24 557 Kansspelen

Nr. 173 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 mei 2021

Met deze brief bied ik uw Kamer het rapport aan met de resultaten van de doorlichting van de beleidsregels voor niet-incidentele artikel-3 loterijvergunningen1. De beleidsregels zijn in 2016 opgesteld naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die leidde tot opening van de markt.2 Nu vijf jaar later heb ik de beleidsregels door KWINK groep laten doorlichten.

Uit deze doorlichting blijkt dat de beleidsregels bij de opening van de markt hebben bijgedragen aan de doelen van het kansspelbeleid. De toegevoegde waarde volgt met name uit de aanvullende voorwaarden en voorschriften ten aanzien van transparantie, betrouwbaarheid en het tegengaan van verslavingsrisico’s. De onderzoekers doen twee aanbevelingen. Ten eerste adviseren zij om het maatschappelijk karakter van het goededoelenloterijstelsel te verankeren voor zover het Europees recht dat toestaat. Ten tweede bevelen zij aan om meer ruimte te bieden voor nieuwkomers en innovatie.

Deze doorlichting geeft geen directe aanleiding tot aanpassingen van de beleidsregels. Voor de Kansspelautoriteit en de huidige vergunninghouders is dit van belang in verband met de dit jaar aflopende vergunningen. Ik ga met de sector in gesprek over de aanbevelingen en zal deze betrekken bij toekomstig onderhoud van de regelgeving.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om uw Kamer te informeren over een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In mijn brief van 5 juli 2019 heb ik u gemeld dat de monopolievergunningen van het lottospel en de staatsloterij onderwerp zijn van juridische procedures.3Inmiddels heeft de Afdeling uitspraak gedaan over de monopolievergunningen.4 De Afdeling heeft geoordeeld dat: «(...) de keuze om, gelet op de ontstaansgeschiedenis van lotto’s, de staatsloterij en de goede doelen loterijen, de aard en functie van die kansspelen en de culturele inbedding ervan, een onderscheid te maken al naar gelang de aard en functie van lotto’s en de staatsloterij en van de goede doelen loterijen, onder de onder beoordelingsmarge van de lidstaten valt. In het licht van die gerechtvaardigde keuze om dit onderscheid te maken, zijn de gelijkenissen en de verschillen tussen lotto’s en de staatsloterij en de goede doelen loterijen te verklaren en zijn ze logisch en consistent.»

Ik heb u eerder toegezegd om u in de eerste helft van 2021 te informeren over een aantal toekomstscenario’s.5 Het maken van (ingrijpende) toekomstscenario’s was voor een belangrijk deel gericht op het wegnemen van de (veronderstelde) juridische kwetsbaarheid van het duale stelsel. De uitspraak van de Afdeling betekent dat er nu geen juridische noodzaak is om over te gaan tot wezenlijke aanpassingen van het loterijstelsel. Het ontwikkelen van toekomstscenario’s is daarom niet meer opportuun.

Mede met het oog op het ontwikkelen van scenario’s heb ik een aantal onderzoeken uit laten voeren. Een deel van deze onderzoeken heeft uw Kamer reeds ontvangen. Later dit jaar volgen nog enkele onderzoeksrapporten. Onder meer het eerder aangekondigde onderzoeksrapport naar de juridische aspecten van het loterijstelsel en een update van de financiële doorrekening van het loterijstelsel. Daarnaast wordt nog een onderzoek naar de Europese vergelijking van loterijstelsels gedaan dat uitvoering geeft aan een motie van lid Van Den Berge.6 Na afronding zend ik deze rapporten ter informatie aan u toe.

Komende tijd wordt met het veld verkend hoe het stelsel toekomstbestendiger gemaakt kan worden. Voor verbeteringen vormen conform de motie van de leden Van Toorenburg en Van der Graaf de contouren uit 2019 een kader, waarmee deze motie als afgedaan kan worden beschouwd.7 Het is aan mijn ambtsopvolger om hier nader invulling aan te geven.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Rechtbank Amsterdam, uitspraak van 12 mei 2016, Lottovate/Kansspelautoriteit, ECLI:NL:RBAMS:2016:3120, r.o. 14.

X Noot
3

Kamerstuk 24 557, nr. 152.

X Noot
4

ABRvS, 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:470.

X Noot
5

Kamerstuk 33 996, nr. 89.

X Noot
6

Kamerstuk 33 996, nr. 85.

X Noot
7

Kamerstuk 35 570 VI, nr. 45.

Naar boven