nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ondergetekende dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
voor de opmerkingen en vragen.
Zij hoopt dat deze nota, die wordt uitgebracht mede namens de Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een spoedige mondelinge behandeling
zal bevorderen.
Algemeen
Ondergetekende neemt er met genoegen kennis van dat de leden van de PvdA-fractie
geen bezwaar hebben tegen het onderhavige voorstel.
Zij stellen wel een aantal vragen van meer fundamentele aard waarop ondergetekende
hieronder in gaat. Zo pleitten de leden van deze fractie reeds eerder voor
een meer fundamentele bezinning op de planprocedure. Zij vragen of de provincie
niet beter dan wie ook de hele planning integraal kan benaderen met alle aspecten
van stichting, herschikking, fusie en opheffing. Zij vragen vervolgens of
overwogen wordt om binnen afzienbare termijn met een meer fundamentele wijziging
te komen.
Geantwoord wordt dat een meer fundamentele bezinning op de planning van
voorzieningen in het voortgezet onderwijs zal plaatsvinden mede naar aanleiding
van de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad over het rapport
van de Commissie Aanpassing Scholenbestand (CAS). Dit rapport is aan uw Kamer
toegezonden bij brief van 29 juni 1994, kenmerk PO/B 94032952. De beleidsreactie
zal medio dit jaar aan de Tweede Kamer worden gezonden. Vanwege de uitermate
gecompliceerde problematiek die daarbij aan de orde is, heeft ondergetekende
er de voorkeur aan gegeven de in dit wetsvoorstel aan de orde zijnde, vooral
pragmatische, aanpassing van de planprocedure alvast voor te leggen.
Met de leden van de PvdA-fractie is ondergetekende voorstander van een
zoveel mogelijk integrale benadering van stichting, herschikking, fusie en
opheffing.
In de huidige planningssystematiek wordt deze integrale benadering echter
bemoeilijkt doordat de procedure met betrekking tot de uitbreiding van voorzieningen
(Plan van Scholen) veel langer is (nu drie jaar) dan de procedure met betrekking
tot omzetting, splitsing en verplaatsing, (één jaar) op grond
van artikel 75 WVO. Met het onderhavige wetsvoorstel verkorting
planprocedure worden deze procedures meer op elkaar afgestemd doordat de lengte
van de planprocedure wordt teruggebracht van drie naar twee jaar.
De opvatting van ondergetekende over de rol van de provincie is in dit
verband de volgende.
Ondergetekende hecht bijzonder veel waarde aan advisering door de provincies
over de voorzieningenplanning. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de afspraken die
met het Interprovinciaal Overleg (IPO) zijn gemaakt over de rol van de provincies
bij de herschikking mavo/vbo.
Aangezien echter de overheid verantwoordelijk is voor de spreiding van
voorzieningen en tevens verantwoordelijk is voor de bekostiging van het onderwijs,
moet de uiteindelijke besluitvorming blijven liggen bij de rijksoverheid.
In het algemeen overleg over het mavo/vbo op 25 januari jl. (Kamerstukken
23 778, nr. 54) is overigens aangegeven dat de overheid bij de herschikking
van mavo/vbo alleen op grond van zwaarwegende overwegingen zal afwijken van
de provinciale adviezen.
De leden van de VVD-fractie melden dat zij van harte kunnen instemmen
met een vereenvoudiging van de zeer bewerkelijke planprocedure. Zij constateren
dat de regering ervan heeft afgezien om de planprocedure tweejaarlijks te
maken en vragen naar de beweegredenen daarvan. Voorts vragen de leden van
deze fractie of de onderhavige wijzigingen niet kunnen wachten op een meer
fundamentele visie van de regering op het rapport van de Commissie Aanpassing
Scholenbestand.
Ondergetekende antwoordt dat niet is gekozen voor een tweejaarlijkse plancyclus
om de volgende reden. Een verkorting van de planprocedure met één
jaar is onder meer mogelijk door het laten vervallen van de bijzonder-geval-procedure.
Deze procedure was bedoeld om in bepaalde gevallen snel in te kunnen spelen
op behoeften vanuit het veld.
Door de verkorting van de planprocedure wordt een bijzonder-geval-procedure
overbodig, maar alleen indien die procedure jaarlijks start. Is dat niet het
geval dan kan het voor komen dat niet snel genoeg ingespeeld kan worden op
vragen vanuit het veld. Het jaarlijks starten van de planprocedure is dus
een «service» aan het onderwijsveld.
Voor een antwoord op de vraag of de wijzigingen niet kunnen wachten op
de reactie op het CAS-rapport verwijst ondergetekende naar het antwoord op
eenzelfde vraag van de leden van de PvdA-fractie die eerder in deze nota is
beantwoord.
De leden van de VVD-fractie vragen tenslotte om een reactie op het pleidooi
van het IPO om de gescheiden trajecten van de voorzieningenplanning te integreren;
om de planning te plaatsen in een regionale context; om de mogelijkheden om
zinvolle verbanden te leggen met ontwikkelingen in de omgeving van de school
en om de betrokkenheid van schoolbesturen te vergroten.
Voor een antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op eenzelfde
vraag van de leden van de PvdA-fractie.
De leden van de fractie van D66 vragen hoe de regering de rol van de provincie
in de komende jaren ziet en zij willen weten wanneer er een gedachtenwisseling
met de Kamer zal plaatsvinden over de toekomstige rol van de provincies.
Ondergetekende herinnert er aan dat over de rol van de provincies uitvoerig
is gesproken met de Tweede Kamer bij gelegenheid van het debat op 25 januari
jl. over de herschikking mavo/vbo.
Zoals gezegd wordt bijzondere waarde gehecht aan de adviezen die door
de provincies worden uitgebracht. In het herschikkingstraject mavo/vbo zijn
heldere afspraken gemaakt met het IPO over zijn adviserende rol bij de herschikking.
Uit het verder verloop van dit traject, waarover de Tweede Kamer vanzelfsprekend
regelmatig wordt geïnformeerd, zal moeten blijken of een
nadere aanscherping van de WVO over de rol van de provincies nodig en gewenst
is. Dit element zal te zijner tijd worden meegenomen in de meer fundamentele
aanpassing van de systematiek van de voorzieningenplanning die het gevolg
kan zijn van mijn beleidsreactie op het CAS-rapport en het advies van de Onderwijsraad
daarover.
Tot slot vragen de leden van de fractie van D66 waarom het toetsingskader
dat eind 1996 wordt vastgesteld, niet ongunstiger zal zijn dan het toetsingskader
dat in oktober 1995 werd vastgesteld.
Het antwoord op deze vraag luidt dat het toetsingskader 1995 zeer terughoudend
is geformuleerd in afwachting van de herschikking mavo/vbo/vso en dat het
toetsingskader dat in eind 1996 zal worden vastgesteld in vergelijking daarmee
iets ruimer zal zijn geformuleerd.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
T. Netelenbos