24 556
Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1997

nr. 27
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 4 november 1996

Op 3 oktober jl. heeft er een algemeen overleg plaatsgevonden met de Tweede Kamer over onder meer het kunstvakonderwijs. Tijdens dit overleg is door het lid mevrouw M. de Vries een vraag gesteld met betrekking tot de toekenningen van tweede-faseopleidingen op het gebied van opera en sonologie. Ik heb toegezegd deze vraag schriftelijk te zullen beantwoorden.

Bij de discussie over de definitie van de in 1998 in te voeren tweede fase van het muziekvakonderwijs is door de commissie Van Beers vastgesteld dat er een behoefte is aan enkele bijzondere landelijke voorzieningen, naast de beoogde gespreide brede tweede fase opleidingen. Het betreft een nationale operastudio en een landelijk onderzoekscentrum op het terrein van de sonologie. De toenmalige Raad voor de Kunst heeft indertijd desgevraagd advies uitgebracht over de vraag aan welke instelling deze centra zouden moeten worden toegekend.

Met betrekking tot de concrete toewijzing van het landelijke centrum voor sonologie doen zich geen bijzonderheden voor. De Raad voor de Kunst adviseerde om dit centrum aan het Koninklijk Conservatorium toe te kennen en bevestigde daarmee de feitelijke situatie, die eerder werd gecreëerd door de overname van het Instituut voor Sonologie van de Universiteit Utrecht door het Koninklijk Conservatorium. Deze hogeschool ontvangt hiervoor vanuit dit ministerie reeds een additionele bekostiging. Formalisering van deze situatie zal plaatsvinden via de procedure van registratie van voortgezette opleidingen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het cursusjaar 1998/1999. De door de commissie Van Beers geïndiceerde bekostiging van dit centrum vindt plaats uit het budget dat vanaf dat cursusjaar vrijkomt door de invoering van de verkorte eerste-faseprogramma's.

Het advies van de Raad voor de Kunst van september 1994 over de concrete toewijzing van de beoogde operavoorziening heeft geleid tot nadere discussie over de functie en de positionering van de beoogde operastudio ten opzichte van de conservatoria, de beroepspraktijk en de activiteiten van het Internationaal Opera Centrum Nederland (IOCN). De Raad stelde vast dat de ideale onafhankelijke operastudio niet op de korte termijn zou kunnen worden bereikt, gegeven ook de beperkte budgetten. Duidelijk werd dat alleen op basis van samenwerking tussen de verschillende initiatieven de doelstelling van verbetering van de operaopleiding en de overgang naar de operapraktijk zou kunnen worden bereikt.

In tweede instantie is een afstemming van de grond gekomen tussen de conservatoria te Amsterdam en Den Haag en het IOCN. Dit heeft geleid tot een plan, waarin in een meerjarige fasering naar het gewenste eind-situatie wordt toegewerkt. Ter uitvoering van dit plan hebben de beide conservatoria binnen de daarvoor beschikbare rijksbijdrage – met een tijdelijke aanvulling uit externe fondsen – de versterking van de bestaande operaopleidingen ter hand genomen. Geconstateerd kan worden dat de samenwerking tussen het IOCN en de operabedrijven inmiddels is aangehaald, zowel facilitair als bestuurlijk.

In het plan van de conservatoria en het IOCN is tevens voorzien dat de beoogde operastudio – op termijn – in de tweede fase nieuwe stijl wordt opgenomen. Van belang is daarbij hoe de activiteiten van het IOCN concreet zullen worden ingevuld. Het IOCN heeft in het kader van de cultuurnota 1997–2000 een beleidsplan ingediend waarin sprake is van afstemming, waarbij het IOCN haar activiteiten in het verlengde ziet liggen van de tweede fase nieuwe stijl. Voor het IOCN is binnen de cultuurbegroting over de periode 1997–2000 een jaarlijks subsidie van f 413 000,– gereserveerd, ten einde het IOCN in staat te stellen de activiteiten voor de komende periode voort te zetten.

Gelet op de noodzakelijk samenhang tussen de verschillende onderdelen van het plan en de consolidatie van de feitelijke ontwikkelingsrichting, is het van belang dat vooruitlopend op de formele start van de tweede fase muziek in 1998, waarvan de opera-opleiding onderdeel uitmaakt, de verdere uitwerking bestuurlijk in te kaderen en de bekostiging eerder dan voorzien, maar onder strikte condities te laten ingaan. Daarover zullen door mij nog in het jaar 1996 afspraken met de samenwerkingspartners worden gemaakt. Hierbij ga ik uit van het door de Commissie Van Beers voorgestelde budget voor de geïntegreerde operastudio. Op deze wijze kan worden bezien hoe de samenhang tussen de deelplannen voldoende gestalte kan krijgen.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

A. Nuis

Naar boven