24 556
Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996

nr. 24
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 2 september 1996

In de brief van 31 januari 1996, waarbij de staatssecretaris en ik u meedeelden het Hoger Onderwijs- en Onderzoekplan (HOOP) te hebben vastgesteld, is een aantal onderzoeken aangekondigd naar de ontwikkeling van de deelname aan het hoger onderwijs. Bij deze bieden wij u twee rapportages aan1.

De eerste rapportage betreft de toezegging te onderzoeken in hoeverre de gewijzigde condities voor studenten op het gebied van studiefinanciering, collegegeld en dergelijke van invloed zijn op het doorstroomgedrag van havo-, mbo- en vwo-afgediplomeerden. De Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam (UvA) in samenwerking met het SCO/Kohnstamm Instituut van de UvA (SCO-Stichting Centrum voor Onderwijs-onderzoek) heeft dit onderzoek uitgevoerd.

Het meest opvallende resultaat uit dit onderzoek is dat de instroomdaling in het afgelopen jaar veroorzaakt lijkt te zijn door uitstelgedrag. Het lijkt erop dat scholieren voorzichtiger gaan kiezen voor studeren. Bij twijfel stellen ze de studie uit: «je moet direct de juiste keuze maken». Ze gaan er van uit, dat de studietijd geheel voor de studie nodig is, alternatieve activiteiten doen ze niet tijdens de studie, maar voorafgaande aan de studie. Financiële drempels lijken geen grote rol te spelen, ook niet bij leerlingen uit lagere sociale milieus. Wel zullen leerlingen uit lagere milieus eerder afhaken indien de op te bouwen studieschuld groter zou worden.

Ik constateer uit deze resultaten dat er geen aanleiding is tot directe reparatiemaatregelen in de studiefinanciering maar wel om de vinger in de komende jaren aan de pols te houden, in het bijzonder wat betreft de doorstroom naar het hoger onderwijs van leerlingen uit de lagere sociale milieus. Die vinger wordt overigens ook aan de pols gehouden in de vorm van de toegezegde rapportage over leengedrag en schuldopbouw van studiefinanciering.

De tweede rapportage betreft de toezegging een oordeel te vragen aan een onafhankelijke instantie over de beleidsmatige correcties in het HOOP op de studentenramingen (minder stapelen, minder lang studeren, beperking verblijfsduur hbo, stabilisatie doorstroompercentages). Dit oordeel is gevraagd aan het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Het SCP komt tot de conclusie dat de HOOP-ramingen niet onrealistisch zijn. Wel constateert het SCP een aantal onzekerheden die enerzijds tot meer en anderzijds tot minder studenten dan voorzien zou kunnen leiden. Aan de ene kant wijst het SCP op onzekerheid in de verblijfsduur van studenten doordat meer studenten werken naast de studie. Aan de andere kant wijst het SCP op onzekerheden in de doorstroom vwo-wo, mbo-hbo en de indirecte doorstroom als gevolg waarvan een daling in de instroom van het wo respectievelijk hbo niet uitgesloten is.

De door het SCP gesignaleerde onzekerheden in de raming zijn voor mij geen aanleiding om op dit moment tot aanpassing van de HOOP-ramingen te komen. De feitelijke ontwikkeling van de deelname zal echter goed gevolgd worden en periodiek worden afgezet tegen de ramingen in het HOOP 1996. De eerste resultaten zullen in de begroting van 1998 worden gepresenteerd.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven