24 516
Wijziging van de in artikel 7 van de Wet persoonsregistraties opgenomen termijn voor het indienen van een voorstel van wet

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG

Ontvangen 18 maart 1996

Wij zijn verheugd te kunnen constateren dat de beslissing om de termijn in artikel 7, derde lid, van de wet te verlengen niet tot vragen aanleiding heeft gegeven.

Wel hebben de leden van de VVD-fractie een toelichting gevraagd bij elk in artikel 7, eerste lid, van de wet opgenomen persoonsgegeven over de reden waarom deze is opgenomen.

Deze toelichting is reeds in het kader van de totstandkoming van de wet gegeven. Tot op heden is in de reden voor opneming geen verandering gekomen. In algemene zin kunnen wij daarom verwijzen naar de parlementaire geschiedenis over de totstandkoming van de Wet persoonsregistraties (Kamerstukken 11 1984/85, 19 095, nr. 3, p. 38 en volgende).

Zakelijk weergegeven zijn bedoelde gegevens om de volgende reden opgenomen.

De in artikel 7 genoemde persoonsgegevens kunnen naar hun aard de persoonlijke levenssfeer diepgaand raken. De vastlegging ervan brengt in het maatschappelijk verkeer bijzondere risico's met zich mee. Achtergrond bij het opnemen van deze persoonsgegevens is onder meer dat gegevens omtrent de godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, seksualiteit of intiem levensgedrag, persoonsgegevens van medische of psychologische aard en persoonsgegevens van strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aard als een grond voor discriminatie gebruikt kunnen worden.

De opsomming in artikel 7 is grotendeels ontleend aan artikel 6 van het (in het kader van de Raad van Europa tot stand gekomen) Verdrag van Straatsburg uit 1981 over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens in geautomatiseerde systemen (zie genoemde Memorie van Toelichting, p. 38). Dat de daar genoemde gegevens gevoelig zijn, wordt algemeen aanvaard binnen de Raad van Europa. Het verdrag verplicht ons de vastlegging van deze gevoelige gegevens van bijzondere waarborgen te voorzien. Nu Nederland genoemd verdrag heeft bekrachtigd, is het niet meer mogelijk aan die opsomming afbreuk te doen.

Daarnaast wijzen wij er op dat de EG-richtlijn bescherming persoonsgegevens in artikel 8, eerste lid, een vergelijkbare opsomming van gevoelige gegevens geeft.

Tot slot merken wij nog op dat het onderhavige wetsvoorstel in de beweegredenen voor het opnemen van genoemde persoonsgegevens in artikel 7, eerste lid, van de wet geen verandering brengt.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven