Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202024587 nr. 752

24 587 Justitiële Inrichtingen

Nr. 752 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 oktober 2019

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft mij verzocht om een reactie op een bericht van het Brabants Dagblad van 21 augustus jl. Hierin staat dat één van de gedetineerden die op 4 mei jl. de dodenherdenking in Vught verstoorde, een financiële vergoeding heeft gekregen. Met deze brief ga ik in op dit verzoek.

Zoals ik eerder heb aangegeven, vind ik het onacceptabel dat de stilte van de dodenherdenking in Vught door geschreeuw van gedetineerden is verstoord. De directie van de PI Vught bekijkt in afstemming met de gemeente Vught hoe dergelijke ordeverstoringen in de toekomst kunnen worden voorkomen.

Vijf gedetineerden zijn naar aanleiding van deze verstoring gestraft met een verblijf in de afzonderingscel. Het plaatsen van een gedetineerde in de afzonderingscel als straf is een zware maatregel, die aan strikte procedures is onderworpen.

Als een gedetineerde bezwaar maakt tegen de aan hem of haar opgelegde disciplinaire maatregel, bekijkt de commissie van toezicht van de PI of de maatregel terecht en conform de procedure is opgelegd. Is dat niet het geval, dan kan de commissie besluiten daar een vergoeding tegenover te zetten.

Bij één van de vijf gedetineerden zijn in de administratieve procedure die bij deze maatregel hoort tekortkomingen geconstateerd. Deze gedetineerde had op 5 mei jl. een beschikking moeten krijgen waarin de maatregel aan hem werd aangekondigd. Deze is te laat uitgereikt. Daarnaast moet ook nog een formele beschikking worden overhandigd, die door de directeur is ondertekend. In de stukken die in het kader van de bezwaarprocedure zijn aangeleverd bij de commissie zat echter een beschikking die niet was ondertekend door de directeur. Per tekortkoming heeft de voorzitter van de commissie een vergoeding van € 13,50 toegekend, waardoor de totale vergoeding aan de gedetineerde € 27,– bedroeg.

De procedure is in deze casus, in dit individuele geval, onvoldoende zorgvuldig doorlopen. Hiervoor heb ik aandacht gevraagd bij de directie van de DJI.

Ik vind het van belang om te benadrukken dat de maatregel zelf daadwerkelijk is opgelegd en volgens de commissie van toezicht ook terecht is opgelegd. Betrokkenen hebben de consequenties van hun actie ondergaan. Ik hoop dat deze wetenschap enige genoegdoening biedt aan de mensen die door dit incident geraakt en gekwetst zijn.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker