24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 530 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 24 april 2020

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 4 maart 2020 overleg gevoerd met de heer Koolmees, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over:

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 25 november 2019 inzake kabinetsreactie op de Sociale Staat van Nederland 2019 (Kamerstuk 24 515, nr. 501).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Rog

De griffier van de commissie, Esmeijer

Voorzitter: Kuzu

Griffier: Witzke

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Gijs van Dijk, Jasper van Dijk, De Jong, Kuzu, Van Otterloo, Peters, Smeulders, Tielen en Van Weyenberg,

en de heer Koolmees, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Aanvang 14.02 uur.

De voorzitter:

Goedemiddag allemaal. Aan de orde is het algemeen overleg over de sociale staat van Nederland 2019. Ik heet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zijn ondersteuning van harte welkom. Ik heet ook de kijkers op de publieke tribune en de kijkers die elders via internet dit debat volgen, van harte welkom.

De spreektijd bedraagt vijf minuten per fractie. Aangeschoven zijn de leden Jasper van Dijk van de SP, mevrouw Tielen van de VVD, de heer Smeulders van GroenLinks, de heer Peters van het CDA, de heer De Jong namens de PVV en de heer Gijs van Dijk namens de PvdA. Ik wil met de commissieleden de afspraak maken dat ze twee interrupties in tweeën hebben. Ik deel mee dat we tussendoor even moeten schorsen vanwege stemmingen. Dan moet de Minister even geduld hebben. Dan moet hij even wachten en kan hij andere dingen doen.

Ik geef allereerst het woord aan de heer Jasper van Dijk namens de SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter, dank u wel. We praten over de sociale staat van Nederland. Voor de kijkers thuis: dit is ’m. Het is een stuk van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Daarin lees je bijvoorbeeld dat de kwaliteit van leven niet is verbeterd vergeleken met tien jaar geleden, terwijl onze economie er wel veel beter voorstaat. We zien natuurlijk ook – dat is wel bekend – een enorme economische groei, een enorme vermogensgroei, en tegelijkertijd inkomens die nauwelijks zijn gestegen. De heer Thomas Piketty heeft daar een buitengewoon interessant boek over geschreven met de titel «Kapitaal en ideologie». Dat is zijn laatste werk.

U zult begrijpen dat dat de SP bekend voorkwam, want het verhaal van de SP dat die toenemende tweedeling tussen arm en rijk onaanvaardbaar is en dat we daartegen ten strijde moeten trekken, is ook al jarenlang consistent. We hadden vroeger op onze website de rubriek «vroeg of laat». Het ging daarin over bepaalde fenomenen, bijvoorbeeld over het moment waarop het kabinet erachter kwam dat de liberalisering van de woningmarkt eigenlijk geen goed idee was. Vroeg of laat ziet men dat in. Ook de invoering van het neoliberalisme was eigenlijk geen goed idee. Vroeg of laat komt men daarachter.

Voorzitter. Ik noem een aantal cijfers om dit te illustreren. Het aantal kinderen dat in Nederland moet opgroeien in armoede is al jaren schrikbarend hoog. Dat aantal is nog steeds circa 264.000 kinderen. Het aantal daklozen is in tien jaar verdubbeld van 18.000 naar 40.000. We hebben te maken met ongeveer 1 miljoen mensen in Nederland die in armoede leven. U begrijp dat dat percentage in steden als Amsterdam, Den Haag en Rotterdam nog veel hoger is. De totale studieschuld van Nederland bedraagt inmiddels bijna 20 miljard euro en loopt elke dag op. De gemiddelde studieschuld van een student bedraagt ruim € 13.000 en neemt daarmee ook toe. U zult begrijpen: dat komt natuurlijk door dat vermaledijde schuldenstelsel. Dat is een stelsel waarvan alle partijen nu zeggen: misschien was dat niet zo'n goed idee. U snapt, voorzitter: vroeg of laat komt men erachter dat die basisbeurs weer terug moet komen. Wie weet gebeurt het na de verkiezingen!

Voorzitter. De wooncrisis. Er is een tekort van 315.000 woningen en het loopt de komende jaren op naar 380.000 woningen. Ruim 1 miljoen mensen heeft problematische schulden. 10% van de huishoudens heeft ernstige betalingsproblemen. En ondanks de lage werkloosheid hebben bijna 2 miljoen mensen een flexbaan. Als je de zzp'ers erbij optelt, kom je op 3 miljoen mensen met een onzeker inkomen. Voor deze mensen is stress bijna een dagelijkse realiteit. Daar schrijft het SCP ook interessante dingen over.

Het nieuws van gisteren: opnieuw gaan meer mensen naar de voedselbank. Wat zegt dit over de sociale staat van Nederland? We willen geen structurele oplossing zijn, zeggen de mensen van de voedselbanken. Ik ben dat van harte met ze eens. Is de Minister het ook met mij eens dat voedselbanken niet thuishoren in Nederland?

Thomas Piketty, ik noemde hem al, heeft er een belangwekkend boek over geschreven. Zijn conclusie is dat de steeds grotere verschillen in het bezit van kapitaal geen natuurwet zijn en dat dat de uitkomst is van politieke keuzen. Laat ik dat toelichten. Net als de voedselbanken is het aantal miljonairs toegenomen. Je zou bijna zeggen: niet alles gaat slecht in Nederland. Het aantal miljonairs is toegenomen, net zoals de voedselbanken. En dat aantal is toegenomen met 3.000. Er zijn dus 3.000 meer miljonairs. En het aantal miljardairs staat dit jaar op 37. Dat zijn er 6 meer dan het jaar ervoor. Dit is ook weer een bevestiging van het pleidooi van Piketty: meer voedselbanken én meer miljonairs. Hoe kijkt de Minister daartegenaan?

Voorzitter. Tot slot, de oplossingen. Gisteravond heeft Nederland getuige mogen zijn van een mooie gebeurtenis in Amsterdam, want toen hebben Partij van de Arbeid, GroenLinks en SP gezegd: hou nou op met die verlaging van die winstbelasting.

De voorzitter:

Ik zou u willen vragen om af te ronden. U bent pas begonnen aan de oplossingen, maar u zit nu op de vijf minuten.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Oké. Ik dacht dat ik nog ruim in mijn tijd zat, maar ik ga snel verder. Investeer dat geld in publieke voorzieningen. Verhoog de lonen, verhoog het minimumloon, indexeer de pensioenen en zorg ervoor dat aandeelhouders worden aangepakt, dat mensen meer inspraak krijgen in bedrijven en meedelen in de winst. De winst van bedrijven wordt immers met hulp van de werknemers gemaakt.

Voorzitter. Als u mij toestaat, vraag ik helemaal tot slot of de Minister al een antwoord heeft op mijn vragen, gesteld op 25 september, over de verplichte dubbele nationaliteit van Marokkanen. Het is een beetje een onverwachte overgang, maar het gaat ook over integratie. En daar gaat dit debat ook over.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Jasper van Dijk. Ik geef het woord mevrouw Tielen van de VVD.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ja, dank u wel, voorzitter. De afgelopen paar dagen waren we met een vierkoppige delegatie van deze commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op werkbezoek in Parijs. We waren daar onder andere bij de OESO, de organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. De OESO is eigenlijk een soort internationaal SCP, zou je kunnen zeggen. Het is best fijn om als Nederlander naar de OESO-grafieken te kijken, want over het algemeen scoort Nederland wel in de top drie. Allerlei factoren die te maken hebben met een hoge kwaliteit van leven, zoals werk, welvaart, gezondheid en regie, hebben we in Nederland best goed op orde; het SCP concludeert dat ook. Best goed. Want we hebben ook wel wat zorgen over een paar van de factoren die aan de kwaliteit van leven ten grondslag liggen.

Voor ons is het van belang dat mensen vooruit kunnen in hun leven, dat niet hun afkomst maar hun inzet van invloed is op hun perspectief, en dat het aloude Nederlandse gezegde dat dubbeltjes kwartjes kunnen worden, ook realiteit is, omdat mensen zich inzetten en zich ontwikkelen, en zo vooruitkomen. Wij maken ons daar wel zorgen over, ook naar aanleiding van het SCP-rapport. Het bleek ook uit het vandaag in het Algemeen Dagblad beschreven onderzoek van het CPB: dubbeltjes worden toch steeds moeilijker kwartjes. Er zijn een paar factoren die we in dit debat aan de orde willen stellen.

Als eerste is dat financiële onafhankelijkheid. De vrijheid om keuzes te kunnen maken en vooruit te kunnen, begint met financiële onafhankelijkheid. We weten dat in Nederland slechts de helft van de vrouwen financieel onafhankelijk is. De VVD wil dat meer vrouwen financieel onafhankelijk worden, en dat willen vrouwen zelf ook, blijkt uit een hoop reacties op mijn opiniestuk in het Algemeen Dagblad van gisteren. Dat het loont om meer uren te werken, is een van de oplossingen daarvoor. De VVD heeft daar in de afgelopen debatten meerdere moties over ingediend. Kan de Minister aangeven hoe het staat met de uitvoering van die moties? Daarnaast zijn er wellicht specifieke subgroepen die extra aandacht vragen als het gaat om financiële onafhankelijkheid. Denk aan jonge middelbaar opgeleide vrouwen. Is de Minister bereid om onderzoek te doen naar wat nodig is om specifieke groepen extra aandacht te geven om financieel onafhankelijk te worden?

Als tweede noem ik laaggeletterdheid. O, ik zie een interruptie.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Dit is een onderwerp dat inderdaad bij de OESO uitgebreid besproken is. We zien dat we het inderdaad op veel lijstjes best aardig doen, maar met name de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt is in Nederland echt matig in vergelijking met andere landen. Dat heeft met een aantal dingen te maken. Het heeft ermee te maken dat wij veel in deeltijd werken. Daar kun je van alles van vinden. Ik heb een vraag daarover. Zou het niet heel goed zijn om onze kinderopvang veel betaalbaarder te maken voor meer mensen, zodat het ook voor vrouwen veel makkelijker wordt om te gaan werken en ze er ook echt op vooruitgaan? Is de VVD het daarmee eens?

Mevrouw Tielen (VVD):

Daar heb ik twee antwoorden op. Ja, voor een deel is het belangrijk dat die kinderopvang betaalbaar is. Dat is zij lang niet altijd, maar daarom is er het afgelopen jaar ook enorm veel geïnvesteerd om kinderopvang betaalbaarder te maken, zeker voor mensen met een lager inkomen. Ten tweede focussen we in het debat vaak op kinderopvang, dus opvang van 0 tot 4 jaar, terwijl het grootste probleem misschien eigenlijk wel zit bij moeders en vaders van kinderen in de leeftijd daarna. Ook dat bleek uit de reacties die ik gisteren kreeg. Want scholen beginnen om 8.30 uur en eindigen om 14.15 uur, en dan? Ik ben het er dus mee eens dat we moeten kijken naar de kinderopvang, maar laten we dan alsjeblieft ook kijken naar hoe we school veel meer dagvullend kunnen krijgen. Daar heb ik de Minister ook al eens op bevraagd in een begrotingsdebat: neem dat soort onderwerpen mee als je kijkt hoe het voor moeders en vaders beter te combineren is.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Als vervolgvraag ben ik heel erg benieuwd wat de VVD concreet voorstelt om te zorgen dat dat makkelijker wordt. En ik heb daar nog een extra vraag bij. We kregen gisteren ook te horen dat er nog een verschil in salaris van 18% is tussen mannen en vrouwen in Nederland. Ik vond dat echt schokkend. Ik wist dat het hoog was, maar niet dat het zó hoog was. Wat is de VVD van plan om daaraan te doen? Moet je dan bijvoorbeeld ook denken aan wetgeving en meer transparantie?

Mevrouw Tielen (VVD):

Volgens mij is er nog heel veel wetenschappelijk onderzoek nodig om precies te begrijpen waar het nou aan ligt. De OESO had het over 18%. Ik heb weleens een onderzoek van het CPB gezien waarin het 6% was. Daarbij zijn een aantal factoren niet meegenomen, zoals het aantal vlieguren, zoals ik dat zelf noem. Als je vanaf het begin van je loopbaan al deeltijd werkt, bouw je ook echt minder ervaring op dan wanneer je vanaf het begin van je loopbaan voltijd werkt. Dat soort factoren zijn vaak nog niet meegenomen. Ik ben het er dus mee eens dat we moeten kijken naar hoe je kan zorgen dat vrouwen gewoon meer waar voor hun geld, nee, geld voor hun waar krijgen, maar daar is nog wel wat meer inzicht voor nodig. Maar als we daar samen naar moeten zoeken, ben ik zeer bereid om dat ook te doen, want het interesseert mij ook.

De heer De Jong (PVV):

Wat vaak in dit soort debatten onderbelicht blijft, is het feit dat mensen zelf in een positie zijn geraakt waarin ze geen eigen keuzes meer kunnen maken. Neem bijvoorbeeld een gezin, waarvan wordt aangegeven dat zowel man als vrouw aan het werk moeten. Natuurlijk, als dat een vrije keuze is, moeten we dat stimuleren en realiseren. Dat is zeker waar. Maar er is ook nog een andere groep, die zegt: eigenlijk zou ik er gewoon heel erg graag een tijd voor mijn kinderen willen zijn; eigenlijk zou ik mijn leven graag net iets anders willen inrichten, maar ik kan het me gewoon niet veroorloven want ik heb daar geen financiële ruimte voor. Zo iemand kan dan niet uit eigener beweging de keuze maken om wel of niet te gaan werken. Daarom is mijn vraag waarom de VVD niet alles op alles heeft gezet om de koopkracht voor die mensen echt te verbeteren, bijvoorbeeld door de btw-verhoging terug te draaien of het eigen risico af te schaffen, zodat mensen geld in hun portemonnee overhouden en uiteindelijk zelf een keuze kunnen maken over hoe ze hun leven willen inrichten.

Mevrouw Tielen (VVD):

De heer De Jong vraagt waarom de VVD niet alles op alles heeft gezet. Ik zie dat anders. Dit kabinet heeft, zeker ook bij monde van de VVD, geprobeerd om alles op alles te zetten om te zorgen dat mensen er inderdaad op vooruitgaan, ondanks de crisis in de jaren 2008–2015 en ondanks de economische vraagstukken die we hebben. Er is meer geld voor zorg nodig en meer geld voor AOW. Ondanks dat soort gezamenlijke opgaven hebben we toch geprobeerd om te zorgen dat er uiteindelijk aan het eind van de maand meer geld overblijft onderaan het loonstrookje en in de portemonnee. Nou, dit jaar lijkt dat eindelijk te lukken, met vereende krachten en veel moeite. Wat ons betreft blijft dat ook doorgaan, precies om wat meneer De Jong zegt, namelijk om te zorgen dat mensen zelf kunnen kiezen waar ze hun goed verdiende geld aan besteden.

De heer De Jong (PVV):

Het probleem is dat de koopkrachtbeloftes al die jaren niet zijn nagekomen. Het was elk jaar minder. Vorig jaar en het jaar daarvoor zijn de mensen erop achteruitgegaan; de helft van de Nederlanders is erop achteruitgegaan. Jazeker, Minister, erop achteruitgegaan. Mensen kunnen het zich niet veroorloven om zelf keuzes te maken, omdat ze niet voelen wat u zegt. Dat zeg ik niet alleen. Dat zegt ook dit rapport. Dit rapport zegt namelijk dat, als we het regeerakkoord ernaast leggen, de stilstand die we hier met z'n allen concluderen achteruitgang betekent. Er is dus niet geleverd door de VVD; de VVD heeft niet geleverd. U heeft natuurlijk wel de kans om te leveren. U zit namelijk in het kabinet. De mensen voelen het niet in hun portemonnee. Waarom maakt u het de mensen niet wat makkelijker, door bijvoorbeeld datgene waar ze tegenaan hikken, namelijk oplopende kosten, op te lossen door de btw-verhoging terug te draaien of het eigen risico af te schaffen? U zou in ieder geval iets kunnen doen waardoor mensen aan het einde van de maand net even wat meer geld overhouden in hun portemonnee, zodat ze voelen dat ze worden gehoord.

Mevrouw Tielen (VVD):

Dit rapport zegt eigenlijk twee dingen. Het zegt aan de ene kant: dit is de sociale staat van Nederland in 2019. Meneer De Jong heeft gelijk: pas vanaf 2020 gaan mensen het echt merken. De meeste mensen, hopelijk ook de mensen die meekijken, hebben op het loonstrookje voor januari, en vorige week ook op dat voor februari, meer gezien. Het andere wat het rapport zegt, is dat er ondanks de economische welvaart kennelijk meer factoren zijn dan alleen geld die belangrijk zijn voor mensen om kwaliteit van leven, regie, gezondheid en plezierig samenleven te ervaren. Meneer De Jong heeft gelijk dat het voor heel veel mensen belangrijk is om hun ... – ik wilde bijna «zuurverdiende» zeggen – goedverdiende geld zelf te besteden. Daar doen wij ook ons hard ons best voor. Dat blijkt z'n vruchten af te werpen, maar dat heeft meer moeite gekost dan we zelf hadden gewild; dat klopt.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Het gaat lekker! Toch heb ik ook even een interruptie. We hebben het nu inderdaad over de bijna drie kabinetten-Rutte. In bijna drie kabinetten stond de VVD aan het roer. Er wordt geconcludeerd dat er economisch herstel heeft plaatsgevonden na de zware crisisjaren, maar bijvoorbeeld uitkeringsgerechtigden, eenverdieners of mensen met een niet-westerse achtergrond hebben helemaal niks tot weinig van het economisch herstel gevoeld. Sterker nog, een aantal van deze mensen is erop achteruitgegaan. Hoe komt dat toch? En waarom schetst de VVD dan toch het heel rooskleurige beeld dat het blijkbaar heel goed gaat, terwijl het rapport concludeert dat het met veel mensen in Nederland ondanks economisch herstel nog steeds niet goed gaat?

Mevrouw Tielen (VVD):

Ik vind het altijd leuk als iemand van de PvdA het heeft over drie kabinetten-Rutte. Meer dan de helft van de afgelopen kabinetten-Rutte stond de PvdA zelf aan het roer, zeker ook met een eigen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De PvdA weet dus wat die jaren hebben gekost aan moeite om sterker uit de crisis te komen. We zijn als land ook sterker uit de crisis gekomen, maar wij zouden als VVD – ik hoor de heer Van Dijk dat ook zeggen – willen dat iedereen het gevoel heeft dat hij sterker uit de crisis komt. Inderdaad, er zijn groepen waarvoor dat minder hard gaat. Voor uitkeringsgerechtigden moet wat mij betreft gelden dat ze er echt meer op vooruitgaan als ze gaan werken. Inzet moet lonen. Over migranten heb ik zometeen een bijdrage. Het is echt belangrijk dat iedereen die kan meedoen ook meedoet, ziet dat het loont en dat je er meer regie door krijgt over de keuzes in je leven. Daar sprak ik net in een debatje met de heer De Jong ook al over.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dan komt natuurlijk de bekende jij-bak. Dat is allemaal prima, maar ik kijk toch even naar de VVD. Er zijn nu drie kabinetten-Rutte geweest, maar veel mensen blijven toch achter. Dat is best zorgelijk. Er is echt sprake van een tweedeling in de samenleving, die blijvend is. Wat gaan we doen, behalve het aanbieden van werk, wat nog best lastig is voor mensen met een uitkering? Gaan we de uitkeringen stapsgewijs verhogen? Gaan we, zoals de SP en Partij van de Arbeid willen, het minimumloon verhogen? Dan gaan we echt wat doen voor de mensen die nu achterblijven en die nu niks voelen van het economisch herstel.

Mevrouw Tielen (VVD):

Wat de VVD betreft moet inzet altijd kunnen lonen. Wat ons betreft is werk dus echt de stap naar vooruitgang voor mensen die afhankelijk zijn van een uitkering. Daar zetten wij wat ons betreft goed op in.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat was nog maar een half antwoord op de vraag van mijn naamgenoot. Mevrouw Tielen heeft het volste recht om haar partij te verdedigen, maar ze moet geen kletskoek verkopen. Als ze zegt «wij doen ons best om iedereen vooruit te helpen», is dat aantoonbaar onjuist. Mensen met uitkeringen zijn er helemaal niet op vooruitgegaan. Mensen met een minimumloon zijn er niet op vooruitgegaan. Die laat u keihard in de steek. Neem bijvoorbeeld iemand die arbeidsbeperkt is, die een handicap heeft en die geen werk heeft. Die gaat er niets op vooruit. Het klopt dus niet en het is onjuist dat u zegt dat u uw best heeft gedaan voor deze groep mensen. Erkent u dat?

Mevrouw Tielen (VVD):

Nee, dat erken ik niet. Nogmaals, wat ons betreft is het echt belangrijk dat werken loont. Dat is het allerbelangrijkste. Ook voor mensen die in een uitkering zitten. Mensen die in een minimumloonbaan zitten, zijn er door herzieningen in ons belastingstelsel op vooruitgegaan. Het zijn er overigens maar heel weinig – de meeste mensen die werken, verdienen meer dan het minimumloon. Ik erken het dus niet. Ik blijf oog houden voor iedereen in Nederland die erop vooruit wil. Daar mag meneer Van Dijk me op blijven bevragen. Iedereen wil erop vooruit, in welke situatie dan ook. Daar moeten we voor zorgen. Daar doen we ons best voor. De ene keer lukt dat beter dan de andere keer.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mevrouw Tielen blijft steeds hangen in die grijze plaat dat iedereen die gaat werken erop vooruit moet gaan. Ik heb het over iemand met een arbeidsbeperking die heel graag wil werken maar die geen werk krijgt, simpelweg omdat een bedrijf haar of hem niet aanneemt omdat het denkt: dat vinden we te veel gedoe, zo'n arbeidsbeperking. Die groep laat de VVD keihard vallen. Geeft u dat s.v.p. toe.

Mevrouw Tielen (VVD):

Dat doe ik niet. Meneer Van Dijk heeft zeker ...

De heer Jasper van Dijk (SP):

Hoe gaat deze groep er dan op vooruit?

De voorzitter:

U spreekt via de voorzitter, meneer Jasper van Dijk, zoals u weet.

