nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
1. Inleiding
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de
Wet op de Raad van State).
Dit wetsvoorstel beoogt de instelling van een adviescollege «nieuwe
stijl» op het terrein van het energiebeleid. Het wetsvoorstel is onderdeel
van de wetgeving die vorm geeft aan de inrichting van het nieuwe adviesstelsel
met ingang van 1 januari 1997. Op grond van de Herzieningswet adviesstelsel,
die thans nog in procedure is, zullen de bestaande adviescolleges, met uitzondering
van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de Sociaal-Economische
Raad, op dat tijdstip worden opgeheven dan wel van hun adviestaken worden
ontheven (Kamerstukken II 1993/94, 24 232, nrs. 1–3). Een van de
adviescolleges die als gevolg daarvan zullen worden opgeheven is de Algemene
Energieraad (hierna te noemen: AER of raad). Om de hierna uiteen te zetten
redenen is het wenselijk dat er een adviescollege op het terrein van het energiebeleid
blijft bestaan. Derhalve is het noodzakelijk de AER opnieuw in te stellen.
Thans is een Kaderwet adviescolleges in voorbereiding die algemene regels
bevat over de instelling, samenstelling en werkwijze van adviescolleges, de
standpuntbepaling over adviezen en enkele daarmee samenhangende onderwerpen.
Deze kaderwet maakt het mogelijk dat de concrete instellingswetten, zoals
de toekomstige Wet op de Algemene Energieraad 1997, eenvoudiger van opzet
zijn dan de kaderwet. Het voorliggende wetsvoorstel bestaat dan ook uit slechts
vijf artikelen.
2. Noodzaak van advisering op het terrein van het energiebeleid
De AER functioneert inmiddels ongeveer twintig jaar. Met ingang van 13
maart 1976 trad in werking het koninklijk besluit van 25 februari 1976, houdende
instelling van een voorlopige Algemene Energieraad (Stb. 99). De definitieve
instelling van de AER volgde negen jaar later met de Wet op de Algemene Energieraad,
die met ingang van 1 december 1985 in werking trad.
Met het doel de AER efficiënter en effectiever te laten opereren,
kwam eind 1991 een omvorming van de raad tot stand (Kamerstukken II 1991/92,
22 300 XIII, nr. 23). Binnen het bestaande wettelijke kader werd een
kleinere raad ingesteld van tien personen (voorheen bestond de raad uit twintig
personen) waarvan de onafhankelijke deskundigheid centraal staat.
Deze raad is zich zoveel mogelijk gaan concentreren op de hoofdlijnen van
het beleid. Een groter rendement van de advisering dan voor de omvorming van
de raad het geval was, werd bereikt door de raad bij voorkeur vroeg in het
beleidsproces (nog voordat beleidsvoornemens definitief zijn vastgesteld)
te laten adviseren. Gebleken is dat de AER in een belangrijke behoefte aan
expertise op het gebied van energiebeleidsvraagstukken voorziet.
Dit is tijdens de laatste evaluatie van deze raad (Kamerstukken II 1992/93,
22 800 XIII, nr. 59) nog eens duidelijk onderstreept.
3. De taak van de AER
De Nederlandse overheid voert een actief energiebeleid. Het energiebeleid
stelt zich als doel een betaalbare, betrouwbare en schone energievoorziening
tot stand te brengen ten einde de basisvoorwaarden te scheppen voor een gezonde
economie en een schoon milieu. De toenemende internationalisering en liberalisering
van de energiemarkten, de nog steeds stijgende energievraag en de gevolgen
van het energiegebruik voor milieu en klimaat, zijn onderwerpen die de aandacht
vragen van de overheid. De AER levert een belangrijke bijdrage aan het verkrijgen
van inzicht in deze complexe materie.
In de voorgestelde taakomschrijving van de AER (artikel 2) wordt bepaald
dat bij het adviseren over het te voeren energiebeleid onder meer aandacht
dient te worden besteed aan de wisselwerking tussen het te voeren energiebeleid
enerzijds en maatschappelijke ontwikkelingen en het te voeren beleid op andere
gebieden anderzijds. Deze taakomschrijving weerspiegelt de wijze waarop de
huidige AER zijn taak uitvoert. Met de gegeven taakomschrijving wordt tot
uitdrukking gebracht dat er op het afgebakende terrein van het energiebeleid
bij de advisering steeds verschillende invalshoeken aan bod dienen te komen.
Bij het te voeren beleid op andere gebieden gaat het met name om zaken als
de integratie met het economische beleid, de milieu-aspecten, de inpassing
in de ruimtelijke ordening (de fysieke infrastructuur), de organisatie van
de energiesector wat de afbakening tussen marktwerking en regelgeving betreft,
en de internationale dimensie. In voorkomende gevallen kan de AER zijn adviestaak
met betrekking tot onderwerpen die ook andere beleidsterreinen raken in samenwerking
met andere adviesraden verrichten.
4. De leden en het secretariaat van de AER
In artikel 3 wordt voorgesteld het maximale aantal leden van de AER op
tien te stellen. In de (bij de thans nog in voorbereiding zijnde Aanpassingswet
herziening adviestelsel in te trekken) Wet op de Algemene Energieraad is dat
maximum gesteld op twintig, waarbij zoals gezegd in 1991 het feitelijk aantal
leden tot tien werd teruggebracht. Gebleken is dat dit aantal voldoende ruimte
biedt om een redelijke spreiding qua achtergrond van de leden te hebben, terwijl
de omvang ook zodanig is dat de onderlinge discussie in de raad goed tot zijn
recht kan komen.
Om te voorkomen dat de continuïteit in de advisering door de raad
teveel wordt verstoord, zal de eerste maal een aantal leden van de huidige
raad worden voorgedragen voor het lidmaatschap van de nieuwe raad.
Het secretariaat van de huidige raad bestaat uit 2,5 formatieplaatsen.
Het voornemen is om dit secretariaat ook zorg te laten dragen voor de administratieve
ondersteuning van de nieuwe raad.
5. Financiële gevolgen
De voor de financiering van de AER benodigde middelen komen ten laste
van de Rijksbegroting, hoofdstuk XIII (Ministerie van Economische Zaken).
De omvang van de financiële middelen is begroot op circa f 500 000
per jaar, hetgeen overeenkomt met de huidige omvang van de personele en materiële
lasten van de AER.
De Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers