagteken bij. Een niet onbelangrijk deel van de uitvoeringskosten zal worden bepaald door de directe uitkeringsverzorging en de daaraan verbonden activiteiten. Ten aanzien van de eigen risico dragers zijn die activiteiten echter nihil. Vandaar dat het de leden van de VVD-fractie redelijk lijkt de hier bedoelde uitkeringskosten aan te passen ten behoeve van de eigen-risicodragers. In ieder geval willen deze leden gaarne een nadere toelichtende uitwerking van «het belangrijke deel» dat eigen risico dragers van het publieke bestel gebruik maken.
HOOFDSTUK 4. DE INTERNATIONALE EN EUROPEESRECHTELIJKE ASPECTEN
Naar de mening van de regering zullen geen problemen ontstaan op het terrein van grensoverschrijdende coördinatie van sociale zekerheidsregelingen, zo constateren de leden van de VVD-fractie.
Reden daarvoor is dat de bedrijfsvereniging het bevoegde orgaan blijft. Maar zullen voor de eigen risico drager dezelfde beleidsregels van toepassing kunnen zijn, zoals die zijn neergelegd in de onlangs besproken notitie over export van uitkeringen, zo vragen deze leden de regering aan te geven.
Acht de regering de verplichtingen zoals opgenomen in de genoemde normverdragen ten aanzien van de rol van de vertegenwoordigers van beschermde personen nog van deze tijd, zo vragen deze leden?
De leden van de D66-fractie merken op dat de regering op blz. 58 van de memorie van toelichting stelt dat de verhouding tussen werkgever en verzekeraar geheel naar eigen inzichten tussen beide kan worden geregeld. Deze leden menen dat dit niet geheel naar eigen inzichten kan worden gedaan, gezien de aangekondigde maatregelen zoals het verbod op aanstellings- en entreekeuringen en het verbod van uitsluitingsclausules en de algemene beperking die het initiatiefvoorstel van Boxtel kent ten aanzien van keuringen.
HOOFDSTUK 5. FLANKEREND BELEID
De leden van de PvdA-fractie reageren verheugd op het feit dat de regering flankerend beleid nodig acht. Premiedifferentiatie en eigen-risicodragen kunnen naar hun mening bijdragen aan de terugdringing van de arbeidsongeschiktheid, op voorwaarde dat ongewenste vluchtwegen om uitkeringslasten af te wentelen worden afgesneden.
Ook RCO en MKB-Nederland zijn, zo valt uit het wetsvoorstel op te maken, van mening dat wervings- en selectieprocedures zich moeten richten op relevante kenmerken van sollicitanten als scholing en ervaring. Geven RCO en MKB-Nederland alleen voorlichting aan hun leden of toetsen zij ook de naleving van de regels en afspraken, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
De regering meldt de oprichting van een meldpunt werving en selectie waar sollicitanten kunnen klagen en vragen over sollicitatieprocedures. Wat gaat er met de meldingen gebeuren, zo vragen de leden van de PvdA-fractie zich af.
Premiekorting, zo wil het wetsvoorstel, zal worden gegeven aan werkgevers die meer dan 5% arbeidsgehandicapte werknemers in dienst hebben. Het verheugt de leden van de PvdA-fractie dat de regering hier door het opnemen van een percentage in de wet duidelijk maakt dat het aantal betrokkenen kwantitatief meetbaar is per bedrijf.
Voor wat betreft de invulling van het begrip «arbeidsgehandicapte werknemer» verwijst de regering naar personen die onder de WAGW vallen (art. 1 sub b WAGW), maar ook naar personen die niet onder de WAGW vallen, doch wel belemmeringen in het werk ervaren als gevolg van ziekte of gebrek. De WAGW noemt in hetzelfde artikel 1, onder b, als vierde categorie personen die tengevolge van ziekte en gebrek belemmeringen ondervinden bij het verkrijgen of verrichten van arbeid, nader te definiëren bij algemene maatregel van bestuur. De leden van de PvdA-fractie vragen of die omschrijving niet voldoende ruimte biedt, zodat de in Pemba voorgestelde algemene maatregel van bestuur (artikel 77e) zou kunnen vervallen.
Overigens, zo stellen deze leden, wordt als argument voor 5% premiekorting verwezen naar de WAGW. Die wet spreekt echter over een bandbreedte: 3 tot 7%. Waarom is juist voor 5% gekozen en bijvoorbeeld niet voor een tot 7% groeiend percentage?
De leden van de VVD-fractie merken het volgende op. De regering creëert in dit wetsvoorstel de mogelijkheid tot en korting op de basispremie van de WAO. De aan het woord zijnde leden hebben sympathie voor deze gedachte, maar vragen zich af of en hoe de doelgroep van werknemers voor wie die korting kan worden verkregen kan worden omschreven. Vooruitlopend op de aangekondigde algemene maatregel van bestuur zouden zij gaarne een nadere toelichting hierop krijgen.
Waar het gaat om de premiekorting voor werkgevers die werk genereren bij WSW-bedrijven wordt de terughoudendheid bij de leden van de VVD-fractie veroorzaakt door de ingewikkeldheid van de regeling en de mogelijk niet geheel objectief vast te stellen in verband met de opdracht gegenereerde arbeidsplaatsen per jaar. Kan de regering een inschatting maken van het effect van deze maatregel?
Een naar de mening van de leden van de leden van de VVD-fractie opvallende mededeling is, dat het Tica zal worden gevraagd om minimumeisen op te stellen met betrekking tot de deskundigheid van arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen. Hieruit mag toch niet worden afgeleid, zo vragen deze leden zich met enige zorg af, dat er thans geen deskundigheidseisen gelden? En als dat inderdaad niet zo is, wat is dan de waarde van deze mededeling van de regering?
De leden van de fractie van D66 vragen de regering in te gaan op het voorstel om het mogelijk te maken, dat mensen bekend met een arbeidshandicap maar minder dan 15% WAO, respectievelijk minder dan 25% AAW, de mogelijkheid krijgen van werkervarings-/proefplaatsing met behoud van uitkering, volgens de regeling als in de wet Amber verwoord, in die gevallen waar een medisch dan wel arbeidsdeskundige argumentatie daartoe wordt aangedragen en in de vorm van een arbeidsdeskundig advies ter beoordeling aan de bedrijfsvereniging wordt voorgelegd.
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe het staat met het arbocon-project van het landelijk samenwerkingsverband van regionale platforms om gedeeltelijk arbeidsongeschikten in te schakelen als leken-inspecteurs op het terrein van arbeidsomstandigheden. Tijdens de begrotingsbehandeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1995 heeft de staatssecretaris aangegeven dat hij dit een buitengewoon zinvol initiatief acht.
De aan het woord zijnde leden ondersteunen de gedachte van een meldpunt voor problemen bij werving en selectie, maar vragen wat de effectiviteit daarvan zal zijn. Volgens deze leden is de rechtspositie van een sollicitant daarvoor veel te zwak in een ruime arbeidsmarkt. Graag een reactie van de regering.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering hoe zij tegenover het voorstel de werknemer/sollicitant een recht op een arbeidsgezondheidskundig advies te geven, welke alleen aan de sollicitant wordt gegeven op basis van een aanstellingsonderzoek. Dit arbeidsgezondheidsadvies kan vergeleken worden met het recht op vergelijkbaar advies aan werknemers op grond van het arbeidsgezondheidskundig spreekuur, zoals geregeld in de arbowet.
Op het punt van werving en selectie wijzen de leden van de D66-fractie op het aangenomen amendement-Rosenmöller. Dit amendement geeft de werknemer het recht te zwijgen over medische kwesties die voor de betreffende functie niet rechtstreeks van belang zijn.
De leden van de D66-fractie achten het van het grootste belang dat de aangekondigde wetgeving op het gebied van keuringen (verbod aanstellingskeuringen en entreekeuringen en uitsluitingsclausules) zo snel mogelijk in werking treedt. Met het verbod van uitsluitingsclausules kan volgens het inzicht van de leden van de D66-fractie tegemoet gekomen worden aan de bezwaren van de Cliëntenbond in de geestelijke gezondheidszorg gesteld in de brief d.d. 13 mei 1996.
Wat betreft de premiekorting (korting op de basispremie) voor personen met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico, vragen de leden van de D66-fractie zich af of dit niet een loos gebaar is. Afgezien van de sympathieke bedoeling van deze premiekorting wijzen de leden van de D66-fractie erop dat uit onderzoek is gebleken dat de particuliere sector slechts 2% WAGW-ers in dienst heeft en de overheidssector die 2% nog niet eens haalt. Bovendien merken deze leden op dat recent de bonus is afgeschaft waarvan ook uit onderzoek bleek dat die niet overdadig werd toegepast.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat de regering wat betreft de premiekorting niet alleen de WAGW-bemiddelingspopulatie op het oog heeft, maar die doelgroep wil uitbreiden tot degenen die in het werk belemmeringen ervaren als gevolg van een ziekte of gebrek. Het is de aan het woord zijnde leden nog onduidelijk hoe die bemiddelingspopulatie in concreto afgebakend moet worden.
De leden van de D66-fractie beoordelen evenals het Tica in zijn uitvoeringstechnisch commentaar de omschrijving van «al die personen van wie werkgevers denken dat zij een verhoogd risico op ziekte en arbeidsongeschiktheid vormen» niet als een bruikbare definitie. Ook lijkt het deze leden raadzaam om de nadere omschrijving van personen die onder de werkingssfeer van de regeling premiekorting werkgevers die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst nemen en/of omzet genereren voor een WSW-bedrijf af te stemmen met de omschrijving op grond van de regeling arbeidsbemiddelingstaak WAGW, inclusief de nadere invulling door het Tica.
De leden van de D66-fractie vragen zich bovendien met het Tica af of de premiekorting of het genereren van werk bij de WSW goed uitvoerbaar is. De aan het woord zijnde leden brengen nogmaals onder de aandacht dat zij meer verwachten van het verplicht stellen van een quotum zoals bedoeld in de WAGW.
De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de regering met dit wetsvoorstel tevens een belofte inlost die zij in de Eerste Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel Wulbz heeft gedaan. Voor werkgevers die 5% van de loonsom besteden aan gehandicapte werknemers komt een premiekorting. Hoe ziet die premiekorting er precies uit? Hoe effectief verwacht de regering dat die korting zal zijn? Met andere woorden: vormt dit instrument voldoende uitnodiging voor werkgevers om inderdaad meer gehandicapten aan te nemen of zal de korting slechts toegepast worden voor bedrijven die nu al aan deze 5%-norm voldoen? Waarom heeft de regering er niet gewoonweg voor gekozen de premie voor WAGW-werknemers op nihil te stellen? Heeft de regering een vergelijkbaar instrument overwogen om eigen-risicodragers aan te sporen meer gehandicapten aan te nemen? Is het bijvoorbeeld wenselijk eigen-risicodragers te vrijwaren van de kosten van loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid van gehandicapten gedurende de gehele eigen risicoperiode? Zullen de hier voorgestelde alternatieven niet veel effectiever zijn om gehandicapten aan het werk te krijgen?
De leden van de RPF-fractie hebben in principe sympathie voor het voorstel voor een premiekorting voor mensen met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico. In dit kader vragen zij aandacht voor het voorstel van de NZZC voor een nieuwe WAGW, waarin de nadruk zou moeten liggen op de beloning van werkgevers voor indienstneming van mensen met een dergelijk risico. Wil de regering hierop reageren?
De leden van de GPV-fractie constateren dat werkgevers die meer dan 5% arbeidsgehandicapte werknemers in dienst hebben een korting op de basispremie van de WAO kunnen ontvangen. Het valt deze leden op dat hier het aantal mensen bepalend is voor de korting, in tegenstelling tot bedrijven die diensten uitbesteden bij WSW-bedrijven waar het percentage van de loonsom bepalend is. Dit betekent naar de mening van de leden van de GPV-fractie dat in het laatste geval pas een premiekorting plaatsvindt als een in verhouding veel groter aantal arbeidsgehandicapte werknemers werkzaamheden verricht. Kan de regering dit door hen aangebrachte onderscheid verklaren?
De leden van de VVD-fractie zijn het eens met de wenselijkheid van ruime voorlichting. Het valt hen op dat bij de betrokken partijen de Arbo-diensten niet worden genoemd. Dat kan natuurlijk omdat ervan mag worden uitgegaan dat deze diensten zich beroepshalve adequaat informeren. Toch bestaat bij deze leden soms de indruk dat dit niet altijd helemaal het geval is. Gaarne vragen zij hiervoor aandacht van de regering.
De leden van de D66-fractie merken nogmaals op dat het aan voorlichting nog behoorlijk schort blijkens het Ctsv rapport (R96/4) en dringen erop aan dat dit voortvarend ter hand wordt genomen.
HOOFDSTUK 7. FINANCIEEL-ECONOMISCHE GEVOLGEN
De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geraamde besparingen door de voorgestelde introductie van premiedifferentiatie en eigen-risicodragen. De afgelopen jaren is gebleken dat de voorspelbaarheid van de financiële effecten van deze operaties beperkt is. De leden van de PvdA-fractie nemen de hier gepresenteerde cijfers dan ook voorlopig voor kennisgeving aan.
De regering geeft aan dat de bij regeerakkoord afgesproken randvoorwaarde (inkomens- en loonkostenneutraliteit) niet los kan worden gezien van de besluitvorming over de begroting 1997. Meer informatie daarover zal worden gegeven in de Invoeringswet, zodat de leden van de PvdA-fractie hun verdere commentaar bij dat wetsvoorstel zullen geven. Hier echter stellen zij wel de vraag of de koppeling aan de begroting 1997 volgens de regering impliceert dat de besluitvorming over Pemba pas na de behandeling van de rijksbegroting kan worden afgerond.
De leden van de CDA-fractie constateren dat gesteld wordt dat de oorspronkelijke financiële doelstelling gehaald wordt, ook al is de opzet van het voorstel sterk gewijzigd. Kan de regering nader aangeven, waarop deze veronderstelling gebaseerd is?
Het valt op dat de regering geen enkele modelmatige berekening, die de gevolgen van het voorstel in cijfers weergeeft, in de memorie van toelichting heeft gegeven. Kan dit alsnog gebeuren? Zijn de gevolgen voor loonkosten en koopkracht nader aan te geven, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
De leden van de VVD-fractie achten het van zeer groot belang dat de met de wijziging van de WAO-regeling verbonden bezuinigingen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Het uitstel met een jaar heeft reeds een substantieel besparingsverlies tot gevolg gehad. Zoals hiervoor al door deze leden is aangegeven worden de financiële en beleidsdoelstellingen zoals die in het regeerakkoord zijn beoogd niet, of in ieder geval niet maximaal gehaald. Vandaar dat de leden van de VVD-fractie met enige zorg kennis nemen van de verschillende opvattingen van het Centraal Planbureau en regering enerzijds en het Tica anderzijds. Wie gelijk heeft zal pas op termijn blijken, zo profeteren deze leden. Om over die resultaten zo goed mogelijk te zijn geïnformeerd, zouden deze leden halfjaarlijks een rapportage willen ontvangen omtrent de beoogde en gerealiseerde volume- en kosteneffecten ten gevolge van deze wetgeving.
Kan de regering, mede in het licht van hetgeen het Tica te dien aanzien heeft gesteld, een nadere precisering geven over welke stijging van de uitvoeringskosten zij reëel acht?
Hoewel de leden van de VVD-fractie zich realiseren dat dit mogelijk niet de plaats is om een discussie over inkomensontwikkeling te voeren, moet het hen toch van het hart dat het hen volstrekt ontgaat waarom, daar waar het uitgangspunt een ongeclausuleerde inkomensneutraliteit is, er nu sprake is van het voorkomen van negatieve koopkrachteffecten tot en met modaal. Waarom ineens die toevoeging «tot en met modaal»? Deze leden zouden de inkomensneutraliteit in ieder geval niet tot een bepaalde inkomensgroep willen beperken.
De leden van de D66-fractie constateren dat het Tica van mening is dat de omvang van de afname en toename van de uitvoeringskosten nog niet kunnen worden gekwantificeerd. Deze leden vragen de regering de uitvoeringskosten nader te specificeren, omdat uit het commentaar van het Tica blijkt dat er van een toename van de uitvoeringskosten sprake kan zijn.
De leden van de GroenLinks-fractie merken het volgende op. Ondanks de forse aanpassingen die in dit wetsvoorstel zijn aangebracht ten opzichte van de voorstellen die in het regeerakkoord waren neergelegd, komt de opbrengt op een exact gelijk bedrag uit: 750 miljoen. In het aanvankelijke plan werd premiedifferentiatie gecombineerd met «opting out». Gezien het feit dat van verschillende zijden werd aangevoerd dat het systeem van «opting-out» in de praktijk niet zou werken, houden de leden van de GroenLinks-fractie het erop dat de 750 miljoen uit het regeerakkoord voornamelijk de opbrengst van invoering van premiedifferentiatie vormden. Klopt die aanname?
De leden van de GroenLinks-fractie stellen dat het ten tijde van het formuleren van het regeerakkoord nog niet duidelijk was wat precies de financiële gevolgen zouden zijn van de nieuwe keuringsnormen in de WAO en van de afschaffing van de Ziektewet. Thans is daar meer, zij het nog steeds niet volledig zicht op. Duidelijk is echter wel dat de gevolgen van eerdere wetswijzigingen veel verdergaand zijn dan gedacht. In hoeverre is dat van belang voor de raming van de financiële effecten van dit wetsvoorstel? Moet die raming niet neerwaarts worden bijgesteld, nu de instroom in de WAO lager ligt dan eerder werd aangenomen?
Het valt de leden van de fractie van GroenLinks op dat de regering nauwelijks een prognose geeft van de effecten en effectiviteit van de nu voorgestelde maatregelen. Zo ontbreekt bijvoorbeeld ieder antwoord op de vraag hoeveel werkgevers ervoor zullen kiezen eigen risico te gaan dragen. Ook zal de effectiviteit sterk afhankelijk zijn van de precieze vormgeving van het systeem van adaptieve premies en van de dempende factoren daarin. Uit het overzicht van de financiële gevolgen is niet op te maken in hoeverre de premiedifferentiatie leidt tot kostenbesparing en in hoeverre het systeem van eigen-risicodragen daartoe bijdraagt. Bovendien heeft de regering geen kans gezien duidelijk te maken in hoeverre werkgevers de kosten zullen trachten te drukken door een beter preventie- en reïntegratiebeleid te voeren dan wel door andere methoden te kiezen, zoals risicoselectie, afwenteling van kosten op het collectief of andere, al dan niet legale ontwijkingsmethoden. Kan de regering, bijvoorbeeld op basis van onderzoek onder representatieve werkgevers een inschatting maken van de mate waarin werkgevers eigen-risicodrager zullen worden? Waardoor zijn de meeste bezuinigingen te verwachten: door de premiedifferentiatie of door de marktwerking? Is meer duidelijkheid te geven over de strategieën waarvan werkgevers zich zullen bedienen om de kosten terug te brengen? Welke methoden staan werkgevers open om andere maatregelen te treffen om de kosten van arbeidsongeschiktheid te drukken? Zal de risicoselectie door deze maatregelen nog verder toenemen?
Het Tica heeft met klem gewaarschuwd voor een aanzienlijke toename van de uitvoeringskosten die met dit wetsvoorstel verband houden. De regering verwacht het tegendeel. Niettemin heeft het Tica de nodige argumenten aangevoerd op grond waarvan inderdaad kostenstijgingen in de uitvoeringssfeer moeten worden gevreesd: er zal meer berichtenverkeer nodig zijn tussen werkgever en bedrijfsvereniging, bijvoorbeeld over de aard van de arbeidsrelaties binnen een bedrijf; het berekenen van de premies wordt een veel ingewikkelder aangelegenheid; er zijn meer beroepsprocedures te verwachten, met name van werkgevers; en er zal meer controle nodig zijn om te voorkomen dat werkgevers ten onrechte lasten op het publieke bestel af zullen wentelen. Deze kosten lijken niet op te wegen tegen de door de regering veronderstelde besparingen in verband met concurrentie tussen verzekeraars. Waarin onderscheidt deze concurrentie zich wezenlijk van de concurrentie die tussen uitvoeringsinstellingen kan plaatsvinden? Hebben de ervaringen met de herverzekering van het WAO-gat niet juist uitgewezen dat van concurrentie op dit vlak niet veel terechtkomt?
De leden van de RPF-fractie constateren dat de regering ervan uitgaat dat de vervanging van de mogelijkheid van «opting-out» door de mogelijkheid van eigen-risicodragen voor vijf jaar geen budgettaire consequenties zal hebben. Waarop is de verwachting gebaseerd dat meer werkgevers gebruik zullen maken van de mogelijkheid van het eigen-risicodragen?
Het lijkt erop dat de regering bij het vaststellen van de te verwachten besparing uitgaat van te optimistische veronderstellingen. Zo missen de leden van de RPF-fractie een onderbouwde reactie op het standpunt van het Tica dat een groot deel van de arbeidsongeschiktheid niet is te beïnvloeden door de werkgever. Is dit element wel voldoende verdisconteerd? Daarnaast is bij de berekening van de besparing geen rekening gehouden met de volume-effecten van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium. Is er, zoals de regering stelt, vanaf de inwerkingtreding van de Wet TBA op 1 augustus 1993 inderdaad sprake van een reductie van 8 000 à 10 000 uitkeringsjaren per jaar of is die reductie groter? Deze leden vragen de regering om een cijfermatige onderbouwing van het antwoord op deze vraag.
De regering deelt de verwachting van het Tica dat de uitvoeringskosten tengevolge van het nieuwe beleid zullen toenemen niet. De leden van de RPF-fractie vinden de onderbouwing van het regeringsstandpunt wat mager. Kan worden hardgemaakt dat de uitvoering over de hele linie goedkoper wordt? In het verlengde hiervan vragen deze leden wat de regering vindt van de suggestie om ook de uitvoeringsinstellingen financieel te prikkelen door een gerealiseerde daling van het uitkeringsvolume te belonen en een stijging negatief te sanctioneren.
De koopkrachteffecten van de operatie blijven in de toelichting onderbelicht. Uitgangspunt bij de AAW/WAO-integratie is dat negatieve koopkrachteffecten tot en met modaal worden voorkomen. De leden van de RPF-fractie informeren in dit verband of dit uitgangspunt realiseerbaar is. Zal allerlei reparatiewetgeving nodig zijn om negatieve inkomenseffecten voor bepaalde categorieën te neutraliseren of valt dat wel mee? In het bijzonder vragen deze leden aandacht voor de positie van VUT-ers en grensarbeiders. De verlaging van de overhevelingstoeslag krijgen zij niet gecompenseerd door het verdwijnen van de WAO-premie voor werknemers, omdat zij nu al geen WAO-premie betalen.
Het heeft de GPV-leden verbaasd dat, evenals in het regeerakkoord waarin gerekend werd met de mogelijkheid van «opting-out», ook onderhavig wetsvoorstel leidt tot een bezuiniging van 750 mln. na 3 jaar. De wijze waarop in het voorstel deze bezuiniging wordt voorgerekend roept bij deze leden vraagtekens op. De regering verwacht dat als gevolg van deze wet verzekeraars en werkgevers zich meer inspannen op het gebied van preventie en reïntegratie. Indien nu nog niet helder is wat de gevolgen op deze gebieden zijn van de invoering van de Wulbz, hoe kan dan nu al worden bepaald dat de invoering van voorliggend wetsvoorstel tot zo'n grote besparing leidt?
De leden van de SP-fractie zien dat de regering de bezuiniging als gevolg van Pemba nog steeds stelt op 750 miljoen gulden. Zij vragen de regering dit bedrag nog eens toe te lichten nu de memorie van toelichting de indruk wekt dat de bezuiniging eerder het gevolg is van de daling van het aantal WAO'ers dan van de werking van de Pemba.
HOOFDSTUK 8. OVERIGE ONDERWERPEN
De leden van de VVD-fractie nemen met instemming kennis van het voornemen om CAO-bepalingen die het eigen-risicodragen beogen te beïnvloeden niet algemeen verbindend te verklaren. Zij interpreteren dit graag als een eerste stap op weg naar een beleid waarbij «slechte doelen» niet meer algemeen verbindend verklaard zullen worden. Hoe moet immers anders deze selectieve uitzondering op het avv-beleid worden verklaard?
De leden van de D66-fractie constateren dat uit alle binnengekomen reacties blijkt dat men het tempo van opeenvolgende wetsvoorstellen nogal hoog vindt. Ook de Tijdelijke commissie onderzoek Ctsv doet de aanbeveling dat bij maatschappelijk ingrijpende wetsvoorstellen het belang van een zorgvuldige en voor burgers inzichtelijke wetgevingsprocedure te laten prevaleren boven financiële en formele argumenten.
De leden van de D66-fractie onderschrijven de opvatting van de regering om CAO-bepalingen die het eigen-risicodragen beïnvloeden niet algemeen verbindend te verklaren.
Deze leden vragen de regering in te gaan op de aspecten die in het uitvoeringstechnisch commentaar van het Tica naar voren zijn gebracht ten aanzien van financiering van de sectorale fondsen, de overdracht uit het Aof naar de sectorale fondsen en de liquidatie van het Aaf.
Ook vragen de leden van de D66-fractie de regering in te gaan op hetgeen het Tica in zijn uitvoeringstechnisch commentaar ziet als andere moeilijkheden bij het invoeringstraject zoals de korte invoeringstermijn, de aanvraagtermijn eigen-risicodragen, de termijn voor premievaststelling, de premieheffingssystemen en de vulling van systemen met betrekking tot DGA's, de totstandkoming van lagere regelgeving en andere wetten.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering in te gaan op geluiden uit kringen van werkgevers dat privatisering in de sociale zekerheid als een belemmering wordt gezien voor het aannemen van personeel. Recent heeft 37% van de werkgevers in het midden- en kleinbedrijf dit als belemmerende factor genoemd. In hoeverre valt dit gegeven te rijmen met het credo «werk, werk werk»?
De leden van de RPF-fractie krijgen graag meer duidelijkheid over de mogelijkheden met betrekking tot invoering van het nieuwe regime voor het overheidspersoneel. Zij veronderstellen dat het niet reëel is te verwachten dat die ook per 1 januari 1997 kan worden gerealiseerd.
De leden van de RPF-fractie vragen zich af of invoering op 1 januari 1997 wel haalbaar is, gelet op de kritische opmerkingen van het Tica terzake. Elementaire onderdelen van de wet die betrekking hebben op de premiedifferentiatie, met inbegrip van de Invoeringswet en lagere regelgeving, moeten volgens het Tica eind juni 1996 bekend zijn, wil invoering op 1 januari 1997 mogelijk zijn.
De leden van de GPV-fractie zijn van mening dat een grote ingreep in het sociale zekerheidsstelsel goed voorbereid en niet overhaast gedaan moet worden. Gezien het feit dat uittesten van het systeem een aantal maanden in beslag zal nemen, de sectoren nog niet bekend zijn, evenals de hoogte van de sectorpremies en dat eigen-risicodragen voor 1 oktober moet worden aangevraagd, zal het naar de mening van deze leden onmogelijk zijn deze wet met ingang van 1 januari 1997 op een goede manier in werking te laten treden.
De leden van de SP-fractie vragen de regering wat haar visie is op het standpunt van het Tica dat de wet onmogelijk per 1 januari 1997 kan worden ingevoerd. Volgens het door het Tica geschetste traject moet eind juni 1996 de voorbereiding klaar zijn wil de datum van 1 januari 1997 gehaald kunnen worden.
HOOFDSTUK 1. WIJZIGING VAN DE WAO
In dit wetsvoorstel wordt een nieuw onderdeel g toegevoegd aan artikel 1. In de koppelingswet wordt ook een onderdeel g toegevoegd. Een van beide onderdelen g dient volgens de leden van de D66-fractie een andere letter te krijgen. Graag een reactie van de regering.
In artikel 18, tiende lid, wordt geregeld dat afwijkende regels kunnen worden gesteld voor situaties waarin de berekening van de resterende verdiencapaciteit niet rechtvaardig kunnen uitwerken, indien deze volledig zou worden afgemeten aan zowel de arbeid als werknemer als de arbeid van zelfstandigen. De leden van de D66-fractie vragen de regering een concreet voorbeeld te geven van een situatie als bedoeld in dit artikel en hoe de toerekening van de resterende verdiencapaciteit geschiedt. Deze leden vragen de regering of er al duidelijkheid is omtrent de inhoud van de algemene maatregel van bestuur.
De leden van de D66-fractie vragen de regering of aan artikel 23 niet de volgende zinsnede moet worden toegevoegd: degene die ten aanzien van wie een voorziening, vergoeding of toelage wordt overwogen.
De leden van de RPF-fractie vragen of het de bedoeling is dat letterlijke toepassing van het derde lid andere resultaten geeft dan onder het oude artikel 37. Zo valt degene die verzekerd is op grond van het ontvangen van een WW-uitkering niet onder het voorgestelde derde lid. Kan dit nader worden onderbouwd?
De leden van de fractie van D66 vragen de regering of bedoeld is dat de eigen-risicodrager ook verantwoordelijk is voor de uitbetaling over de eerste 48 weken – en niet pas nadat de toename van de arbeidsongeschiktheid ten minste 52 weken heeft geduurd – van de toename van de uitkering bij herziening binnen vier weken, indien de arbeidsongeschiktheid toeneemt door dezelfde oorzaak. Deze leden vragen hiernaar omdat de uitkering op grond van artikel 43a WAO gedurende de eerste 48 weken niet voor rekening van de eigen-risicodrager komt.
In dit artikel wordt geregeld dat niet alleen de bruto WAO-uitkeringen, maar ook de werkgeverslasten bij een WSW-plaatsing aan het Rijk moet worden afgedragen. De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe dit moet worden uitgevoerd. Ook vragen deze leden of de korting van het in dienst hebben van arbeidsgehandicapten of het genereren van werk bij de WSW goed uitvoerbaar is.
In de toelichting wordt gesproken over artikel 16a WAGW. Wordt hier, vragen de PvdA-leden, artikel 6 bedoeld?
De leden van de D66-fractie vragen de regering of de werkgever beroep of bezwaar kan aantekenen tegen de beslissing van de bedrijfsvereniging een vordering in te stellen bij die werkgever, wanneer deze volgens de bedrijfsvereniging zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan de realisering van de voorziening? Is de werkgever belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is de beslissing van de bedrijfsvereniging een beschikking in de zin van de Awb?
In lid 3, sub a, is de bedrijfsvereniging bevoegd vervoersvoorzieningen te treffen ten behoeve van de leefsituatie. De leden van de D66-fractie vragen de regering of vervoer van en naar het buitenland ook aan de orde kan zijn indien de belanghebbende in Nederland werkt en in het buitenland woont?
In het vijfde lid is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur met betrekking tot dit artikel nadere regels kunnen worden gesteld. De leden van de D66-fractie vragen de regering aan te geven aan welke regels moet worden gedacht.
Waarom wordt hier gesproken over de «persoon» en niet over de «werkgever», zo willen de PvdA-leden weten.
In lid 2 van dit artikel wordt geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader kan worden geregeld in welke gevallen en tot welke hoogte een vergoeding wordt verleend. De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het van belang is dat de inhoud van deze algemene maatregel van bestuur voor het wetsvoorstel Pemba en vragen daarom de regering om aan te geven hoe de inhoud er uit ziet.
De bedrijfsvereniging kan op grond van dit artikel een hogere toelage verlenen dan bedoeld in de eerste zin van dit artikel. De leden van de D66- fractie merken op dat dit een bevoegdheid is van de bedrijfsvereniging en geen verplichting. De leden van de D66-fractie vragen de regering waar de bedrijfsvereniging zo'n beslissing om gebruik te maken van deze bevoegdheid op baseert en of er voor de betrokkene een mogelijkheid is om bezwaar of beroep aan te tekenen, indien deze het niet eens is met de beslissing van de bedrijfsvereniging.
Het Besluit inzake recht op uitkering bij noodzakelijke scholing (Staatscourant 252, 28 december 1990; gewijzigd bij Besluit van 20 december 1995; Staatscourant 27, 7 februari 1996) en de door het Tica vastgestelde mededelingen zijn met betrekking tot de vraag of voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten de scholing met behoud van WW-uitkering (artikel 76 WW) dan wel toepassing van artikel 65b is aangewezen niet doorslaggevend maar alleen richtinggevend. In het kader van de rechtszekerheid is het voor een eigen-risicodrager van belang dat hij van te voren weet of er kan worden geschoold op grond van artikel 76 WW of op grond van artikel 65b. Graag een reactie van de regering.
De leden van de D66-fractie merken op dat er een delegatie bepaling is opgenomen in dit artikel met het oog op samenloop van bijvoorbeeld WAO-uitkeringen en uitkeringen op grond van de WAZ. De leden van de D66-fractie vragen de regering duidelijkheid te geven omtrent de inhoud van deze bepalingen, daar dit van belang is voor onder andere de uitvoering. Deze leden vragen aan de regering om met behulp van concrete voorbeelden aan te geven hoe dit in de praktijk werkt.
De leden van de D66-fractie vragen de regering of aan artikel 65d, eerste lid, onder d, moet worden toegevoegd dat ook artikel 65b, derde lid, WAO wordt bedoeld onder toelage wegens inkomensderving.
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe de regels eruit zien die worden gesteld inzake de betaling en onderlinge verrekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in geval van gelijktijdige samenloop. Deze leden vragen de regering om meer concrete voorbeelden te geven van samenloopsituaties. Ook vragen zij de regering in te gaan op de vraag die is gesteld door het Tica in het technisch commentaar of de wet voldoende grondslag biedt voor een doorbelasting van een deel van de kosten van een uitkering door een bevoegde bedrijfsvereniging aan de eigen-risicodrager van een andere bedrijfsvereniging. Ook stelt het Tica dat uit de wet niet duidelijk wordt hoe deze samenloopregeling nader geregeld wordt. Graag een reactie van de regering.
Is het denkbaar, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat ook werkgevers op grond van dit artikel een toelage krijgen van het Tica tot bevordering van de arbeidsgeschiktheid?
De leden van de PvdA-fractie gaan er vanuit dat een eenmaal gegeven garantiestelling door de garant niet kan worden ingetrokken voor de personen, voor wie de werkgever onder die garantiestelling reeds de uitkeringskosten betaalt, tenzij een andere garant bereid is de garantiestelling ongewijzigd en onmiddellijk aansluitend over te nemen. Is die veronderstelling juist?
Kan de regering, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, in heldere bewoordingen de groepen werknemers omschrijven voor wie de eigen-risicodragende werkgever geen eigen risico draagt?
De leden van de D66-fractie constateren dat niet wordt bepaald dat de garantie moet worden verleend door een bank als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992, respectievelijk een verzekeraar als bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf. Het Tica heeft in haar technisch commentaar ook opmerkingen gemaakt over het bovenstaande. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop te reageren. Deze leden wijzen erop dat, gelet op het gewicht van de zekerheidsstelling, het van belang is dat de wet nauwkeurig aangeeft welke instellingen de garantie kunnen verstrekken.
De werkgever betaalt de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de persoon met wie hij op de eerste ziektedag een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht had. De leden van de D66-fractie vragen wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering betaalt indien de werknemer in zijn proeftijd ziek wordt en op die zelfde dag ontslagen wordt door de werkgever die eigen risicodrager is.
Het is de leden van de D66-fractie niet duidelijk of de tekst van artikel 75, lid 3, onder b, de eigen-risicodrager verplicht om ook uitkering te betalen voor degene die per einde wachttijd niet arbeidsongeschikt was, maar binnen vier weken daarna arbeidsongeschikt is geworden (artikel 19, derde lid). Graag een reactie van de regering.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering of het juist is dat zij aannemen dat in artikel 75, derde lid, onder b, kennelijk is bedoeld te regelen dat de eigen-risicodrager pas verantwoordelijk wordt voor de uitbetaling van uitkering in geval de werknemer per einde wachttijd niet arbeidsongeschikt was, maar dit door dezelfde oorzaak als waardoor hij ziekengeld ontving toegenomen arbeidsongeschikt wordt nadat 52 weken zijn verstreken sinds de toename van de arbeidsongeschiktheid. Over de eerste 48 weken komt de uitkering dan ten laste van het Aof. Deze leden vragen de regering of deze bepaling deze bedoeling goed weergeeft.
De leden van de D66-fractie merken op dat zich gevallen voor kunnen doen waarin vrijstelling voor premiebetaling en verantwoordelijkheid voor de betaling niet altijd op elkaar aansluiten. Het Tica geeft een voorbeeld van een dergelijke situatie in haar technisch commentaar op de Pemba. Deze leden vragen de regering hierop in te gaan.
In de artikelsgewijze toelichting staat dat de bedrijfsvereniging tot betaling van de uitkering aan de werknemer dient over te gaan indien de werkgever dit – om wat voor reden dan ook – niet doet. De leden van de D66-fractie nemen aan dat de werknemer geen actie hoeft te ondernemen behalve het doen van een melding aan de bedrijfsvereniging van het feit dat de werkgever niet uitbetaalt.
Het zevende lid bepaalt dat het eigen-risicodragen van rechtswege eindigt indien de schriftelijke garantie of verzekeringsovereenkomst eindigt. De leden van de D66-fractie merken op dat hierdoor de mogelijkheid voor de werkgever bestaat om het vijfde lid van dit artikel te ontduiken. Graag een reactie van de regering.
In dit artikel is niet geregeld hoe een startende werkgever een aanvraag voor eigen-risicodragen moet indienen en wat moet gebeuren tussen het moment van de aanvrage en de beslissing. De leden van de RPF-fractie vragen of de wet hierin niet moet voorzien.
De eigen-risicodragende werkgever is niet verplicht tot ziektemelding van een werknemer. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of het verstandig is die bepaling te laten vervallen, omdat de eerste ziektedag bepalend is voor het moment waarop de werkgever informatie moet geven aan de bedrijfsvereniging en voor het moment waarop de bedrijfsvereniging de werkgever in gebreke kan stellen en een boete van f 25 000 kan opleggen. Zij stellen prijs op een reactie van de regering.
De bedrijfsvereniging legt de werkgever die de minimumeisen niet is nagekomen een boete op van f 25 000. Hoewel één enkel bedrag de eenvoud bevordert, vragen de leden van de PvdA-fractie zich af of dit wel recht doet aan de mate waarin niet is voldaan aan de minimum-eisen. Maakt een dergelijke uniforme sanctie het voor kleine – dus over het algemeen noodzakelijkerwijs minder ter zake deskundige – werkgevers niet veel moeilijker om eigen-risicodrager te worden dan het geval is voor grote werkgevers?
Op grond van het zesde lid van artikel 75c is de bedrijfsvereniging verplicht een boete op te leggen aan de eigen risicodragende werkgever indien deze laatste niet, of niet naar behoren de arbeidsongeschikte heeft begeleid. De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op het volgende. Wanneer de werkgever in beroep gaat tegen deze beslissing zal de beroepsrechter, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de voorgestelde bepaling, er vanuit moeten gaan dat deze boete evenredig is als er sprake is van het niet voldoen aan de minimum-eisen die het Tica stelt ten aanzien van de begeleiding door de eigen-risicodrager van zijn arbeidsongeschikt geworden personeel. Toch is het niet uitgesloten dat de rechter maatregelen als deze blijft toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en kunnen er veel vernietigingen van sanctiebesluiten volgen. Deze leden willen in dit verband ook wijzen op hetgeen het Tica in haar uitvoeringstechnisch commentaar aangeeft. Het Tica geeft aan dat de bedrijfsvereniging feitelijk al op verschillende momenten in de eerste 3 jaar van de uitkering contact hebben gehad met de werkgever in verband met de claimbeoordeling per einde wachtjaar, de herbeoordeling na een jaar arbeidsongeschiktheidsuitkering en per einde van de eerste drie jaar van de uitkering in verband met verdere voortzetting van de uitkering. In die contacten kan de bedrijfsvereniging al belangrijke signalen hebben opgepikt over de gang van zaken rond de begeleiding en zou het redelijk zijn dat zij hierover contact zou hebben opgenomen met de werkgever. Indien zij dit niet heeft gedaan zou de rechter de rauwelijkse oplegging van de boete na drie jaar als onzorgvuldig kunnen aanmerken en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Graag een reactie hierop van de regering.
De leden van de D66-fractie vragen de regering inzicht te geven in de invulling van de ministeriële regeling die de mogelijkheid biedt specifieke kosten te maximeren.
De leden van de D66-fractie constateren dat de eigen-risicodrager de bedrijfsvereniging kan verzoeken een adequate maatregel te treffen als de werknemer zonder deugdelijke grond weigert medewerking te verlenen. Deze leden vragen de regering wat er gebeurt als de adequate voorziening scholing betreft en de werknemer er om die reden niet voor voelt. En wat gebeurt er als het dispuut gaat over hervatting in aangepast werk of functie? Hoe diep moet de bedrijfsvereniging dan erin duiken om hetzij de werkgever, hetzij de werknemer in het gelijk te stellen. Komen de kosten die met dit soort beoordelingen samenhangen ten laste van de publieke sector? Graag een reactie van de regering.
Het Tica geeft in haar uitvoeringstechnisch commentaar aan dat in de wet geen regeling is getroffen voor de situatie, waarin de werkgever/omslaglid de onderneming doet overgaan naar een andere werkgever/omslaglid en deze nieuwe werkgever eerst bij aanvang van de activiteiten of daarna het eigen-risicodragerschap aanvraagt. De nieuwe werkgever kan niet worden belast met de uitbetaling van de uitkeringen van de werknemers van wie de eerste ongeschiktheidsdag lag voor de aanvang van het eigen-risicodragerschap. Bepalend is immers voor de verplichting de lopende gevallen af te financieren dat op het moment van de overgang de verkrijger reeds eigen risicodrager was, hetgeen zich hier niet voordoet. De memorie van toelichting suggereert echter dat de verkrijger die nog geen eigen-risicodrager is op het moment van de overgang ook de lasten van lopende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de overdrager moet financieren. Het blijft van belang om bij overnames, fusies en splitsingen de verschillende arbeidsongeschiktheidsverplichtingen te kunnen onderscheiden. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop in te gaan.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering duidelijkheid te geven wie de arbeidsongeschiktheidslasten moet dragen wanneer een onderneming naar het buitenland gaat verhuizen.
In de memorie van toelichting staat dat de bedrijfsvereniging – aan de hand van een aantal feitelijke gegevens – moet vaststellen of sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 75d, derde lid. De leden van de D66-fractie merken op dat sommige feitelijke omstandigheden, zoals het feit of de klantenkring al dan niet wordt overgedragen, voor een bedrijf onder bedrijfsgeheim kunnen vallen en zijn van mening dat zo de beoordeling of de identiteit van het bedrijf bewaard blijft of niet, bemoeilijkt kan worden. Graag een reactie van de regering.
De situatie kan zich voordoen dat tijdens de vijfjarige eigen-risicoperiode een reïntegratiemaatregel wordt genomen die doorloopt na die periode van vijf jaar. Wie, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, betaalt de kosten in het zesde en volgende jaar? Indien die kosten worden vergoed uit de sectorale arbeidsongeschiktheidskas, zou dan de bedrijfsvereniging niet moeten worden betrokken bij de besluitvorming over zo een reïntegratiemaatregel?
Artikelen 76c, 76d, 76e en 76f
De leden van de D66-fractie vragen de regering aan te geven welke voorzieningen, en onder welke voorwaarden, ten laste kunnen komen van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas ten behoeve van personen die de wachttijd bedoeld in artikel 19, eerste lid van de WAO doormaken. In de toelichting (blz. 84) staat dat het hier betalingen betreft die betalingen die betrekking hebben op de eerste zes jaar te rekenen vanaf de dag waarop de verzekerde arbeidsongeschikt wordt. Deze leden vragen of er een mogelijkheid is om met terugwerkende kracht een beroep te doen op de sectorale arbeidsongeschiktheidskas indien later blijkt dat de verzekerde arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en niet alleen in de zin van de Ziektewet.
In artikel 76c is geregeld welke gelden ten gunste van het Aof komen. Niet is geregeld dat op grond van artikel 57 WAO teruggevorderde uitkeringsbedragen over perioden na afloop van de eerste vijf jaar ten gunste van het Aof komen en dat de bedragen die op grond van artikel 46 WAO in rekening worden gebracht bij de werkgever ten gunste van het Aof of de sectorale arbeidsongeschiktheidskas komen. Graag een reactie van de regering.
In het wetsvoorstel wordt op verschillende plaatsen gerefereerd aan artikel 16a en 16b WAGW. Deze verwijzing spoort niet met de huidige tekst van de WAGW. Graag een reactie van de regering.
Het Tica geeft in haar uitvoeringstechnisch commentaar aan dat als gevolg van samenstel van de regelingen WAO en WW uitkeringslasten ten behoeve van de werkloze werknemer die arbeidsongeschikt wordt, verschuiven van een landelijk fonds naar de sectorale kas. Dit kan voor bedrijfstakken, waarin veel met tijdelijke contracten of met uitzendkrachten wordt gewerkt, een zware belasting betekenen. Ook kunnen uitkeringslasten terecht komen bij een andere sector dan die waarin belanghebbende laatstelijk heeft gewerkt, indien belanghebbende arbeidsongeschikt wordt vanuit een WW-uitkering die is herleefd na een korte periode van werken in een andere sector. De leden van de fractie van D66 vragen aan de regering of dat is bedoeld.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering van personen die aanspraak op uitkering ontvangen na eerst vanuit het vangnet van de ZW ziekengeld te hebben ontvangen, komen ten laste van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas. De leden van de D66-fractie vragen de regering of dit is bedoeld.
In artikel 76e is bepaald welke gelden ten gunste van een sectorale arbeidsongeschiktheidskas komen. Niet is geregeld dat met toepassing van artikel 57 teruggevorderde bedragen ter zake van ten onrechte verstrekte uitkering over eerste vijf jaren ten gunste van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas komen. Niet is geregeld dat de bedragen die op grond van artikel 46 in rekening worden gebracht bij de werkgever ten gunste van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas komen. Graag een reactie van de regering.
De leden van de D66-fractie nemen aan dat de verplichting van het Tica om de uitgaven van de bedrijfsverenigingen met betrekking tot de reïntegratiemaatregelen die ten laste kunnen worden gebracht van het Aof en om de sectorale arbeidsongeschiktheidskas te binden aan een maximum per kalenderjaar, de begeleiding naar de arbeidsmarkt nooit in de weg mag staan. Graag een reactie van de regering.
In artikel 76g staat maximering door het Tica van gelden gemoeid met reïntegratie ten laste van Aof en sectorale arbeidsongeschiktheidskassen. De leden van de D66-fractie vragen of hier ook de maximering door het Tica voor FAOP en Defensie moet worden betrokken.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering of de maximering via een ministeriële regeling alleen bedoeld is met het oog op de eigen-risicodrager of dat dit ook kan geschieden voor de niet-eigen risicodrager?
De kosten welke voor rekening komen van de eigen-risicodrager in het geval de bedrijfsvereniging zijn reïntegratietaak overneemt, kunnen worden gemaximeerd, zo constateren de leden van de D66-fractie. Het is deze leden alleen niet duidelijk in hoeverre deze maximering dezelfde is als die met betrekking tot de artikelen 64, 65, eerste lid en 65b. Graag een reactie van de regering.
De leden van de fractie van D66 vragen of de regering duidelijkheid kan geven over de inhoud van de regels die het Tica kan stellen omtrent verrekening tussen het Aof en de bedrijfsverenigingen van ontvangen premies en overige ontvangsten enerzijds en van verstrekte uitkeringen en gemaakte kosten anderzijds.
De leden van de D66-fractie vragen de regering de criteria aan te geven op grond waarvan het Tica de basispremie vaststelt en op grond waarvan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn goedkeuring aan deze vaststelling kan onthouden.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering in te gaan op het in het technisch commentaar gedane voorstel van het Tica om de nadere omschrijving van personen die onder de werkingssfeer van de regeling premiekorting voor werkgevers die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst nemen en/of omzet genereren voor een WSW-bedrijf af te stemmen met de omschrijving op grond van de regeling arbeidsbemiddelingstaak WAGW, inclusief de nadere invulling daarvan door het Tica.
De leden van de RPF-fractie informeren hoe artikel 77b in de praktijk moet worden uitgevoerd.
De leden van de PvdA-fractie vragen of hier niet kan worden volstaan met de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 1, onder b, sub 4, WAGW. Indien dat niet het geval is, ontstaat dan niet het risico van begripsverwarring vanwege verschillende definities, zo vragen zij.
In de toelichting op dit artikel stelt de regering, in een reactie op het Tica-voorstel, dat sectoren geen bevoegdheid krijgen de aanpassingscoëfficiënt vast te stellen omdat de sectoren anders een te grote vrijheid krijgen en daardoor volgens het Europees mededingingsrecht niet langer publieke, maar private ondernemingen zullen zijn. Is die vrijheid ook ingeperkt indien de sectoren een adviesrecht zouden krijgen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering inzicht te geven in de inhoud van de regels, die kunnen worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de wijze waarop bedrijfsverenigingen de opslagen en kortingen moeten berekenen, alsmede in de manier waarop de vaststelling van de percentages die ten hoogste en die ten minste aan de werkgevers in rekening moeten worden gebracht zal gebeuren.
Het is de leden van de D66-fractie niet duidelijk hoe premie wordt betaald in geval de werknemer recht heeft op een WAO-uitkering met daarop een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Graag een reactie van de regering.
De leden van de fractie van D66 merken op dat het niveau van de aanpassingscoëfficiënt de mate bepaalt waarin premie-opslag of korting ten opzichte van het voorgaande jaar wordt bijgesteld. Deze leden hechten er dan ook aan dat er duidelijkheid komt met betrekking tot de vaststelling van deze aanpassingscoëfficiënt en vragen de regering welke criteria er worden gehanteerd ter vaststelling daarvan, welke de criteria zijn voor de vaststelling van de kring van ondernemingen waarvoor een bepaalde coëfficiënt gaat gelden en de criteria die worden gehanteerd voor de bepaling of een onderneming groot of klein is.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering op grond van welke criteria de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boven- en ondergrens aan het premieniveau kan stellen, en of deze bovengrens of ondergrens voor alle niet eigen risicodragende ondernemingen geldt of dat er ook voor een individuele werkgever een boven- of ondergrens kan worden gesteld.
De leden vragen de regering te reageren op de opmerkingen die het Tica maakt in haar technisch commentaar op het onderhavige wetsvoorstel ten aanzien van de beschikbaarheid van de benodigde gegevens. Het Tica geeft in dit commentaar aan dat in hoofdlijnen de benodigde informatie bij de bedrijfsvereniging aanwezig is, maar plaatst de opmerking dat bij bepaalde groepen werkgevers, de koppeling werkgever–arbeidsongeschikte op grote problemen kan stuiten. Verder geeft het Tica aan dat de vraag in hoeverre de benodigde gegevens beschikbaar zijn, afhankelijk is van de exacte invulling van het arbeidsongeschiktheidsrisico. Het Tica stelt dat duidelijk moet zijn welke uitkeringen moeten worden toegerekend en hoe dat dient te geschieden. De leden van de D66-fractie vragen de regering in te gaan op deze onduidelijkheden.
De leden van de D66-fractie constateren dat gelden uit het Aof kunnen worden overgeheveld naar de sectorale fondsen. Het Tica stelt in haar technisch commentaar op deze wet dat dit onzekerheid schept bij de Tica-fondsen. Deze leden vragen de regering wat de inhoud is van de regels die bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering of er richtlijnen zijn met betrekking tot de lengte van de periode van overheveling voordat wordt overgegaan tot wijziging van de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven op grond van artikel 39 OSV en de erkenning van een bedrijfsvereniging in te trekken.
In artikel 88, onder a, wordt de definitie van een medisch besluit gegeven. De leden van de fractie van D66 hechten eraan dat er over de term medisch besluit geen onduidelijkheid kan ontstaan en vragen de regering hoe wordt aangegeven dat een besluit een medisch besluit is of op een later tijdstip is geworden.
De leden van de D66-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het feit dat de regering het niet wenselijk acht dat de bedrijfsvereniging reeds direct na het indienen van de aanvraag aan de werknemer de vraag voorlegt of hij toestemming wil geven. Deze leden zijn van mening dat de werknemer zich goed moet kunnen beraden of hij al dan niet zijn toestemming wil geven.
De leden van de D66-fractie zijn niet geheel overtuigd van het feit dat de niet eigen-risicodrager niet als belanghebbende kan worden aangemerkt met betrekking tot beslissingen genomen ten aanzien van zijn werknemers. Zij vragen de regering om een reactie.
Bij bezwaar van de werkgever tegen een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een werknemer kan de situatie ontstaan dat zonder toestemming van de werknemer zijn medische gegevens worden verstrekt aan een geneeskundige die met mandaat van de werkgever, doch zonder persoonlijk contact met de werknemer, oordeelt over de medische situatie van de betrokken werknemer. De leden van de D66-fractie merken op dat in zo'n situatie geen correctiemogelijkheid bestaat voor de patiënt/werknemer; ook is er geen arts–patiënt-relatie, wat maakt dat de positie van de betrokken geneeskundige en de werknemer onduidelijk is. Graag een reactie van de regering. De leden van de fractie van D66 zetten vraagtekens bij de mandatering aan een arts in dienst van de verzekeraar van de werkgever. Het belang van de verzekeraar zal dan immers ook in het oog worden gehouden door deze arts. Hierdoor komt de verzekeraar, volgens de memorie van toelichting (blz. 95) geen partij, toch als partij aan tafel. In dit verband verwijzen de leden van de D66-fractie naar het bericht dat arbo-diensten en verzekeraars de regels van de Wet Persoonsregistratie schenden (Arbo & Milieu, april 1996) en naar de vragen die naar aanleiding van dat bericht zijn gesteld aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Graag een reactie van de regering.
In verband met artikelen 88c en 88d vragen de leden van de RPF-fractie of het denkbaar is dat artsen in dienst van een private verzekeraar of een aan die verzekeraar gelieerde arbodienst kunnen optreden als gemachtigde van die werkgever. Zo ja, is dat wenselijk?
Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Boogaard (Groep Nijpels), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD).
Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Esselink (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), vacature (CD), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (U55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24698-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.