Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24556 nr. 21 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24556 nr. 21 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 10 juli 1996
In vervolg op mijn brief van 18 juni 1996 (24 556, nr. 20) informeer ik u hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, over de beslissingen die ik heb genomen inzake de toekenningen van de door de instellingen ingediende projektvoorstellen voor het studeerbaarheidsfonds. Tevens stuur ik u hierbij het rapport van de commissie Beoordeling Projectvoorstellen studeerbaarheid en de advisering van de inspectie inzake de kwaliteitsmanagementplannen.
Ik kom daarmee mijn toezegging na om omstreeks 1 juli Uw Kamer te informeren over de vervolg-procedure in het proces ter verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid in het hoger onderwijs.
In deze brief geef ik u een algemene impressie over het oordeel dat ik heb over de ingediende projektvoorstellen en de advisering van de tijdelijke adviescommissie Beoordeling Projectvoorstellen Studeerbaarheidsfonds. Tevens zal ik u toelichten via welke stappen ik tot een beoordeling en toekenning ben gekomen van de ingediende projektvoorstellen. Hierbij ga ik specifiek in op de toekenning van de middelen voor de landelijke prioriteit lerarenopleidingen. Tenslotte geef ik u aan op welke wijze het proces ter verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid zal worden voortgezet.
Zoals ik u in mijn brief van 18 juni meedeelde, hebben alle universiteiten en hogescholen kwaliteitsmanagementplannen en projectvoorstellen ingediend. Op 28 juni 1996, precies een jaar nadat de stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid haar rapport vaststelde, stelde de tijdelijke advies commissie Beoordeling Projectvoorstellen Studeerbaarheid haar beoordeling van de ingediende projektvoorstellen vast.
Het rapport van de commissie bevestigt mijn indruk dat er in een jaar tijd een goede impuls is gegeven aan de verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid in het hoger onderwijs. Het feit dat veel projecten een meerjarig karakter hebben en het relatief hoge percentage van goedgekeurde projecten sterken mij in de opvatting die ik eerder in Uw Kamer uitsprak, namelijk dat de instellingen op decentraal niveau klaar staan om concreet invulling te geven aan de verbetering van de kwaliteit en de studeerbaarheid.
In het advies van de commissie is voorgesteld om bijna 80% van de voorstellen in het Hoger beroepsonderwijs te honoreren en iets meer dan 73% van de voorstellen in het Wetenschappelijk Onderwijs. De commissie spreekt in haar rapport van een grote diversiteit in aanpak, zowel wat betreft de inhoud van de voorstellen, de wijze van aanpak als de manier waarop men de inspraak van studenten en personeel heeft georganiseerd. Dit past naar mijn mening bij de beoogde varieteit en diversiteit in het hoger onderwijs. Tevens geeft de beoordeling van de commissie aan dat het proces van kwaliteit en studeerbaarheid gelukkig niet – zoals door sommigen werd gevreesd – is geeindigd in centralisatie, uniformering en bureacratisering.
De beoordeling van de commissie is een kritische. Niet alle voorstellen van de instellingen zijn als positief aangemerkt. Ruim 20% van de voorstellen in het hoger beroepsonderwijs en zo'n 27% van de voorstellen in het wetenschappelijk onderwijs zijn niet goedgekeurd. De commissie heeft hierbij veelal voor de formulering gekozen: «geen oordeel». Ik heb respect voor deze formulering omdat het uitdrukking geeft aan de mening van de commissie dat we met definitieve afwijzingen instellingen niet vooruit helpen. Ik deel deze mening van de commissie van harte. In haar beoordeling heeft de commissie dan ook terecht suggesties aangereikt hoe de verbeteringen vorm kunnen krijgen.
In mijn beslissing over de projectvoorstellen heb ik in grote lijnen het advies van de commissie kunnen volgen. Dit betekent dat er in een omvang van 240 miljoen gulden te besteden is door de instellingen aan verbetertrajecten kwaliteit en studeerbaarheid. Dit zijn de middelen waarmee de instellingen de komende jaren de aktiviteiten kunnen opzetten. Voor dit jaar stel ik een bedrag van 66 miljoen beschikbaar. Hoewel in de oorspronkelijke financiele reeksen – zichtbaar bij de begroting van 1996 – pas geld beschikbaar zou zijn in het jaar 1998, tot en met 2000, ben ik in staat om de instellingen in de gelegenheid te stellen nu reeds een aanvang te maken met de uitvoering van de goedgekeurde projecten. Bij de verdeling van de 66 miljoen heb ik als verdeelsleutel het relatieve aandeel in de 240 miljoen gehanteerd.
De commissie is positief over de wijze waarop de instellingen zijn omgegaan met de landelijke prioriteiten zoals ik die in het HOOP heb geformuleerd en de criteria die door het ISO in dat verband zijn aangereikt. De commissie stelt dit ook ten aanzien van de voorstellen inzake de vernieuwing van de lerarenopleidingen. Zij stelt daarnaast echter vast dat sommige projectvoorstellen in het kader van de aanpak van het procesmanagement lerarenopleidingen waren geplaatst en dus nog niet volledig uitgewerkt kunnen zijn, omdat het plan van aanpak van het procesmanagement pas op 22 juli a.s. verschijnt. In Uw Kamer heb ik uitgebreid gesproken over het belang van het plan van aanpak van dit procesmanagement. Onder punt 2.c. van deze brief licht ik u derhalve toe waarom ik heb gemeend om op het punt van de landelijke prioriteit lerarenopleidingen een afwijkende procedure te moeten volgen.
Ik heb de instellingen op 5 juli jl. per brief geïnformeerd over de projekten die zij als gehonoreerd mogen beschouwen. In deze brief heb ik aangegeven waar ik het advies van de commissie heb gevolgd en in welke gevallen ik hier vanaf ben geweken. Dit laatste heb ik gemotiveerd toegelicht in de bijlage met het overzicht van de ingediende projektvoorstellen. Zoals ik u hierboven meedeelde, heb ik het advies van de commissie in het merendeel van de gevallen overgenomen. In deze brief heb ik de instellingen ook aangegeven wat hun exacte zogenaamde intentionele deel is (dat wil zeggen het deel waar de instellingen recht op heeft op basis van de studentenaantallen, vastgesteld bij de procedurebrief van 23 februari jl., toelichten). Tenslotte staan in de brief de middelen vermeld die de instellingen dit jaar nog ter beschikking krijgen.
Ik wil u gaarne toelichten op welke wijze en in welke volgorde ik tot mijn beoordeling ben gekomen. Zoals ik ook bij de behandeling van het wetsvoorstel Kwaliteit en studeerbaarheid in de Eerste Kamer heb toegelicht, zijn de volgende stappen gehanteerd:
a: beoordeling van het kwaliteitsmanagementplan door de inspectie.
Zoals u bekend heeft de inspectie mij geadviseerd over de kwaliteitsmanagementplannen en heb ik besloten op basis van dit advies bij die instellingen die in de ogen van de inspectie nog geen adequaat plan hebben, vooralsnog niet over te gaan tot honorering van de projectvoorstellen. Een toelichting hierop heb ik gegeven in mijn brief aan Uw Kamer van 18 juni jl. Deze instellingen heb ik in de gelegenheid gesteld om voor 15 september – op aanwijzing van de inspectie – een aanvulling op het kwaliteitsmanagementplan in te dienen, met de volgende formulering in een brief aan de betreffende instellingen:
«Op 7 juni 1996 heeft de inspectie mij haar rapportage over de kwaliteitsmanagementplannen doen toekomen. Bij uw hogeschool/universiteit is de inspectie tot het oordeel gekomen, dat uw plan op essentiële punten niet voldoet aan de criteria (het «format») die in het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid zijn opgenomen. Dit oordeel betekent dat de inspectie meent dat het kwaliteitsmanagementplan niet past binnen de definitie daarvan die in de stuurgroep weloverwogen is overeengekomen.
In de Stuurgroep is afgesproken dat de aanwezigheid van een kwaliteitsmanagementplan – in de definitie van haar rapport – een noodzakelijke voorwaarde is om tot honorering van de projectvoorstellen over te gaan. Die afspraak is later in het overleg met universiteiten, hogescholen en studentenorganisaties (in de HO-Kamer respectievelijk Studentenkamer) herbevestigd en tevens opgenomen in de «procedurebrief» van 23 februari 1996.
Als algemene lijn hanteer ik, dat niet eerder tot uitkering van middelen uit het studeerbaarheidsfonds zal worden overgegaan, dan nadat de desbetreffende universiteit of hogeschool door middel van een aanpassing van het kwaliteitsmanagementplan aan de punten van kritiek naar het (hernieuwde) oordeel van de inspectie tegemoet is gekomen. Met andere woorden: de beslissing over de toewijzing van middelen zal tot dat moment worden opgeschort.
Ik wil u in de gelegenheid stellen reeds nu uw plannen aan te passen en u niet laten wachten tot de tweede ronde van het studeerbaarheidsfonds in 1997. Daarmee volg ik het advies van de inspectie ter zake. Ik acht dit reëel, omdat u dan in staat bent een begin te maken met het uitvoeren van de projectvoorstellen ter versterking van de kwaliteit en studeerbaarheid.
Concreet wil ik u in de gelegenheid stellen mij uw aanpassingen voor 15 september 1996 aan te bieden. Na deze datum is afhandeling in het kader van de eerste ronde van het studeerbaarheidsfonds niet meer mogelijk. Die aanvulling op het kwaliteitsmanagementplan, waarbij de procedures ten aanzien van de betrokkenheid van personeel en studenten in acht moeten worden genomen, zoals geformuleerd in het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid, zal vervolgens door de inspectie worden beoordeeld met hetzelfde referentiekader als bij de eerste beoordeling.
Uiteraard is het aan u om te bezien of de gewenste aanpassing binnen het geschetste tijdsbestek op de voorgeschreven wijze kan worden gerealiseerd. Indien u van oordeel bent, dat dit voor u niet haalbaar is, kan er uiteraard geen sprake zijn van een toewijzing van middelen uit het studeerbaarheidsfonds in 1996.
In samenhang met de advisering van de commissie-Wijnen betekent dit, dat de intentioneel toebedeelde middelen voor uw instelling zullen worden gereserveerd, maar nog niet zullen worden uitgekeerd.
Tevens is aan deze instellingen gemeld hoe ik met de adviezen van de commissie om zal gaan in afwachting van een door de inspectie van een positief oordeel voorzien kwaliteitsmanagementplan.
Zoals ik u in mijn brief van 18 juni meedeelde, is de inspectie bij drie universiteiten en negen hogescholen tot het oordeel gekomen dat de plannen op essentiële punten niet voldoen aan het criteria (het format) die in het rapport van de commissie kwaliteit en studeerbaarheid zijn opgenomen. Eveneens heb ik u meegedeeld dat het oordeel van de inspectie evenwel niets zegt over de actuele kwaliteit van het onderwijs of over de inzet die verder te verbeteren. Het is ook zeker niet zo dat een als onvoldoende beoordeeld plan geen waardevolle voorstellen kan bevatten. De inspectie geeft van geval tot geval voorbeelden van het tegendeel. Daarom is het mogelijk dat de instellingen in relatief korte tijd, inclusief de zomermaanden, met een aangepast, verbeterd kwaliteitsmanagementplan kunnen komen. Ik hanteer bij deze zogenaamde «tussentranche» dezelfde procedure, dus inclusief de inspraak van studenten en docenten, als bij de indiening van de kwaliteitsmanagementplannen voor 1 april jl. Vrijwel alle dit betreffende instellingen hebben inmiddels laten weten met aanpassingen te zullen komen. Uiteraard is het zo dat indien een instelling geen aanvulling op het afgekeurde kwaliteitsmanagementplan levert, dan wel dat deze nogmaals door de inspectie negatief wordt beoordeeld, er deze ronde geen middelen uit het studeerbaarheidsfonds aan deze instelling zal worden toegekend.
b: het oordeel van de commissie-Wijnen
In mijn beoordeling heb ik in het merendeel van de gevallen de commissie gevolgd. Dit houdt in dat indien de commissie een negatief oordeel heeft over een van de ingediende projekten dit leidde tot afwijzing van de middelen voor het betreffende project.
Een positief oordeel van de commissie leidde in principe tot een positieve beoordeling en toekenning van de aangevraagde middelen. Hierbij heeft een precisering c.q. nadere beoordeling plaats gevonden op grond van de volgende vragen:
– is er sprake van overschrijding van het zogenaamde intentionele deel. Indien dit het geval is dan is de betreffende instelling gevraagd om een prioritering aan te brengen dan wel te laten weten of zij eigen middelen zal toevoegen. Ze dient dit voor 15 september a.s. mee te delen. De betreffende instellingen treffen in de brief de volgende passage aan:
«Omdat het totaal van de gevraagde middelen voor de in de bijlage genoemde projecten het voor uw instelling vastgestelde intentionele bedrag overschrijdt, wordt u het intentioneel budget beschikbaar gesteld.
Ik verzoek u:
– ofwel in de bovenstaande projecten een prioritering aan te brengen,
– ofwel – onder handhaving van alle bovenstaande projecten – de eigen bijdrage van uw instelling te verhogen zodanig dat uw resterende beroep op het studeerbaarheidsfonds uw intentioneel budget niet overschrijdt.
Ik verzoek u mij daarover uiterlijk 15 september 1996 te informeren.«
– zijn er formele gronden voor het niet toekennen van middelen, bijvoorbeeld te late indiening of een onhanteerbare begroting. In deze gevallen heeft geen toewijzing van middelen plaats gevonden, dan wel is gevraagd om nadere toelichting, dan wel is sprake van opschorting. Hierover is geen passage in de brief opgenomen, maar wordt daar in de bijlage met de toelichting per projectvoorstel bij het betreffendeprojectvoorstel om verzocht.
c: afwijkende procedure inzake de projecten lerarenopleidingen
Uw Kamer weet dat ik zeer grote waarde hecht aan de prioriteit van de lerarenopleidingen, waarbij ik als referentiekader de nota Vitale lerarenopleiding hanteer. Op basis hiervan stelt het procesmanagement lerarenopleidingen thans een plan van aanpak op. Mede naar aanleiding van de eerder vermelde opmerking van de commissie ten aanzien van de ontbrekende afstemming op dit plan van aanpak van de ingediende projectvoorstellen, heb ik gemeend dat het op dit moment nog niet verstandig is om de goedgekeurde projectplannen ten aanzien van de lerarenopleidingen volledig te honoreren. Het is voor de verdere ontwikkeling van de landelijke aanpak lerarenopleiding – met ook door Uw Kamer erkende elementen als het gezamelijk te ontwikkelen curriculum, de regionale samenwerking van de lerarenopleiding, de professionalisering van de docenten en de samenwerking bij de invoering van de informatietechnologie – noodzakelijk middelen te reserveren. Uit het studeerbaarheidsfonds reserveer ik hiervoor 58 miljoen. Dit is het intentionele deelbudget voor de lerarenopleidingen op basis van de studentenaantallen. Tevens wijk ik, zoals ik hierboven heb aangegeven, in de procedure van de toewijzing van de goedgekeurde projecten lerarenopleidingen af van de procedure voor de overige projecten.
Immers pas na het verschijnen van het plan van aanpak van het procesmanagement op 22 juli a.s evenals pas na de publicatie van het definitieve rapport van de internationale adviescommissie COMMITT over de invoering van de informatietechnologie binnen de lerarenopleidingen in november 1996, kunnen de instellingen met afgestemde projectvoorstellen komen. Ik honoreer daarom niet alle ingediende en goedgekeurde projecten maar reserveer een deel van deze middelen opdat aanpassing aan het plan van aanpak kan plaats vinden.
Anderzijds heb ik de start van de aktiviteiten van de instellingen met goedgekeurde projectplannen niet willen belemmeren. Vanwege dit laatste punt heb ik er voor gekozen dat deel van de middelen toe te kennen voor de lerarenopleidingen dat past binnen het in dit begrotingsjaar beschikbare bedrag van 66 miljoen. Hiermee stel ik een bedrag ter beschikking van 6.9 miljoen voor de lerarenopleidingen. De overige middelen van 51,1 miljoen heb ik gereserveerd voor de tweede en derde tranche. In de brief aan de hogescholen met een lerarenopleiding heb ik gemeld dat ik er vanuit ga dat zij hun intentionele deelbudget aan de lerarenopleiding daadwerkelijk zullen besteden. Een voorbeeld van de uitgebreide passage over de lerarenopleidingen zoals die in de betreffende brieven is opgenomen is als bijlage bij deze brief gevoegd.1
d. ICT: landelijke afstemming
In het ontwerp-HOOP 1996 heb ik in het landelijk kader voor het studeerbaarheidsfonds als prioriteit voor het wetenschappelijk onderwijs de informatietechnologie aangemerkt. Daarbij heb ik opgemerkt dat in het hoger onderwijs steeds intensiever gebruik zal worden gemaakt van nieuwe veelal interactieve media als middel in het onderwijsproces. In het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid is voor dit onderwerp aandacht gevraagd.
Uit de projectvoorstellen blijkt dat universiteiten regelmatig ingaan op de mogelijkheden om het onderwijs verder te innoveren via informatie en communicatietechnologie. Bij de toewijzingen in dit kader heb ik de universiteiten verzocht na te gaan of hierbij projecten zijn met een potentieel landelijke uitstraling, waarbij afstemming met soortgelijke projecten van andere instellingen mogelijk is. Ik heb de universiteiten verzocht hierover in de verslaglegging te rapporteren.
e. overige punten
In de brief aan de instellingen heb ik tenslotte aandacht gegeven aan:
– een toelichting op de subsidievoorwaarden waarin de noodzaak van een goede evaluatie benadrukt. U treft de subsidie voorwaarden als bijlage aan;
– de domeinuitspraken. In haar advies heeft de commissie aangegeven op welke onderdelen zij projectvoorstellen buiten de reikwijdte van het studeerbaarheidsfonds vindt vallen. Deze onderdelen betreffen vooral aanvragen op het gebied van materiële en facilitaire investeringen. Ik heb het advies van de commissie op deze punten gevolgd. In de volgende ronde zal ik opnieuw bezien hoe ik met deze projectaanvragen zal omgaan.
– de looptijd van de projekten, waarbij ik de termijn van de beschikbaarheid van het studeerbaarheidsfonds heb gehanteerd. Als bijlage heeft elke instelling een overzicht van de goedgekeurde projektvoorstellen ontvangen.
Ik ben de tijdelijke adviescommissie zeer erkentelijk voor haar rapport. De samenstelling van de commissie stond garant voor verschillende invalshoeken wat blijkt uit enerzijds de eenstemmigheid van de commissie en anderzijds de nuances die zijn aangebracht.
Met de toekenning van de middelen voor deze eerste tranche is een eerste belangrijke stap gezet in het proces ter verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid. Met de indiening van projektvoorstellen voor de tweede en derde tranche, waarvoor dezelfde cyclus zal worden gevolgd, zal hieraan in 1997 een vervolg worden gegeven. Het «echte werk» zal uiteraard plaats vinden binnen de instellingen, die naar mijn stellige overtuiging hieraan zeer gemotiveerd uitvoering zullen blijven geven.
Met de inzet van zeer velen – studenten, instellingen, inspectie, de tijdelijke adviescommissie, VSNU en HBO-raad en anderen – is het mogelijk gebleken een praktische vertaling te geven aan het regeerakkoord met betrekking tot het hoger onderwijs. De basis van de kwaliteitsslag zal uiteraard blijvend gevonden moeten worden binnen de beschikbare middelen voor de lump-sum. Maar mijn overtuiging is dat de middelen uit het studeerbaarheidsfonds op dit moment een noodzakelijke extra impuls zijn om deze kwaliteitsslag concreet te kunnen invullen. Het gaat mij daarbij vooral om de verwachting die ik heb over de te bereiken output in termen van kansen en van het benutten van talenten. Uiteraard zal ik uw kamer gaarne blijven informeren over de vorderingen van verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid in het hoger onderwijs. Ik zal dat doen naar aanleiding van de macro-rapportage die de inspectie uitbrengt in augustus 1996 waarin zij in algemene termen spreekt over de verbetering van de kwaliteit en de studeerbaarheid. Deze rapportage zal verschijnen in de begroting 1997 aangevuld met informatie over de aard en de inhoud van de gehonoreerde verbeteringsplannen. In deze begroting is tevens de collegegeldverhoging tranche 1997 opgenomen. Uiteraard spreek ik hierover met Uw Kamer tijdens de behandeling van de onderwijsbegroting 1997. Ik meen u met het bovenstaande in lijn met mijn toezeggingen in Uw Kamer geïnformeerd te hebben.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24556-21.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.