Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 maart 2016
Op 21 maart jl. heeft de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens mij, uw
Kamer schriftelijk geïnformeerd over de zogenaamde PMJ-ramingen tot en met 2021 (Kamerstuk
24 587, nr. 634). Met het Prognosemodel Justitiële ketens (PMJ) wordt de ontwikkeling van de capaciteitsbehoefte
in de strafrechtelijke, civielrechtelijke en bestuursrechtelijke keten geraamd. Uw
Kamer heeft mij bij de regeling van werkzaamheden op 22 maart jl. (Handelingen II
2015/16, nr. 67, Regeling van werkzaamheden) verzocht om een brief naar aanleiding
van de berichtgeving in de media «Dijkhoff acht sluiting gevangenissen onvermijdelijk»
(Nu.nl, 21 maart 2016). Met deze brief voldoe ik aan het verzoek van uw Kamer.
Zoals is aangegeven in de brief van 21 maart jl. ziet het Centraal Bureau voor de
Statistiek (CBS) al meerdere jaren een daling in vier indicatoren op het terrein van
criminaliteit en veiligheid. Deze indicatoren zijn geregistreerde misdrijven, geregistreerde
verdachten, slachtofferschap en het onveiligheidsgevoel. De aangiftebereidheid is
vergelijkbaar met voorgaande jaren. In een groot aantal andere landen is ook sprake
van een langdurige daling van de criminaliteit, zowel in de vermogens- als in de geweldssfeer.
De belangrijkste oorzaken voor de recente en huidige daling zijn ten eerste een verschuiving
in de gehele strafrechtsketen van zwaardere naar lichtere delicten en ten tweede een
daling in de lengte van opgelegde gevangenisstraffen.
De PMJ-ramingen vormen een jaarlijks onderdeel van het begrotingsproces. Het model
is extern gevalideerd en wordt jaarlijks verbeterd door het WODC en de Raad voor de
rechtspraak. De meest recente PMJ-ramingen hebben aanzienlijke gevolgen voor de executie
van straffen en maatregelen, waarvoor onder andere de Dienst Justitiële Inrichtingen
(DJI) verantwoordelijk is. Uit deze ramingen blijkt immers dat de behoefte aan celcapaciteit
de komende jaren nog verder gaat dalen. Momenteel is een derde van de celplaatsen
niet bezet. Ik ben mij er terdege van bewust dat het personeel van DJI ongerust is
over de gevolgen die deze dalende capaciteitsbehoefte zal hebben. Ik kan mij deze
ongerustheid ook voorstellen. Het is echter onvermijdelijk dat er in de komende jaren
inrichtingen worden gesloten en dat er daardoor minder personeel bij DJI nodig zal
zijn.
In diverse media wordt bericht over een lijst van te sluiten inrichtingen, waarbij
ook concrete namen van locaties worden genoemd. Daarover merk ik op dat ik DJI de
opdracht heb gegeven een voorbereidingsplan te ontwikkelen waarin voldoende flexibiliteit
moet zijn geborgd om eventuele toekomstige onzekerheden in ontwikkeling van capaciteitsbehoefte
op te kunnen vangen. Om het proces adequaat en vlot te laten verlopen, wordt door
DJI een aanzet gemaakt voor dit plan. Er is gekozen voor transparantie en openheid
naar het DJI-personeel. Daarom is het DJI-personeel op 21 maart jl. op de hoogte gesteld
van de ontwikkelingen en de consequenties die de PMJ-ramingen voor 2021 zullen hebben.
De komende maanden zal DJI verder werken aan het plan om met de leegstand om te gaan.
Het kabinet zal hier vervolgens een besluit over nemen, waarbij bestuurders en ketenpartners
worden betrokken. Het is daarom helaas onvermijdelijk dat het personeel nog enige
tijd in onzekerheid zal zijn over de definitieve plannen en daadwerkelijke consequenties.
Mijn voorganger heeft vorig jaar tijdens een Algemeen Overleg over het gevangeniswezen
op 22 januari 20151 aangegeven dat er, kijkend naar het Masterplan DJI en de zogenaamde Breukelenmaatregelen,
helemaal niets meer gekort zal worden op DJI. Ik hecht eraan te benadrukken dat mijn
voorganger doelde op verdere bezuinigingen op het werkproces, terwijl de maatregelen
die zullen moeten worden genomen naar aanleiding van de meest recente PMJ-ramingen
zich in de eerste plaats richten op een betere aansluiting tussen de operationele
capaciteit en de geraamde behoefte aan capaciteit voor de komende jaren. De maatregelen
bieden de mogelijkheid om te werken aan een gevangeniswezen dat aangesloten is op
de toekomstige behoefte. Het is immers niet verantwoord om leegstaande cellen te blijven
financieren. Natuurlijk is een gevolg van een kleiner aantal beschikbare cellen en
minder personeel dat er op termijn wel een besparingsopbrengst zal zijn. Het in bedrijf
houden van penitentiaire inrichtingen met grote onderbezetting en een grote hoeveelheid
leegstaande cellen is niet alleen ondoelmatig vanuit de optiek van bedrijfsvoering
en financiën, maar ook belastend en demotiverend voor het daar werkzame personeel.
Natuurlijk realiseer ik mij ook dat het DJI-personeel zich zorgen maakt boventallig
te zullen worden verklaard en daarmee over het verlies van hun baan, ongeacht de achterliggende
reden hiervan.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
K.H.D.M. Dijkhoff