Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1995-199624649 nr. 1;2

24 649
Herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie.

De memorie van toelichting (en bijlagen), die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage,

20 maart 1996

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het afstammingsrecht alsmede de regeling van de adoptie te herzien en de daarmee samenhangende bepalingen in het Burgerlijk Wetboek te wijzigen;

Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

A

De Elfde titel van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen door:

TITEL 11. AFSTAMMING

AFDELING 1. ALGEMEEN

Artikel 197

Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.

Artikel 198

Moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd.

Artikel 199

Vader van een kind is de man:

a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd;

b. wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden;

c. die het kind heeft erkend;

d. wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of

e. die het kind heeft geadopteerd.

AFDELING 2. ONTKENNING VAN HET DOOR HUWELIJK ONTSTANE VADERSCHAP

Artikel 200

1. Het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap kan, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, worden ontkend:

a. door de vader of de moeder van het kind;

b. door het kind zelf.

2. De vader of moeder kunnen het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap niet ontkennen, indien de man vóór het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap.

3. De vader of moeder kunnen het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap evenmin ontkennen, indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.

4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de vader, indien de moeder hem heeft bedrogen omtrent de verwekker.

5. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door de moeder bij de rechtbank ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. Een zodanig verzoek wordt door de vader ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.

6. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door het kind bij de rechtbank ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, wordt het verzoek uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, ingediend.

Artikel 201

1. Overlijdt de vader of de moeder voor de afloop van de in artikel 200, vijfde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij gebreke van zodanige afstammeling, een ouder van deze echtgenoot, de rechtbank verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.

2. Overlijdt het kind voor de afloop van de in artikel 200, zesde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling in de eerste graad van het kind, de rechtbank verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Indien het kind meerderjarig was ten tijde van het overlijden, wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de minderjarigheid, dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een jaar nadat het kind, in leven zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen doen, dan wel, indien het overlijden op een later tijdstip ter kennis is gekomen van de verzoeker binnen een jaar na die kennisneming.

Artikel 202

1. Nadat de beschikking houdende gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk ontstaan vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het door huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad.

2. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.

3. Door de gegrondverklaring van de ontkenning ontstaat geen vordering tot teruggave van kosten van verzorging en opvoeding of van kosten van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

AFDELING 3. ERKENNING

Artikel 203

1. Erkenning kan geschieden:

a. bij de geboorteakte van het kind;

b. bij een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand;

c. bij elke notariële akte.

2. De erkenning heeft gevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan.

Artikel 204

1. De erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

a. door een man die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten;

b. door een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;

c. indien het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder;

d. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder.

2. De in het vorige lid onder c en d vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van erkenning.

3. Bij gebreke van de in het eerste lid, onder c, bedoelde toestemming wordt deze op verzoek van de man die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechtbank vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder d, ontbreekt.

Artikel 205

1. Een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:

a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

b. door de erkenner, of na zijn dood, door een of meer van zijn erfgenamen, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen.

2. Het openbaar ministerie kan wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning vorderen.

3. In geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt. Overlijdt de erkenner voor de afloop van deze termijn, dan eindigt voor zijn erfgenamen de termijn niet voordat een jaar na zijn overlijden is verstreken.

4. Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit wordt het verzoek uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, ingediend.

5. Voor het geval het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid gestelde termijn is artikel 201, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 206

1. Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad.

2. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.

3. Door de vernietiging ontstaat geen vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn voortgevloeid, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het instellen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

AFDELING 4. GERECHTELIJKE VASTSTELLING VAN HET VADERSCHAP

Artikel 207

1. Het vaderschap van een man kan, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat de man als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:

a. de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;

b. het kind.

2. Vaststelling van het vaderschap kan niet geschieden, indien:

a. het kind een vader heeft;

b. tussen de man en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten; of

c. de in de aanhef van het eerste lid bedoelde man een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt.

3. Het verzoek wordt door de moeder ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend is geworden.

4. Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen drie jaren nadat bekend is geworden aan het kind wie zijn verwekker kan zijn dan wel welke man de in het eerste lid bedoelde toestemming heeft gegeven. Indien het kind gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit wordt het verzoek uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, ingediend.

5. De vaststelling van het vaderschap, mits ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

Artikel 208

Bij de uitspraak waarbij het vaderschap wordt vastgesteld, kan de rechter op een daartoe strekkend verzoek aan het kind een bijdrage toekennen in de kosten van verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 404 of in de kosten van levensonderhoud en studie als bedoeld in artikel 395a.

AFDELING 5. INROEPING OF BETWISTING VAN STAAT

Artikel 209

Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.

Artikel 210

Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring onderworpen.

Artikel 211

1. Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping van staat kan worden ingediend:

a. door het kind zelf;

b. door de erfgenamen van het kind, indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of binnen drie jaren nadien is overleden.

2. Indien het kind een verzoek als bedoeld in het eerste lid had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure voortzetten.

AFDELING 6. DE BIJZONDERE CURATOR

Artikel 212

In zaken van afstamming wordt het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist.

B

De Twaalfde titel van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

1. De artikelen 227, 228 en 229 worden vervangen door de volgende artikelen:

Artikel 227

1. Adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen van verschillend geslacht tezamen of op verzoek van één persoon alleen.

2. Het verzoek door twee personen tezamen kan slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd.

3. Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en aan de voorwaarden door artikel 228 gesteld, wordt voldaan.

4. Zijn de voornamen van het kind niet bekend, dan stelt de rechter, nadat hij de adoptant of adoptanten en het kind, indien dat twaalf jaren of ouder is, heeft gehoord, bij de adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast.

Artikel 228

1. Voorwaarden voor adoptie zijn:

a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;

b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant;

c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;

d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;

f. dat de adoptant het kind gedurende ten minste drie aaneengesloten jaren heeft verzorgd en opgevoed of, in geval van adoptie door twee personen tezamen, dat zij het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, en dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.

2. Aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid, onder d, kan worden voorbijgegaan:

a. indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of

b. indien ten aanzien van de ouder sprake is van misbruik van het gezag, of van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van het kind; of

c. indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 229

1. Door adoptie komen de geadopteerde, de adoptiefouder of de adoptiefouders en zijn bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan.

2. Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde, zijn oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te bestaan, met dien verstande dat in geval van adoptie van het kind van de andere echtgenoot, de familierechtelijke betrekking tussen dat kind en die echtgenoot blijft bestaan.

3. Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan de rechtbank bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. De artikelen 377a, tweede en derde lid, 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Artikel 232 komt te luiden:

Artikel 232

1. Door herroeping van de adoptie houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn kinderen enerzijds en de adoptiefouder of adoptiefouders en zijn bloedverwanten anderzijds op te bestaan.

2. De familierechtelijke betrekking die door de adoptie opgehouden had te bestaan, herleeft door de herroeping.

3. Artikel 230 vindt ten aanzien van de herroeping overeenkomstige toepassing.

C

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt voorts als volgt gewijzigd:

1. In artikel 3, eerste lid, komt de tweede zin te luiden:

Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of een adoptie als een geboorte.

2. In artikel 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. De geslachtsnaam van een kind, van wie het vaderschap anders dan door gerechtelijke vaststelling vaststaat, is die van de vader, en anders die van de moeder.

b. Het tweede lid vervalt.

c. Het derde lid wordt vernummerd tot 2.

3. In artikel 7, vierde lid, vervallen de woorden: of wettiging.

4. Artikel 20, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef vervalt de zinsnede: of ontkenning van het vaderschap door de moeder met gelijktijdige erkenning door de vader, van wettiging, van brieven van wettiging.

b. In onderdeel a wordt de zinsnede «een gegrondverklaring van een betwisting of inroeping van een staat» vervangen door: een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, een gegrondverklaring van een ontkenning van het vaderschap of.

4a. In artikel 20e, tweede lid, vervalt de zinsnede: brieven van wettiging, van.

5. In artikel 20f vervallen de woorden: of de ontkenning van het vaderschap met gelijktijdige erkenning door de vader.

6. In artikel 20g vervalt de zinsnede: is gewettigd,.

7. In artikel 28c, tweede lid, vervallen de woorden: de vorderingen.

8. In artikel 35, eerste lid, worden de woorden «de ouders die tot hem in familierechtelijke betrekking staan» vervangen door: zijn ouders.

9. In artikel 41, eerste lid, vervalt de zinsnede: hetzij wettig, hetzij onwettig,.

10. In artikel 77, tweede lid, onder c, vervalt het woord: wettige.

11. Artikel 80 komt te luiden:

Artikel 80

Wordt in een geding betwist dat een kind, dat uiterlijk bezit van staat heeft, uit een huwelijk is geboren, dan levert het feit dat de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd, voldoende bewijs op.

12. Artikel 301 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. van de aangifte van de geboorte van ieder kind, geboren binnen 306 dagen nadat het huwelijk van zijn moeder door de dood van haar echtgenoot is ontbonden, en van ieder kind, ten aanzien van wie alleen het moederschap vaststaat;.

2. Onderdeel d vervalt.

3. Onderdeel e wordt verletterd tot d en komt te luiden:

d. van iedere door hem toegevoegde latere vermelding van een rechterlijke uitspraak die een minderjarige betreft, houdende een ontkenning van het vaderschap, vernietiging van een erkenning, gegrondverklaring van een betwisting of inroeping van staat of vernietiging van zulk een uitspraak.

b. In het derde lid worden de woorden «de vordering» vervangen door: het verzoek.

13. In artikel 392, eerste lid, komt onderdeel b te luiden:

b. de kinderen;

14. Artikel 393 vervalt.

15. Artikel 394 komt te luiden:

Artikel 394

De verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, alsmede de man die als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, is als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b. Nadien bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind.

15a. In artikel 395 vervallen de woorden: wettige en natuurlijke.

16. Artikel 395a wordt als volgt gewijzigd:

a. De tweede zin van het eerste lid vervalt.

b. In het tweede lid vervallen de woorden: wettige en natuurlijke.

17. In artikel 395b, eerste lid, worden de woorden «dan wel de vader van een onwettig niet-erkend kind» vervangen door: dan wel, overeenkomstig artikel 394, de verwekker of de man die in artikel 394 daarmee gelijk is gesteld.

18. In artikel 398, tweede lid, vervalt de zinsnede: , wettig of natuurlijk,.

19. In artikel 400, eerste lid, vervalt de zinsnede: – wettige of onwettige –.

20. In het opschrift van de tweede afdeling van Titel 17 vervallen de woorden: door ouders en stiefouders.

21. In artikel 404, eerste lid, vervalt de zinsnede: , zowel wanneer het wettige als wanneer het onwettige kinderen zijn.

22. Artikel 405 vervalt.

23. Artikel 406, derde tot en met vijfde lid, vervalt.

24. Na artikel 406 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, die luiden:

Artikel 406a

Een op artikel 394 gegrond verzoek kan ten behoeve van een minderjarig kind door hem die het gezag over het kind heeft, worden gedaan. De ouder of voogd van het kind behoeft de in artikel 349, eerste en tweede lid, bedoelde machtiging niet.

Artikel 406b

1. De erfgenamen van de in artikel 394 bedoelde verwekker of van de man die in artikel 394 daarmee gelijk is gesteld, kunnen na zijn overlijden verplicht worden tot betaling van een som ineens ter zake van levensonderhoud en studie van het kind dat de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt.

2. De in het vorige lid bedoelde som is ten hoogste gelijk aan het wettelijk erfdeel waartoe het kind gerechtigd zou zijn geweest, indien de erflater zijn vader was.

3. De aanspraken moeten door de wettelijke vertegenwoordiger van het kind of het kind zelf binnen een jaar na het overlijden van de erflater bij de rechtbank geldend worden gemaakt.

OVERGANGSBEPALING

ARTIKEL II

1. Het voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht blijft van toepassing op procedures waarin de inleidende dagvaarding is betekend dan wel het inleidende verzoekschrift is ingediend, met betrekking tot adoptie of herroeping daarvan alsmede met betrekking tot ontkenning van het vaderschap, vernietiging van een erkenning, inroeping of betwisting van staat, vaststelling van een onderhoudsbijdrage als bedoeld in artikel 394, of vaststelling van een som ineens als bedoeld in artikel 406, zoals deze artikelen luidden onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Het vervallen van artikel 405, tweede lid, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, heeft evenwel onmiddellijke werking.

2. Een kind aan wie tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden en op het moment van inwerkingtreding van deze wet bekend is dat de erkenner vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind, kan gedurende een termijn van drie jaren te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de wet een verzoek tot vernietiging van de erkenning doen overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

3. Een kind aan wie tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden en op het moment van inwerkingtreding van deze wet bekend is wie zijn verwekker kan zijn dan wel welke man aan of tezamen met de moeder toestemming heeft gegeven tot een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, kan gedurende een termijn van drie jaren te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een verzoek tot vaststelling van het vaderschap doen.

4. Indien een verzoek tot adoptie uitsluitend op de grond van het niet vervuld zijn van de voorwaarde, bedoeld in artikel 228, eerste lid, aanhef en onder d, eerste volzin, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is afgewezen, blijft de tweede zin van het bedoelde artikellid van toepassing. De in die zin opgenomen verwijzing naar de voorwaarden, gesteld onder e tot en met g, geldt voor dit geval als een verwijzing naar de voorwaarden onder e en f van artikel 228, eerste lid, van deze wet.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Justitie,