B
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 6 februari
1996 en het nader rapport d.d. 25 maart 1996, aangeboden aan de Koningin door
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het advies van de Raad
van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 4 december 1995, no. 95.008388, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de
Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie
van toelichting tot wijziging van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (adviesorganen).
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 4 december
1995, nr. 95.008388, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
betreffende het bovenvermelde ontwerp rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 6 februari 1996, no. W13.95.0653, bied ik u hierbij
aan.
1. In de toelichting op artikel I wordt ten aanzien van onderdeel E gesteld
dat de laatste volzin van artikel 29, eerste lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening
(WOG) wordt geschrapt, omdat het in casu de mogelijkheid van een ongevraagd
advies betreft, hetgeen niet meer strookt met de ideeën omtrent de functie
van adviesorganen. Ten aanzien van deze stelling merkt de Raad van State op
dat artikel 29, eerste lid, tweede volzin, WOG niet alleen spreekt over advisering
uit eigen beweging, maar ook advisering op verzoek noemt. Voorts is ongevraagde
advisering weliswaar in het nieuwe adviesstelsel geen uitgangspunt meer, maar
artikel 17 van de ontwerp-Kaderwet adviescolleges (Kamerstukken II 1995/96,
24 503) geeft adviescolleges nog steeds de bevoegdheid om de minister
die het aangaat uit eigen beweging te adviseren. Ten slotte rijst de vraag
of de adviestaak van het College ter beoordeling van geneesmiddelen door een
ander adviescollege zal worden overgenomen, nu deze taak uit artikel 29, eerste
lid, WOG wordt geschrapt.
Gelet hierop adviseert de Raad de toelichting op artikel I, onderdeel
E, te nuanceren en aan te vullen.
1. De Raad merkt terecht op dat de laatste zin van het eerste lid van
artikel 29 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening niet alleen spreekt
over advisering uit eigen beweging door het College ter beoordeling van geneesmiddelen,
maar ook advisering op verzoek noemt. De Raad wijst er voorts terecht op dat
adviesorganen in het nieuwe adviesstelsel nog steeds de mogelijkheid hebben
ongevraagd advies uit te brengen.
Naar aanleiding van deze opmerkingen is in de memorie van toelichting
de tekst met betrekking tot onderdeel E van artikel I zodanig gewijzigd dat
zij met die opmerkingen in lijn is gebracht. Duidelijker is tot uitdrukking
gebracht dat beoogd is het College ter beoordeling van geneesmiddelen geen
adviesorgaan meer te doen zijn.
Naar aanleiding van de bij de Raad gerezen vraag of een ander adviescollege
bedoelde adviestaak overneemt, merk ik op dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg
krachtens artikel 36 van de Gezondheidswet reeds belast is met het verstrekken
van inlichtingen aan de minister met betrekking tot vraagstukken op het gebied
van de volksgezondheid. Daaronder vallen ook voorstellen met betrekking tot
het voorkomen van schade voor de gezondheid van de mens bij gebruik van geneesmiddelen.
2. Artikel 30 WOG bevat een bepaling met betrekking tot de Keuringsraad
voor de aanprijzing van geneesmiddelen. Ten aanzien van deze raad is in de
notitie van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, getiteld «Toekomstige
advies- en uitvoeringsstructuur Volksgezondheid en zorggerelateerde dienstverlening»
gesteld dat deze nooit is opgericht (Kamerstukken II 1994/95, 24 218,
nrs.1, blz.12).
Gelet op deze stelling rijst de vraag of artikel 30 WOG niet kan vervallen,
omdat er blijkbaar geen behoefte bestaat aan de genoemde raad, dan wel of
voorzienbaar is dat de raad binnen afzienbare tijd toch zal worden opgericht.
Het college beveelt aan artikel 30 WOG te laten vervallen, doch in ieder geval
in de toelichting uitsluitsel te geven over het voortbestaan van de Keuringsraad
voor de aanprijzing van geneesmiddelen.
2. De Raad vraagt zich af of artikel 30 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening
niet kan vervallen.
Ik merk op dat in het momenteel bij de Tweede Kamer in behandeling zijnde
wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (Kamerstukken
II, 1994–1995, 23 959, nrs. 1–2) reeds in vervanging van
dat artikel is voorzien. Het komt mij in dat licht niet noodzakelijk voor
hierover in de memorie van toelichting iets op te nemen.
3. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de
bij het advies behorende bijlage.
3. Met de door de Raad gemaakte redactionele opmerkingen is in het voorstel
van wet en de memorie van toelichting rekening gehouden.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening
zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State,
W. Scholten
Ik moge u verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en
de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
te zenden.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 6 februari 1996, no.
W13.95.0653, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft
– In de considerans de daar bedoelde specifieke ontwikkeling binnen
de Europese Unie op het terrein van de regelgeving ter zake van geneesmiddelen
gelet op aanwijzing 119 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) preciseren
door aan te geven in verband met welke richtlijn de taak van het College ter
beoordeling van geneesmiddelen wordt gewijzigd.
– In de memorie van toelichting bij de verwijzing naar een richtlijn
aanwijzing 89, tweede lid, Ar steeds nauwkeurig in acht nemen en de juiste
benaming van de richtlijn hanteren.