Mevrouw Tielen (VVD):

Voorzitter, dank u wel voor deze vraag van de heer Van Dijk. Meneer Van Dijk heeft heel erg gelijk als hij zegt dat werkgevers deze mensen te weinig aannemen omdat het te veel gedoe zou zijn. Ik hoor dat ook terug van werkgevers, die zeggen: ik ben ondernemer, geen ambtenaar; ik vind het allemaal veel te ingewikkeld, ik heb geen hr-afdeling om te zorgen dat die mensen op de goeie plek terechtkomen. Dat moeten we ook echt verbeteren en vergemakkelijken. Als u met de VVD samen wil kijken hoe je kan zorgen dat we mensen met een arbeidsbeperking die graag willen, en die ook heel veel kunnen, aan de slag kunnen, gaan we daarnaar zoeken. Daar mag u ons dan op blijven aanspreken. Maar uiteindelijk is dat wat mij betreft wel de weg naar voren.

De voorzitter:

U kunt uw bijdrage hervatten, mevrouw Tielen.

Mevrouw Tielen (VVD):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Laaggeletterdheid is het tweede ding waar ik mij zorgen over maak. Want taal, taal en ook taal is toch wel het allerbelangrijkste middel om vooruit te kunnen komen in een samenleving. Het baart ons grote zorgen dat taal een probleem lijkt te zijn voor migranten, voor mensen in de bijstand en zelfs voor jongeren van 15 jaar, zo blijkt uit OESO-onderzoek. We willen taal veel hoger op de agenda hebben. Er zijn twee dingen waar we als Nederland achterlopen als je naar de OESO-cijfertjes kijkt. De lage PISA-scores op begrijpend lezen in het funderend onderwijs zijn ongelofelijk. Een op de vier jongeren in Nederland kan een tekst niet fatsoenlijk begrijpen. Dan heb ik het niet over een whatsappbericht, maar over een gewoon artikeltje in de krant. Als je daar al niet de fundering legt, krijg je het nooit meer rechtgebreid. Is de Minister bereid om met zijn OCW-collega's te kijken hoe oorzaken en oplossingen voor die dalende scores worden opgepakt?

Dan kom ik te spreken over taal op het punt van inburgering en bijstand. Bij inburgering is nu een taalniveau van A2 de norm, terwijl eigenlijk B1 de norm zou moeten zijn om je gewoon te kunnen bewegen in onze Nederlandse samenleving en op de arbeidsmarkt. Kan de Minister onderzoeken of B1 wellicht de taaleis zou kunnen worden, dus dat het taalniveau in de inburgering omhoog kan? Wat kan hij daaraan doen?

Dan taalontwikkeling als onderdeel van een leven lang ontwikkelen. In hoeverre is het mogelijk voor mensen om zich te laten bijscholen in taalbeheersing? Is dat voldoende mogelijk als je kijkt naar een leven lang ontwikkelen? Wordt er ook gebruik van gemaakt? Kan de Minister kijken hoe hij dat kan aanpakken?

Over een leven lang ontwikkelen gesproken: loopt de Minister een beetje op schema om voor de zomer nog zijn aangescherpte overzicht, «het plan van aanpak 2.0» hebben we het, geloof ik, genoemd, met de Kamer te bespreken?

Voorzitter. Ik weet niet hoeveel tijd ik nog heb? Ik begrijp dat ik nog even lekker door kan gaan. Mijn laatste punt betreft integratie. Mensen in Nederland maken zich zorgen over de tweedeling – het woord is hier al een paar keer gevallen – in de samenleving. Voor sommige mensen is tweedeling arm of rijk, voor andere mensen autochtoon of migrant, voor anderen is het regio of Randstad. Als je wil, kun je heel veel tweedelingen maken en is het dan ook een veelkoppig monster. En als je zoekt naar een tweedeling, kun je die altijd wel vinden. Maar de zorgen zijn natuurlijk serieus. Hoe kunnen we met elkaar samenleven in een dichtbevolkt land, en niet langs elkaar heen leven?

Een deel van die zorgen gaat over integratie, zeker als je kijkt naar de bevolkingsvoorspellingen. Die laten zien dat over een aantal jaar meer, veel meer migranten in Nederland zullen wonen. Hoe staat het met de beloofde scenario's over die bevolkingsgroei? Wat wil de Minister het komende jaar doen om te laten zien dat integratie hem serieus is? Hoe worden migranten uit bijvoorbeeld EU-landen gestimuleerd om te integreren en de taal te leren? Hoe zorgen we dat alle mensen die in Nederland wonen, zich Nederlander kunnen voelen en dat ook uitdragen?

Perspectief, vooruitkomen en regie hebben over je leven zijn wat ons betreft belangrijk als het gaat over de sociale staat van Nederland. Wat ons betreft zijn daar een aantal pijlers voor die wel wat steviger mogen worden aangezet.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Tielen. Het woord is aan de heer Smeulders.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Dit debat gaat over de sociale staat van Nederland. Het mooie daaraan is dat je het als Kamerlid dan over eigenlijk alles kunt hebben. Dat lijkt me niet makkelijk voor de Minister om voor te bereiden. Ik heb nadrukkelijk ervoor gekozen om mij in dit debat toch te focussen en wel op de positie van jongeren. Dit omdat de Tweede Kamer ongeveer een halfjaar geleden een heel mooi rapport aangeboden heeft gekregen van de Sociaal-Economische Raad dat specifiek gaat over de positie van jongeren. Er is een hoorzitting over geweest, maar er is nog geen moment geweest om daar samen echt goed over te spreken. Dus ik had bedacht dat ik al mijn spreektijd daarvoor ga inruimen en daaraan ga wijden.

Want we merken dat de concurrentiemaatschappij in Nederland op steeds jongere leeftijd begint. Er zijn inmiddels kinderen van 4 jaar, zo wordt gerapporteerd, die gewoon stress ervaren omdat ze al toetsen moeten doen en omdat hun ouders willen dat ze het zo goed mogelijk doen. Je ziet dat gedurende de levens van kinderen en jongeren het niet meer goed genoeg is om gemiddeld te zijn. Iedereen moet zo goed mogelijk presteren.

Aan de ene kant is dit positief, want het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking stijgt. Leerlingen en ouders doen er alles aan om dat niveau zo hoog mogelijk te hebben. Aan de ene kant is dat goed voor ons land. Maar bij alle groepen in het basis- en voortgezet onderwijs is de ervaren schooldruk ook ongelofelijk toegenomen. Tussen 2011 en 2017 is die zelfs verdubbeld. Vooral in het voortgezet onderwijs is deze druk ontzettend groot; 38% van de leerlingen daar geeft aan een hoge werkdruk te ondervinden. Daarom is het heel positief dat gisteren een motie van mijn collega Lisa Westerveld is aangenomen om hier breder onderzoek naar te gaan doen.

Tijdens je vervolgopleiding gaat dit gewoon verder. Er zijn steeds meer excellentietrajecten waar studenten alleen maar toegang toe krijgen op basis van hun studieresultaten, motivatie en overige activiteiten. Uit onderzoek van het ISO blijkt dat meer dan de helft van de ondervraagde studenten problematische stress ervaart. Een steeds groter aantal studenten zoekt echt professionele hulp omdat ze die stress niet meer aankunnen. Zou de Minister daar eens op kunnen reflecteren? Er zijn bijvoorbeeld nog steeds wachtlijsten voor studentenpsychologen. Wat wordt er gedaan om die wachtlijsten tegen te gaan? Ik snap dat dit primair het Ministerie van Onderwijs aangaat, maar in dit debat over de sociale staat voel ik toch de ruimte om die vraag te stellen.

