nr. 31
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 2 september 1997
Zoals op 18 juni jl. tijdens het algemeen overleg (24 556, nr. 30)
over mijn beleidsbrief over het kunstvakonderwijs is afgesproken, informeer
ik u hierbij over de opdracht aan het in te stellen procesmanagement voor
het kunstvakonderwijs. Hoewel mijn plannen met het kunstvakonderwijs tijdens
het algemeen overleg steun van de Kamer gekregen hebben, zijn er ook kanttekeningen
gemaakt. Zo is er gewezen op het belang van het intensief gebruik maken van
kennis, ervaring en plannen uit de sector van het kunstvakonderwijs zelf.
Verder werd erop aangedrongen het management van het veranderingsproces niet
uit te besteden aan derden, maar de regie in eigen hand te houden. Met deze
wensen heb ik rekening gehouden bij de opdrachtformulering, de personele invulling
en bij de werkwijze van het projectbureau.
Om de taken die uit de beleidsbrief voortvloeien nader uit te werken en
te implementeren, richt ik een projectbureau op dat binnen de departementale
organisatie een plaats krijgt, maar dat een flexibele positie kan innemen.
Het eerste voorziet in een directe communicatie tussen mij en het projectbureau
en zal bovendien leiden tot een optimaal gebruik van departementale faciliteiten.
Het tweede moet bijdragen aan een goede samenwerking met kunstopleidingen
en met de kunstpraktijk. De rol van het projectbureau zal gelegen zijn in
het organiseren van en leiding geven aan de verschillende acties die in de
beleidsbrief zijn aangekondigd. De inhoudelijke uitwerking zal plaatsvinden
in verschillende werkgroepen waarin medewerkers van het projectbureau met
deskundigen uit het onderwijs en de kunstpraktijk samenwerken. Het mobiliseren
van kennis en ervaring uit de betrokken sectoren acht ik van het grootste
belang voor het welslagen van het veranderingsproces.
Op basis van mijn beleidsbrief aan de Kamer d.d. 12 mei 1997 en gelet
op de beraadslagingen met de Kamer ziet de opdracht aan het projectbureau
er, samengevat, als volgt uit.
Allereerst dient het projectbureau mij een voorstel te doen voor een kwalificatiestelsel
kunstvakonderwijs. De opzet van zo'n stelsel betekent dat op basis van actuele
beroepsprofielen startkwalificaties worden geformuleerd. Deze startkwalificaties
worden gebruikt om eindtermen voor het kunstvakonderwijs vast te stellen die
het grootste deel van de studielast zullen bepalen. Mede met behulp van deze
gegevens worden bovendien opleidingsprofielen samengesteld. De gegevens van
het kwalificatiestelsel en de te verwachten transparante opleidingenstructuur
zullen tevens helderheid moeten verschaffen over wat wel en niet tot het kunstvakonderwijs
gerekend moet worden. Op het gebied van lerarenopleidingen verwacht ik van
het projectbureau nauwe samenwerking met het procesmanagement lerarenopleidingen.
Het projectbureau dient mij ook advies te geven over de positionering van
de uit het kunstbeleid gefinancierde werkplaatsen.
Het projectbureau zal aan moeten geven hoe regionale samenwerking bevorderd
kan worden. Verder verwacht ik met voorrang een advies over de mogelijkheid
en toepasbaarheid van minimumnormen voor de omvang van opleidingen. Het bureau
dient voorstellen te doen voor internationale samenwerking en samenwerking
met het wetenschappelijke onderwijs en voor verbetering van vooropleidingen
en van na- en bijscholing.
Van het bureau wil ik ook weten hoe de kwaliteitszorg, gericht op kwaliteit
en doelmatigheid van zowel individuele opleidingen als van het totale opleidingenaanbod,
verder ontwikkeld zou moeten worden; en dat gelet op ontwikkelingen binnen
het gehele HBO. Gezien deze bredere contekst wil ik het bureau te zijner tijd
gericht om advies vragen over een integrale periodieke kwaliteitstoets en
de toekomstige bekostiging van het kunstvakonderwijs. Ik verwacht voorts een
voorstel voor een systeem van meer instellingsonafhankelijke selectie voor
eerste en tweedefase opleidingen. Tot slot dient het projectbureau aan te
geven hoe de verschillende voorstellen geïmplementeerd zou moeten worden,
daarbij ook rekening houdend met de inzet van het flankerend beleid.
Het projectbureau zal geleid worden door een voorzitter. De ondersteuning
bestaat uit een functionaris uit het veld van opleidingen en kunstpraktijk
en uit twee secretarissen die allen een actieve rol spelen in het procesmanagement.
Als voorzitter zal ik benoemen Stevijn van Heusden, nu directeur Kunsten van
mijn ministerie. Omdat ik het wenselijk vind dat het bureau ook beschikt over
deskundigheid uit kringen van het kunstvakonderwijs en de kunstpraktijk, zoek
ik iemand uit die sectoren. Over het profiel van deze functionaris bestaat
overeenstemming met de HBO-Raad, die mij een voordracht zal doen. Ik hoop
op korte termijn ook deze benoeming te kunnen doen. Als secretarissen benoem
ik Fons Schneijderberg en Rob Berends, senior beleidsmedewerker bij respectievelijk
de directie HBO en directie Kunsten van mijn ministerie. De verdere uitwerking
van deze opdracht zal nog onderwerp van gesprek zijn met de HBO-Raad.
De eerste taak van het projectbureau zal zijn mij op 1 december a.s. een
plan van aanpak te leveren, waarvan een meerjarig activiteitenplan en een
begroting voor het jaar 1998 onderdeel zijn. In dit plan van aanpak wordt
de inschakeling van alle betrokken actoren aangegeven. Bovendien zullen onderwerpen
aangewezen worden waarbij afstemming met HBO-brede beleidsontwikkelingen noodzakelijk
is.
Het plan van aanpak zal ik zo kort mogelijk na 1 december voorzien van
mijn voorlopig standpunt aan uw Kamer ter kennis brengen.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
A. Nuis