24 554
Invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996)

nr. 15
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 juni 1996

Zoals ik heb toegezegd in het wetgevingsoverleg met uw commissie d.d. 17 juni 1996 geef ik nog een reactie op het amendement-Dankers (24 554, stuk nr. 14) op de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet.

In de Mvt op de Invoeringswet is reeds aangegeven dat de regering van mening is dat in de komende jaren de nadruk primair moet liggen op de samenwerking en dat een bescheiden begin gemaakt moet worden met de inkoop op basis van de Veegwetbudgetten, waarbij praktijkervaringen zullen worden betrokken.

Een evaluatie zoals in het amendement bedoeld zal, mede gezien de verwachte duur van de trajectplannen voor moeilijk plaatsbare werklozen geruime tijd op zich laten wachten.

Met het oog op de bemiddelingstaak van de bedrijfsverenigingen die in art. 72 is neergelegd, acht ik een voorspoedige ontwikkeling van de samenwerking van zodanig belang dat het afwachten van het bedoelde evaluatieverslag en daarmee uitstel van een geleidelijke uitbreiding van het inkoopbudget niet aan de samenwerking in de weg mag staan.

Zoals ik in het wetgevingsoverleg heb aangegeven zal over de praktijkervaringen met de inkoop op basis van de veegwetbudgetten ook overleg met de Kamer plaatsvinden. In die zin acht ik het amendement dan ook overbodig, maar wil gezien de onzekerheid over de termijn waarop een evaluatieverslag als bedoeld beschikbaar kan komen en met het oog op de gewenste voortgang van de samenwerking tussen bedrijfsverenigingen en arbeidsvoorzieningsorganisatie op het vlak van de bemiddeling van moeilijk plaatsbare werklozen, dit amendement ontraden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Naar boven