nr. 117
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 maart 2010
Tijdens het algemeen overleg met de vaste commissie voor Justitie van
8 december 2009 over kansspelen (Kamerstuk 24 557, nr. 116)
heb ik toegezegd de Kamer mijn reactie te zullen sturen op het advies van
de landsadvocaat inzake het ontplooien van nevenactiviteiten door Holland
Casino. Naar aanleiding van die toezegging bericht ik u, mede namens de Minister
van Financiën, het volgende.
Aanleiding
Eind 2008 gaf Holland Casino de Minister van Financiën en mij te
kennen het wenselijk te vinden in de toekomst over te gaan tot een vernieuwing
van het casinoconcept. Door een vernieuwing van het casinoconcept kan volgens
Holland Casino beter worden ingespeeld op de veranderende behoefte van de
consument en kan beter worden voldaan aan de kanalisatiegedachte die ten grondslag
ligt aan het Nederlandse kansspelbeleid. Het vernieuwde casinoconcept zou
er kort gezegd op neerkomen dat het interieur, van onder andere de speel-
en horecaruimten, aanzienlijk wordt vernieuwd en er meer ruimte komt voor
horeca-faciliteiten zoals een centrale bar en restaurants. Medio 2009 heeft
Holland Casino aan ambtenaren van de ministeries van Financiën en van
Justitie een presentatie gegeven van het vernieuwde casinoconcept.
Tijdens de presentatie hebben onze medewerkers meegedeeld dat de landsadvocaat
advies zou worden gevraagd over met name de Europeesrechtelijke houdbaarheid
van het vernieuwde concept. Mede naar aanleiding van het algemeen overleg
van 8 december 2009 is de adviesaanvraag uitgebreid, waarbij de landsadvocaat
naast bovengenoemde vraag is verzocht een algemeen kader te schetsen van de
ruimte die Holland Casino heeft voor het verrichten van nevenactiviteiten.
Het advies van de landsadvocaat
In zijn advies beschrijft de landsadvocaat aan de hand van enkele scenario’s
in hoeverre een verbreding van het werkterrein van Holland Casino verenigbaar
is met het Europese en het nationale recht. Ook betrekt hij het kansspelbeleid
bij de vraag of bepaalde opties beleidsmatig haalbaar zijn.
De landsadvocaat stelt voorop dat een monopolie voor kansspelen, zoals
in Nederland voor onder andere casinospelen, volgens de jurisprudentie van
het Hof van Justitie van de Europese Unie als zodanig goed te rechtvaardigen
is. Ook memoreert hij de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad
van State van 14 maart 2007 (LJN: BA0670) waarin expliciet geoordeeld
is dat de exclusieve vergunning voor casinospelen in Nederland niet discriminerend
is, een geschikt middel is om de speelzucht te beperken, proportioneel is
en (daarom) gerechtvaardigd is.
Een belangrijk element bij de vraag naar de Europeesrechtelijke houdbaarheid
van een bepaald scenario vormt volgens de landsadvocaat «het Gambelli-criterium»,
dat inhoudt dat wordt getoetst of een bepaalde toegepaste beperking van het
kansspelaanbod «samenhangend en stelselmatig» is. Daarvan zou
geen sprake zijn als de overheid aan de ene kant het aantal vergunningen op
grond van dwingende redenen van algemeen belang sterk beperkt, maar anderzijds
een expansief en niet restrictief beleid voert – door bijvoorbeeld op
grote schaal reclame toe te staan – opdat de schatkist daar baat bij
heeft.
Op grond van dit criterium komt de landsadvocaat tot het oordeel dat een
uitbreiding van het aantal casino’s of van de hoeveelheid reclame voor
casinospelen onwenselijk is. Het is volgens de landsadvocaat echter wel mogelijk
de kwaliteit van het aanbod te verhogen en het aanbod aantrekkelijker te maken,
zolang het speelaanbod en de hoeveelheid reclame daarvoor in zijn totaliteit
niet wordt vergroot. Met andere woorden: innovatie van het bestaande casinoconcept
is Europeesrechtelijk gezien wel mogelijk.
Voor de vraag in welke mate nevenactiviteiten toelaatbaar zijn bij innovatie
van het bestaande casinoconcept, merkt de landsadvocaat het volgende op.
Innovatie kan zich in verschillende vormen voordoen, variërend van
een revitalisering van bestaande casino’s tot een transformatie van
casino’s in complete uitgaanscentra waarin ook hotels, clubs dan wel
andere vormen van vermaak zijn ondergebracht. Op een glijdende schaal tussen
beide varianten is niet precies aan te geven waar zich het omslagpunt bevindt
van wat Europeesrechtelijk toelaatbaar is. De eerste variant, revitalisering
van de bestaande casino’s, zou niet op Europeesrechtelijke bezwaren
stuiten, ook als in de bestaande casino’s meer dan voorheen plaats wordt
ingeruimd voor horecafaciliteiten of als er een (klein) theater wordt ingericht.
In het geval sprake zou zijn van transformatie tot complete uitgaanscentra
zou gesteld kunnen worden dat het gokken «te aantrekkelijk» wordt
gemaakt, hetgeen volgens de landsadvocaat in Europa discussie zou kunnen opleveren
over de vraag of dit nog wel te verenigen is met een restrictief kansspelbeleid.
Bovendien is een dergelijke ontwikkeling volgens de landsadvocaat niet
in lijn met het beleid dat het kabinet tot op heden met betrekking tot nevenactiviteiten
voert. In dat verband wijst de landsadvocaat op verschillende antwoorden op
Kamervragen waarin ik heb aangegeven welke nevenactiviteiten toelaatbaar zijn.
Die antwoorden komen er kort gezegd op neer Holland Casino binnen haar vestigingen
activiteiten mag verrichten die verband houden met of ten dienste
staan aan het organiseren van speelcasino’s, waarbij primair gedacht
moet worden aan horeca-activiteiten. De ontwikkeling en exploitatie van hotels,
disco’s, clubs, grote theaters en wellness centra worden niet als ondersteunende
activiteiten aangemerkt en worden derhalve als niet toelaatbare nevenactiviteiten
beschouwd.
Resumerend komt het oordeel van de landsadvocaat erop neer dat een revitalisering
van het bestaande casinoconcept, waarbij de speelmogelijkheden aantrekkelijker
worden gemaakt en waarin meer ruimte wordt ingeruimd voor horecafaciliteiten
(zoals restaurants en bars) en zelfs plaats is voor een theater (van beperkte
omvang), niet op Europeesrechtelijke, mededingingsrechtelijke of beleidsmatige
bezwaren hoeft te stuiten, onder het voorbehoud dat het bestaande speelaanbod
en reclameaanbod niet toeneemt. Wel mag er in – of in plaats van –
het huidige reclameaanbod ruimte worden gemaakt om het nieuwe casinoconcept
bekend te maken.
De Minister van Financiën en ik onderschrijven het advies van de
landsadvocaat en hebben Holland Casino dan ook meegedeeld te kunnen instemmen
met de verdere uitwerking van het vernieuwde casinoconcept.
Nadat helderheid is verkregen over de financiering van de plannen van
Holland Casino zal de Minister van Financiën voorts invulling geven aan
zijn toezegging de Tweede Kamer per brief te informeren over de nieuwe strategie
en de financiële gevolgen daarvan voor de Staat als aandeelhouder.
De minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin