nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 11 februari 1997
Tijdens de behandeling van de begroting van Economische Zaken hebben enkele
leden van uw Kamer aangegeven te willen vernemen hoe het onderzoek en de ontwikkeling ten behoeve van de toepassing van kernenergie op peil
zal worden gehouden, nu de kerncentrale Dodewaard binnenkort wordt stilgelegd.
Het voornemen daartoe houdt tevens een wijziging in van het E-plan, welke
ik u in mijn brief van 8 januari 1997 (24 694, nr. 5) heb voorgelegd
en welke tijdens een Algemeen Overleg op 17 februari 1997 zal worden besproken.
Voorafgaande daaraan wil ik nog eens kort uiteenzetten wat mijn beleid op
het gebied van het kernenergie-onderzoek is.
Aan het Sep-besluit om de kerncentrale Dodewaard te sluiten hebben enkele
factoren ten grondslag gelegen. Allereerst de afgenomen betekenis, die de
kerncentrale had voor de toepassing en ontwikkeling van de kernenergie in
ons land. Deze centrale is van meet af aan bedoeld geweest om ervaring op
te doen met de toepassing van deze energiebron. Het argument van de sector,
dat voortzetting van de bedrijfsvoering niet zinvol is, omdat in elk geval
een hiaat ontstaat tussen het bedrijf van Dodewaard en een eventuele volgende
nieuwe kerncentrale, is mijns inziens valide. Daarbij speelt ook een rol,
dat niet alleen in ons land op dit moment van verdere uitbreiding van kernenergie
wordt afgezien, maar dat in de hele westerse wereld sprake is van stagnatie.
Deze stagnatie leidde ertoe, dat het project, waarin Dodewaard centraal stond,
de ontwikkeling van de passief-veilige SBWR (2e generatie), begin vorig jaar
in de Verenigde Staten werd gestopt. Ook dat verminderde het belang van deze
reactor.
Daarbij komt nog de vraag of continuering van de bedrijfsvoering van Dodewaard
de beste en meest efficiënte manier zou zijn om de nucleaire optie open
te houden. De sector is tot de conclusie gekomen, dat het antwoord op deze
vraag ontkennend is. Ook dat standpunt is mijns inziens valide.
In grote lijnen heb ik mijn visie over het te voeren beleid op dit gebied
neergelegd in de derde Energienota (Kamerstukken 24 525 nummer 2), na
een eerdere bespreking met u over de verdeling van de onderzoeksmiddelen over
de verschillende onderzoekslijnen, die op mijn begroting voorkomen (Tweede
Nota van Wijziging bij de EZ-begroting 1995 ). Ik meen dat het geformuleerde
beleid nog immer actueel is. De uitgangspunten, die hieraan ten grondslag
liggen, zijn:
– dat niet kan worden uitgesloten, dat onder gewijzigde omstandigheden
in de toekomst kernenergie in onze energievoorziening een rol zal gaan spelen;
– dat feitelijk een substantieel deel van de elektriciteit in Europa
met kerncentrales wordt opgewekt en dat ongevallen, die ook ons kunnen treffen,
niet zijn uitgesloten;
– dat er een zorg is voor het bestaande radioactieve afval en voor
de ontmanteling van Dodewaard en te zijner tijd Borssele.
Om al deze redenen vind ik dat in ons land een zeker niveau aan nucleaire
kennis moet worden gehandhaafd.
De op mijn begroting opgenomen middelen voor nucleair onderzoek belopen
op jaarbasis gemiddeld ongeveer f 17 miljoen. Dit bedrag vindt voornamelijk
zijn weg naar ECN. Bovendien is om het bedrijf van de HFR (Hoge Flux Reactor)
in Petten mogelijk te maken een op jaarbasis ongeveer evengroot bedrag aan
de Europese Unie toegezegd.
De onderlinge samenhang tussen deze twee activiteiten is groot en versterkt
de basis voor beide. Daarnaast is er een spin-off naar gelieerde activiteiten,
die op commerciële basis plaatsvinden. Daardoor wordt het draagvlak van
het nucleaire onderzoek versterkt. Genoemd kunnen worden de productie van
radio-isotopen voor medische en industriële toepassingen en het onderzoek
naar geavanceerde materialen.
Zoals reeds in de Nota «Kennis in beweging» werd verwoord,
is mijn streven erop gericht om het door de overheid gefinancierde onderzoek
nauwer te doen aansluiten bij de markt. Daartoe vindt met ingang van 1997
ook de aansturing van de nucleaire lange-termijn onderzoekprogramma's van
ECN plaats op basis van adviezen van een externe commissie, waarin betrokkenen
uit de industrie, energiesector, wetenschap en overheid zitting hebben.
De geschetste uitgangspunten in de derde Energienota wijzen in de richting
van een verdergaande internationale samenwerking op het gebied van het nucleaire
onderzoek. Dat betreft zowel de reactorveiligheid (inclusief reactorontwikkeling),
als de problematiek van de ontmanteling en het afval. Een dergelijke ontwikkeling,
die bekend staat als het «Michel Angelo initiative», is in Europa
recent op gang gekomen. Daarbij werken 14 vooraanstaande nucleaire instituten,
waaronder ECN nauw samen. Opmerkelijk is daarbij, dat een verdere gezamenlijke
intensivering wordt voorzien van het soort onderzoek, waarmee ECN een jarenlange
voorsprong opbouwde. Steekwoorden zijn daarbij ontwikkeling van tweede en
derde generatie kernreactoren (respectievelijk passief veilig en inherent
veilig), nucleaire actinidenverbranding (als technologische oplossing van
het radioactieve afvalprobleem) en geavanceerd materialenonderzoek. Voor de
laatstgenoemde onderwerpen speelt HFR een rol van betekenis. Deze samenwerking
zal verder gestalte krijgen in het 5e Kaderprogramma van de Europese Unie.
Mijn conclusie is, dat met de onderzoeksactiviteiten, die vanuit de begroting
van EZ worden ondersteund, in voldoende mate de nucleaire optie wordt opengehouden.
Er blijft daardoor adequate kennis in ons land beschikbaar voor de behandeling
van de huidige en toekomstige nucleaire vraagstukken. Daarnaast
is de competentie toereikend voor een eigen inbreng in het internationale
onderzoek, waarbij tevens toegang wordt verkregen tot ontwikkelingen elders.
De Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers