nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 25 juni 1998
Tijdens het Algemeen overleg over de herijking van het nationaal actieprogramma
elektronische snelwegen (24 565, nr. 10), is u toegezegd nog schriftelijk
te antwoorden op enkele vragen vanuit de Kamer. Het betreft hier de vraag
van mevrouw Van Zuijlen om een reactie op enkele suggesties voor invulling
van het publiek domein en de vraag van de heer De Haan over regelgeving op
het punt van digitale archivering. Met deze brief geef ik daaraan invulling.
Publiek domein
Mevrouw Van Zuijlen vraagt de reactie van het kabinet op de gedachte om
langs drie lijnen invulling te geven aan het publiek domein in de informatiemaatschappij:
– openbare media centra
– fonds gemeenschapsdiensten
– cultureel onderzoek- en productiefonds.
In de bijlage1 wordt een nadere omschrijving
van deze lijnen gegeven, ontleend aan het discussiestuk van het project Publieke
Domein 2.0 van de Maatschappij voor oude en nieuwe media waaraan mevrouw Van
Zuijlen refereerde.
Het hoge ambitieniveau van de opstellers van het plan leidt tot een budgetindicatie
van in totaal f 400 miljoen voor de komende vier jaar.
Een aantal elementen van de voorstellen hebben ook een plaats in het beleid
dat het kabinet heeft gevoerd. Ik wijs bijvoorbeeld op het project Communicatie
overheid–burger waarmee onder meer openbare bibliotheken gestimuleerd
worden om de nieuwe informatiediensten voor een breed publiek toegankelijk
te maken. Ook de opzet van Edunet wordt benut om bibliotheken en culturele
instellingen aan te sluiten en te voorzien van hoogwaardige faciliteiten waardoor
zij zich verder kunnen ontwikkelen.
Verder is de reikwijdte van de Kredo-regeling zodanig dat instellingen
die op bedrijfsmatige basis een rendabele dienst willen opzetten, daar een
beroep op kunnen doen. Tenslotte is in het kader van de Cultuurnota 1997–2000
extra aandacht gegeven aan de nieuwe mogelijkheden en uitdagingen die digitalisering
op het terrein van cultuur biedt. Daarbij speelt ook een aantal fondsen een
rol. Bij de invulling van de motie-Wolffensperger in het najaar van 1997 is
extra ruimte geschapen voor experimentele en jonge kunstvormen
De voorstellen zoals geformuleerd voor het debat over het publiek domein
van 17 april jl., brengen nog eens aan het licht dat er een spanning bestaat
tussen de aard van de huidige digitale ontwikkelingen en het voeren van een
stimuleringsbeleid op centraal niveau. Het gaat bij die voorstellen primair
steeds om activiteiten die zich op plaatselijk, regionaal of sectoraal niveau
afspelen. Een deel daarvan verkrijgt via de nieuwe infrastructuren wel een
landelijk of zelfs nog ruimer bereik.
Het kabinet heeft daarom in de notitie over de herijking van het NAP niet
gekozen voor de weg van het creëren van substantiële subsidiestromen,
maar voor gerichte actie in specifieke sectoren en een beleid dat voor heel
Nederland een gunstig klimaat schept voor vernieuwing door toepassing van
ICT.
Derhalve zal de financiering van veel projecten een zaak zijn van lokaal
beleid, zoals in het genoemde voorbeeld van Amsterdam. Daarnaast zal er zeker
sprake zijn van reallocatie van en binnen de budgetten voor de bestaande instellingen.
De ervaring met het stimuleren van projecten in de overheidssfeer (actielijn
5 van het NAP) heeft ook duidelijk gemaakt dat het kiezen van maatschappelijke
sectoren die voor stimulering in aanmerking komen (in de herijkingsnota worden
genoemd gezondheidszorg, arbeidsvoorziening en sociale zekerheid), effectiever
zal zijn dan vele op zichzelf staande voorbeeldprojecten, hoe nuttig die ook
waren in de eerste bewustwordingsfase.
Een dergelijke gedachtengang past ook op het terrein van de cultuur en
de aldaar werkzame fondsen. De opkomst van digitale verspreidingstechnieken
is op zich uiteraard geen reden om de bestaande fondsenstructuur te herzien.
Wel zal in de komende periode van beleidsontwikkeling met het oog op de volgende
Cultuurnota, specifiek aandacht gegeven worden aan de rol van de fondsen bij
innovatie in de cultuursector. Ik zal daarom aan de Raad voor Cultuur vragen
hierover te adviseren. Daarbij zal ik ook bezien hoe in de noodzakelijke deskundigheid
om de ontwikkeling van digitale producten en diensten te beoordelen kan worden
voorzien.
Kortom ik acht de voorstellen waarnaar mevouw Van Zuijlen verwijst interessant.
Het nemen van besluiten over specifieke budgetten is evenwel een zaak voor
het volgende kabinet.
Digitale archivering
De nadere regelgeving ten aanzien van digitale overheidsarchieven waarnaar
de heer De Haan vraagt, is voorzien in de vorm van een (concept)amvb die naar
verwachting dit najaar in de Ministerraad kan worden behandeld en vervolgens
ter advisering aan de Raad van State zal worden voorgelegd.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
A. Nuis