Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201624587 nr. 628

24 587 Justitiële Inrichtingen

Nr. 628 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 november 2015

Met deze brief informeer ik uw Kamer over het besluit om de fysieke gevangenisbibliotheken te vervangen voor digitale voorzieningen, welk besluit voortvloeit uit de zogenoemde Breukelen-maatregelen. Hiermee voldoe ik aan het verzoek van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie om nog vóór de begrotingsbehandeling te reageren op de aangehouden motie van de Leden Oskam (CDA) en Kooiman (SP) over de gefaseerde vervanging van de fysieke ruimtes door digitale voorzieningen.1 Ik zal daarbij tevens ingaan op het verzoek van de Vaste commissie naar aanleiding van voornoemde motie om

uw Kamer te informeren over mijn ervaringen en conclusies naar aanleiding van mijn bezoek aan de fysieke bibliotheek in de PI Veenhuizen. Bovendien geef ik hiermee opvolging aan het verzoek van voornoemde commissie om te reageren op de brief van de Commissies van Toezicht (CvT’s) van de Penitentiaire Inrichting (PI) Rotterdam, locaties De Schie en Hoogvliet, d.d. 5 oktober 2015 aan de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) over het besluit gewijzigde toepassing Vestigingsmodel (Breukelenmaatregelen, bibliotheek en crea).

Gefaseerde vervanging van fysieke gevangenisbibliotheken

Zoals ik tijdens het Voortgezet Algemeen Overleg (VAO) over het Gevangeniswezen van 1 september 2015 heb aangegeven, is gekozen voor een gefaseerde vervanging van de fysieke bibliotheekfunctie door een digitale bibliotheekfunctie (Handelingen II 2014/15, nr. 106, item 12). Deze vervanging is gekoppeld aan de invoering van het project Zelfbediening Justitiabelen (ZBJ). Op dit moment wordt de aanbesteding van het project ZBJ voorbereid. Pas na implementatie van ZBJ zal worden overgegaan tot de gefaseerde vervanging van de fysieke ruimtes door een digitale voorziening. Daarmee is feitelijk sprake van een gefaseerde inwerkingtreding en doet zich geen abrupte overgang van een fysieke bibliotheek naar een digitale voorziening voor, hetgeen in lijn is met het dictum van voornoemde motie.

Tijdens mijn bezoek aan de PI Veenhuizen heb ik onder andere de penitentiaire bibliotheek bezocht. De bibliotheek in de locatie Norgerhaven is bedoeld voor de daar gehuisveste Noorse gedetineerden en daarmee niet representatief voor de bibliotheken in andere vestigingen van het gevangeniswezen. Ik heb het werkbezoek als positief ervaren. Ik heb gezien dat er veel energie is gestoken in het passend maken van het aanbod voor de Noorse gedetineerden. Het beperkte aanbod van het aantal fysieke exemplaren van boeken en ook de beschikbare vertalingen, maken evenwel dat ik ook positief sta tegenover een verdergaande digitalisering van de bibliotheekfunctie. Ik verwacht namelijk dat hiermee een nog groter aanbod beschikbaar zal zijn, dat bovendien meer gedetineerden bereikt.

Over de brief van de CvT’s van PI Rotterdam, locatie de Schie en locatie Hoogvliet waarin zij hun zorgen uiten over het ontbreken van kundig personeel om gedetineerden te helpen bij lezen en andere activiteiten, merk ik op dat binnen de inrichtingen meerdere medewerkers betrokken zijn bij de re-integratie van de gedetineerden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan casemanagers, mentoren en geestelijk verzorgers. Daarnaast zijn steeds meer vrijwilligers actief in de inrichtingen, onder andere in het re-integratiecentrum (RIC), om gedetineerden te ondersteunen bij het leren lezen en schrijven. Dit gebeurt in samenwerking met de Stichting Taal voor het Leven. Gedetineerden die moeite hebben met het werken met digitale middelen kunnen extra worden ondersteund.

Op de hiervoor omschrijven wijze geef ik op zorgvuldige wijze vorm aan de vervanging van de fysieke bibliotheken door een digitale bibliotheekfunctie.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff


X Noot
1

Kamerstuk 24 587, nr. 622.