Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24649 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24649 nr. 5 |
Vastgesteld 12 juni 1996
De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen.
Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij onderschrijven de doelstelling hiervan om het afstammingsrecht en de regeling van adoptie aan te passen aan de eisen van deze tijd en «dor hout» te kappen. De betekenis van «family live» is in het bijzonder verwerkt in dit wetsvoorstel, wat vaak leidt tot een rechterlijke afweging van belangen tussen relaties van verschillende personen en een kind. Kan overigens een schatting worden gemaakt van de extra werklast die deze toeneming van rechterlijke belangenafweging met zich meebrengt?
De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in de uitgangspunten van het wetsvoorstel, te weten het vervallen van het onderscheid tussen wettige en onwettige kinderen, gelijkstelling van de mogelijkheden tot ontkenning van het vaderschap voor de vader en moeder, het handhaven van het vereiste van de toestemming van de moeder voor erkenning van het kind, verval van het vereiste van huwelijk voor adoptie en het verval van de maximum leeftijdsgrens voor adoptiefouders.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel, dat afstammingsrecht en de adoptie op een aantal onderdelen herziet en aanpast aan de ontwikkelingen in de samenleving en aan uitspraken van rechters in het kader van «family live».
Deze leden hebben er behoefte aan nadrukkelijk te stellen dat het belang van het kind in de beoordeling van de voorliggende wijzigingen zwaar zal wegen. Immers, kinderen komen in afhankelijkheid op de wereld en zij zijn degenen die op dat ogenblik geen keuze hebben.
Het enige dat met zekerheid is vast te stellen, is dat een kind altijd een (vader en een) moeder heeft. Vanuit een ideaal-situatie geredeneerd worden en zijn de natuurlijke ouders ook de juridische ouders van het kind en volgt op die manier de afstamming een natuurlijke lijn. Afstamming en gezag horen volgens deze leden dan ook bij elkaar en zijn meer dan alleen opvoeden.
De leden van de VVD-fractie hebben met erkentelijkheid kennis genomen van dit wetsvoorstel.
Sinds het wetsvoorstel 20 626 uit 1987–1988 heeft zich op het gebied van het afstammingsrecht een aantal ontwikkelingen voorgedaan, dat een groot aantal vragen en opmerkingen die de leden van de VVD-fractie hadden bij dat wetsvoorstel thans overbodig maakt.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. De noodzaak van aanpassing van het afstammingsrecht en adoptierecht staat al lange tijd vast. Veranderde maatschappelijke visies op huwelijkse en niet-huwelijkse relaties en op ouderschap, alsmede de internationale ontwikkelingen op het gebied van wetgeving en jurisprudentie rechtvaardigen een afstammingsrecht dat is aangepast aan de eisen van deze tijd. Het verheugt deze leden dan ook dat het wetsvoorstel er nu ligt. Het voorstel kan in grote lijnen hun goedkeuring wegdragen. Op onderdelen hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie stellen vast dat in het wetsvoorstel de natuurlijke afstamming meer dan voorheen het uitgangspunt is geworden. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de biologische vader en het kind in het wetsvoorstel meer ruimte krijgen om een erkenning in strijd met de biologische waarheid aan te tasten. Daarnaast wordt de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap voorgesteld en worden de mogelijkheden tot aantasting van het door huwelijk ontstane vaderschap verruimd.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben met instemming kennis genomen van dit wetsvoorstel, dat in hun ogen een aanzienlijke verbetering betekent voor de eerbiediging van het recht op «family life» tussen ouders en kinderen.
Zo juichen zij het toe dat het onderscheid tussen wettige, onwettige en natuurlijke kinderen vervalt. Dit onderscheid kan immers stigmatiserend zijn voor natuurlijke kinderen en is niet in hun belang. Naar de mening van deze leden komt in het nieuwe wetsvoorstel het belang van het kind een grotere plaats toe dan voorheen: het wordt evenredig aan het belang van de betrokken volwassenen.
De leden van de RPF-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij stellen vast dat het personen- en familierecht, waaronder de bepalingen die betrekking hebben op het afstammingsrecht, bepaald geen «rustig» bezit vormt. Dit recht is gedurig in beweging. Daarbij is in veel gevallen vooral de positie van de wettige dan wel onwettige kinderen in het geding, om de terminologie van het huidige recht te gebruiken. Recenter is de sterke invloed van het EVRM en het daaruit voortvloeiende recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven van belang. Op zichzelf beschouwen deze leden de vele bewegingen op dit terrein niet zonder zorg. Het recht is er immers om zekerheid te bieden, zeker op een gevoelig terrein als de afstamming en de adoptie. Regelmatige wijzigingen bevorderen die zekerheid niet.
De historie overziende lijkt het er op dat in toenemende mate in het afstammings- en adoptierecht aan het belang van het kind het zwaarste gewicht wordt toegekend. Dat belang is meer en meer doorslaggevend waar het gaat om de vaststelling of sprake is van een familierechtelijke betrekking met de ouder.
Ook lijkt het er op dat meer dan in het verleden de feitelijke biologische waarheid doorslaggevend is. Al blijft de erkenning een constitutieve handeling van juridische aard, meer dan in het verleden kan deze met succes op grond van biologische waarheden worden gevestigd of juist aangetast.
Daartegenover heeft de factor «huwelijk» aan belang ingeboet; dit in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen. Hoewel de leden van de RPF-fractie zich goed kunnen voorstellen dat het belang van het kind in dit rechtsgebied zeer zwaar weegt, betreuren zij op zichzelf genomen het verlies aan gewicht van het huwelijk in het recht. Bij enkele concrete voorstellen komen zij daarop terug.
Nadat verschillende eerdere pogingen zijn gedaan, is het huidige kabinet met een nieuw voorstel tot modernisering van het afstammingsrecht gekomen. Zonder op dit moment al tot definitieve oordelen te komen, geven de voorstellen de leden van de RPF-fractie aanleiding tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen.
De leden van de SGP-fractie hebben met zeer gemengde gevoelens van het wetsvoorstel kennis genomen.
Zij onderschrijven overigens het uitgangspunt dat Nederland met zijn afstammingsrecht moet aansluiten bij de natuurlijke afstamming en bij het natuurlijk gegeven dat een kind uit de gemeenschap van een vrouw en een man wordt geboren. Er bestaat bij hen evenwel geen behoefte om feitelijk bestaande verzorgings- en opvoedingsrelaties rechtens een bepaalde erkenning te geven door koppeling aan het afstammingsrecht.
Hun bezwaar tegen het wetsvoorstel inzake de samenlevingsregistratie (23 761), voor zover relevant in het kader van dit wetsvoorstel, beschouwen zij als hier herhaald. Deze leden erkennen voorts dat de kunstmatige voortplanting ons voor de vraag stelt of, en zo ja, in welke mate wij kunnen dan wel moeten vasthouden aan het uitgangspunt dat de rechtens erkende afstamming dient te berusten op biologische relaties. Zij stellen op dit punt de vraag of duidelijk gemaakt kan worden op welke wijze er afstemming heeft plaatsgevonden met wetsvoorstel 23 207 over het recht op afstammingsinformatie.
Deze leden leggen enkele vragen voor met betrekking tot de erkenningsmogelijkheden.
De leden van de GPV-fractie hebben met de nodige terughoudendheid kennis genomen van dit wetsvoorstel. Deze leden constateren dat door een zich wijzigende huwelijksmoraal in nieuwe wetgeving op het terrein van het familierecht het accent meer en meer op de bescherming van het kind komt te liggen in plaats van het huwelijk. De noodzaak daarvan ontkennen deze leden niet, maar de wetgever mag er volgens van deze leden niet de ogen voor sluiten dat het belang van het kind ook gediend is met het zo veel mogelijk in ere houden van het huwelijk als rechtsinstituut. Het vervult de leden van de GPV-fractie met zorg dat steeds meer kinderen buiten het huwelijk worden geboren. Deze leden menen dan ook dat de afstammingswetgeving – zover als mogelijk is – als uitgangspunt moet nemen het geboren worden van kinderen binnen het huwelijk.
De leden van de GPV-fractie wijzen er voorts op dat het belang van het kind niet alleen vergt dat er goede regels zijn voor het afstammingsrecht, maar evenzeer voor het verschaffen van waarheid over diens biologische identiteit. Een regeling daartoe is niet in dit wetsvoorstel opgenomen, hetgeen deze leden als een gemis ervaren. Zij staan voorts zeer sceptisch tegenover de voorgestelde verruiming van de voorwaarden van adoptie van Nederlandse kinderen. Deze algemene beoordeling van het wetsvoorstel lichten deze leden toe in enkele beschouwingen over de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel. Voor een goed begrip van het voorstel van wet stellen deze leden voorts enkele vragen.
De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij stemmen in grote lijnen in met de inhoud daarvan.
De regering stelt dat het afstammingsrecht nu aan de eisen van deze tijd wordt aangepast en dat daarnaast is getracht stroomlijning aan te brengen in de bepalingen over de afstamming. De leden van de SP-fractie missen echter in de toelichting een visie van de regering op het afstammingsrecht. Kan de regering die alsnog geven, zo vragen zij.
Deze leden hebben de indruk dat dit wetsvoorstel beoogt de biologische en sociale realiteit van de natuurlijke afstamming te laten prevaleren boven de veelal bestaande juridische fictie in het afstammingsrecht. Kan de regering de vraag beantwoorden of deze indruk juist is?
De betekenis van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven uit artikel 8 EVRM voor het afstammingsrecht
De leden van de CDA-fractie twijfelen of gedwongen erkenning tot de mogelijkheden moet behoren. In het kader van het aanvaarden van verantwoordelijkheden past de mogelijkheid van een gedwongen erkenning. Maar het is denkbaar, dat de biologische vader in een situatie verkeert dat de gedwongen erkenning zelfs nadelige effecten kan hebben voor kinderen uit een dan bestaande relatie. In de memorie van toelichting wordt gedacht aan een gedwongen erkenning als er een samenlevingscontract aanwezig was. Wordt dit als de enige mogelijkheid verondersteld?
De onderhoudsverplichting verjaart niet na een periode van vijf jaar. Hoewel begrijpelijk in het kader van de gelijke behandeling van de verwekker die het kind wel erkend heeft ten opzichte van degene die dat niet heeft gedaan, is het de vraag of het redelijk is om via DNA-testen het verwekkerschap vast te stellen als in andere gevallen alleen het blote feit van de erkenning betekent dat het kind in een afstammingsrelatie staat. Graag ontvangen deze leden een nadere argumentatie van dit voorstel.
Ingevolge artikel 8 van het EVRM worden de beperkingen van de moeder tot ontkenning van het vaderschap van haar (ex-)echtgenoot opgeheven. De leden van de VVD-fractie achten dit juist in het licht van gerechtelijke uitspraken en de maatschappelijke ontwikkelingen.
Reeds bij wetsvoorstel 20 626 waren de leden van de VVD-fractie van mening dat het verbod tot erkenning door een gehuwde man dient te worden opgeheven. In dit wetsvoorstel vervalt deze bepaling ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad dat de wettelijke bepaling die het onder alle omstandigheden onmogelijk maakt dat een onwettig kind door zijn vader wordt erkend, zolang deze gehuwd is, een concrete belangenafweging uitsluit. Terecht stelt de regering dat het belang van het kind gebaat kan zijn bij erkenning door de verwekker. De leden van de VVD-fractie vragen in dit verband of hiervoor de toestemming noodzakelijk is van de wettige echtgenote van de gehuwde man die tot erkenning van een buitenechtelijk kind wil overgaan, ofwel of de wettige echtgenote (waarmee de verwekker wel of niet samenleeft) met een beroep op artikel 8 EVRM zich tegen deze erkenning kan verzetten.
Het is de leden van de VVD-fractie niet duidelijk wat het standpunt van de regering is over gedwongen erkenning. In de memorie van toelichting wordt enerzijds gerefereerd aan de uitspraak van de Hoge Raad (HR 3 april l992) waarbij de Hoge Raad erkent dat er sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling tussen kinderen die wel een afstammingsband met hun vader hebben en kinderen die daarvan verstoken blijven, maar dat dit desondanks buiten de rechtsvormende taak van de rechter valt. Anderzijds wordt gesteld dat de Hoge Raad overweegt dat in het midden kan blijven of iedere mogelijkheid om erkenning af te dwingen uitgesloten blijft, ook als het nalaten van erkenning in strijd komt met hetgeen de verwekker in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens het kind of de moeder, omdat op goede gronden vertrouwd mocht worden dat de erkenning zou plaatsvinden.
Blijft in een dergelijke situatie slechts de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap als enige mogelijkheid over, zo vragen deze leden.
Het Clara Wichman instituut en de Emancipatieraad zijn van mening dat het huidige afstammingsrecht niet voldoet aan de eisen van artikel 8 tweede lid van het EVRM, aldus de leden van de D66-fractie. Het blijven vasthouden aan het afstammingselement zou niet als legitiem doel kunnen worden beschouwd. Wat is de reactie van de regering hierop?
Naar aanleiding van de beschouwing in de memorie van toelichting over de betekenis en de reikwijdte van het begrip «family life» en een arrest van de Hoge Raad van 22 december 1995 vragen de leden van de GPV-fractie de regering nader in te gaan op de minimale voorwaarden die gesteld moeten worden aan «family life». In het bedoelde arrest verwierp de Hoge Raad de zienswijze van het Hof van Amsterdam dat voor het bestaan van vaderschap, de verwekking als voldoende «family life» mag worden aangenomen. Of de verwekking van een kind ook rechtsgevolgen heeft, hangt volgens de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval. Zowel het Hof van Amsterdam als de Hoge Raad hebben verder erkend dat een onderscheid kan worden gemaakt met betrekking tot de persoon die een beroep doet op artikel 8 EVRM, het kind of de ouder. Het is deze leden echter onduidelijk wat een kind anders dan het verwekkerschap van de ouder zou kunnen aanvoeren om het bestaan van «family life» aannemelijk te maken. Een en ander kan van belang zijn voor bij voorbeeld de vaststelling van een omgangsregeling. Deze leden vragen de regering nader in te gaan op de betekenis van artikel 8 EVRM in het geval een kind niet of nooit met zijn vader heeft samengeleefd maar wel kennis draagt van zijn verwekkerschap. Is het voorts niet wenselijk een minimum aan rechtsgevolgen te verbinden aan de verwekking van een kind als zodanig zonder dat de verwekker zich daaraan kan onttrekken? Op welke wijze worden de belangen van verwekker en kind gewogen?
Het is de leden van de GPV-fractie niet geheel duidelijk waarom de onderhoudsvordering jegens de verwekker gebonden is aan een verjaringstermijn van vijf jaren. Impliceert het verwekken van een kind niet dat de verwekker jegens dat kind verantwoordelijkheden heeft enkel en alleen omdat hij het kind bij de moeder verwekt heeft?
De betekenis van de artikelen 8 en 12 EVRM voor de adoptie
Uit beslissingen van de Europese Commissie kan worden opgemaakt dat aan artikel 8 EVRM geen recht op adoptie kan worden ontleend, zo merken de leden van de D66-fractie op. De motieven om adoptie slechts op beperkte schaal toe te staan, kunnen de toets van artikel 8 EVRM dus wel doorstaan. Dit voldoen aan de minimumeisen van het verdrag betekent naar de mening van deze leden echter niet dat er geen argumenten zijn die voor een ruimer standpunt pleiten. Het kan bij voorbeeld zo zijn dat een pleegkind geruime tijd een stabiele opvoedingsrelatie heeft gehad met de pleegouders (dit kan ook een paar zijn van hetzelfde geslacht). De juridische bevestiging van die relatie kan wel degelijk in het belang van het kind zijn. Ook bij de behandeling van de notitie Leefvormen (22 700 nr. 5) hebben deze leden hierop gewezen.
Het heeft de leden van de GPV-fractie verbaasd dat de regering voorstelt het adoptierecht uit te breiden tot de kring van de ongehuwd samenwonenden van verschillend geslacht, omdat de regering op bladzijde 6 van de memorie van toelichting vermeldt dat in artikel 12 EVRM een dergelijk recht tot adoptie niet opgesloten ligt. Deze leden zouden een nadere toelichting op dit wetsvoorstel in relatie tot artikel 12 EVRM op prijs stellen. Kan adoptie door ongehuwd samenwonenden door personen van verschillend en gelijk geslacht strijd opleveren met artikel 12 EVRM?
De begrippen vader, moeder, ouder en verwekker
De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in handhaving van het uitgangspunt dat de moeder van het kind de vrouw is die het kind heeft gebaard, ook als het genetisch materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. Een uitzondering op dit uitgangspunt zou denkbaar zijn in het geval de vrouw die het kind ter wereld bracht als draagmoeder heeft gefungeerd voor de wensouder(s) van wie het genetisch materiaal ook afkomstig is. Deze leden zijn, zoals ook is verwoord bij de behandeling van het wetsvoorstel tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met enige bepalingen strekkende tot het tegengaan van het commercieel draagmoederschap (Kamerstuk 21 968) tegen het in het leven roepen van wettelijke regelingen die het verschijnsel draagmoederschap zouden kunnen bevorderen. Op 4 maart 1995 heeft de staatssecretaris van Justitie bij beantwoording van kamervragen naar aanleiding van het feit dat kinderrechters bezwaar hadden gemaakt tegen het uitspreken van ontheffing uit de ouderlijke macht in geval van draagmoederschap op basis van de huidige wettekst, laten weten niet met wetswijziging te willen komen. Hoe verloopt thans de praktijk? Zijn er ook procedures – lopende of reeds beëindigde – waar een geschil tussen de draagmoeder en de wensouders – speelt of heeft gespeeld?
De leden van de PvdA-fractie vragen, evenals bij het wetsvoorstel geregistreerd partnerschap, waarom artikel 34 Boek 1 BW, het zogenaamde treurjaar van de weduwe, nog in stand moet worden gehouden. Terecht heeft, in het geval het huwelijk is ontbonden door echtscheiding, een kind dat binnen 306 dagen na ontbinding van het huwelijk wordt geboren de ex-man van de moeder niet meer van rechtswege tot vader. Waarom is dit ook niet het geval bij ontbinding van het huwelijk door overlijden? De vrouw kan immers door middel van de aangifte meedelen wie de vader is, haar overleden echtgenoot of haar huidige partner. Deze leden zien niet in waarom het belang van de overleden echtgenoot en van het kind om in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan, per definitie zwaarder weegt dan het belang van een ander die bij voorbeeld ook de verwekker kan zijn.
Ten aanzien van erkenning vragen deze leden of een onder curatele gestelde vader in geen enkele omstandigheid de mogelijkheid zou moeten krijgen om zijn kind te erkennen. Hoe verhoudt dit zich tot artikel 8 van het EVRM? Deze leden vragen de regering te willen reageren op het gestelde hierover in het artikel van Prof. J. de Boer in het Nederlands Juristenblad van 5 april 1996.
De leden van de PvdA-fractie vragen of de mogelijkheid van het kind tot ontkenning van het vaderschap wel altijd in het belang van het kind is. Zij vragen de regering of dit wel het geval is indien de vader indertijd heeft ingestemd met de KID, in vitro fertilisatie met donorzaad.
Hoe verhoudt zich deze mogelijkheid tot de in artikel 207 vierde lid geboden mogelijkheid aan het kind tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap over te gaan van de man die als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad?
Zou hierbij ook niet het risico kunnen ontstaan dat de ontkenning van het vaderschap oneigenlijk wordt gebruikt in verband met de uitoefening van het wilsrecht zoals dat nu zal worden voorgesteld in het op handen zijnde wetsvoorstel betreffende het versterferfrecht? De ex-vader die gehuwd is met de moeder van het kind, kan immers in dat geval niet anders beschouwd worden dan als stiefvader?
Kan overigens worden uiteengezet wanneer juridisch gezien sprake is van «instemming» met de daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad in artikel 203 derde lid? Moet deze toestemming schriftelijk of anderszins worden vastgelegd?
Met de regering zijn de leden van de CDA-fractie het eens dat beperking in de afstamming slechts gerechtvaardigd is, als een legitiem doel wordt gediend. Zo kunnen zij zich vinden in de redenering dat het niet meer als logisch kan worden beschouwd dat een kind dat binnen 306 dagen na de scheiding wordt geboren, van de gewezen echtgenoot zou zijn en dat het dus van deze persoon afstamt, met automatisch de juridische gevolgen. Dat erkenning door de biologische vader als wenselijk wordt beschouwd, is bijna een vanzelfsprekendheid, maar meer op papier dan in werkelijkheid. Wegens ingewikkelde relaties en situaties vereist dit een nadere afweging in het belang van het kind. Daarbij merken deze leden wel op dat de verantwoordelijkheid van de biologische vader op deze manier in bepaalde situaties geen recht kan worden gedaan. Dat kan zowel emotionele als financiële consequenties hebben.
De leden van de CDA-fractie stellen de vraag of alles dat in de samenleving gebeurt, ook in wetgeving te regelen is. De Raad van State vond het een gemiste kans om de leemtes in de regeling van de Wet donorgegevens kunstmatige inseminatie in dit wetsvoorstel te betrekken. In de memorie van toelichting kiest de regering daar niet voor, omdat het dit voorstel te boven gaat, maar volgens deze leden heeft het toch veel raakvlakken met de nu voorgestelde regelingen.
De leden van de D66-fractie kunnen instemmen met het laten vervallen van de termen wettig, onwettig en natuurlijk kind. In de ogen van deze leden gaat het hier slechts om een onderscheid van terminologische aard waaraan, gelet op de huidige opvattingen over binnen en buiten het huwelijk geboren kinderen, geen behoefte meer bestaat.
Het afstammingsrecht regelt de aanwijzing van de juridische ouders van een kind. In het wetsvoorstel wordt de aansluiting van het afstammingsrecht bij de natuurlijke afstamming gehandhaafd. Dit betekent niet dat het biologische ouderschap een voorwaarde is voor de verkrijging van het juridische ouderschap, maar dat het afstammingsrecht een weerspiegeling is van het gegeven dat slechts een man en een vrouw de mogelijkheid hebben een kind te verwekken. De vraag of de partner van de moeder al dan niet de biologische vader van het kind is, is daarbij niet relevant. De positie van de sociale vader is hiermee stevig verankerd in het familierecht. Als de wetgever echter blijft vasthouden aan het afstammingselement als voorwaarde voor afstammingsrecht, zal voor sociale moeders en homoseksuele paren het juridische ouderschap illusoir blijven.
Het wetsvoorstel 23 714 (medevoogdij en gezamenlijke voogdij) komt voor een groot deel tegemoet aan de wens om gevolgen te verbinden aan afwijkende vormen van ouderschap. Echter, de wijzigingen in dit wetsvoorstel laten het afstammingsrecht onverlet. Het wetsvoorstel kan het nadeel van het onthouden van familierechtelijke betrekkingen niet wegnemen. Naar de mening van de leden van de D66-fractie noopt het belang van het kind niet tot de constructie van medevoogdij en gezamenlijke voogdij. De vraag is of niet wat al te geforceerd wordt vastgehouden aan het afstammingsrecht en of de juridische ongelijkheid tussen verschillende vormen van ouderschap niet zou moeten worden opgeheven, omdat er vanuit het belang van het kind gezien geen rechtvaardigingsgronden zijn voor handhaving van het bestaande onderscheid. Is de regering bij voorbeeld niet bang dat de voormalige achterstelling van het onwettige kind via een achterdeur weer binnensluipt in de positie van het kind in een gelijkgeslachtelijke leefvorm?
De leden van de D66-fractie vragen de regering voorts of zij kan toelichten waarom geen wijzigingen van artikel 34 (het zogenaamde treurjaar van de weduwe) zijn voorgesteld.
In vergelijking met het huidige recht introduceert het wetsvoorstel een aantal nieuwe begrippen, zijnde de verwekker en de – niet noodzakelijkerwijs daarmee gelijk te stellen – biologische vader. De leden van de RPF-fractie vragen of het geen aanbeveling verdient, dit om verwarring te voorkomen, in ieder geval het begrip verwekker in de wet te verklaren, te meer daar het wetsvoorstel zelf op dit punt ook niet geheel vrij van verwarring lijkt. Ter illustratie wijzen zij op het feit dat de verwekker niet altijd kan of mag erkennen, al staat het biologische vaderschap vast, terwijl het vaderschap wel ontkend kan worden op grond van het ontbreken van het biologische vaderschap. Zeker in echtscheidingssituaties kan een en ander tot verwarring aanleiding geven.
Als vanouds gaat ook dit wetsvoorstel uit van het adagium: de moeder is altijd zeker. Daartegenover blijft de wet ten aanzien van het vaderschap uitgaan van een vermoeden. Het vaderschap kan gerechtelijk worden vastgesteld of betwist; het moederschap niet. De regering verwijst in de memorie van toelichting wel naar ontwikkelingen die de genoemde aloude zekerheid ondergraven, maar er worden vooralsnog geen gevolgen aan verbonden. De leden van de RPF-fractie kunnen hiermee instemmen, maar vragen of de vrees niet reëel is dat de desbetreffende bepalingen inzake de vaststelling of ontkenning van het vaderschap op grond van deze ontwikkelingen ooit van toepassing kunnen worden geacht op het moederschap. Zou een kind op grond van het gelijkheidsbeginsel, zoals hij ook het vaderschap kan ontkennen, op grond van artikel 200 niet ook het moederschap kunnen ontkennen, indien hij aantoont dat zij niet de biologische moeder is?
De leden van de RPF-fractie stellen vast dat de positie van de gehuwde man in een situatie van echtscheiding in het wetsvoorstel is verzwakt. Zij kunnen zich op zichzelf voorstellen dat het aanbeveling verdient het vaderschap aan de verwekker te laten, die veelal niet de ex-echtgenoot zal zijn. Anderszins is het natuurlijk mogelijk dat de biologische vader wel degelijk de ex-echtgenoot is. Hij is dan afhankelijk van de toestemming van de moeder, of, veel later, het kind, om zijn eigen kind te erkennen. Zij kunnen zich voorstellen dat dit door sommigen als uiterst grievend wordt ervaren. Nu kan de rechter het bezwaar van de vrouw wel opzij zetten, maar daarvoor is dus wel de gang naar de rechter noodzakelijk. Bovendien verschaft de desbetreffende bepaling de rechter de bevoegdheid, als deze leden het goed zien, de erkenning te weigeren op grond van de ongestoorde verhouding tussen moeder en kind, al is de ex-echtgenoot wel degelijk de verwekker. Vervolgens zou een andere man, niet zijnde de biologische vader, het kind kunnen erkennen, waarmee dus de mogelijkheid geopend wordt later nog weer eens op dit besluit terug te komen, bij voorbeeld als het kind het vaderschap van de niet-biologische vader op grond van artikel 205 vernietigt. Verdient het daarom geen aanbeveling in dergelijke gevallen, indien de ex-echtgenoot de biologische vader is, dit feit doorslaggevend te laten zijn? Met de vaststelling van het vaderschap is het ouderlijk gezag of een omgangsregeling immers nog geen feit.
Zoals gezegd is de verwekker niet altijd de biologische vader. De verwekker in de zin van artikel 200, derde lid is daarvan een voorbeeld. De leden van de RPF-fractie vragen naar aanleiding van deze situatie de reactie van de regering op het volgende geval. Het kind ontkent ex artikel 200 het vaderschap van zijn niet-biologische vader. Staat het kind vervolgens op grond van artikel 207 een vaderschapsactie jegens de donor open dan wel is de donor, of degene die om andere redenen wel de biologische vader moet worden geacht, vervolgens gerechtigd tot erkenning van het kind?
De leden van de GPV-fractie stemmen in met het uitgangspunt dat de moeder van het kind de vrouw is die het kind heeft gebaard, ook als het genetisch materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. De zeer diverse praktijk van draagmoederschappen, eicel- en embryodonatie levert echter diverse dilemma's op waarin niet op voorhand duidelijk is welke vrouw de moeder is van het kind. Eens te meer een argument dergelijke voortplantingstechnieken die buiten de huwelijkse band van één man en één vrouw plaatsvinden tegen te gaan dan wel te ontmoedigen. Welke is de (morele) opvatting van de regering daarover? Kan in de opvatting van de regering «family life» ontstaan tussen de genetische wensmoeder en een kind dat geboren is na eiceldonatie aan een draagmoeder en zij (volgens afspraak) het kind afstaat aan de wensmoeder? Zo ja, wanneer gaat het «family life» van het kind met de draagmoeder, op grond van het feit dat het kind uit haar geboren is, over in «family life» tussen de genetische wensmoeder en het kind dat zij enige tijd na de bevalling is gaan verzorgen?
De leden van de GPV-fractie staan gereserveerd tegenover het voorstel de ex-echtgenoot die biologische vader is van het binnen 306 dagen na ontbinding van het huwelijk geboren kind, niet langer als de juridische vader te zien maar hem de mogelijkheid van erkenning van het kind te geven. Dat de praktijk een dergelijke regeling noodzakelijk maakt, kan deze leden niet op voorhand overtuigen. Zij zijn van opvatting dat de afstammingswetgeving zoveel mogelijk moet uitgaan van het krijgen van kinderen binnen een wettig huwelijk. Deze leden hebben daarom moeite met de regel dat niet de ex-echtgenoot geacht wordt de juridische vader te zijn maar de man waarmee de vrouw binnen 306 dagen na ontbinding van haar huwelijk omgang heeft. Een dergelijke regeling veronachtzaamt naar hun mening de betekenis van het huwelijk als tijdloze structuur vanaf de schepping waarin uit één man en één vrouw kinderen worden geboren. Betekent deze regel ook niet dat de seksuele moraal binnen het huwelijk onnodig wordt aangetast? Wegen de belangen van het kind, de moeder en de man waarmee zij omgang heeft na of reeds voor ontbinding van het huwelijk wel op tegen het belang van familierechtelijke wetgeving die zoveel mogelijk haar uitgangspunt vindt in de huwelijkse verbintenis van man en vrouw? De leden van de GPV-fractie constateren dat de ex-echtgenoot indien hij de biologische vader is van het kind dat binnen 306 dagen na ontbinding van het huwelijk is geboren, alleen een erkenningsprocedure rest ter verkrijging van het juridische vaderschap. Wordt deze daarmee niet op achterstand gezet nu de belangen van vrouw en kind een erkenning kunnen verhinderen?
De leden van de GPV-fractie menen dat donorinseminatie strijdig is met het karakter van het huwelijk als een verbond tussen één man en één vrouw. Door op deze wijze een kind te verwekken, prevaleert de wens van een of meer mensen tot gezinsvorming te komen bij voorbaat boven het belang van het verwekte kind. Opheffing van anonimiteit van de donor is dan ook een eerste vereiste. Deze leden kunnen dan ook niet instemmen met de mogelijkheid van vaststelling van het juridische vaderschap indien gebruik is gemaakt van donorzaad. Een dergelijk vaderschap is toch een pure fictie? Indien sprake is van afweging van het belang van het kind bij informatie over zijn afstamming en het belang van de donor op geheimhouding van zijn identiteit, dan moet naar de mening van deze leden het kind in beginsel het recht worden toegekend op deze informatie, tenzij de belangen van de donor onevenredig worden geschaad. De bewijslast hiervoor zou dan bij de donor moeten liggen.
De leden van de GPV-fractie vinden de begrippen verwekker en biologische vader in hun onderlinge samenhang uiterst verwarrend. Het begrip verwekker wordt in hun ogen geabstraheerd tot een strikt juridisch begrip dat elke relatie met de werkelijke betekenis van verwekken heeft verloren en geen recht doet aan de biologische werkelijkheid. Deze leden geven dan ook dringend in overweging het begrip verwekker niet of althans niet in de voorgestelde betekenis te gebruiken. Voorts menen deze leden dat gelet op de biologische werkelijkheid niet goed valt te verklaren waarom de donor geen verzoek tot gerechtelijke vaststelling zou kunnen doen, indien hij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan aantonen dat hij de (genetische) vader is van het kind. De biologische band mag naar de mening van deze leden niet worden doorgesneden door enkel een wilsverklaring van de wensvader. Voorts merken deze leden op dat niet alleen de wensvader moet instemmen met de kunstmatige bevruchting maar dat ook de donor moet instemmen met het gebruik van zijn zaad voor deze bevruchtingstechniek. Hoe verhoudt het een zich tot het ander en heeft het Europese Hof hierover jurisprudentie ontwikkeld?
De leden van de GPV-fractie constateren dat het toelaten van kunstmatige bevruchtingstechnieken allerlei dilemma's opwerpt die een afweging van de belangen van de betrokkenen door de wetgever noodzakelijk maken. Dit maakt eens te meer duidelijk dat, als de voortplantingstechnieken zich verwijderen van datgene dat in de scheppingsorde is neergelegd de logica in het afstammingsrecht per definitie gaat ontbreken en toevlucht moet worden gezocht tot gewrongen wettelijke constructies. Deze leden vragen de regering een nadere beschouwing te wijden aan de betekenis van de technische vooruitgang in de kunstmatige bevruchtingstechniek voor het familierecht in het algemeen. Mag alles wat kan? Moet de wetgever alles formaliseren wat technisch kan? Hoe beoordeelt de regering bestaande en eventueel nog te ontwikkelen technieken in het licht van de belangen van het kind dat met behulp van dergelijke technieken wordt verwekt? Is wel sprake van een evenwichtige belangenafweging tussen de wensouders aan de ene kant en het kind aan de andere kant? Deze leden achten het goed mogelijk en zeer wenselijk dat een heroriëntatie op de belangen van het kind en de plaats en functie van de voortplanting tussen man en vrouw leidt tot regelgeving die meer recht doet aan de belangen van het kind en buitenhuwelijkse voortplanting tegengaat.
De leden van de GPV-fractie vragen op welke wijze in de ons omringende landen een relatie wordt gelegd tussen de verwekking van een kind en de mogelijkheden om dat kind te erkennen. Is het niet zo dat in de ons omringende landen juist als uitgangspunt wordt genomen dat alleen de biologische vader kan erkennen?
De leden van de GPV-fractie kunnen er mee instemmen dat het kind, onafhankelijk van de instemming van zijn vader met KID, in vitro fertilisatie met donorzaad of met geslachtsgemeenschap met een andere man, de mogelijkheid tot ontkenning van het vaderschap houdt alsmede de mogelijkheid tot vernietiging van een erkenning. Deze mogelijkheid doet recht aan de biologisch-genetische band die tussen de donor en het kind bestaat. De leden van de GPV-fractie zijn van mening dat het ook daarom wenselijk is dat de anonimiteit van donoren, of het nu gaat om zaad- of eiceldonatie, wordt opgeheven. Het is noch in het belang van het kind, noch in het belang van de integriteit van de voortplanting dat via deze methode iemands afstamming als het ware wordt geanonimiseerd.
Tot teleurstelling van deze leden heeft de regering ervan afgezien een regeling dienaangaande op te nemen in dit wetsvoorstel terwijl de discussie over de anonimiteit van de donor respectievelijk het recht van het kind om te weten wie zijn biologische vader is, een zeer nauwe relatie heeft met de onderwerpen die in dit wetsvoorstel worden geregeld. Ook de Raad van State heeft erop gewezen dat in dit voorstel van wet zou kunnen worden voorzien in de lacunes in de regeling van toegang tot afstammingsgegevens. Dat onderwerp heeft een veel nauwere relatie met dit wetsvoorstel dan de regering doet voorkomen. Moet de vrees over de uitkomsten van een inhoudelijk debat over dit onderwerp ertoe leiden dat die discussie in het geheel niet gevoerd wordt? Is nu niet sprake van een groeiende maatschappelijke opvatting dat het goed zou zijn de helderheid over het biologische vaderschap respectievelijk moederschap van donoren te vergroten?
De regering heeft overwegingen gewijd aan de verhouding tussen donorschap, zoals via kunstmatige bevruchting en de afstamming, zo merken de leden van de SP-fractie op. Het kind blijft in die situatie de mogelijkheid behouden tot ontkenning van het vaderschap. In de praktijk is gebleken dat in veel gevallen deze kinderen identiteitsproblemen krijgen en op zoek gaan naar hun biologische vader. Onderkent de regering de problemen van deze kinderen en zullen deze problemen niet versterkt worden als gevolg van het feit dat het kind het vaderschap weliswaar kan ontkennen, maar dat daar niets voor in de plaats komt?
Erkenning en de vereiste toestemming daartoe
De leden van de PvdA-fractie merken op dat in het in 1988 ingediende wetsvoorstel afstammingsrecht werd gesproken over aanvaarding van het vaderschap. Kan de regering toelichten waarom in dit wetsvoorstel het begrip aanvaarding van het vaderschap niet is overgenomen?
Het gebruik van het begrip aanvaarding van het vaderschap drukt naar het gevoelen van deze leden beter uit dat het juridische vaderschap niet altijd hoeft samen te vallen met het biologische vaderschap.
Als verschil in rechtsgevolgen tussen de erkenning en de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt genoemd het feit dat in geval van gerechtelijke vaststelling de geslachtsnaam van het kind onveranderd die van zijn moeder blijft. Daarnaast – zo hebben deze leden begrepen – is er ook nog een verschil in rechtsgevolg wat betreft de erfrechtelijke positie. In het geval van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan het kind de erfgenamen van de verwekker slechts aanspreken voor de legitieme portie. Wordt hiermee niet een ongerechtvaardigd onderscheid gecreëerd tussen erkende en niet erkende kinderen, welk onderscheid in strijd kan zijn met artikel 8 van het EVRM?
Zij vragen de regering of het uit het oogpunt van gelijke behandeling van de vrouw en de man gerechtvaardigd is dat de man wel expliciet de mogelijkheid krijgt de erkenning te vernietigen in geval van bedreiging, dwaling of bedrog en de moeder dit recht ter zake van de door haar verleende toestemming niet expliciet verkrijgt.
De omgekeerde situatie, dat de moeder de erkenning kan weigeren, zal even deugdelijk beargumenteerd moeten worden als de beperking van het afstammingsrecht. Volgens de leden van de CDA-fractie zal de onthouding van de erkenning vooral beargumenteerd moeten worden in het belang van het kind. Het voorstel moet daar de garantie voor bieden. Doet het dat ook? Onderschrijft de regering de redenering van deze leden?
Eén vraag van de leden van de VVD-fractie betrof de vraag welk rechtskarakter van de erkenning/aanvaarding de voorkeur geniet: het waarheidsbeginsel of de rechtshandeling. De regering gaat uit van het standpunt dat erkenning een rechtshandeling is en blijft, die gericht is op het doen ontstaan van de familierechtelijke betrekking tussen ouder en kind. In de erkenning ligt een vermoeden van verwekkerschap besloten. Impliceert dit uitgangspunt dat twee mensen van gelijk geslacht nooit allebei een afstammingsrelatie met een kind kunnen hebben, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie kunnen instemmen met het feit dat ten tijde van de erkenning geen bewijs behoeft te worden geleverd van verwekkerschap (bladzijde 9 memorie van toelichting). Wederzijdse zorg en genegenheid liggen immers ten grondslag aan een goede relatie tussen ouder en kind. Het recht dient zich daaraan aan te passen.
Mede in verband met het voorgaande vragen deze leden de regering of voor de onmogelijkheid van erkenning door bij voorbeeld de lesbische partner van de juridische moeder wel een objectieve en redelijke grond aanwezig is, aangezien ook een man die niet de biologische vader van het kind is, het kind kan erkennen. Is de keuze voor de erkenning als rechtshandeling niet ingegeven door de overweging dat het belangrijk is dat een man die in sociale zin vader wil zijn, zijn relatie met het kind juridisch vorm kan geven? Moet dit zelfde dan niet ook voor de sociale moeder gelden?
In het vorige wetsvoorstel tot herziening van het afstammingsrecht (wetsvoorstel 20 626) werd voorgesteld om in plaats van «erkennen» de term «aanvaarding van het vaderschap» te gebruiken. Dit om tot uitdrukking te brengen dat het in de eerste plaats gaat om iemand die de intentie heeft om werkelijk als vader het desbetreffende kind te verzorgen en op te voeden. Kan de regering nader toelichten waarom in het huidige wetsvoorstel weer is gekozen voor de term «erkennen»?
De erkenner kan op de door hem verrichte rechtshandeling in het algemeen niet terugkomen, ook al is hij niet de biologische vader. Dit ligt alleen anders indien hij door bedreiging, dwaling of bedrog dan wel tijdens zijn minderjarigheid door misbruik van omstandigheden tot erkenning is gekomen en hij niet de biologische vader is (bladzijde 10 memorie van toelichting). De moeder die toestemming heeft gegeven, kan daarop niet terugkomen. De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten waarom aan de moeder niet de mogelijkheid wordt geboden om de erkenning te laten vernietigen in geval van dwaling of bedrog. Stel bij voorbeeld dat de moeder denkt dat de aanvaarding pas rechtskracht zal hebben als zij met de man trouwt, maar de man ziet van dit huwelijk af.
Voor erkenning is toestemming van de moeder vereist. Een weigering om toestemming te geven, is echter aan rechterlijke toetsing onderworpen in die gevallen dat de man die zou willen erkennen, de verwekker van het kind is. De leden van de D66-fractie kunnen instemmen met de keuze van de regering voor een meer genuanceerd stelsel, waardoor de verwekker niet meer geheel afhankelijk is van de houding van de moeder. Wel vragen deze leden de regering of de man te allen tijde de mogelijkheid moet hebben om te erkennen met vervangende toestemming van de rechtbank. Het gaat hier immers om een erkenning tegen de wil van de moeder en/of het kind. Als de belangen van de man die na jaren weer ten tonele verschijnt en de belangen van de moeder en het kind tegen elkaar worden afgewogen, dan zou het toch te rechtvaardigen zijn dat een termijn wordt gesteld?
Een weigering toestemming te geven, is alleen aan een rechterlijke toetsing onderworpen in die gevallen dat de man die zou willen erkennen de verwekker van het kind is (bladzijde 10 en 11). Kan de regering toelichten waarom deze mogelijkheid niet bestaat voor de man die weliswaar niet de verwekker van het kind is, maar wel in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat?
Het kind van twaalf jaar of ouder dient toe te stemmen tot de erkenning. De leden van de D66-fractie kunnen met deze leeftijdsgrens instemmen. Deze leden zijn van mening dat een minderjarige bij zo'n belangrijke beslissing ook gewicht in de schaal moet kunnen leggen. Bovendien geldt deze leeftijdsgrens ook bij tegenspraak tegen adoptie en bij het omgangsrecht. Wel vragen deze leden of voor kinderen beneden de twaalf jaar niet een hoorrecht zou moeten gelden.
Als de moeder problemen heeft met de erkenning door de verwekker en haar toestemming weigert, zal de rechter de doorslag moeten geven. De moeder heeft derhalve geen vetorecht. De leden van de GroenLinks-fractie vragen in dit verband of het belang van alle partijen, maar in het bijzonder dat van het kind wel gediend is met inmenging door de rechter, als een van beide ouders geen erkenning wil. Los daarvan achten zij het wetsvoorstel in dit opzicht niet consistent. Immers, de man kan niet tegen zijn wil worden gedwongen om tot erkenning over te gaan. Deze leden vragen daarbij tevens wiens belang wordt gediend, indien een kind boven de twaalf dat weigert in te stemmen met erkenning, daartoe door de rechter gedwongen wordt. Acht de regering het gewenst om de verwekker in dezen meer rechten toe te kennen dan moeder en kind?
Dat erkenning geen naamsverandering meer tengevolge heeft, doet meer recht aan degenen die de voorkeur geven aan de familienaam van de moeder. Tot nu toe was het onthouden van erkenning door de vader daartoe de enige mogelijkheid. Echter iedere mogelijkheid van een juridische band tussen vader en kind – behoudens de toeziende voogdij – was daarmee afgesneden. Het hiermee samenhangende wetsvoorstel inzake het naamrecht lost naast dit wetsvoorstel die problemen op. Helaas heeft het lang geduurd voor een en ander geregeld is.
Naar aanleiding van de passage in de memorie van toelichting over het ontbreken van de toestemming van de moeder stellen de leden van de RPF-fractie nog een andere vraag. Als deze toestemming ontbreekt, wegens het voortijdig overlijden van de moeder, is de rechtbank dan bevoegd tot een vervangende toestemming over te gaan, of is de rechtbank daartoe alleen bij leven van de moeder bevoegd?
De eerste vraag van de leden van de SGP-fractie is of het voorgestelde stelsel van erkenningsmogelijkheden, gevoegd bij de openbaar gemaakte mededeling dat het voornemen bestaat een belangrijk element uit het islamitische huwelijksrecht betreffende scheiding in Nederland bij wet te erkennen, ertoe bijdragen kan/zal dat polygamie in Nederland wordt geaccepteerd.
Hun tweede vraag luidt of het stelsel van erkenningsmogelijkheden ertoe zou kunnen leiden dat erkenning van een incestueus kind mogelijk wordt. Zo niet, kan dan beargumenteerd worden waarom niet?
De derde vraag betreft de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand op grond van artikel 18b, eerste lid, te weigeren een erkenningsakte op te maken, indien hij van oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich daartegen verzet (memorie van toelichting bladzijde 10). Als evenwel, zo luidt de vraag van deze leden, de wet op geen enkele wijze een indicatie bevat dat de erkenner (in beginsel) de verwekker moet zijn, op grond waarvan moet de ambtenaar van de burgerlijke stand dan tot het oordeel komen dat de erkenning in strijd is met de Nederlandse openbare orde? Kan hij verlangen dat medisch bewijs wordt geproduceerd? Maar op grond waarvan? Bestaat er derhalve geen behoefte aan dat de wet bepaalt dat de erkenner de verwekker moet zijn?
In verband met het voorgaande wijzen deze leden op de bevoegdheid van het openbaar ministerie om een erkenning te vernietigen, bij voorbeeld in verband met het tegengaan van schijnerkenningen (memorie van toelichting bladzijde 10). Indien de wet zou bepalen dat de erkenner de verwekker moet zijn en het minimum-leeftijdsverschil tussen erkenner en kind blijft gehandhaafd, zouden er dan niet voldoende mogelijkheden bestaan om schijnerkenningen tegen te gaan? En zou, met andere woorden, de nu nog bestaande vernietigingsbevoegdheid van het openbaar ministerie dan niet overbodig zijn?
De leden van de GPV-fractie hebben er begrip voor dat voor erkenning door de man toestemming van de moeder en van het kind van twaalf jaar of ouder is vereist. Een situatie waarin de wil van de vader zonder meer uitgaat boven de gevoelens van de moeder en het kind, beschouwen deze leden als ongewenst. Zij vragen of de man die wil erkennen en die geconfronteerd wordt met een weigering om toestemming te geven van moeder en kind, die weigering alleen aan rechterlijke toetsing kan onderwerpen indien hij heeft aangetoond dat hij de verwekker is van het kind, bij voorbeeld door middel van DNA-onderzoek, of dat hem ook andere middelen ten dienste staan om zijn verwekkerschap aannemelijk te maken. Staat de man, zijnde de verwekker van het kind, niet bij voorbaat in een achterstandspositie ten opzichte van de vrouw en het kind in het aannemelijk maken van zijn belangen bij erkenning van het kind als geen sprake is van een regelmatige relatie tussen de verwekker en de moeder en het kind? Kan in andere gevallen enkel en alleen de duur van de zorg voor het kind door respectievelijk de verwekker en de moeder doorslaggevend zijn in de afweging van belangen door de rechter?
Deze leden voorzien problemen in die gevallen waarin de moeder weigert haar toestemming voor erkenning door de verwekker te geven maar het kind dat tussen de twaalf en zestien jaar oud is die erkenning juist wel wil. Indien de rechter, na weging van de betrokken belangen, de erkenning goedkeurt maar de moeder zich blijft verzetten, vragen deze leden of een langer verblijf van het kind bij de moeder geen spanningen oplevert die niet in het belang zijn van het kind. Moet in dergelijke gevallen niet worden besloten de verwekker de zorg voor het kind te geven omdat de moeder tegen het belang van het kind in zich verzet tegen de erkenning door diens verwekker? Laten dergelijke problemen zich ook niet goed denken op het moment dat het kind ouder is dan 16 jaar?
De leden van de GPV-fractie hebben moeite met de analoge toepassing van de jurisprudentie van de Hoge Raad voor de gevallen waarin een man, niet zijnde de verwekker van het kind, de vrouw kan tegenwerpen dat zij ten onrechte haar goedkeuring aan een door hem gewenste erkenning onthoudt, omdat die weigering geen ander doel heeft dan de potentiële erkenner te schaden. Deze leden menen dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de potentiële erkenner die een bloedband heeft met het kind en diegene die dat niet heeft. Deze leden vragen de regering een nadere beschouwing aan dit onderscheid te wijden en daarbij tevens in te gaan op de positie van de biologische vader die wegens erkenning van het kind door een man niet zijnde de verwekker kan worden geraakt.
De leden van de GPV-fractie vragen de regering nader in te gaan op de relatie van dit wetsvoorstel met het wetsvoorstel inzake het naamrecht. Zij stellen die vraag omdat de geslachtsnaam van het kind onveranderd blijft indien het vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld. Bestaat er een mogelijkheid dat het kind in afwijking van deze regel toch de geslachtsnaam van de vader krijgt, indien hij en de moeder daarover overeenstemming bereiken zoals ook bij erkenning door de verwekker het geval is?
De regering stelt dat erkenning een rechtshandeling is en blijft en dat van het verwekkerschap geen bewijslevering wordt geëist.
Indien het inderdaad zo is dat dit wetsvoorstel beoogt het afstammingsrecht nauwer te laten aansluiten bij de natuurlijke realiteit van de afstamming, dan vragen de leden van de SP-fractie waarom de regering er niet voor heeft gekozen van de erkenning een waarheidshandeling te maken. Kan de regering daarop een nadere toelichting geven?
Wat bedoelt zij met de woorden dat «op dat tijdstip» bewijslevering niet wordt geëist?
De leden van de D66-fractie kunnen zich voorstellen dat het doen vervallen van het verbod van erkenning door een gehuwde man in het belang van het kind kan zijn. Schrapping van de bepaling dat een erkenning nietig is, indien zij is gedaan door een gehuwde man wiens huwelijk meer dan 306 dagen voor de geboorte van het kind is voltrokken, is destijds ook al door de commissie-Wiarda bepleit. De overweging dat erkenning van een kind door de verwekker die ongehuwd samenleeft met een andere vrouw en de door hem erkende kinderen van die vrouw ook mogelijk is, achten deze leden overtuigend. Deze situatie verschilt immers niet veel van die waarin de verwekker gehuwd is. Daar komt bij dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ook mogelijk is jegens een gehuwde man. Het is in de ogen van deze leden dan ook consequent om erkenning door een gehuwde man ook mogelijk te maken. Wel vragen zij of er geen wilsovereenstemming zou moeten bestaan tussen de gehuwde man en zijn echtgenote. Denkt de regering dat van deze mogelijkheid veel gebruik zal worden gemaakt?
Het vervallen van het verbod van een gehuwde man om zijn buiten het huwelijk geboren natuurlijk kind te erkennen, achten de leden van de GroenLinks-fractie eveneens een belangrijke verbetering. Zij vinden het belangrijk dat erkenning het karakter van een waarheidsheidshandeling krijgt.
Een gehuwde man wordt krachtens het wetsvoorstel in staat gesteld kinderen die hij bij een andere vrouw heeft verwekt, te erkennen. De leden van de RPF-fractie kunnen tot op zekere hoogte begrip voor de bijgevoegde argumentatie opbrengen. Toch rijzen in dit verband enkele vragen. Zal in dergelijke gevallen niet vast dienen te staan dat de verwekker ook de biologische vader is? Opent het wetsvoorstel niet de mogelijkheid een buitenechtelijk kind te erkennen dat niet het biologische kind van de met een andere vrouw gehuwde man is? Verdient het aanbeveling om bij voorbeeld de echtgenote van die man het recht te geven om de erkenning op dergelijke gronden aan te vechten?
De leden van de GPV-fractie constateren dat de bepaling dat een gehuwde man geen kind kan erkennen dat hij bij een andere vrouw ten tijde van zijn huwelijk heeft verwekt, door de Hoge Raad als te rigide en in strijd met artikel 8 EVRM is beoordeeld. Dit betekent naar de mening van deze leden niet dat de Hoge Raad zonder meer in die interpretatie van artikel 8 EVRM moet worden gevolgd. Is het niet zo dat enkel het verwekken van het kind nog geen «family life» ten gevolge heeft tussen verwekker en kind? Welke voorwaarden zouden aan de erkenning van een kind dat buiten de huwelijkse relatie is verwekt, moeten worden verbonden? Moet niet als regel gelden dat erkenning door de gehuwde verwekker van het buiten het huwelijk verwekte kind alleen kan plaatsvinden indien zich bijzondere omstandigheden voordoen en welke zouden die bijzondere omstandigheden kunnen zijn? Heeft het Europese Hof zich terzake over de reikwijdte en betekenis van artikel 8 EVRM uitgelaten?
De leden van de GPV-fractie hebben grote moeite met het gemak waarmee de regering de betekenis van het huwelijk als fundament van het familierecht relativeert. Die positie behoort niet te worden aangetast louter en alleen door vast te stellen dat burgers minder dan voorheen en vaak op een later moment voor het huwelijk kiezen. Ook de stelling dat de situatie van een gehuwde en ongehuwde verwekker van een kind bij een andere vrouw sterk op elkaar lijken, gaat mank omdat aan de rechten en plichten en de onderlinge trouw tussen een man en een vrouw in een huwelijk een ander gewicht moet worden toegekend dan als zij ongehuwd samenleven. Deze leden vragen in dit verband naar de relatie van dit wetsvoorstel met het voorstel van wet dat de registratie van samenlevingen en de daaraan verbonden rechtsgevolgen regelt.
In het licht van de doelstelling om bestaande wetgeving aan de huidige tijd aan te passen, verbaast het de leden van de PvdA-fractie dat nog steeds de feitelijke opvoedingssituatie ondergeschikt is aan de natuurlijke afstamming.
Bij gelegenheid van de behandeling van de kabinetsnotitie «Leefvormen in het familierecht» op 25 maart 1996 hebben deze leden over het huwelijk en daarmee het ouderschap en de regeling van adoptie reeds kenbaar gemaakt dit eveneens te willen openstellen voor paren van gelijk geslacht. De argumentatie van de regering om in het adoptierecht, evenals in het afstammingsrecht, de aansluiting bij de natuurlijke afstamming niet te verlaten, vinden zij nog steeds niet overtuigend. Bij adoptie is, gelet op het bepaalde in artikel 3 van Boek I BW duidelijk sprake van een fictie van afstamming. Ook in de titel van dit wetsvoorstel wordt onderscheid gemaakt tussen de regels van het afstammingsrecht en het adoptierecht, zodat ervan mag worden uitgegaan dat het adoptierecht in beginsel los staat van het afstammingsrecht, zij het dat de rechtsgevolgen van afstamming en adoptie dezelfde zijn. In dit verband vragen deze leden de regering een reactie te geven op het in het Nederlands Juristenblad van 17 mei 1996 gestelde (in het artikel « Met het afstammingsrecht naar de eenentwintigste eeuw» van mr I. de Hondt en mr N. Holtrust), waar wordt gewezen op het tot verwarring leidende gebruik van de begrippen bloedverwantschap en familierechtelijke betrekking.
Nu de Tweede Kamer zich in meerderheid duidelijk heeft uitgesproken voor openstelling van het huwelijk en ouderschap dan wel adoptie voor paren van gelijk geslacht, is bovendien het standpunt van de regering achterhaald dat de maatschappelijke opvattingen over huwelijk en gezin nog niet zodanig zijn geëvolueerd dat voor dit onderdeel van het familierecht kan worden gesproken van een duidelijke en bestendige lijn wat betreft degenen die mogen adopteren, in het bijzonder paren van gelijk geslacht. Ook op dit onderdeel mag volgens de regering niet voorop gelopen worden en als het ware maatschappelijk (te zeer) in een bepaalde richting worden gestuurd.
Ten aanzien van openstelling van het huwelijk en ouderschap voor een homoseksueel paar dient er naar de mening van deze leden overeenkomstig de hierop betrekking hebbende motie, voor 1 augustus 1997 duidelijkheid te zijn over de juridische consequenties en dient er tevens een voorontwerp van wet gereed te zijn. Een en ander neemt redelijk wat tijd in beslag. Met betrekking tot adoptie door een homoseksueel paar is het mogelijk om op kortere termijn de wet aan te passen.
Op grond van het bovenstaande gaan deze leden ervan uit dat de regering zo spoedig mogelijk met een nota van wijziging komt teneinde adoptie van kinderen in Nederland ook mogelijk te maken voor twee mensen van hetzelfde geslacht.
De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in de voorgestelde wijzigingen in de regeling van adoptie, afgezien van hetgeen zij hierboven hebben opgemerkt ten aanzien van adoptie door homoseksuele paren. Deze leden onderstrepen nog eens het belang dat de aard van de leefsituatie van de adoptant geen aparte toetsingsmaatstaf vormt voor de éénpersoonsadoptie. Het feit dat iemand samenwoont met een partner van hetzelfde geslacht, mag bij de afweging geen rol spelen. Kan worden toegelicht waarom gekozen is voor een periode van drie jaar van samenleven in plaats van een periode van vijf jaar, los van het feit dat deze termijn in het wetsvoorstel medevoogdij en gezamenlijke voogdij is opgenomen? Dit laatste is immers nog niet wettelijk vastgelegd.
Deze leden delen de opvatting van de regering dat in gevallen die nu onder de noemer stiefouderadoptie vallen, veeleer moet worden gedacht aan het inhoud geven aan de feitelijke relatie door middel van medevoogdij dan aan eenpersoonsadoptie, waarbij de familieband wordt doorgesneden.
Bij adoptie is overheidsbetrokkenheid ook van belang. De leden van de CDA-fractie zijn de overtuiging toegedaan dat het belang van het kind bij adoptie centraal dient te staan. Bij afstammingsrecht is er sprake van het belang van de ouder of ouders en bij adoptie is er sprake van een maatregel waarvoor de overheid verantwoordelijk is en aanspreekbaar; een maatregel die de band met natuurlijke ouder of ouders verbreekt en daarvoor in de plaats nieuwe ouders met nieuwe afstamming doet ontstaan.
Voor veel maatschappelijke problemen zijn belangenorganisaties, maar een belangenorganisatie van adoptiekinderen is er niet. Des te belangrijker zijn de waardevolle bijdragen van adoptiekinderen. Volgens de leden van de CDA-fractie zal dan ook het uitgangspunt moeten zijn dat voor een te adopteren kind een vader en een moeder wordt gezocht (Het bestaande echtpaar-vereiste).
Natuurlijk zijn er situaties die om nadere regelingen vragen, zoals procedures die begonnen zijn voor het overlijden. Maar dat hoeft uiteindelijk niet tot norm verheven te worden. Bij een werkbezoek dat deze leden laatst brachten aan het landelijk bureau FIOM vernamen zij dat veel volwassen mensen op zoek zijn naar hun wortels; niet alleen buitenlandse pleegkinderen, maar ook de kinderen die in Nederland zijn afgestaan en door anderen zijn opgevoed en geadopteerd. Daaruit kan volgens deze leden alleen maar de conclusie getrokken worden dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met de procedure van het afstand doen en de verzameling van de gegevens daarover; een zeer terughoudend beleid ten aanzien van adoptie zal moeten worden gevoerd. Ook bij buitenlandse adoptie is een zeer terughoudende opstelling te constateren: liever opvang in het land zelf dan elders. Een beleid dat het ontvangende en het uitgevende land onderschrijven. De leden van de CDA-fractie hebben behoefte aan een argumentatie. Juist omdat ook het EVRM geen duidelijk antwoord biedt op de vraag waarom tot uitbreiding van mogelijkheden moet worden overgegaan.
De eenouderadoptie ondersteunen zij als het gaat om de situaties die ontstaan door bijzondere omstandigheden zoals vermeld in de memorie van toelichting. Bij de stiefouderadoptie stellen zij de vraag of de medevoogdij niet voorrang zou moeten hebben boven de adoptie. De verantwoordelijkheden ten opzichte van het kind zijn duidelijk bij medevoogdij. Slechts in uitzonderingsgevallen, als het belang van het kind gediend wordt, valt stiefouderadoptie te verkiezen. Kan de regering deze regel onderschrijven; zo nee, wat is dan de argumentatie?
Hoewel adoptie aan betekenis heeft verloren als kinderbeschermingsinstrument, achten de leden van de CDA-fractie het toch de meest ingrijpende maatregel voor een kind. Zij hebben dan ook voorkeur voor adoptie door een man en een vrouw, zodat het (adoptie-)kind een vader en een moeder krijgt. Hoewel het huwelijk niet altijd de enige waarborg is, is het wel de beste maatstaf en garantie voor duurzaamheid. Het is duidelijk dat afstamming, rechten en plichten van ouders in het huwelijk het helderst geregeld zijn. In de samenleving is het huwelijk een zeer te waarderen samenlevingsvorm.
Gezien het aanbod van en de vraag naar adoptiekinderen is er geen reden voor uitbreiding van adoptiemogelijkheden naar paren, niet gehuwd zijnde, los van het feit dat bij niet-gehuwden bij adoptie voor het juridische vader- of moederschap een extra stap is vereist. Is er inderdaad zo'n grote vraag van niet-gehuwden met een samenlevingscontract van meer dan drie jaar om een kind te mogen adopteren?
De leden van de CDA fractie zien ook geen meerwaarde in het laten vervallen van de leeftijdsgrens. Enige versoepeling lijkt op zijn plaats, maar leeftijd blijft toch een beoordelingscriterium. Is het niet helderder als de wetgever een basis in de leeftijd legt?
Het feit dat ouders getoetst zijn om adoptiefouders te zijn, is voor deze leden de reden om in te stemmen met de voorwaarde van de voogdij te bezitten voor de adoptie, te laten vervallen.
Kan de regering toelichten wat de inhoud van de toetsing zal zijn als het gaat om de adoptie van een kind van een draagmoeder?
Het is opmerkelijk dat het Europese hof tot nu toe geen uitspraak heeft hoeven te doen over adoptie in het kader van het EVRM. Onlangs heeft de Hoge Raad wel een uitspraak gedaan, die in lijn ligt met het standpunt van de leden van de CDA-fractie en die is verwoord in het wetsvoorstel.
Zij ondersteunen de keuze van de regering om adoptie door een paar, man en vrouw, toe te staan. Dit past huns inziens in het vereiste van de landen die de kinderen ter adoptie afstaan.
Uit het gehele wetsvoorstel blijkt volgens de leden van de CDA-fractie duidelijk dat het kind behoefte heeft om te weten, wie zijn of haar vader, moeder of adoptiefouders zijn. Het kind duidelijkheid geven, lijkt hun een van de eerste voorwaarden om het kind serieus te nemen. Wel onderkennen deze leden dat het in deze samenleving, waarin het via de medische techniek mogelijk is een kind te baren dat niet uit het erfelijke materiaal van de vrouw of haar partner bestaat maar van anderen, er een geweldige claim wordt gelegd op de verantwoordelijkheid van de ouders. Vooral de verantwoordelijkheid ten opzichte van het kind dat immers verwacht dat de moeder die het gebaard heeft zijn moeder is; maar dat blijkt feitelijk niet zo te zijn. Dit is in medisch-ethisch opzicht een geweldig dilemma.
De goedkeuring van het in mei 1993 tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van interlandelijke adoptie zal verandering brengen in een aantal B.W.-bepalingen, zo stellen de leden van de VVD-fractie vast. Om welke bepalingen zal het gaan en welke voorgestelde veranderingen in dit wetsvoorstel hebben geen relatie met het Verdrag?
De aan adoptie gestelde voorwaarde van gehuwd zijn, wordt uit het Burgerlijk Wetboek geschrapt. In hoeverre zal deze wijziging van invloed kunnen zijn op de houding van het buitenland om kinderen voor adoptie in Nederland in aanmerking te laten komen en in welke landen is op dit punt de wetgeving vergelijkbaar, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
De regering stelt voor adoptie door één persoon toe te staan conform de wetgeving in de ons omringende landen. Uit de memorie van toelichting maken deze leden op dat het hier vooral zal gaan om adoptie in die situaties waar een persoon reeds gedurende enige tijd een kind verzorgt en opvoedt. Zij vragen of deze conclusie juist is. In hoeverre is er ook sprake van eenpersoonsadoptie van een buitenlands pleegkind? In de beantwoording van de vragen bij de notitie Leefvormen (22 700 nr. 6 vraag 40) wordt gesteld dat het buitenland slechts bij hoge uitzondering adoptie door één persoon toestaat. Is deze conclusie een juiste, zo vragen deze leden.
Zij kunnen zich vinden in het voorstel niet langer de voorwaarde te stellen dat adoptanten vijf jaar gehuwd zijn. In plaats hiervan wordt voorgesteld dat adoptanten op de dag van verzoek tenminste drie (aaneengesloten) jaren met elkaar hebben samengeleefd overeenkomstig de termijn die geldt in het wetsvoorstel Medevoogdij en gezamenlijke voogdij.
De regering stelt voor de maximum leeftijdsgrens die in de huidige wet staat, te laten vervallen. De leden van de VVD-fractie kunnen hiermee instemmen en achten een beoordeling door de rechter een goede toetsing vanuit het belang van het kind.
De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat aan bezwaar van de ouders slechts onder zeer beperkte voorwaarden voorbijgegaan kan worden. Dit geldt in het bijzonder de stiefouder-adoptie. De mogelijkheid van medevoogdij in die omstandigheden waar behoefte bestaat en tevens reden is de relatie tussen «stiefouder» en kind meer inhoud te geven, geeft voldoende mogelijkheden. Houdt de regering er rekening mee dat het verbreken van de band met de «eigen» ouder om een nieuwe band te vestigen met de stiefouder te ingrijpend en onnodig kan zijn?
Daarnaast willen de leden van de VVD-fractie een nadere uitleg over de belangen van de verwekker die het kind niet heeft erkend, maar die wordt geacht «family life» met het kind te hebben (gehad) als belanghebbende. In hoeverre gaat het nog om de belangen van het kind daar waar kennelijk een stiefvader en een derde dan wel verwekker in het spel zijn, dan wel om de belangen van de personen in kwestie inclusief de moeder?
Ten slotte willen de leden van de VVD-fractie weten hoe de voorstellen in dit wetsvoorstel zich verhouden tot het in de brief van 28 mei 1996 voorgestelde onderzoek door een nog in te stellen niet-ambtelijke commissie inzake de voor- en nadelen van openstelling van het huwelijk voor twee personen van hetzelfde geslacht, inclusief de voor- en nadelen in verband met afstamming en adoptie.
De leden van de D66-fractie kunnen instemmen met een verruiming van de adoptiemogelijkheden voor alleenstaanden en samenwonenden.
Omdat de regering de aansluiting bij de natuurlijke afstamming niet wil verlaten, heeft ze de verruiming van de adoptiemogelijkheden door twee personen beperkt tot samenwonenden van verschillend geslacht. Deze leden zijn van mening dat het bij adoptie gaat om een rigoureuze maatregel die met een zekere terughoudendheid moet worden toegepast. Dit wil echter niet zeggen dat een bepaalde categorie sociale ouders bij voorbaat zou moeten worden uitgesloten van adoptie.
De vraag is waarom de in het afstammingsrecht zo gemakkelijk tot stand te brengen familierechtelijke betrekking tussen een persoon en een kind geen parallel in het adoptierecht kan hebben, waar (meer nog dan in het afstammingsrecht) voorwaarden aan die bevestiging kunnen worden verbonden.
Bij de behandeling van de notitie Leefvormen hebben de leden van de D66-fractie gezegd van mening te zijn dat het echtpaarvereiste zou moeten worden verruimd met samenwonenden van hetzelfde geslacht. Ook moet het bij voorbeeld mogelijk zijn dat de vrouw het kind van haar vriendin erkent via de eenouderadoptie. Het gaat hier immers om bestaande situaties waar vanaf het begin twee ouders aanwezig zijn. In de notitie Leefvormen (22 700 nr. 5 bladzijde 10) staat duidelijk dat niet tot een zodanige uitbreiding wordt overgegaan. Het is deze leden overigens niet geheel duidelijk waar in het wetsvoorstel tot uitdrukking komt dat eenpersoonsadoptie door de partner van hetzelfde geslacht als de ouder van het kind niet tot de mogelijkheden behoort.
De motie-Dittrich/Van der Burg, strekkende tot verruiming van de adoptiemogelijkheden, werd met een ruime meerderheid op 16 april 1996 door de Tweede Kamer aangenomen.
In het wetsvoorstel wordt niet langer als eis gesteld dat adoptanten vijf jaar gehuwd zijn. Wel geldt als eis dat betrokkenen drie jaar moeten hebben samengeleefd. Kan de regering deze eis toelichten nu daarnaast ongeclausuleerde eenouderadoptie wordt ingevoerd?
De leeftijdsgrens voor tegenspraak door het kind zelf wordt teruggebracht tot 12 jaar. De leden van de D66-fractie kunnen hiermee instemmen. Deze leeftijdsgrens is gebruikelijk in het familierecht en wordt ook voorgesteld voor de toestemming van het kind bij de erkenning.
Maken de ouders bezwaar, dan kan slechts onder zeer beperkte voorwaarden aan hun tegenspraak voorbij worden gegaan aldus de regering in de memorie van toelichting (bladzijde 14). Het is ter beoordeling van de rechter of in een concreet geval aan de tegenspraak voorbij wordt gegaan. De beperkte mogelijkheden om aan het bezwaar van de ouder tegen de adoptie voorbij te gaan, gelden volgens de regering ook als het gaat om gevallen die nu onder de noemer van de stiefouderadoptie vallen. De leden van de D66-fractie kunnen ermee instemmen dat zeer grote terughoudendheid moet worden betracht bij het voorbijgaan aan de bezwaren van de gescheiden ouder die niet het gezag over het kind heeft. Er is immers in deze gevallen veelal geen sprake van het ontbreken van ouderlijke zorg. Er is dan ook reden om deze ouder een belangrijke stem te laten in deze adoptieprocedure. Dat neemt niet weg dat de mogelijkheid om de adoptie tegen te houden, kan leiden tot het misbruik maken van deze positie en het op onredelijke gronden weigeren van de toestemming.
Uitermate tevreden zijn de leden van de GroenLinks-fractie over de verruiming van de adoptiemogelijkheden. Ook deze wijziging is in overeenstemming met de maatschappelijke werkelijkheid, zij het, dat zij het een gemiste kans vinden dat niet in alle gevallen sociaal ouderschap door middel van adoptie een juridische bevestiging krijgt. Het zou naar de mening van deze leden meer recht doen aan de werkelijkheid als partners van gelijke kunne eveneens de mogelijkheid tot adoptie krijgen. Deze leden vinden het niet sterk dat in feite via de omweg van eenouderadoptie deze mogelijkheid openstaat. Een duidelijke erkenning was hun liever geweest.
Bij de herziening van de adoptieregeling is uiteraard het meest opvallend de introductie van de eenouderadoptie. De leden van de RPF-fractie kunnen zich voorstellen dat in bepaalde gevallen, bij voorbeeld bij langdurige verzorging door één persoon, eenouderadoptie in een reële behoefte voorziet. Toch roept de eenpersoonsadoptie in relatie tot de «normale» adoptie de nodige vragen op. Kunnen bij voorbeeld twee personen, al dan niet afzonderlijk of volgtijdelijk, ten aanzien van hetzelfde kind tot eenouderadoptie komen? Is het mogelijk dat op die wijze adoptie door twee personen van hetzelfde geslacht, langs een omweg toch mogelijk blijkt, waar de staatssecretaris van Justitie een en ander bij de behandeling van de notitie Leefvormen nog heeft afgewezen?
De regering stelt voor de huidige leeftijdsgrenzen bij adoptie te laten vervallen. De leden van de RPF-fractie vragen of het bij nadere overweging geen aanbeveling verdient althans enige leeftijdsindicatie in de wet op te nemen.
Opvallend is dat waar in het voorgaande geval de rechterlijke vrijheid wordt vergroot, deze bij de nieuwe regeling inzake de tegenspraak van de ouders, juist wordt ingeperkt. Immers, de wet biedt een duidelijke belijning in welke gevallen aan de tegenspraak kan worden voorbijgegaan. De leden van de RPF-fractie begrijpen de nieuwe regeling zo dat in andere gevallen dan de genoemde aan de tegenspraak niet voorbij kan worden gegaan, behoudens in geval van misbruik. Zien zij dit goed? Overigens vragen deze leden of het geen aanbeveling verdient, voor alle duidelijkheid, in artikel 228 een soortgelijke bepaling op te nemen als in artikel 13, boek 3 BW, omdat volgens de regering de jurisprudentie ter zake hiertoe materieel wel strekt.
Tegenspraak bij stiefouderadoptie wordt voortaan op dezelfde gronden beschouwd als bij gewone adoptie. De leden van de RPF-fractie vragen de regering om nader toe te lichten om welke reden de thans nog bestaande absolute tegenspraak van de ouder/ex-echtgenoot tegen stiefouderadoptie is vervangen door een tegenspraak die op bepaalde gronden kan worden aangetast door de rechter.
Wat betreft de herziening van de adoptieregeling kunnen de leden van de SGP-fractie zich niet verenigen met zodanig ruime adoptiemogelijkheden voor alleenstaanden indien het verzoek tot adoptie wordt gedaan na huwelijksontbinding anders dan door de dood. Evenmin onderschrijven zij het standpunt dat verwoord is op bladzijde 13 van de memorie van toelichting, erop neer komend dat de aard van de leefsituatie van de adoptant interesant is voor eenpersoonsadoptie.
Deze leden stellen vervolgens de vraag of de geldende voorwaarde voor adoptie, te weten dat het kind gedurende een jaar door de adoptiefouders is verzorgd en opgevoed, niet als te kort moet worden beschouwd, gelet op de ratio van de verzorgingstermijn, namelijk bescherming van oorspronkelijk gezinsleven, wil de bescherming effectief zijn.
Deze leden vragen hoe zich het voorstel van de eis van drie jaar samenleven verhoudt tot de mogelijkheid van adoptie door een alleenstaande. Als de ratio van de eis van drie jaar samenleven is dat hieruit een zekere duurzaamheid van het gezinsverband afgeleid mag worden, lijkt deze ratio te vervallen door invoering van een ongeclausuleerde eenouderadoptie zoals voorgesteld.
Deze leden leggen de vraag voor of, gelet op het feit dat stiefouderadoptie niet noodzakelijk is voor gezinsvorming, stiefouderadoptie tegen de wil van de andere ouder in beginsel niet onmogelijk zou moeten zijn, behalve in gevallen waarin sprake is van misbruik van bevoegdheid. Zou hetzelfde niet moeten gelden bij onvrijwillige «gewone» adoptie?
Hoewel de regering heeft afgezien van het verruimen van de voorwaarden voor de adoptie van buitenlandse kinderen, menen de leden van de GPV-fractie dat de verruiming van die voorwaarden voor adoptie van Nederlandse kinderen een signaal is dat landen waaruit adoptiekinderen afkomstig zijn, kan afschrikken nog langer adoptiekinderen uit hun land aan Nederlandse adoptiefouders af te staan. Deze leden menen voorts dat uiterst zorgvuldig moet worden omgesprongen met de mogelijkheden tot adoptie en dat de belangen van adoptiekinderen niet uit het oog mogen worden verloren om te kunnen voldoen aan de op zich legitieme kinderwens van potentiële adoptiefouders.
Deze leden staan kritisch tegenover het voorstel de adoptie van Nederlandse kinderen voor ongehuwd samenwonenden open te stellen. Opnieuw beklemtonen zij dat zij daarin een aanwijzing zien dat de positie van het huwelijk in het familierecht te zeer wordt gerelativeerd. Zij vragen de regering aan te geven waarom ook ongehuwd samenwonenden de mogelijkheid moeten krijgen Nederlandse kinderen te adopteren. Wordt daarmee niet bereikt dat diegenen die binnen hun huwelijk de zorg voor een adoptiekind op zich willen nemen, in de toekomst zeer geringe mogelijkheden zullen hebben werkelijk een kind te adopteren? Bestaat voorts niet de kans dat ongehuwd samenwonenden, bij gebrek aan andere mogelijkheden, vooral Nederlandse kinderen zullen kunnen adopteren terwijl gehuwden vooral buitenlandse kinderen kunnen adopteren? Is de (juridische) positie van een adoptiekind binnen een huwelijkse relatie niet veel beter geregeld dan binnen een samenwoningsrelatie die al dan niet is geregistreerd? De leden van de GPV-fractie vragen een nadere toelichting op het al dan niet schrappen van de huwelijkse voorwaarde voor de opneming van buitenlandse pleegkinderen. Op bladzijde 13 van de memorie van toelichting wordt in de eerste alinea de indruk gewekt dat op dat punt geen verandering wordt voorgesteld terwijl aan het einde van diezelfde alinea juist wel wordt vermeld dat van de voorwaarde van het gehuwd zijn van het paar dat een buitenlands pleegkind wil opnemen, wordt afgestapt.
De leden van de GPV-fractie staan kritisch tegenover het verkorten van de voor adoptie vereiste duur van samenleving van vijf naar drie jaar. Een nadere argumentatie van dat voorstel achten deze leden noodzakelijk. Daarbij ware ook in te gaan op het belang van het adoptiekind om te worden geplaatst bij ouders die een duurzame relatie hebben opgebouwd. Op welke wijze kan overigens worden gecontroleerd of potentiële adoptiefouders langer dan drie aaneengesloten jaren met elkaar hebben samengeleefd? Het komt deze leden voor dat niet kan worden teruggevallen op het samenlevingsregister. Is dit een juiste opvatting? Welke is de onderlinge relatie tussen dit wetsvoorstel, het wetsvoorstel inzake registratie van samenlevingen en het wetsvoorstel inzake medevoogdij en gezamenlijke voogdij op dit punt? De regering verwijst voor de voorgestelde termijn van drie jaar voorts naar het wetsvoorstel (gezamenlijke) medevoogdij ter staving van de verkorting van de periode van samenleving van vijf naar drie jaar. Daarmee worden medevoogdij en adoptie op één lijn gesteld waar beide rechtsfiguren naar aard en inhoud van elkaar verschillen. Is met die verschillen bij het verkorten van de termijn van samenleving wel voldoende rekening gehouden, zo vragen deze leden.
De leden van de GPV-fractie kunnen zich voorstellen dat de wetgever onder bijzondere omstandigheden de adoptie van een kind door één ouder mogelijk maakt. Maar de bekende uitzondering zou naar de mening van de leden van de GPV-fractie de regel moeten bevestigen. Die regel zou moeten luiden dat een adoptiekind in een gezin met een vader en moeder wordt geplaatst tenzij bijzondere omstandigheden kennelijke hardheid opleveren indien de adoptie door één ouder zou moeten worden geweigerd. Zij voelen er echter niets voor om een ongeclausuleerde mogelijkheid voor één ouder te creëren om een kind te adopteren. Deze leden vragen of een dergelijke algemene regeling voor éénouderadoptie een U-bochtconstructie zou kunnen opleveren die het voor twee partners van hetzelfde geslacht formeel dan wel informeel mogelijk maakt een kind te adopteren. Zij doelen daarmee bij voorbeeld op een procedure waarin één van beide partners het kind adopteert waarna de andere partner de medevoogdij verkrijgt.
In dit verband brengen deze leden voorts hun bezwaren naar voren tegen het buiten beschouwing laten van de concrete leefsituatie van de ouder die alleen een kind wil adopteren. Deze leden zijn van mening dat wegens het feit dat de adoptie als zodanig zeer ingrijpend is voor het adoptiekind, het niet in het belang van het kind is dat het geconfronteerd wordt met een leefsituatie die sterk afwijkt van andere kinderen in zijn omgeving. Deze leden stellen dat de natuurlijke situatie waarin een band bestaat tussen de vader en de moeder en hun kind bij de adoptie van een kind zoveel mogelijk moet worden benaderd. Dit uitgangspunt verdraagt zich niet met een gelijkwaardige mogelijkheid tot adoptie van een kind door één ouder. Indien de leefsituatie van die ouder dan ook nog afwijkt van datgene dat een kind ideaaltypisch mag verwachten, ontstaat naast de ingrijpende gebeurtenis van de adoptie als zodanig een extra drempel voor de ontwikkeling van het kind. Deze leden vragen welke rol de vele onderzoeken naar de adoptiestatus hebben gespeeld gelet op het voorstel dat de regering doet. Hoe verhoudt de voorgestelde mogelijkheid van adoptie door homofiele alleenstaanden of partners zich tot de adoptiewetgeving in de ons omringende landen? Deze leden vragen voorts waarom, indien een keuze kan worden gemaakt het kind bij een ouderpaar, of bij een alleenstaande of een homopaar te plaatsen, welbewust de beslissing moet worden genomen het kind geen vader dan wel moeder te geven terwijl vrij algemeen wordt aangenomen dat de adoptie als «second-best» oplossing zoveel mogelijk de natuurlijke verhoudingen in een gezin zou moeten benaderen. De keuze van deze leden voor het echtpaar-vereiste is voorts ingegeven door het feit dat de ouders binnen een tweerelatie tijdens de opvoeding van het adoptiekind elkaar kunnen corrigeren, aanvullen en helpen. Voor het adoptiekind is dus geen sprake van eenrichtingverkeer omdat het kind uitwijkmogelijkheden naar de vader of de moeder heeft. Dit kan naar de mening van deze leden vooral in de vaak heftig verlopende puberteit van adoptiekinderen voordelen bieden. Een laatste bezwaar van de leden van de GPV-fractie tegen een algemene regeling van de éénouderadoptie is de mogelijkheid dat bij overlijden van de ouder het kind alleen komt te staan omdat het niet op een vader of moeder terug kan vallen. Aanvaarding van het kind door de familie van de ouder die het kind zelfstandig adopteerde, is naar de mening van deze leden niet vanzelfsprekend omdat de adoptie door die ouder is gewild terwijl tussen het adoptiekind en de familie van de ouder geen familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan.
De leden van de GPV-fractie zien geen goede argumenten om de maximum toegestane leeftijdsgrens van adoptiefouders, met inachtneming van de belangen van het kind, door de rechter te laten vaststellen. Deze leden menen dat in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat het nuttig zo niet noodzakelijk is dat de adoptiefouders redelijk vitaal en jong zijn. Het loslaten van een maximum leeftijdsgrens lijkt dan ook niet in de eerste plaats te zijn ingegeven door de belangen van het kind maar in het belang van ouders een zo ruim mogelijke adoptiemogelijkheid te hebben. De belangen van het kind dienen echter te prevaleren en daarom vinden deze leden handhaving van een maximum leeftijdsgrens meer in de rede liggen dan het schrappen daarvan. Zij zien onvoldoende aanleiding de thans bestaande maximum leeftijdsgrens van 40 jaar los te laten.
Ook ten aanzien van de leeftijdsgrens voor de tegenspraak van het kind wordt een verlaging voorgesteld. De leden van de GPV-fractie stellen vast dat die verlaging gelegen is in de veronderstelling dat de ingebrachte bezwaren door een kind dat tussen de twaalf en vijftien jaar oud is, niet anders worden gewogen dan de bezwaren die zijn ingebracht door kinderen van vijftien jaar en ouder. Deze leden vragen of dit onderscheid in de praktijk inderdaad niet tot een andere weging van de ingebrachte bezwaren leidt en hoe het vermogen om de eigen wil kenbaar te maken voor de onderscheidene leeftijdscategorieën moet worden beoordeeld.
De leden van de GPV-fractie vragen een nadere uiteenzetting te geven over de voorwaarden waaronder aan de tegenspraak van de oorspronkelijke ouder(s) voorbij kan worden gegaan.
Zij hebben behoefte aan een nadere verklaring van het onderscheid dat in de voorwaarden voor adoptie wordt gemaakt tussen de verzorgingstermijn van één jaar voor twee adoptanten en drie jaar voor één adoptant.
De leden van de SP-fractie zijn op zich geen voorstander van uitbreiding van de kring van personen die in aanmerking kunnen komen voor adoptie. Zij menen dat terughoudendheid vereist is ten aanzien van het juridisch verbreken van afstammingsbanden. Een alternatief voor adoptie kan naar de mening van deze leden gevonden worden in de regeling van medegezag. Wat is de mening van de regering hierover?
De leden van de RPF-fractie vragen de regering in overweging te nemen in deze titel zoveel mogelijk de oude benaming, «ouderschap en afstamming» te volgen.
Hoe zit het met de afstamming van moederszijde, zo vragen de leden van de CDA-fractie. In wetsvoorstel 20 626, artikel 219 wordt expliciet de akte van geboorte genoemd. In dit wetsvoorstel is alleen sprake van de «moeder is de vrouw uit wie het kind is geboren». Sluit dit wel voldoende aan bij wat er over draagmoederschap wordt gezegd?
De leden van de D66-fractie hebben gelezen dat moeder van het kind is de vrouw die het kind heeft gebaard, ook als het genetisch materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. Volgens de memorie van toelichting gaat het de regering te ver om, nu er technische mogelijkheden tot embryodonatie zijn voor alle gevallen het vaste uitgangspunt ten aanzien van het moederschap te vervangen door een vermoeden van moederschap. Kan de regering dit nader toelichten? Zijn er ook gevallen mogelijk waarin het uitgangspunt wel wordt vervangen?
Artikelen 200, 201 en 202 (Ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap)
Het wetsvoorstel bevat een aparte regeling met betrekking tot kunstmatige bevruchtingstechnieken, zo merken de leden van de VVD-fractie op. De regering maakt hier een onderscheid tussen verwekker en biologische vader. In artikel 200 wordt bepaald dat een kind, ingeval zijn vader niet zijn biologische vader is, omdat hij heeft ingestemd met kunstmatige bevruchting met donorzaad of met geslachtsgemeenschap met een andere man, de mogelijkheid tot ontkenning van het vaderschap houdt. Het kind wordt derhalve niet gebonden aan de instemming destijds met KID, in vitro fertilisatie met donorzaad, of geslachtsgemeenschap met een andere man. Op welke gronden heeft de regering deze keuze gemaakt, hoe lang blijft het kind het recht op ontkenning van het ouderschap houden en hoe is dit geregeld in de wetgeving van de ons omringende landen?
Wat is het belang van het kind om het vaderschap te ontkennen en op welke gronden kan de rechter tot vernietiging overgaan, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
De leden van de D66-fractie stemmen in met de gedachte dat het gelijkheidsbeginsel ook bij de ontkenning van het vaderschap hoort te gelden. Deze leden juichen het toe dat de mogelijkheid van ontkenning van het vaderschap door de moeder wordt uitgebreid. Het kan immers zo zijn dat de man geen stappen onderneemt om het vaderschap te ontkennen, omdat het hem tamelijk onverschillig laat, maar de vrouw en eventueel haar partner niet.
Is het noodzakelijk de rechter in te schakelen als de man en de moeder het er samen over eens zijn dat het vaderschap moet worden ontkend? Ligt de eenvoudiger weg bij de burgerlijke stand in dat geval niet meer voor de hand?
De kring van familieleden die het vaderschap van een overleden man ter discussie kunnen stellen, is beperkt gehouden. Een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan echter worden ingesteld door de erfgenamen van de erkenner. Deze kring is dus veel ruimer. Kan de regering toelichten waarom hier een onderscheid wordt gemaakt?
De leden van de GPV-fractie vragen een nadere uiteenzetting te geven over de mogelijkheid van het erkende kind en het uit een huwelijk geboren kind om het vaderschap te betwisten. Ontstaat zo niet het beeld dat de vader of erkenner enkel vader is tot het moment dat het kind dit bestrijdt? Komt daarmee de hoofdregel dat de gehuwde vader wordt geacht de biologische vader te zijn, niet onder druk te staan? Is het in deze benadering mogelijk dat het kind dat stelt dat zijn vader niet zijn biologische vader is, de vader ertoe dwingt een DNA-onderzoek te ondergaan om die stelling te weerleggen? Deze leden stellen die vraag omdat op bladzijde 18 van de memorie van toelichting wordt vermeld dat al te zware eisen aan het aannemelijk maken van het vermoeden dat de vader niet de biologische vader is, niet moeten worden gesteld. Is voorts de mogelijkheid voorzien dat (groepen) burgers zich tegen een DNA-onderzoek zouden kunnen verzetten op grond van voor hen belangrijke overwegingen? Betekent een dergelijke (principieel gefundeerde) weigering dat de rechter geen andere mogelijkheid heeft dan vast te stellen dat gelet op de weigering aan het DNA-onderzoek mee te werken de vader blijkbaar niet de biologische vader is van het kind?
De leden van de GPV-fractie stellen met genoegen vast dat het kind niet gebonden is aan de instemming van de man met geslachtsgemeenschap met een andere man of met kunstmatige bevruchting met donorzaad. Wel vragen deze leden of het gewenst is dat het kind dat met succes het vaderschap van de erkenner heeft ontkend, niet de mogelijkheid heeft de identiteit van zijn biologische vader te achterhalen omdat de informatie hierover hem wordt onthouden of al is vernietigd. Behoren de drempels die tegen de wil en het belang van een dergelijk kind worden opgeworpen, niet te worden geslecht? De verdubbeling van de termijn waarbinnen het door huwelijk ontstane vaderschap kan worden ontkend, roept bij de leden van de GPV-fractie de vraag op naar de achterliggende redenen van die verdubbeling. Voorts is het deze leden onduidelijk waarom deze termijn niet gesteld wordt aan de vader die deel uitmaakt van een samenleving. Ook de termijn die voor ontkenning van het vaderschap aan het kind wordt geboden, roept bij deze leden vragen op. Waarom is die termijn op drie jaar gesteld in plaats van op bij voorbeeld vijf jaar? Voorts is het de leden van de GPV-fractie uit de toelichting op het wetsvoorstel niet duidelijk geworden of het kind ook na het bereiken van de 21-jarige leeftijd een recht tot ontkenning van het vaderschap toekomt. Indien dat niet het geval is, betekent dit dat kinderen tussen de 18 en 21 jaar een (steeds) geringer deel van de gestelde termijn van drie jaar voor ontkenning van het vaderschap kunnen gebruiken. Is dit nadrukkelijk zo beoogd?
Artikelen 203, 204, 205 en 206 (Erkenning en vernietiging van de erkenning)
In hoeverre kan de mogelijkheid van erkenning van een kind tijdens de meerderjarigheid van dit kind leiden tot oneigenlijk gebruik in verband met het erfrecht, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Kan dit voor het openbaar ministerie ook een grond zijn om vernietiging van de erkenning te vorderen?
Wat zijn de rechtsgevolgen van erkenning op het gebied van nationaliteit, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
Is het mogelijk dat de vrouw erkent?
Een man jonger dan 16 jaar kan een kind niet erkennen. Maar wat gebeurt als hij de vader is? Hoe is dit te rijmen met de huwelijkswetgeving?
Kunnen alle rechtsgevolgen bij vernietiging ongedaan worden gemaakt, in het bijzonder op het gebied van de nationaliteit?
Is het wel noodzakelijk om het kind een termijn te stellen voor het indienen van een vernietigingsverzoek, vragen de leden van de D66-fractie. De rechtsgevolgen van de vernietiging zullen immers beperkt zijn.
Is in de ogen van de regering uitgesloten dat ook een man die niet de verwekker is, het kind kan erkennen door de vervangende toestemming van de rechter? Moet, indien dit wel tot de mogelijkheden behoort, ook niet de vernietiging door de moeder worden toegelaten?
Mede door het vervallen van het onderscheid tussen wettige en onwettige/natuurlijke kinderen is het aantal personen dat de erkenning kan vernietigen, ingeperkt. Desalniettemin vragen de leden van de RPF-fractie of het in alle gevallen zou moeten worden uitgesloten dat de verwekker of de biologische vader (die niet altijd de erkenner zijn), de erkenning voordragen voor vernietiging.
De leden van de GPV-fractie vragen wat de toegevoegde waarde is van artikel 203, eerste lid. De erkenning heeft toch pas enig rechtsgevolg op het moment dat het kind levend geboren is. Kan dan bij het opmaken van de geboorteakte de ambtenaar van de burgerlijke stand niet tevens een akte van erkenning opmaken? Het is deze leden voorts opgevallen dat daar waar voor de notaris bij de registratie van een samenleving geen rol is toebedeeld, deze weer wel wordt ingeschakeld bij het opmaken van een akte van erkenning. Is dit ook nu al gebruikelijk? Wat is de toegevoegde waarde van die notariële akte in relatie tot een akte van erkenning die de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft opgemaakt of de vermelding van de erkenning in de geboorteakte? Voorts is het deze leden niet duidelijk op welke wijze de erkenning die voor de geboorte van het kind is gedaan, gevolgen kan hebben (artikel 222 BW).
De tweede alinea op bladzijde 20 van de memorie van toelichting roept bij de leden van de GPV-fractie enige verwarring op over de mogelijkheden van de erkenner zijn erkenning te vernietigen als hij niet de biologische vader is van het kind. Dit laatste nu is het geval indien hij heeft ingestemd met de geslachtsgemeenschap met een andere man of met kunstmatige voortplanting. Moet de man die hiermee heeft ingestemd, zich altijd kunnen onttrekken aan de plicht het kind te erkennen? Indien dit het geval zou zijn, beschouwen deze leden dat als zeer ongewenst omdat de verwekker uitdrukkelijk heeft ingestemd met de kunstmatige bevruchtingstechniek waarmee het kind is verwekt. Kan de erkenning van de zogenaamde verwekker niet wettelijk worden verbonden aan zijn instemming? Deze leden vragen voorts naar de achterliggende argumenten de termijn voor de vernietiging van de erkenning te verlengen van 6 tot 12 maanden.
Artikelen 207 en 208 (Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap)
De leden van de PvdA-fractie vragen nader uit te leggen waarom bij het stellen van verschillende termijnen voor het kunnen instellen van een vaderschapsactie een relatie is gelegd met die van het ontkennen van vaderschap. Acht de regering geen verschil aanwezig tussen het aantasten van een bestaand vaderschap en het vestigen van vaderschap? Waarom is niet gekozen voor een systeem waarbij het kind te allen tijde het vaderschap van zijn natuurlijke vader gerechtelijk kan laten vaststellen, zoals dat ook het geval is in de Scandinavische landen, Duitsland en Engeland? Zien deze leden het juist dat een vaderschapsactie tegen iedere man kan worden ingesteld, ook als deze gehuwd is met een andere vrouw?
Impliceert het gestelde in artikel 207, vijfde lid «... mits ingeschreven in de burgerlijke stand» dat na vaststelling niet per definitie de burgerlijke stand wordt ingelicht, vragen de leden van de CDA-fractie. Niet alle rechtsgevolgen zijn dezelfde als bij erkenning; zo kan de geslachtsnaam die van de moeder blijven. Hoe zit het hier met de nationaliteit? Zou er niet sprake moeten zijn van ingezetene in plaats van ingeschreven?
Heeft de regering ook overwogen om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ook mogelijk te maken in geval dat de moeder de erkenning niet wenst, zo vragen de leden van de D66-fractie. Deze mogelijkheid zou in de plaats kunnen komen van de rechterlijke toetsing in die gevallen dat de man die zou willen erkennen, de verwekker is van het kind en de moeder geen toestemming geeft voor de erkenning.
De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt beschouwd als een laatste mogelijkheid om een familierechtelijke betrekking met de verwekker tot stand te brengen. Wordt het belang hiervan niet min of meer gerelativeerd door het stellen van termijnen bij de gerechtelijke vaststelling? Moet in elk geval het kind niet te allen tijde het recht hebben om het vaderschap gerechtelijk te doen vaststellen?
Wordt door de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet een blokkade opgeworpen ten nadele van de eventuele erkenning door een latere leefgenoot van de moeder die het sociaal vaderschap op zich heeft genomen?
Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap heeft terugwerkende kracht. De leden van de D66-fractie kunnen hiermee instemmen. Indien het vaderschap na het overlijden wordt vastgesteld, kan het kind zijn erfrechtelijke aanspraken tegen zijn vader geldend maken.
Waarom is bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap geen keuze mogelijk voor de achternaam van de vader?
Verwacht de regering dat van deze rechtsfiguur veel gebruik gemaakt gaat worden?
De leden van de GPV-fractie vragen naar het verschil in rechtsgevolgen tussen enerzijds de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en anderzijds de erkenning. Bestaat na gerechtelijke vaststelling van het vaderschap de mogelijkheid dat de vader en de moeder in onderling overleg besluiten het kind de achternaam van de man te geven? Deze leden informeren voorts naar de ratio achter de termijn van vijf jaren die de vrouw geboden wordt voor het indienen van een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Deze leden stellen voorts de vraag of de termijn voor het kind tot het indienen van een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, het ontkennen van door huwelijk ontstane vaderschap en het vernietigen van de erkenning steeds op drie jaar kan worden gesteld. Is het belang van een voldoende lange termijn in elk van die gevallen even groot of ligt enige differentiatie voor de hand?
Artikelen 227, 228, 229 en 232 (Adoptie en de herroeping daarvan)
De leden van de D66-fractie kunnen instemmen met een verzorgingstermijn alvorens tot adoptie kan worden overgegaan (eerste lid sub f). Bij het verbreken van afstammingsbanden past de nodige terughoudendheid. Wel vragen deze leden wat de reden is dat voor alleenstaanden andere termijnen gelden dan voor samenwonenden. Heeft dit te maken met het feit dat onder de huidige regelgeving veel ouders en stiefouders automatisch na een jaar verzorging stiefouderadoptie aanvragen?
Deze leden vinden de formulering van het tweede lid van artikel 229 onduidelijk. Kan de regering deze nader toelichten? Stiefouderadoptie komt in het huidige wetsvoorstel niet meer voor. Eenpersoonsadoptie door de partner van de ouder die het gezag over het kind heeft, is hiervoor in de plaats gekomen. Betekent dit dat «stiefouderadoptie» ook mogelijk is buiten het huwelijk?
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de zogenoemde vaderschapsactie wordt gehandhaafd naast de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De moeder die geen juridische band tussen de verwekker en het kind wil zien, kan op deze manier toch een geldelijke ondersteuning krijgen. Bovendien is een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet mogelijk wanneer de man de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, terwijl een vaderschapsactie wel kan worden ingesteld.
Het is deze leden overigens niet geheel duidelijk waarom artikel 394 niet van toepassing is op de vrouwelijke partner van de moeder die heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg heeft gehad.
Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Korthals (VVD), Janmaat (CD), De Hoop Scheffer (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M. M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (Groep Nijpels), Rabbae (GroenLinks), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Van Vliet (D66).
Plv. leden: Koekkoek (CDA), Van den Berg (SGP), Van Blerck-Woerdman (VVD), Marijnissen (SP), Biesheuvel (CDA), Bremmer (CDA), Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Van Heemst (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Boogaard (Groep Nijpels), Sipkes (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Passtoors (VVD), Van Boxtel (D66), Van der Heijden (CDA), Apostolou (PvdA), vacature D66, Leerkes (U55+), Van den Doel (VVD), Weisglas (VVD), De Koning (D66).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24649-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.