24 556
Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996

nr. 26
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 22 oktober 1996

In mijn brieven van 18 juni en 10 juli 1996 (resp. 24 556, nr. 20 en 21) heb ik u informatie gegeven over de voortgang bij het proces van kwaliteit en studeerbaarheid. Een van de onderwerpen hierbij is de totstandkoming van kwaliteitsmanagementplannen bij universiteiten en hogescholen.

In mijn brief van 18 juni heb ik u medegedeeld, dat de inspectie tot het oordeel was gekomen, dat bij drie universiteiten en acht hogescholen sprake was van een kwaliteitsmanagementplan dat op essentiële punten niet voldoet aan de criteria die in het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid zijn geformuleerd. De inspectie had bovendien geconstateerd, dat bij één hogeschool in feite geen sprake was van een kwaliteitsmanagementplan. Ik heb u toen ook in kennis gesteld van mijn beslissing om de desbetreffende instellingen in de gelegenheid te stellen vóór 15 september 1996 een aanpassing van het kwaliteitsmanagementplan in te sturen om zo de uitvoering van de projecten ter verbetering van kwaliteit en studeerbaarheid snel ter hand te laten nemen.

In mijn brief van 10 juli heb ik nogmaals aandacht besteed aan deze «tussentranche», waarbij ik u kon mededelen dat op dat moment vrijwel alle instellingen die dit betreft hadden laten weten een aanpassing te zullen indienen. Uiteindelijk hebben alle instellingen waar het hier om gaat van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt.

De aldus tot stand gebrachte aanpassingen van de kwaliteitsmanagementplannen zijn onderworpen aan het oordeel van de inspectie. Het verheugt mij u te kunnen mededelen, dat de inspectie mij in een vertrouwelijke rapportage heeft bericht, dat als gevolg van de aanpassingen thans ook de kwaliteitsmanagementplannen van de onderhavige universiteiten en hogescholen in voldoende mate beantwoorden aan degestelde eisen. Daarmee komt het voorbehoud dat ik jegens deze instellingen moest maken over het beschikbaar stellen van middelen uit het studeerbaarheidsfonds te vervallen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

Naar boven