24 587 Justitiële Inrichtingen

Nr. 1135 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 juni 2026

Hierbij bied ik uw Kamer aan het rapport «Precair preventief pionieren. Een verkennend onderzoek naar preventieve mogelijkheden in binnen- en buitenland voor een veilige terugkeer in de samenleving van hoogrisicogedetineerden». Het onderzoek is uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Groningen en de Erasmus Universiteit Rotterdam, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC).

Aanleiding

De intensieve aanpak van georganiseerde criminaliteit heeft geleid tot een toename van het aantal hoogrisicogedetineerden. Deze gedetineerden worden geplaatst in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) of op een Afdeling voor Intensief Toezicht (AIT). Door zicht te houden op de veiligheidsrisico’s die uitgaan van deze specifieke groep en door aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen wordt voortgezet crimineel handelen vanuit detentie (VCHD) zoveel mogelijk voorkomen en de samenleving zo goed mogelijk beschermd tegen deze gedetineerden.

Het WODC-rapport «Vergelijkend onderzoek Italiaans 41-bis detentieregime» (Struijk e.a.) leidde tot de vraag of een voor de samenleving veilige terugkeer voor deze doelgroep überhaupt haalbaar is en of het huidig instrumentarium aan taxatie-instrumenten tijdens detentie en toezicht-mogelijkheden na detentie toereikend is voor deze specifieke doelgroep. Het WODC is daarom verzocht om hier nader onderzoek naar te doen. Bijgevoegd treft u de resultaten van het onderzoek aan.

In deze brief schets ik kort de belangrijkste uitkomsten van het WODC-onderzoek, de aanbevelingen en geef ik mijn inhoudelijke reactie. Tot slot ga ik in op enkele andere relevante ontwikkelingen: de aanpak van drones en een eerder incident inzake laptops.

Uitkomsten van het onderzoek

Het onderzoek is specifiek gericht op de groep hoogrisicogedetineerden die worden geplaatst in de EBI of op een AIT. Het betreft een literatuur- en documentstudie aangevuld met interviews, waarbij tien landen verkennend zijn onderzocht (Canada, Denemarken, Duitsland, Engeland & Wales, Italië, Noorwegen, Oostenrijk, Verenigde Staten (VS), Zweden en Zwitserland).

Instrumentarium tijdens detentie

Uit de rechtsvergelijkende verkenning blijkt dat slechts de VS (Supermax prison-concept), Italië (41bis regime)en Zweden (Fenix-afdeling) penitentiaire regimes kennen die tijdens detentie direct zijn toegesneden op hoogrisicogedetineerden met (potentiële) banden met de georganiseerde criminaliteit. De drie landen laten volgens de onderzoekers zien dat deze hoog beveiligde regimes onmiskenbaar draaien om risicobeheersing, isolatie en het voorkomen van criminele voortzetting vanuit detentie. Tegelijkertijd verschillen ze in de mate van rechtspositionele inbedding, duur en mogelijkheden tot herbeoordeling of afschaling. Waar de VS en Italië vooral worden gekenmerkt door langdurige of structurele isolatie gericht op het beperken van de risico’s tijdens detentie, zonder duidelijke uitstroommechanismen biedt Zweden meer periodieke herbeoordeling en een meer mensgericht regime aangevuld met een inzet op risicobeperking na detentie middels preventieve detentie.

Op basis van de bevindingen van het verkennend rechtsvergelijkend onderzoek concluderen de onderzoekers dat buitenlandse voorbeelden op dit moment geen nieuwe, bruikbare oplossingen bieden om VCHD verder tegen te gaan vanuit detentie. Nederland heeft al veel maatregelen overgenomen, en loopt zo concluderen de onderzoekers internationaal voorop, De onderzoekers geven aan dat Nederland nu vooral voor de opgave staat om de effectiviteit te evalueren en een juiste balans te vinden tussen veiligheid en re-integratie.

Risicotaxatie en re-integratie

Internationaal is er vrijwel geen risicotaxatie-instrument beschikbaar dat adequaat en valide risico’s inschat bij hoogrisicogedetineerden. De onderzoekers geven aan dat landen (waaronder Nederland) hun beslissingen in de praktijk baseren op operationele informatie zoals inlichtingen, observaties en veiligheidsgegevens, zonder dat deze informatie systematisch wordt gewogen in een gestandaardiseerde risicoanalyse. Het enige meer gestructureerde en mogelijk relevante instrument dat internationaal is aangetroffen, is de Canadese Multi Level Guidelines for Group Based Violence (MLG). Dit instrument is ontwikkeld in reactie op een behoefte aan specifieke instrumenten voor een gestructureerd professioneel oordeel voor extremistisch geweld. Als één van de specifieke contexten voor het geweld wordt de georganiseerde misdaad genoemd. Het model bestrijkt zestien factoren op vier domeinen, van individu tot groep en samenleving. Het gaat om geweld door een individu, wiens beslissingen en gedragingen worden beïnvloed door een groep waartoe ze behoren of waarmee ze zich associëren of identificeren. De empirische onderbouwing komt grotendeels vanuit de forensische psychologie en criminologie.

De onderzoekers constateren dat specifieke re-integratieprogramma’s (in en na detentie) voor hoogrisicogedetineerden vrijwel in alle onderzochte landen ontbreken. Er wordt aangegeven dat het moeilijk is om effectieve interventies te ontwikkelen voor personen met diepgewortelde criminele attitudes en/of sterke banden met criminele organisaties. Canada en de Verenigde Staten bieden daarentegen wel interessante aanknopingspunten door het gebruik van groepsgerichte risicoclassificatie (Security Threat Group, STG).1

De uitvoering van het STG-beleid betreft in Canada een multidisciplinair systeem, waarbij er periodiek inlichtingen en advisering plaatsvindt vanuit gevangenismanagement maar ook «case management» inclusief psychologen en reclasseringswerkers om een dynamische, individuele en actuele benadering te borgen. Daarbij kent Canada één specifiek re-integratieprogramma dat via cognitieve gedragstherapie gericht is op het verminderen van criminogene factoren voor de onderzoeksdoelgroep. Het Counter-Point programma houdt een cognitieve gedragstherapie in van ongeveer 10 weken, dat start tijdens detentie en gericht is op de voor deze daders vaak zo kenmerkende criminogene factoren van een pro criminele attitudeen een antisociale context.2 De onderzoekers verwijzen naar een onderzoek waar een follow-up periode van ruim 6 jaar liet zien dat er een reductie in recidive optrad als de betrokkene het programma volledig afrondde. Waar 36% van de deelnemers een nieuw strafbaar feit bleek te hebben gepleegd, was dat 52% bij de deelnemers die voortijdig waren uitgevallen en 64% bij een controlegroep.

In Canada wordt ten aanzien van de frequentie van taxatie meer dan in andere landen, gemonitord of, en bevorderd dat, gedetineerden met een STG-status (meer) afstand nemen van hun groep (disaffiliation) Dit past volgens de onderzoekers bij Canada, dat van oudsher investeert in de ontwikkeling van en het onderzoek naar gestructureerde risicotaxatie waarin re-integratie tijdens de detentieperiode start en wordt uitgebouwd in de re-integratiefase. De onderzoekers noemen Canada dan ook een gidsland en zien deze aanpak als een relevant voorbeeld voor verdere ontwikkeling van interventies voor de onderzoeksdoelgroep van hoogrisicogedetineerden.

Toezicht na detentie

Voor de fase na detentie komt uit het onderzoek naar voren dat die interventies en toezichtmaatregelen, onder meer gericht op hoogrisicogedetineerden, (nog) niet ten volle (kunnen) worden benut.

Nederland beschikt over verschillende interventies en toezichtmaatregelen om na detentie recidiverisico’s van gedetineerden te beheersen. Hierbij worden de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) en de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) genoemd. Met de VI kan een veroordeelde het laatste deel van de straf in vrijheid doorbrengen, zolang de veroordeelde zich aan de gestelde voorwaarde(n) houdt.3 In de praktijk wordt door geïnterviewden gesteld dat het VI-kader sinds de wetswijziging Wet Straffen en Beschermen als te kort en te weinig inhoudsvol wordt ervaren om effectief te kunnen benutten voor recidiverisicobeheersing en re-integratiebegeleiding. Bovendien kunnen langgestrafte gedetineerden, volgens deskundigen, ervoor kiezen om hun volledige straf uit te zitten zonder toezichtfase. Dit wordt als zorgelijk gezien.

De GVM is in 2018 via de Wet langdurig toezicht ingevoerd om bestaande toezichtleemten op te vullen na afloop van een gevangenisstraf en/of tbs-maatregel, voor daders van ernstige gewelds- en zedendelicten die dan nog als recidivegevaarlijk worden beschouwd. Via de GVM kunnen voorwaarden worden gesteld, waarvan bij niet-naleving de consequentie vervangende hechtenis kan zijn tot maximaal zes maanden (art. 6:6:23b lid 6 Sv onder verwijzing naar art. 38w Sr). De onderzoekers geven aan dat die stok achter de deur van zes maanden in de praktijk als ontoereikend wordt beschouwd. Zodra de maximale termijn van zes maanden is verstreken, zouden er namelijk geen consequenties meer mogelijk zijn voor eventuele overtredingen van de voorwaarden.

Preventieve detentie in het buitenland

Preventieve detentie is een vorm van vrijheidsbeneming van onbepaalde duur na afloop van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf waarmee de samenleving wordt beschermd tegen langdurig gevaarlijke daders.

In het onderzoek wordt aangegeven dat preventieve detentie een strikt begrensd juridisch instrument betreft, dat vrijwel uitsluitend wordt toegepast op (recidiverende) gewelds- en zedendelinquenten met een hoog ingeschat individueel risico. Op grond van onder meer het EVRM gelden er strikte mensenrechtelijke grenzen: preventieve detentie moet vanaf de veroordeling voorzienbaar zijn, mag niet arbitrair worden, vereist reële behandel- en rehabilitatiemogelijkheden en moet proportioneel en subsidiair zijn ten opzichte van bestaande lichtere sancties.

In acht verschillende landen (Canada, Denemarken, Duitsland, Engeland & Wales, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland) zijn kaders van preventieve detentie onderzocht.

Vanwege het verkennende karakter van het onderzoek kan niet aangegeven worden of deze vormen van preventieve detentie overgenomen kunnen worden in Nederland. De onderzoekers merken daarbij op dat een kader van preventieve detentie in Nederland voor deze doelgroep als prematuur wordt beschouwd. Er is nader onderzoek nodig, waarbij voor de onderzoeksdoelgroep wordt verwezen naar Zweden. In Zweden is preventieve detentie voor deze doelgroep in werking getreden. Gelet daarop volgt hieronder een toelichting op deze vorm van preventieve detentie. Voor een toelichting op de andere landen verwijs ik naar de bijlage onder deze brief.

In Zweden is recent – 15 april 2026 – het wetsvoorstel dat ziet op de invoering van een kader voor preventieve detentie (säkerhetsförvaring) in werking getreden. Het ziet op individuele zeden- en (zware) geweldsdelinquenten alsook daders vanuit de georganiseerde criminaliteit. Voor dit wetsvoorstel was brede politieke steun, ongeacht de politieke kleur. De invoering van deze sanctie wordt mede gemotiveerd doordat een systeem waarin iemand die ernstige gewelds- en zedendelicten heeft gepleegd na het uitzitten van zijn straf weer op vrije voeten wordt gesteld, ondanks een hoog recidiverisico, niet geloofwaardig wordt geacht.

De tenuitvoerlegging van säkerhetsförvaringis voorzien in het gevangeniswezen en geldt naast de optie waarbij de strafrechter iemand kan doorverwijzen naar forensische psychiatrische zorg. Säkerhetsförvaringkan worden opgelegd als iemand eerder is veroordeeld voor misdrijven tegen leven, gezondheid, vrijheid of rust, en daarvoor een gevangenisstraf van vier jaar of meer kon worden opgelegd. Op het delict waarvoor iemand terechtstaat moet ook vier jaar of meer staan. De straf kan ook opgelegd worden aan iemand die verdacht wordt van verschillende delicten en daarvoor terechtstaat, waarbij onder meer is vereist dat er een aanzienlijk risico bestaat op herhaling van ernstige misdrijven tegen het leven, de gezondheid, de vrijheid of de rust van anderen en dat een gevangenisstraf van bepaalde duur of andere maatregelen niet voldoende zijn om te voldoen aan de behoefte aan bescherming van de samenleving.

De rechtbank moet de kortste duur van de vrijheidsbeneming (minimumduur) vaststellen, welke overeenkomt met de duur van de gevangenisstraf die zou zijn opgelegd indien gevangenisstraf als straf was gekozen. Dit mag maximaal achttien jaar bedragen. Tevens moet de rechter de totale duur van de uitvoering (kaderduur) vaststellen maar het kader kan oneindig verlengd worden. Elk jaar kan een review worden aangevraagd. De rechtbank kan vervolgens besluiten tot voorwaardelijke vrijlating, waarbij de rechtbank onder meer rekening houdt met het risico dat de veroordeelde opnieuw ernstige misdrijven pleegt tegen het leven, de gezondheid, de vrijheid of rust van anderen en of de veroordeelde heeft meegewerkt aan maatregelen die gericht zijn op zijn of haar aanpassing in de samenleving.4

Aanbevelingen

Aanbevelingen

Hieronder worden de aanbevelingen uit het onderzoek kort weergegeven, geclusterd per onderwerp.

Instrumentarium tijdens detentie

  • – De aanpak van georganiseerde criminaliteit binnen detentie is sterk geïntensiveerd en aangescherpt. Voor de toekomst wordt het volgens de onderzoekers van belang geacht om de effecten van alle nieuwe of aangescherpte maatregelen om VCHD tegen te gaan te evalueren.

Risico-taxatie en re-integratie

  • – Kijk naar de mogelijke risicotaxatie instrumenten en re-integratieprogramma’s uit Canada zoals de MLG en de groepsgerichte risicoclassificatie STG.

  • – Kijk naar de besluitvorming en bijbehorende risicoanalyse rondom EBI-/AIT-plaatsing en afschaling om deze meer geïntegreerd en gestructureerd vorm te geven, waarbij een hoogrisicogedetineerde daadwerkelijk in aanmerking kan komen voor een minder hoog beveiligd regime.

  • – Laat zowel ten aanzien van de inrichting van het besluitvormingsproces, als

  • – ten aanzien van de integratie van een gestructureerd risicotaxatie-instrument in een bredere risico-analyse, het beleid en de praktijk ten aanzien van de Terroristenafdeling (TA) tot voorbeeld strekken. Het instrument van de VERA-2R is in dat proces op passende wijze ingevoerd en ingebed in onderzoek (en training) om de kwaliteit ervan doorlopend te verhogen.

Toezicht na detentie

  • – Laat in de lopende wetsevaluaties van de VI-regeling en de GVM aandacht besteden aan de toepasbaarheid van beide kaders voor hoogrisicogedetineerden, en laat daarbij bezien of een hogere strafdreiging (groter stok achter de deur) helpend kan zijn.

Preventieve detentie

  • – Ga op termijn de uitwerking van preventieve detentie zoals recent, mede voor de onderzoeksdoelgroep, ingevoerd in Zweden nader onderzoeken. Houd ten aanzien van de toepassing van preventieve detentie op de onderzoeksdoelgroep, de wijze van tenuitvoerlegging en de juridische toetsing/houdbaarheid daarvan de ontwikkeling in Zweden zorgvuldig in de gaten, bijvoorbeeld door het laten uitvoeren van een specifiek follow-uponderzoek naar de Zweedse praktijk.

Beleidsreactie

Instrumentarium tijdens detentie

De aanpak van georganiseerde criminaliteit binnen detentie is sinds 2021 flink versterkt om de samenleving, medewerkers van DJI en advocaten te beschermen tegen de risico’s die uitgaan van hoogrisicogedetineerden. Met de onderzoekers deel ik het belang van evaluatie van deze maatregelen. Mijn ambtsvoorganger heeft daarom het WODC verzocht om een beleidskader op te stellen voor monitoring en evaluatie van de van de maatregelen die sinds 2021 zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen vanuit detentie (VCHD) tegen te gaan. De verwachting is dat dit onderzoek eind 2026 wordt opgeleverd. Ik zal dit met uw Kamer delen.

Risico-taxatie en re-integratie

Bij de detentie van hoogrisicogedetineerden staat veiligheid voorop waarbij elke twaalf maanden getoetst wordt of plaatsing op een AIT of in een EBI nog noodzakelijk is. Actuele informatie, bijvoorbeeld over (risico’s op) voortgezet crimineel handelen, kan reden zijn om die plaatsing te verlengen.

Het onderzoek heeft mogelijk waardevolle inzichten opgeleverd uit de Canadese vormgeving van het re-integratiebeleid ten aanzien van de zogeheten Security Threat Groups(STG) waarbij Canada één specifiek re-integratieprogramma kent dat via cognitieve gedragstherapie gericht is op het verminderen van criminogene factoren voor de onderzoeksdoelgroep. Ik ga verkennen of, en op welke wijze, deze inzichten een bijdrage kunnen leveren aan een zo veilig mogelijke terugkeer van hoogrisicogedetineerden in de samenleving. Daarbij ga ik ten aanzien van de risicotaxatie – om een meer gestructureerd risicotaxatie-instrument in te kunnen richten- verkennen of de Canadese Multi Level Guidelines for Group Based Violence (MLG) hiervoor bruikbaar is. Bij relevante ontwikkelingen zal ik uw Kamer hierover informeren.

Verder ga ik de aanbevelingen ten aanzien van de plaatsing in de EBI/AIT bezien in het licht van het onderzoek naar het beoordelingskader over plaatsing naar aanleiding van de motie van het Kamerlid Ellian.5

Toezicht na detentie

Het WODC zal worden verzocht om in de lopende wetsevaluaties van de VI-regeling (Wet Straffen en Beschermen) en de GVM (Wet langdurig toezicht) ook aandacht te besteden aan de hoogrisicogedetineerden. Met het WODC wordt overlegd hoe dit een plaats krijgt in het onderzoek. De wetsevaluatie van de Wet langdurig toezicht wordt medio 2027 verwacht. De Wetsevaluatie van de Wet Straffen en Beschermen wordt de eerste helft van 2028 verwacht.

Preventieve detentie

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat Zweden, als enige van de onderzochte landen, zich inzet om de risico’s van hoogrisicogedetineerden ook na detentie te beperken door middel van preventieve detentie dat door de rechter is opgelegd. De rechter legt daarbij een minimumduur en een maximumduur op, maar het kader kan oneindig worden verlengd waarbij elk jaar een reviewkan worden aangevraagd. Zweden heeft deze invoering gemotiveerd doordat een systeem waarin iemand die ernstige gewelds- en zedendelicten heeft gepleegd na het uitzitten van zijn straf weer op vrije voeten wordt gesteld, ondanks een hoog recidiverisico, niet als geloofwaardig wordt geacht.

Anders dan Zweden, kent een deel van de onderzochte landen geen levenslange gevangenisstraf of het beschikt over een vorm van preventieve detentie dat ziet op een equivalent van de TBS maatregel. Dit laatste betreft echter een andere doelgroep dan de hoogrisicogedetineerden. Dit maakt Zweden interessant.

Omdat preventieve detentie zeer recent (15 april jl.) is ingevoerd, is het nu nog te prematuur om conclusies te trekken of dit van toegevoegde waarde is voor hoogrisicogedetineerden in Nederland. Ik zal deze ontwikkeling zorgvuldig in de gaten houden, waarbij ik een follow up studie zal laten verrichten na vijf jaar. Daarbij zal er in de tussenliggende periode ambtelijk contact zijn met Zweden om ook tussentijds ervaringen op te halen.

Afrondend

Ik ben de onderzoekers erkentelijk voor het onderzoek. Hieruit blijkt onder meer dat het beleid omtrent de aanpak van «ondermijnende criminaliteit» vanuit detentie de afgelopen jaren flink is versterkt. Nederland loopt, zoals de onderzoekers concluderen, internationaal voorop.

De uitkomsten van dit onderzoek neem ik mee bij huidige en toekomstige beleidsontwikkeling voor deze doelgroep. Zo blijf ik kijken of noodzakelijke veiligheidsmaatregelen nodig zijn om de samenleving blijvend te beschermen. Ik houd daarbij nadrukkelijk oog voor de balans tussen veiligheid van de maatschappij en de rechten van gedetineerden.

Overige punten

Tot slot wil ik uw Kamer in deze brief nader informeren over een aantal relevante ontwikkelingen rondom drones en laptops.

Drones

Drones rondom penitentiaire inrichtingen (PI’s) brengen een groot veiligheidsrisico met zich mee. Ik vind het, net als mijn ambtsvoorganger, belangrijk dat de DJI ook zelf drones uit de lucht kan weren. Daarbij is toegezegd dat de (juridische) mogelijkheden om de DJI zelf te laten beschikken over deze bevoegdheden worden verkend.6 Kamerlid Ellian (VVD) heeft daarnaast op 26 november 2025 een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht om drones die een dreiging vormen voor militaire installaties en justitiële locaties op een veilige wijze te bestrijden.7

Uit deze juridische analyse is naar voren gekomen dat het mogelijk is om DJI medewerkers, via een aanpassing van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen, de bevoegdheid te geven om drones boven en op terrein van PI’s met een extra of uitgebreid beveiligingsniveau te weren. Ik ga deze aanpassing op een zo kort mogelijke termijn doorvoeren. De aanpassing treedt met ingang van 1 juli 2026 in werking. Hierdoor kan de aanbesteding voor de aanschaf van deze apparatuur worden gestart. Parallel wordt gewerkt aan het opleidingsprogramma voor de DJI medewerkers. De verwachting is dat vanaf het eerste kwartaal van 2027 daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van eigen of gehuurde apparatuur. Deze aanpassing is daarmee een belangrijke stap in het verder beveiligen van PI’s met (hoog)risicogedetineerden

Laptops

Op 26 januari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een geconstateerde kwetsbaarheid in de beveiliging van laptops van de DJI die sommige gedetineerden op cel hebben.8 Het gaat om laptops die justitiabelen uit opdracht van het OM krijgen ter voorbereiding op hun strafzaak. Dit betreft stand alone laptops die niet-geactiveerde wifi hebben en niet over andere functionaliteiten beschikken. In bovengenoemde brief aan uw Kamer heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd dit nader te onderzoeken en u te informeren over de uitkomsten van dit onderzoek en de verbeteracties. Dit wordt hieronder toegelicht.

In oktober 2025 is een deel van de laptops vervangen. Bij de laatste aanpassingen van de beveiligingssysteeminstellingen was de software niet op de juiste manier dichtgezet. Op vrijdag 23 januari 2026 is deze kwetsbaarheid geconstateerd. Door de betreffende fout in de instelling van de software bestond er een kans dat de toegang tot het internet niet volledig was afgesloten. De DJI heeft de laptops direct ingenomen en hiernaar onderzoek verricht. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn die duiden op misbruik van de laptops door gedetineerden.9 Om dit in de toekomst te voorkomen zijn er aanvullende veiligheidsmaatregelen getroffen op het gebied van het testen en controleren van de apparatuur.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen

BIJLAGE OVERZICHT PREVENTIEVE DETENTIEKADERS IN HET BUITENLAND

Zweden

Het kader voor preventieve detentie säkerhatsförvaring is 15 april jl. in werking getreden voor deze doelgroep. De rechter legt een minimumduur en maximumduur tot de mogelijkheid van review op, maar het kader kan oneindig worden verlengd, hetgeen ook kan met de proeftijd van VI. Elk jaar kan een review worden aangevraagd. Het ziet op individuele zeden- en (zware) geweldsdelinquenten alsook daders vanuit de georganiseerde criminaliteit.

Canada

Het kader voor preventieve detentie is de Dangerous Offender (DO) designation. Het is een straf van onbepaalde duur (met een minimale termijn van zeven jaar) die daarna elke twee jaar kan worden verlengd door een Parole Board. Het kader wordt weinig opgelegd vanwege een hoog gevaarscriterium dat eerdere recidive van een «serious personal injury offence» vereist. Waarbij in het algemeen een uitgebreid aanbod aan behandelprogramma’s beschikbaar is voor DO-gedetineerden.

Duitsland

Het kader voor preventieve detentie is de Sicherungsverwahrung: een maatregel die ten uitvoer wordt gelegd na afloop van de straf en minimaal elk jaar door de rechter wordt getoetst. Het bestaat naast een maatregel voor verminderd toerekeningsvatbaren. Het wordt ten uitvoer gelegd in een gevangenisomgeving, waar werk moet worden gemaakt van inspanningen om risico’s terug te dringen.

Zwitserland

Het kader voor preventieve detentie is de Verwahrung, vergelijkbaar met Duitsland. Het is subsidiair aan de maatregel voor daders met een psychische stoornis of kan na afloop daarvan bij onbehandelbaarheid volgen. Het wordt ten uitvoer gelegd in de gevangenis.

Oostenrijk

Het kader voor preventieve detentie is vergelijkbaar met het Zwitserse kader, met betrekking tot karakter, combinatiemogelijkheid, subsidiariteitsvereiste – ook de (levenslange) gevangenisstraf moet niet in staat zijn om het risico terug te dringen – en verlengingsmogelijkheid. Anders is dat sowieso na tien jaar VI volgt, zij het met een oneindig verlengbare proeftijd.

Denemarken

Het kader voor preventieve detentie heet forvaring. Het wordt in plaats van een gevangenisstraf opgelegd. Het heeft een minimumduur van twee jaar (en geen maximum), waarna vrijlating elke zes maanden door gedetineerde kan worden aangevraagd. Ook hier geldt dat de gevangenisstraf het risico niet voldoende moet kunnen terugdringen.

Engeland & Wales

Tussen 2005 en 2012, als kader voor preventieve detentie, is de Imprisonment for Public Protection in werking geweest. Het werd gezien als een vorm van life sentence, maar dan voor relatief lichtere delicten (met name zedenfeiten). Het is afgeschaft omwille van de proportionaliteit en omdat het EHRM heeft bepaald dat na het vergeldende deel van de straf, arbitrair wordt op het moment als er in de gevangenis geen mogelijkheden zijn voor rehabilitatie.

Noorwegen

Wanneer een gevangenisstraf onvoldoende wordt geacht om het leven, de gezondheid of de vrijheid van anderen te beschermen, kan forvaring in een daarvoor ingerichte penitentiaire inrichting worden opgelegd, indien de dader schuldig wordt bevonden aan het plegen of poging tot plegen van een geweldsdelict, een seksueel misdrijf, vrijheidsberoving, brandstichting of een ander misdrijf dat het leven, de gezondheid of de vrijheid van anderen heeft geschonden of deze rechten in gevaar heeft gebracht.


X Noot
1

In Canada wordt de traditionele georganiseerde misdaad gezien als een van de mogelijke Security Threat Groups.

X Noot
2

Het Counter-Point programma is later doorontwikkeld onder de naam AAA - Alternatives, Associates, Attitudes.8

X Noot
3

Bij gevangenisstraffen tussen de één en twee jaar komt de veroordeelde in aanmerking voor v.i. Dat kan nadat één jaar en een derde van het overige deel van de gevangenisstraf is ondergaan. Bij gevangenisstraffen van meer dan twee jaar komt de veroordeelde na twee derde van de gevangenisstraf in aanmerking voor v.i. met een maximum van twee jaar.

X Noot
4

Zie voor een uitgebreide toelichting op het Zweedse model p. 137-142 uit bijgevoegd onderzoek «Precair preventief pionieren. Een verkennend onderzoek naar preventieve mogelijkheden in binnen- en buitenland voor een veilige terugkeer in de samenleving van hoogrisicogedetineerden».

X Noot
5

Kamerstukken II, 2025–26, 24 587, nr. 1103.

X Noot
6

Kamerstukken 24 587, nr. 465.

X Noot
7

Kamerstukken 36 858, nr. 3.

X Noot
8

Kamerstukken 24 587, nr. 1087.

X Noot
9

Kamerstukken 24 587, nr. 1087.

Naar boven