24 592
Wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de reclameregeling voor de publieke lokale en regionale omroep, het bevorderen van de samenwerking tussen de publieke regionale en landelijke omroep en het toestaan van commerciële omroep op niet-landelijk niveau

A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 12 januari 1996 en het nader rapport d.d. 22 januari 1996, aangeboden aan de Koningin door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 21 december 1995, no. 95.008790, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A. Nuis, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van het voorstel van wet, houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de reclameregeling voor de publieke lokale en regionale omroep, het bevorderen van de samenwerking tussen de publieke regionale en landelijke omroep en het toestaan van commerciële omroep op niet-landelijk niveau (24 336).

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 21 december 1995, nr. 95.008790, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 12 januari 1996, nr. W05.95.0690, bied ik U hierbij aan.

1. Met het voorstel van wet wordt onder meer beoogd, te voorkomen dat de lokale en regionale omroepen in de periode van 1 januari 1996 tot de nieuwe datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel, genoemd in het opschrift, geen reclameboodschappen mogen uitzenden. Daartoe wordt in het nieuwe artikel II bepaald dat de toestemmingen die het Commissariaat voor de Media op grond van de oude, tot 1 januari 1996 geldende regeling heeft verleend, van kracht blijven tot het tijdstip van die inwerkingtreding. Aan die oplossing kleeft naar het oordeel van de Raad van State het bezwaar dat zij uitgaat van het bestaan van de toestemming, bedoeld in de oude regeling gedurende het tijdvak waarin die regeling niet meer van kracht is. De toestemmingen hebben evenwel haar grondslag verloren, en daarmee is haar juridische bestaan tenietgegaan. De wet kan dan geen verlenging van de geldigheidsduur van de toestemmingen bewerkstelligen. Het verdient daarom aanbeveling, de formulering van artikel II te ontlenen aan die welke zou zijn gebezigd in een bepaling van overgangsrecht, ware de nu ingetreden situatie tijdig voorzien. Het college adviseert in artikel II te bepalen dat het aan instellingen die op 31 december 1995 in het bezit waren van een toestemming als bedoeld in artikel 43a zoals dat toen luidde, in afwijking van de artikelen 51e, 51f en 52 van de Mediawet is toegestaan, programma-onderdelen als in het toenmalige artikel 43a omschreven te verzorgen gedurende het tijdvak van 1 januari 1996 tot het tijdstip van inwerkingtreding van het voorstel van wet. Aan artikel II dient vervolgens terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1996 te worden toegekend.

1. Bij nader inzien deel ik het standpunt van de Raad van State, dat het verlengen van de met ingang van 1 januari 1996 van rechtswege vervallen toestemmingen voor het verzorgen van reclameboodschappen thans niet meer mogelijk is. Ik heb daarom het advies van de Raad om op een andere wijze in de overgangsproblematiek te voorzien, overgenomen. Materieel wordt daarmee hetzelfde bereikt als in het oorspronkelijke voorstel.

2. Krachtens artikel 43c, derde lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht moet worden verschaft in de financiën die op de exploitatie van de verzorging en uitzending van de programma-onderdelen, bedoeld in artikel 43 betrekking hebben. De tot dusver bestaande regeling ter zake vervat in artikel 25d van het Mediabesluit en steunend op artikel 43d, tweede lid, (oud) van de Mediawet heeft, wegens het vervallen van laatstvermelde bepaling per 1 januari 1996, haar gelding verloren. Een nieuwe grondslag wordt pas gelegd bij de inwerkingtreding van het voorstel van wet. Het college verwijst te dezen mede naar aanwijzing 243 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. De Raad adviseert ter wille van de duidelijkheid in de memorie van toelichting te vermelden dat de regeling opnieuw zal worden vastgesteld, met inachtneming van de verplichting neergelegd in artikel 175 van de Mediawet.

2. De memorie van toelichting is in de door de Raad van State voorgestane zin verduidelijkt.

3. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

3. De redactionele kanttekeningen van de Raad van State zijn onverkort overgenomen.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

W. Scholten

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

A. Nuis

Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 januari 1996, no. W05.95.0690, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

– In het opschrift en de aanhef van het wetsvoorstel «(24 336)» laten vervallen.

– In de aanhef van artikel I, onderdeel C, «in» vervangen door: een.

– In de artikelen I en II «(24 336)» wijzigen in: (Kamerstukken I 1995/96, 24 336).

– In het in artikel I, onderdeel C, in te voegen onderdeel AAa «artikel 75b, tweede lid, onderdeel d» wijzigen in: artikel 75b, tweede lid, onderdeel c.


XNoot
1

De tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven