nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Krachtens artikel 165a van de Mediawet zijn met ingang van 1 januari 1996
de artikelen 43a tot en met 43d, die de wettelijke grondslag vormden voor
het uitzenden van reclameboodschappen door de lokale en regionale publieke
omroepinstellingen, vervallen. Het voorstel van wet, houdende wijziging van
bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de reclameregeling
voor de publieke lokale en regionale omroep, het bevorderen van de samenwerking
tussen de publieke regionale en landelijke omroep en het toestaan van commerciële
omroep op niet-landelijk niveau (24 336), beoogde dit te voorkomen door
het huidige artikel 165a met ingang van 31 december 1995 te vervangen. Nu
wetsvoorstel 24 336 niet meer tijdig voor 31 december 1995 het Staatsblad
heeft kunnen bereiken, is een aantal wijzigingen in dit wetsvoorstel noodzakelijk
geworden.
In de eerste plaats dient de tekst van wetsvoorstel 24 336 op een
aantal onderdelen aangepast te worden aan het feit dat, zoals gezegd, de artikelen
43a tot en met 43d van de Mediawet inmiddels zijn vervallen. Dit betekent
onder meer dat de desbetreffende artikelen integraal in wetsvoorstel 24 336
moeten worden opgenomen. De regeling zoals die in het voorliggende wetsvoorstel
wordt voorgesteld, is gelijkluidend aan de regeling die zou hebben gegolden,
indien wetsvoorstel 24 336 op de beoogde datum in werking zou zijn getreden,
met dien verstande dat de artikelen 43c en 43d vernummerd zijn tot 43b en
43c.
Krachtens artikel 165a zijn met ingang van 1 januari 1996, samenhangend
met het vervallen van de artikelen 43a tot en met 43d, ook de artikelen 55,
eerste lid, 75b, tweede lid, onderdeel c, 135 en 175 gewijzigd. Het voorliggende
wetsvoorstel beoogt door middel van wijziging van wetsvoorstel 24 336
ook deze (niet beoogde) wijzigingen ongedaan te maken.
In de tweede plaats behoeft de inwerkingtredingsbepaling van wetsvoorstel
24 336 aanpassing nu de in artikel II genoemde data (31 december 1995
en 1 januari 1996) verstreken zijn. Krachtens de nieuwe inwerkingtredingsbepaling
zal de wet – na aanvaarding door de Eerste Kamer – in werking
treden met ingang van de dag na plaatsing in het Staatsblad.
Om te voorkomen dat de lokale en regionale omroepen in de periode van
1 januari 1996 tot de nieuwe datum van inwerkingtreding van wetsvoorstel 24 336
geen reclameboodschappen mogen uitzenden, is in het nieuwe artikel
II als overgangsmaatregel bepaald dat de lokale en regionale omroepinstellingen
die op 31 december 1995 in het bezit waren van een toestemming van het Commissariaat
voor de Media om reclameboodschappen uit te zenden, deze mogelijkheid ook
na die datum behouden. De voorwaarden waaronder de reclameboodschappen mogen
worden uitgezonden, zoals die vóór 1 januari 1996 golden, blijven
gedurende de overgangsperiode van toepassing. Op grond van het nieuwe artikel
III, tweede lid, wordt aan de overgangsregeling terugwerkende kracht verleend
tot en met 1 januari 1996. Op deze wijze wordt voorkomen dat de lokale en
regionale omroep (financieel) nadeel zal ondervinden van de vertraagde inwerkingtreding
van wetsvoorstel 24 336. De lokale en regionale omroepinstellingen, die
er naar het oordeel van de regering van uit mochten gaan dat de mogelijkheid
om reclameboodschappen uit te zenden, met ingang van 1 januari 1996 zou worden
gecontinueerd, zouden immers bij effectuering van het verbod om reclameboodschappen
uit te zenden, in grote problemen worden gebracht, omdat de reclamezendtijd
voor de eerste maanden van 1996 (deels) al is verkocht en de financiële
planning hierop is afgestemd. Tevens kan de afdracht van een deel van de reclame-opbrengsten
aan uitgevers van lokale en regionale dag- en nieuwsbladen worden gecontinueerd
tot het moment waarop het hun zal zijn toegestaan commerciële omroep
op het niet-landelijke niveau te gaan bedrijven.
Tegelijk met het vervallen van de artikelen 43a tot en met 43d (oud) van
de Mediawet met ingang van 1 januari 1996, hebben ook de artikelen 25a tot
en met 25d van het Mediabesluit hun gelding verloren. Op grond van artikel
43c, tweede lid, (nieuw) zal daarom, met inachtneming van artikel 175 van
de Mediawet, in het Mediabesluit een nieuwe regeling worden opgenomen met
betrekking tot de wijze waarop inzicht moet worden verschaft in de financiën
die op de exploitatie van de verzorging en uitzending van de programma-onderdelen
als bedoeld in artikel 43a betrekking hebben.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
A. Nuis