Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2007-2008 | 24587 nr. 289 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2007-2008 | 24587 nr. 289 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 juni 2008
Hierbij doe ik, mede namens de minister van Justitie, uw Kamer een rapport toekomen van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) over de emotionele verwerking van vrijheidsbeneming door jeugdigen.1 Het rapport «Ik zit vast» is een exploratieve studie naar emotionele verwerking van justitiële vrijheidsbeneming door jongeren. Hiermee geef ik uitvoering aan de toezegging tijdens het algemeen overleg met uw Kamer van 18 maart 2008 (TK 2007–2008, 26 283, nr. 41).
Vrijheidsbeneming is een ingrijpende ervaring voor jongeren, waarin de emoties hoog kunnen oplopen. De «crisissituatie» die de vrijheidsbeneming voor de jongere oplevert, biedt ook een belangrijk aangrijpingspunt om te interveniëren. Er is nu voor het eerst in Nederland wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit aspect van de vrijheidsbeneming. De resultaten van dit onderzoek zijn vooral van belang voor de praktijk. Zij bieden ondersteuning aan het verbetertraject dat ik met de justitiële jeugdinrichtingen in gang heb gezet.
De inspanningen van het kabinet zijn erop gericht om de criminaliteit met 25% te verminderen en de recidive met 10%-punt. De aanpak van de criminaliteit en recidive onder jeugdigen is daarbij een belangrijk speerpunt.
Om gedragsbeïnvloeding succesvol te realiseren en de effectiviteit van jeugdsancties te verhogen investeer ik veel in de ontwikkeling en implementatie van interventies die voldoen aan de What Works criteria.
Een belangrijk deel van de gedragsinterventies wordt gedurende de vrijheidsbeneming (jeugddetentie of pij-maatregel) ingezet. De gedragsinterventies hebben tot doel ongewenst gedrag af te leren en ander, meer gewenst gedrag te bevorderen. Het doorbreken van verkeerde denkpatronen op basis van de cognitieve gedragstherapie biedt daarbij naar de huidige stand van de wetenschap de meeste kans op succes.
Inmiddels heeft de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie dertien interventies voor jeugdigen (voorlopig) erkend. Er is echter weinig bekend hoe jongeren vrijheidsbeneming als zodanig ervaren. De veronderstelling is dat de emotionele beleving van de vrijheidsbeneming zowel van invloed is op de effectiviteit van de sanctie en daarmee uiteindelijk op de recidive, als ook op de veiligheid in de inrichting. Inzicht in de emotionele beleving van negatieve emoties als woede en angst is op twee punten van belang. Uit onderzoek komt naar voren dat negatieve emoties het lerend vermogen van de jongeren remmen, zowel ten aanzien van de situatie waarin ze verkeren als ook van de interventies die aan hen onder dwang/drang aangeboden worden. Een belangrijk What Works principe is dat de ontvankelijkheid van de jongere voor de behandeling zo hoog mogelijk moet zijn.
Negatieve emoties van jongeren zoals heftige angst of woede kunnen bovendien de veiligheid binnen de inrichtingen beïnvloeden. Dergelijke emoties vergroten immers de kans op probleemgedrag, zoals zelfbeschadiging of suïcidepogingen dan wel geweldsuitbarstingen en kunnen daarmee indirect voor de jongere zelf, voor zijn groepsgenoten en/of het personeel een onveilige situatie bewerkstelligen.
De noodzaak tot onderzoek is des te meer aanwezig, omdat uit de praktijk signalen komen dat sommige jongeren trots lijken te zijn op hun straf: hoe zwaarder, hoe beter. Ook wordt gesignaleerd dat jongeren – eenmaal betrokken in de groepsdynamiek van vrijheidsbeneming – trotse gevoelens uiten naar andere jongeren over het door hen gepleegde delict. Een dergelijke houding draagt niet bij aan het verkrijgen van inzicht in het eigen gedrag en in de gevolgen voor het slachtoffer en ondergraaft de effectiviteit van de ingezette gedragsinterventies.
Het WODC heeft ten behoeve van het rapport «Ik zit vast. Een exploratieve studie naar emotionele verwerking van justitiële vrijheidsbeneming door jongeren», twee deelonderzoeken uitgevoerd: een literatuurstudie en een empirische studie bestaande uit interviews met 21 experts, werkzaam in vier verschillende opvanginrichtingen. Uit de literatuurstudie bleek dat internationaal weinig onderzoek is gedaan naar de relatie tussen vrijheidsbeneming en de emotionele verwerking hiervan.
Bij de interviews is gekozen voor opvanginrichtingen, omdat de jongeren daar in het algemeen binnenkomen en de directe impact van de vrijheidsbeneming groter is dan in de behandelinrichtingen, die vooral te maken krijgen met jongeren die doorstromen. In de behandelinrichtingen zijn de jongeren immers al gewend aan langdurig verblijf in een justitiële jeugdinrichting en krijgen zij interventies aangeboden om te leren omgaan met hun – veelal complexe – problematiek. Voorts zijn verreweg de meeste jongeren alleen gedurende de fase van voorlopige hechtenis gedetineerd. Kennis over de impact van de vrijheidsbeneming in die fase is ook om die reden van groot belang
Uit het literatuuronderzoek blijkt dat de beleving van de vrijheidsbeneming en de emotionele reacties van jeugdige verdachten van een strafbaar feit verschillen gedurende de periode van vrijheidsbeneming. De fase van vrijheidsbeneming waarin een jongere zich bevindt, hangt samen met de mate waarin gevoelens van angst, schuld en schaamte worden ervaren. Jongeren zijn in de eerste fase emotioneel flink in de war, waarbij bijvoorbeeld sprake is van versterkte gevoelens van angst. Ook wordt in een enkele studie gevonden dat gevoelens van schuld en schaamte in deze periode sterker aanwezig zijn dan in een latere periode van de vrijheidsbeneming. In de loop van de vrijheidsbeneming worden emoties die in het begin heftig aanwezig kunnen zijn, minder intens en komen zelfs minder vaak voor.
In de laatste fase zouden jeugdige gedetineerden in staat zijn op een adequate wijze met de vrijheidsbeneming om te gaan en minder (emotionele) problemen ervaren met bijvoorbeeld regels, de afwezigheid van geliefden, of groepsgenoten dan in eerdere fasen.
De experts geven in de interviews aan dat de emoties woede, angst en trots op het gepleegde delict, vaak voorkomen bij jongens in een opvanginrichting. Angstgevoelens worden bij jongen die net binnenkomen vaker gezien dan bij jongens die al langer aanwezig zijn. Schaamte- en schuldgevoelens worden door de geïnterviewden in beperkte mate gesignaleerd en lijken ook vooral in de beginperiode aanwezig te zijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat beide emoties moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, aldus de experts. Berouw wordt nauwelijks opgemerkt bij jongens in een opvanginrichting. Woede en schaamte zijn emoties die volgens de experts vooral voorkomen bij jongens die vinden dat ze onterecht vastzitten.
Met betrekking tot de emotionele reacties worden nauwelijks verschillen naar leeftijd geconstateerd. Echter worden wel verschillen tussen first offenders en recidivisten geconstateerd. First offenders geven meer blijk van schaamte of schuld, terwijl recidivisten meer gevoelens van trots op het gepleegde delict tonen.
In hoeverre er verschillen zijn in de emotionele verwerking van een vrijheidsbeneming naar gelang de herkomst is niet duidelijk geworden. Het WODC wijst erop dat in Nederland eenmaal eerder onderzoek is gedaan naar de wijze waarop jongens uit verschillende herkomstgroepen hun vrijheidsbeneming beleven.1 Omdat dat onderzoek gedateerd is en maar een beperkt aantal jongeren zelf zijn geïnterviewd, kunnen de gegevens daarvan niet zonder meer veralgemeniseerd worden en is nader onderzoek nodig.
De onderzoekers achten onderzoek onder de jongeren zelf naar de effecten van fasering op de aanpassing van jongeren aan vrijheidsbeneming wenselijk. De signalering bij een aantal first offenders en jonge verdachten dat zij aan het begin van de vrijheidsbeneming vaker schuldgevoelens hebben dan andere jongeren, biedt een mogelijkheid om de beginperiode effectiever te doen zijn. Daarbij dient ook aandacht te worden besteed aan jongeren met multiple problematiek en emoties.
In deze periode moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat de jongere terugvalt in negatieve gevoelens en daarmee minder open staat voor wijzigingen in zijn leven. Onrechtvaardige bejegening en tegenstrijdige signalen over zijn rol als dader dan wel verkeerde verwachtingen over duur van het verblijf in de justitiële jeugdinrichting moeten daarom worden tegengegaan. Hierin speelt de omgeving van de jongeren (zoals zijn ouders en zijn advocaat) tevens een belangrijke rol.
De onderzoekers doen een drietal aanbevelingen:
• Creëren van leefgroepen binnen de jeugdinrichtingen op basis van fasering naar binnenkomst;
• Opstellen van een voorlopig verblijfsplan tijdens de voorlopige hechtenis;
• Bevorderen van eenduidige communicatie door alle partijen, waaronder de (jeugd)advocaten over het verloop van de strafzaak tijdens de fase van voorlopige hechtenis.
De resultaten van het onderzoek zijn in een expertmeeting besproken met een aantal vertegenwoordigers van de justitiële jeugdinrichtingen en van de wetenschap. De experts onderschrijven de bevindingen uit het rapport. Hun suggesties zijn betrokken bij de beleidsreactie.
Het WODC heeft met het rapport «Ik zit vast» het belang onderstreept om de kennis over de effecten van vrijheidsbeneming te vergroten. Er is nog (te) veel onbekend over de emotionele gevolgen van vrijheidsbeneming. Motivatie om behandelingen en trainingen te ondergaan zijn vanuit de What Works benadering een belangrijk element bij de effectiviteit. Zeker bij jeugdigen acht ik dat een belangrijk aspect. Ik heb ook geconstateerd dat niet duidelijk is geworden in hoeverre er herkomstverschillen zijn in de emotionele verwerking van een vrijheidsbeneming. De eerste signalen uit dit onderzoek duiden op vrij universele bevindingen.
Ik heb voorts tot mijn genoegen geconstateerd dat de verbetermaatregelen die ik voor de justitiële jeugdinrichtingen getroffen heb en de voorgenomen wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj), deels ook tegemoet komen aan de aanbevelingen uit het rapport.
In dat verband noem ik:
Netwerkberaad en trajectberaad
Ik stel een netwerk- en een trajectberaad in waarbij de betrokken justitiële ketenpartners gezamenlijk zorgen voor de begeleiding van de jongere. Dat betekent dat zij ook beter weten welke problematiek speelt en wat er (eerder) met de jongere gedaan is. Hiermee wordt de continuïteit van de zorg geborgd. De informatie uit het netwerkberaad vormt tevens de input voor de verblijfsdoelen die in het voorlopige verblijfsplan (ook wel perspectiefplan genoemd) worden vastgelegd. Daardoor krijgt de jongere meer duidelijkheid waaraan gewerkt wordt. In september 2008 starten de eerste netwerkberaden; in april 2009 zijn deze landelijk ingevoerd.
Met de komst van het netwerk- en trajectberaad vindt sneller afstemming plaats wat er met de jongere in de justitiële jeugdinrichting en nadien buiten de inrichting gaat gebeuren. Binnen drie weken moet de jongere weten wat er in de eerste fase van detentie gaat gebeuren. Dit zorgt voor meer duidelijkheid over zijn situatie en kan de stress verminderen. De acties worden neergelegd in een verblijfsplan, ook wel perspectiefplan genoemd. Bij de wijziging van de Bjj wordt dit wettelijk verankerd.
In de maatregelen die ik getroffen heb, is veel aandacht geschonken aan de kwaliteitsverbetering van het personeel. Binnen de mogelijkheden waarmee vanwege de krapte op de arbeidsmarkt rekening moet worden gehouden, werf ik hoger opgeleid personeel en wordt zittend personeel bijgeschoold. Het personeel wordt ook in kwantitatieve zin uitgebreid zodat er kleinere groepen kunnen worden samengesteld. Tijd en aandacht voor de jeugdigen zijn belangrijke uitgangspunten voor een goede bejegening.
Ouders worden nadrukkelijker betrokken bij de vrijheidsbeneming van de jeugdigen. Er moet immers voor gezorgd worden dat de jeugdige bij terugkeer in een stabiele situatie komen om niet snel terug te vallen. Ik bezie hoe ouders ook in de fase van voorlopige hechtenis meer betrokken kunnen worden. Daarbij dienen ook zij zich bewust te zijn van de verwachtingen, bijvoorbeeld over de duur van het verblijf in de inrichting, die zij bij de jeugdige wekken en die tot teleurstelling kunnen leiden. Ik zal ervoor zorgen dat het personeel de ouders hierop attendeert.
Ik heb voorts naar aanleiding van het rapport «Ik zit vast» tot de volgende aanvullende maatregelen besloten:
De meeste justitiële jeugdinrichtingen hebben een instroomgroep. Ik zal bewerkstelligen dat in beginsel alle inrichtingen hierin gaan voorzien. Hierbij past enig voorbehoud omdat de omvang van de capaciteit van de inrichting beperkingen kan opleveren aan de mogelijkheden tot differentiatie.
Ik werk uit oogpunt van kwaliteitsverbetering aan een basismethodiek van de justitiële jeugdinrichtingen. Het omgaan met de stress en emotionele verwarring die de jongeren tijdens de eerste fase van voorlopige hechtenis vaak ervaren wordt daarvan onderdeel. De eerste fase van de basismethodiek, die twee weken beslaat, is bedoeld om een zo goed mogelijk beeld van de jongere te verkrijgen en hem te laten kennis maken met het leven in de inrichting.
De jongere wordt bij binnenkomst in de inrichting door zijn groepsleider voorgelicht over de gang van zaken en de huisregels. Onlangs heb ik via de virtuele justitiële jeugdinrichting Kansrijk www.dejeugdinrichting.nl informatie over de gang van zaken op eenvoudige wijze toegankelijk gemaakt. Ik zal de jongeren bevragen of de voorlichting toereikend is dan wel meer of andere communicatiemiddelen moeten worden ingezet.
Ik heb contact opgenomen met de vertegenwoordiging van de jeugdadvocatuur om het belang van eenduidige informatieverstrekking tijdens de fase van voorlopige hechtenis te bevorderen. De wenselijkheid hiervan werd gedeeld. Voorkomen moet worden dat de jongeren valse verwachtingen over de duur van de voorlopige hechtenis en de strafmaat voorgespiegeld krijgen. Hierover zal nog nader contact plaatsvinden.
Ik geef gevolg aan de aanbeveling om vervolgonderzoek te doen onder de jongeren zelf waarbij de vraag naar vrijheidsbeleving centraal staat. Ik heb het WODC gevraagd dit onderzoek te (laten) doen. Daarbij moet er meer zicht komen hoe jongeren leren omgaan met vrijheidsbeneming en wat daarbij de invloed is van hun naaste omgeving. Ook eventuele verschillen die kunnen voortvloeien uit de herkomst van jongeren zullen daarbij onderzocht worden. Daarbij zullen de herkomstgroepen die oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers worden betrokken.
Ik heb het WODC tevens verzocht te onderzoeken hoe de fase van voorlopige hechtenis effectiever gebruikt kan worden. Het onderzoek dient ertoe de randvoorwaarden te creëren die de jongere meer ontvankelijk maken voor inzicht in het eigen gedrag en verdere begeleiding. Vanzelfsprekend dient dit laatste plaats te vinden binnen de context van het onschuldbeginsel. Het WODC zal deze onderzoeken (laten) uitvoeren, zodra de justitiële jeugdinrichtingen een substantieel deel van de verbeterpunten hebben geïmplementeerd.
Daarnaast voert de Dienst Justitiële Inrichtingen sinds 2007 jaarlijkse metingen uit naar de leefomstandigheden van de gedetineerde jongeren en hun beleving van het verblijf in de inrichting.
Ik vertrouw uw Kamer hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24587-289.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.