Voorzitter. Dan het bruggetje naar de arbeidsmarkt. We merken dat jongeren steeds vaker op de arbeidsmarkt starten met een flexibel contract. Je moet eigenlijk al heel veel gedaan hebben om aan een baan te komen. Het gevolg daarvan is misschien wel dat het aantal burn-outs stijgt. Wat daar ook verontrustend in is, is dat jonge mensen, mensen tussen de 25 jaar en de 35 jaar, het hoogste percentage burn-outs hebben van alle bevolkingsgroepen. Ik heb net een wat langere aanloop genomen, maar nu weet ik zeker dat ik bij het terrein van deze Minister of in ieder geval van dit ministerie ben. Jongeren hebben het meest te kampen met burn-outklachten. Wat vindt de Minister daarvan? Er wordt hier vast onderzoek naar gedaan. Ik zou daar graag de laatste stand van zaken over willen horen. We weten bijvoorbeeld dat er onderzoek wordt gedaan naar de effecten van de Wet arbeidsmarkt in balans, een wet waar dit kabinet trots op is. Zou daarbij ook specifiek aandacht kunnen worden besteed aan de positie van jongeren en de gevolgen die deze wet heeft voor de positie van jongeren op de arbeidsmarkt? Wordt die doelgroep specifiek meegenomen?

Dan ga ik toch weer een uitstapje maken, namelijk naar wonen en volkshuisvesting. Ik snap dat de Minister zegt dat zijn collega voor Wonen daarover gaat. Maar ik ben toevallig ook woordvoerder wonen. Er gebeurt daar óngelofelijk weinig om te zorgen dat er voldoende en betaalbare woningen voor jongeren zijn. Het gevolg daarvan, waar volgens mij ook deze Minister mee te maken heeft, is dat steeds meer jongeren levenskeuzes gaan uitstellen. Je gaat later uit huis, je gaat later samenwonen en je krijgt ook later kinderen, want er is gewoon geen huis te vinden. Kan de Minister aangeven wat er echt serieus gebeurt om te zorgen dat jongeren een betaalbaar huis vinden?

Dat enorme woningtekort en al die flexcontracten hebben ook gevolgen voor hoe gezinnen functioneren. Dan kom ik zeker weer op het beleidsterrein van deze Minister. Want van de jongvolwassenen die werk en zorg combineren ...

De voorzitter:

De plenaire bel die u nu hoort, geeft ook aan dat u precies op 5 minuten zit.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Zal ik het gewoon afmaken? Dan gaan we daarna stemmen.

Van de jongvolwassenen die werk en zorg combineren, geeft 53% aan dat ze het heel erg druk hebben. Dat is aanzienlijk hoger dan het gemiddelde. Het is natuurlijk ook een beetje het spitsuur van je leven waarin je dan zit. We hebben een motie ingediend, vorig jaar en bij de afgelopen begrotingsbehandeling opnieuw, samen met D66 rondom verlofregelingen. Zou de Minister kunnen aangeven hoe het staat met de uitvoering van deze motie?

Wij denken ook dat het ontzettend belangrijk is dat medewerkers meer zeggenschap krijgen over hun werkzaamheden. We hebben daar driekwart jaar geleden een initiatiefnota over ingediend als GroenLinks, met vier Kamerleden. Ik ben heel benieuwd wanneer we de reactie van het kabinet daarop kunnen zien.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Smeulders. Ik schors de vergadering zodat de Kamerleden zich kunnen begeven naar de plenaire zaal. We zien elkaar over enkele ogenblikken weer terug.

De vergadering wordt van 14.33 uur tot 14.49 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik hervat de vergadering. Inmiddels zijn twee nieuwe leden aangeschoven, de heer Van Otterloo namens 50PLUS en de heer Van Weyenberg namens D66. Ik geef het woord aan de heer Peters van het CDA.

De heer Peters (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Waarschijnlijk is er nooit in de geschiedenis, waar dan ook op aarde, een maatschappij geweest waar mensen zó lang, zó gezond, zó gelukkig en zó welvarend leven als hier en nu in dit land. Een bijstandsgerechtigde leeft langer en is gezonder dan een gemiddeld lid van het Engels koningshuis in de Victoriaanse tijd. En een gemiddelde Nederlander heeft de beschikking over luxeartikelen waar de Zonnekoning, Lodewijk XIV, niet eens over kon dromen. Ook het SCP bevestigt dat onze situatie nu nog beter is dan, pak ’m beet, 25 jaar geleden. Een stijgend opleidingsniveau, dalende werkeloosheid, herstel van de koopkracht en betere woonkwaliteit. Mensen geven hun leven gemiddeld een 7,8 en dat is mooi. Maar dat wil niet zeggen dat er geen zorgen zijn. Die zijn er namelijk wél. Binnen het christelijk-sociaal denken gaan we uit van vier principes: menselijke waardigheid, solidariteit, algemeen welzijn en subsidiariteit. Langs deze lijn wil ik de sociale staat van Nederland beschouwen.

Binnen het christelijk-sociaal denken spreken we van de menselijke waardigheid als belangrijk beginsel. Ieder mens is geschapen door God en als zodanig heilig. Een mens dat bestaanszekerheid ontbeert, is dan ook een grof schandaal en een belediging van onze samenleving. Een mens is als persoon – dat is wat anders dan als individu – belangrijk en verdient het om gezien te worden. We zijn wel rijk, maar toch hebben een miljoen Nederlanders grote moeite om rond te komen, zijn te veel mensen afhankelijk van onzekere, kleine baantjes, is de schuldenproblematiek niet onder controle en zijn er veel, veel, echt veel te veel mensen alsnog dakloos. We doen er van alles aan, tenminste qua plannen. Ik heb moties ingediend over de kostendelersnorm, over kwijtschelding van verhoging op schulden, moties over van alles en nog wat. Rond het thema dakloosheid ben ik al drie jaar bezig met moties om uithuiszettingen te voorkomen/te verbieden. Die moties zijn allemaal aangenomen. Zo ook de laatste, die gaat over het invoeren van een zogenaamde laatstekanscuratele. Ik heb daar met de Staatssecretaris met grote regelmaat over gesteggeld. Hoe staat het met de voortgang? Rondom schuld en armoede zijn wel goede afspraken gemaakt, maar die lijken deels door uitvoeringsproblemen toch langzamer van de grond te komen. Graag een reactie van de Minister.

Dat brengt me bij het volgende punt: solidariteit. Armoede is meer dan een gebrek aan middelen. Het is een gebrek aan meedoen, binding, sociale context. Een mens is geen individu, een mens is een persoon. En voor een persoon is sociale binding letterlijk van levensbelang. Solidariteit is echter teruggebracht tot een stelsel van subsidies en uitkeringen, waarbij de essentie van solidariteit als betrokkenheid bij elkaar verschraalt. Het CDA is dan ook blij met aandacht voor eenzaamheid. Het CDA is blij met de grote hoeveelheid zorgcoöperaties die her en der worden opgericht met een sociale context, die bijvoorbeeld zelfs voedselbanken kunnen bieden. Wat kan de Minister doen om dergelijke initiatieven meer te ondersteunen, vraag ik via de voorzitter.

Het CDA is ook blij met de toch wel vernieuwde aanpak ...

De heer De Jong (PVV):

Dat klinkt allemaal leuk en aardig. Ik moest wel een beetje schrikken, want aan het begin hoorde ik gewoon een CDA'er zeggen: luister eens, een bijstandsgerechtigde, iemand met een laag inkomen, heeft het nu veel beter dan vroeger, een paar honderd jaar geleden, een Koning het had. Nou, zeg dat maar eens tegen die persoon die thuis zit en die zich afvraagt hoe hij aan het einde van de maand zijn rekeningen nog kan betalen. Dat was een schandalige opmerking om mee te beginnen.

Dan mijn tweede punt. U heeft het over solidariteit en zegt dat mensen bestaanszekerheid moeten hebben en dat er een mooie functie is voor de voedselbank. We hebben de afgelopen week het nieuws mogen horen dat het aantal mensen dat gebruikmaakt van de voedselbank, gewoon is gestegen. En u, als CDA'er, zit in het kabinet. Dus u kunt ervoor zorgen dat deze mensen ...

De voorzitter:

Ik zou u willen vragen om via de voorzitter te spreken.

De heer De Jong (PVV):

Voorzitter. De geachte afgevaardigde die naast mij zit, zit bij het CDA. En die heeft de sleutel in handen. Hij zit aan de knoppen. Hij kan zeggen: «Weet je wat, ik ga ervoor zorgen dat de koopkracht van die mensen verbetert, dat de mensen die nu thuiszitten en het niet meer redden, wat meer lucht krijgen. Ik ga daarom overbodige lastenverzwaringen terugdraaien, zoals de btw-verhoging.» Maar dat doet het CDA niet. Waarom houdt het CDA hier altijd van die mooie verhaaltjes, maar levert het uiteindelijk niet?

De heer Peters (CDA):

Ten eerste, zit ik natuurlijk niet in het kabinet. «Nog niet», zou ik zeggen, maar dat terzijde. De opmerking aan het begin van mijn betoog was nodig om de zaken in perspectief te zetten, niet om iemand weg te zetten. Volgens mij zelfs het tegenovergestelde, want bestaansonzekerheid is een groot onrecht, daar ben ik volgens mij vrij helder over geweest. Het oplossen daarvan, zelfs als je denkt «het zal wel weer moeilijker zijn dan gedacht», is dan tóch nog weer veel moeilijker dan je denkt. Er hangen heel veel dingen met elkaar samen die je gewoon bijna niet opgelost krijgt. Ik hoorde net mijn collega van de VVD zeggen: werken moet lonen. Maar ook dat is maar deels waar. Als je aan het werk gaat, kun je bijvoorbeeld problemen met toeslagen krijgen. We hebben een systeem opgetuigd waarbij het wel makkelijk klinkt om «even aan wat knoppen te zitten» maar waarin het toch niet lukt als we aan alle kanten daaraan draaien. Daarom pleit ik ervoor, daar kom ik in mijn verdere verhaal nog op terug, om op een andere manier te gaan werken. Niet meer langs deze lijnen, want dan krijg je het gewoon niet opgelost, ook niet door te draaien aan die heel simpele knop waaraan de heer De Jong zou draaien als hij in het kabinet zat.

De heer De Jong (PVV):

Dat is toch ridicuul! Jarenlang is er aan de mensen beloofd dat zij erop vooruit zouden gaan in koopkrachtcijfers. Ik heb het daarnet ook al aangegeven. De afgelopen jaren is de helft van de mensen er echter op achteruit gegaan. Elke koopkrachtbelofte is niet nagekomen. En dan zegt de heer Peters: iemand die een bijstandsuitkering heeft, of een laag inkomen of die een beetje moet sappelen, heeft het nu nog steeds beter dan vroeger een Koning het had; ik zet de situatie van de mensen thuis die het niet meer redden, maar even in perspectief. Dat is gewoon een schandalige opmerking. Het is een schandalige opmerking. U geeft daarmee het signaal: u leeft in Nederland, dus u moet niet klagen. Maar aan het einde van de maand kunnen bijvoorbeeld hardwerkende Nederlanders die helemaal niet in een uitkering zitten, toch hun rekeningen niet betalen. Ze zien dat de economie groeit, maar dat het profijt daarvan naar bedrijven gaat. En u doet er helemaal niets aan. Nu geef ik u toch een mogelijkheid; u kunt het vandaag allemaal, of in ieder geval een deel, rechtzetten, door te zeggen: iets wat echt overbodig is, zoals die btw-verhoging of het eigen risico, schaf ik af. Komt u vandaag over de brug?

De heer Peters (CDA):

Ten eerste. Als we een losse zin uit een tekst halen, die zin tot de hele tekst maken en dan zeggen «het is schandalig», vind ik dat schandalig.

De heer De Jong (PVV):

Ik heb het niet gezegd, ú heeft het gezegd.

De voorzitter:

De heer Peters heeft het woord.

De heer Peters (CDA):

Nee, dat begrijp ik. Ik werp dat verre van me. U moet niet één zin uit mijn tekst halen en dan zeggen: dat is uw hele verhaal en dat vind ik schandalig. Dat is uit de context. Ik heb heel duidelijk gezegd dat het schandalig is dat wij een miljoen mensen hebben die problemen hebben rondom de bestaanszekerheid. Dat is het. En daar doe ik niks aan af. Sterker nog: dat vind ik. En wat ik ook beweer, is dat met de manieren waarop wij op dit moment de samenleving hebben ingericht, wij het niet voor elkaar krijgen om een en ander substantieel te verbeteren. Dat moeten we dus anders gaan doen, want het is gewoon niet oké. Dat los je niet op met een losse maatregel zoals u die zojuist riep en die ik hier natuurlijk niet kan toezeggen, zoals u best wel weet. Bovendien ga ik daar niet over. Stel die vraag dadelijk maar aan de Minister. Misschien dat hij het kan toezeggen, hij heeft daar budgetrecht op. Dus ik maak gewoon mijn verhaal af.

De voorzitter:

De heer Peters hervat zijn betoog.

De heer Peters (CDA):

Voorzitter. Het CDA is blij met de toch wel vernieuwde aanpak van de inburgering. Werk en meedoen horen voorop te staan. En dat is goed. Gisteren sprak Angela Merkel over integreren. Ze vroeg zich hardop af wanneer we stoppen met aan mensen met een andere kleur vel te vragen wanneer ze geïntegreerd zijn, terwijl ze hier al generaties lang kunnen wonen. Ik vraag haar dit na. Wat dat betreft vraag ik binnen het Actieplan Arbeidsdiscriminatie aandacht voor handhaving, zeg ik tegen de Minister. Wat is de voortgang op dat gebied?

Voorzitter. Dan het algemeen welzijn. Het algemeen welzijn lijkt steeds verder op de achtergrond te raken, omdat iedere groep vecht voor zijn eigen groepsbelang. Alles is markt geworden, voorwerp van competitie, waarbij het recht van de sterkste zegeviert. Voelen mensen zich thuis in een samenleving die polariseert en bij een politiek die in ieder geval in de beeldvorming steeds luider alleen maar opkomt voor de eigen achterban?

Voorzitter. Ten slotte het subsidiariteitsbeginsel. Subsidiariteit gaat over de menselijke maat, over een dienende overheid, een overheid die verantwoordelijkheid bij mensen en bij gezinnen laat. Een overheid die geen verantwoordelijkheid overneemt, maar die ondersteunt. Wat een gezin niet kan, dat steunt de gemeente. Waar de gemeente iets niet kan, doet de provincie het. Enzovoort. Het CDA ziet dat de overheid steeds meer taken en verantwoordelijkheden op zich neemt. Alleen al binnen de jeugdzorg zijn we ongelofelijk veel meer dingen erg gaan vinden en daarmee een taak van de overheid. Als een rupsje-nooit-genoeg neemt de overheid steeds meer de plaats in van de samenleving. Zo zijn er gemeenten die nu zo veel geld uitgeven aan jeugdzorg dat ze moeten bezuinigen op bibliotheken, sportverenigingen enzovoort.

Het CDA staat wel achter de decentralisaties. Niet uit nood, maar uit principe. Subsidiariteit wordt meer gewantrouwd als de overheid het niet uniform voor iedereen hetzelfde regelt en toezicht houdt. Dan gaat het verkeerd. Maar is dat wel zo? De menselijke maat is maatwerk en ieder mens is anders. Iedere situatie is anders. Mensen willen zich gehoord en gekend en geweten voelen door een overheid die steunt. «Computer says no», is niet het antwoord dat mensen verdienen. Stop met de juridisering van besluitvorming. Graag een reflectie hierop van de Minister.

Tot slot. Als de overheid niet dienend is, waar dient ze dan nog voor?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Peters. U heeft op de valreep nog een interruptie van de heer Jasper van Dijk. Dat is tevens zijn laatste interruptie.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik weet dat de heer Peters zich inderdaad druk maakt, en terecht, over de daklozenproblematiek. U heeft daar ook voorstellen voor gedaan en dat siert u. Ik denk ook dat dakloosheid in flagrante strijd is met alle beginselen van het CDA die u noemde. Is het dan niet ongelofelijk pijnlijk dat het aantal daklozen de afgelopen tien jaar is verdubbeld? Uitgerekend nu de heer Peters in de Kamer is gekomen en het CDA in het kabinet, is het aantal daklozen verdubbeld. Wat gaat het CDA daar concreet aan doen?

De heer Peters (CDA):

Dat is helemaal verschrikkelijk. Volgens mij is een van de redenen dat ik hier zit, om te pogen daar iets aan te doen. Ik heb daar, geloof ik, inmiddels al acht moties en een initiatief over ingediend. Ik heb zojuist ook de Minister, via de voorzitter, gevraagd hoe het staat met de uitvoering daarvan. Aan de plannen kan het niet liggen, aan de uitvoering ligt het wel. En verder moeten we gewoon meer huizen bouwen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Tja goed: acht moties, hartstikke goed. Volgens mij heeft de SP ze ook allemaal gesteund, dus daar ligt het niet aan.

De heer Peters (CDA):

Ze heeft zelfs een aantal meeondertekend.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Zelfs nog een aantal medeondertekend; dat bewijst, denk ik, dat het indienen en aannemen van moties de wereld nog niet direct verandert. Een belangrijk punt is bijvoorbeeld de kostendelersnorm, die mensen ertoe aanzet om soms zelfs familieleden op straat te zetten, omdat het anders financieel onaantrekkelijk is. Bent u het met mij eens dat we niet alleen de effecten van die kostendelersnorm moeten onderzoeken, maar dat we ook gewoon af moeten van die norm?

De heer Peters (CDA):

Ook die motie heb ik ingediend. Ik heb me ook in het debat afgevraagd: hoe kan het eigenlijk een goed idee zijn op deze manier? Volgens mij is de goede volgorde dat er eerst onderzoek komt. Daaruit zal, in mijn optiek, blijken dat de effecten alleen maar negatief zijn. Als dat zo is, weet u wat ik daarvan vind. Ik weet niet of er een meerderheid voor te krijgen is, of dat nu moet of na de verkiezingen, maar dan ben ik daar inderdaad voor. Maar wel de goede volgorde. Eerst mijn vermoeden even officieel bevestigen, dan verder.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Peters. Het woord is aan de heer De Jong namens de PVV.

De heer De Jong (PVV):

Voorzitter, hartelijk dank. We bespreken vandaag de sociale staat van Nederland. En die ziet er niet best uit. Ondanks de economische opleving neemt de kwaliteit van leven van Nederlanders niet toe. Het land staat stil op dit gebied en stilstand betekent hier achteruitgang, zo concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau. Gewone mensen merken niets van de economische groei.

Voorzitter. Dat is ook niet zo gek. Koopkrachtbeloftes zijn niet ingelost en de huidige ontwikkeling compenseert niet wat mensen al jaren mislopen. De voordelen van de economische groei zijn vooral bij bedrijven terechtgekomen. De gewone mensen merken die voordelen dus niet in hun portemonnee. Wat ze wel merken, zijn de negatieve gevolgen van het klimaatbeleid en de btw-verhoging, namelijk dat alles alleen maar duurder wordt. Eerder konden we al zien dat de helft van hun inkomen opgaat aan vaste lasten en dat veel mensen het financieel gezien gewoon niet meer kunnen bijhouden. De afgelopen jaren ging de helft van de mensen er zelfs in inkomen op achteruit. Het reëel netto beschikbaar inkomen van huishoudens per standaard huishouden is over de periode 2008–2018 gedaald met 1,5%. Ondertussen worden werkenden verplicht om langer door te werken, terwijl veel mensen dat niet meer aankunnen. Het pensioenstelsel staat continu ter discussie met als doel pensioenzekerheden af te pakken. Niet-westerse allochtonen hebben van de bijstand een allochtonenuitkering gemaakt en helpen met hun extreme afhankelijkheid, die ons miljarden per jaar kost, onze sociale zekerheid om zeep. Arbeidsmigranten kunnen door wanbeleid van het UWV ondertussen ongestoord fraude plegen met de WW en de Ziektewet.

Voorzitter. Mensen zijn dit zat. Ik kreeg hierover de afgelopen dagen veel berichten, waarvan de bottomline was: het UWV weet autochtone Nederlanders vaak wél gewoon te vinden. Zo voelen mensen dat. En geef ze eens ongelijk. Er is voor gewone Nederlanders geen betaalbare woning meer te vinden, terwijl er tienduizenden zijn weggegeven aan buitenlanders. Ondertussen groeit het aantal mensen dat gebruik moet maken van de voedselbank. Hoe is dat in hemelsnaam mogelijk, vraag ik de Minister.

Wie verder kijkt dan de tabellen en de geluiden uit de samenleving serieus neemt, weet dat Nederlanders worden achtergesteld. Die weet dat afpakken, afpakken en nog eens afpakken, is wat veel Nederlanders iedere dag weer in de praktijk ervaren. De werkelijkheid van een lege portemonnee. De werkelijkheid van te hoge huren, te hoge ziektekosten, te dure boodschappen. In de praktijk zijn dat stuk voor stuk echte koopkrachtslopers. Deze Nederlanders worden iedere keer weer in de hoek gedrukt waar de klappen vallen. Te veel verdienen om in aanmerking te komen voor sociale voorzieningen, maar te weinig verdienen om zonder stress te kunnen rondkomen, laat staan een buffer op te bouwen. Zoals ik net al aangaf, staat het netto besteedbaar inkomen al jaren stil. Het is nu zelfs lager dan in 2008. Dus helemaal geen verbetering.

En dat is niet het enige. Veel Nederlanders maken zich zorgen over de manier waarop we met elkaar omgaan, over asociaal gedrag en groeiende onverdraagzaamheid. Op het gebied van immigratie vindt men, zo staat in het rapport te lezen, dat er te veel vluchtelingen naar Nederland komen, dat de opvang van vluchtelingen ten koste gaat van anderen, dat nieuwkomers zich onvoldoende aanpassen en dat er vaker conflicten zijn. Immigratie en integratie waren in 2018 de meest genoemde maatschappelijke problemen die mensen spontaan noemden, volgens dit onderzoek. Andere spontaan genoemde problemen volgens het rapport zijn de kwaliteit van de ouderenzorg, de hoge zorgkosten en het inkomen. Steek dat maar in uw zak.

Maar er echt iets aan doen; ho maar. De grenzen worden niet gesloten voor nieuw-westerse profiteurs, echte koopkrachtverbeteringen worden niet doorgevoerd, zekerheden worden niet beschermd. Dan is het dus ook niet zo gek dat als ze wordt gevraagd hoe het eigenlijk zit met de politiek, zij in groten getale aangeven het gevoel te hebben er niet toe te doen. Zo geeft 51% van de mensen aan het gevoel te hebben geen invloed te hebben op wat de regering doet. 44% van de mensen denkt dat Kamerleden en Ministers weinig geven om wat zij vinden.

Voorzitter. Hoe triest ook, deze mensen hebben vaak gewoon gelijk. Er wordt niet naar hen geluisterd en er verandert helemaal niets wezenlijks om het leven van Nederlanders net iets makkelijker te maken. Voor de bühne doen die politici natuurlijk alsof ze het allemaal goed met u voorhebben, zeker in de aanloop naar verkiezingen. Maar ondertussen laten hun daden hier in de Kamer iets anders zien. We zagen dit ook al in de interruptiedebatjes. Btw-verhogingen worden niet teruggedraaid, het afbreken van het pensioenstelsel wordt niet gestopt, er wordt geen beleid gevoerd dat recht doet aan de zorgen rondom immigratie; noem maar op. Moties van de PVV op dit gebied: allemaal, stuk voor stuk, verworpen.

Ik kan nog uren doorgaan, maar ik ben bijna door mijn spreektijd heen. Daarom vraag ik de Minister opnieuw om toch te komen met echte koopkrachtverbeteringen. Draai nou die btw-verhoging terug. Zorg er nou voor dat dat eigen risico weggaat. Zorg voor echte lastenverlichting, zodat mensen merken dat het beter gaat met de economie, voordat het zo meteen te laat is. Want economen nu waarschuwen al voor een afvlakkende economische groei. Dat betekent dus minder ruimte voor verbeteringen, échte verbeteringen, in de mensen hun portemonnee. Dus doe wat voordat het te laat is.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer De Jong. Het woord is aan de heer Gijs van Dijk namens de PvdA.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Gisterochtend was op Radio 1 een ouder echtpaar in gesprek met de verslaggever. Dit oudere echtpaar heeft hun schaamte overwonnen over het feit dat ze al een aantal jaar bij de voedselbank moeten aankloppen omdat zij, ondanks hun kleine pensioen en de AOW, te weinig inkomen hebben. Deze mensen gaan inmiddels richting de 80 jaar en zij hebben dus hun schaamte moeten overwinnen om aan te kloppen bij de voedselbank, omdat zij al jarenlang een te klein inkomen hebben om zelf in hun behoeften te kunnen voorzien. Het is voor deze mensen en voor deze generatie eigenlijk onverteerbaar om deze stap te moeten zetten.

De man zei – ik herken dat wel – dat hij het nieuws en de Tweede Kamer goed volgt en naar de radio luistert. Hem steken dan de berichten over economisch herstel en de winst van bedrijven en over hoe ongelooflijk goed het gaat met Nederland. Deze man, dit echtpaar denkt: maar niet bij mij; dat geldt niet voor ons. En ik denk dat velen dat met hen denken. Dat is precies de tweedeling die ook het Sociaal en Cultureel Planbureau jaar na jaar na jaar laat zien. Er is iets aan de hand met heel veel mensen in Nederland. Zij komen niet mee en zij voelen dat economische herstel zeker niet. Ze merken er misschien een klein beetje van, maar niet zo veel als anderen merken van de gevolgen van het economisch herstel. Dat is echt een van de grootste maatschappelijke problemen in Nederland dat we moeten pakken.

Meerdere kabinetten zijn daar ook al mee bezig geweest. Ik vond de brief die we, denk ik, allemaal hebben gekregen van GGZ Nederland en Valente wat dat betreft heel treffend. Zij hebben eigenlijk een hele korte brief naar de Kamer gestuurd met daarin een mooi plaatje van alle rapporten van het CBS, het CPB, het Sociaal en Cultureel Planbureau, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Die constateren allemaal dat we een probleem hebben, omdat mensen achterblijven, in de armoede terechtkomen, veel schulden hebben en op straat terechtkomen. Dit constateren we al jaren en dit wordt ook al jaren op basis van feiten aan de politiek gemeld. Dan is het natuurlijk de vraag wat de mensen gaan merken van het beleid en de plannen die wij hier in Den Haag maken om die levens te verbeteren en om uiteindelijk ook die tweedeling tegen te gaan.

Ik zeg niet dat het eenvoudig is. Er is niet één knop waarmee we hier in Den Haag die tweedeling kunnen stoppen en waarmee we de mensen die nu in armoede moeten leven, schulden hebben of geen huis hebben, in één keer een welvarend leven kunnen geven. Maar we kunnen wel stappen zetten. Mijn eerste en misschien wel belangrijkste vraag aan de Minister is dan ook de volgende. De Minister heeft een uitgebreide brief gestuurd over waar het kabinet op verschillende ministeries mee bezig is om deze trend te stoppen. Zonder daar zuur over te zijn, er zijn heel veel initiatieven en die worden ook goed beschreven. Maar blijkbaar is het niet genoeg, want we zien, ook in het rapport over 2019, dat de groep die achterblijft niet kleiner wordt. We zien dat de groep die in armoede leeft, ongeveer een miljoen mensen in Nederland, niet kleiner wordt. We zien dat de groep kinderen die in armoede moeten opgroeien, niet kleiner wordt, ondanks alle middelen die we daarvoor beschikbaar hebben en ondanks de gemeenten die daar hard mee bezig zijn. Het is niet genoeg! Wat gaat het kabinet dus doen om de eigen ambitie, die aan het begin van deze en overigens ook aan het begin van de vorige kabinetsformatie is geformuleerd, waar te maken? Het ging de vorige keer over bruggen slaan en nu ging het ook over het tegengaan van de tweedeling. Wat gaat dit kabinet dan nog doen, want het is nog niet genoeg?

Voorzitter, als u mij toestaat nog een aantal punten die ook hiermee te maken hebben. Voor de kansenongelijkheid werd net al verwezen naar het CPB. Het CPB is gisteren met een rapport gekomen en vanmorgen werd daar in het Algemeen Dagblad ook over bericht. Het idee dat iedereen, waar je ook vandaan komt en wat je achtergrond ook is, alles kan worden, gaat steeds minder op voor kinderen die in een gezin met een klein inkomen opgroeien. Dat is het idee dat we in Nederland hebben, want we willen die gelijke kansen en de Partij van de Arbeid wil die al helemaal. Wat gaat het kabinet hieraan doen? Onderwijs is natuurlijk hét middel om die kinderen wel die kansengelijkheid te bieden, maar we zien grote problemen in het onderwijs. We zien de vierdaagse werkweek en het tekort aan leraren. We zien de onvrede bij leraren. We zien de werkdruk bij leraren. Wat gaat het kabinet hieraan doen? Daarbij hoort natuurlijk ook kinderopvang die toegankelijk is voor iedereen en wat je achtergrond ook is. Dat biedt enorme kansen met name voor vrouwen, maar ook voor kinderen, omdat ze dan met meerdere kinderen in aanraking komen. Wat gaat het kabinet hieraan doen?

Voorzitter. Dat bericht gisteren, dat verslag over dat oudere echtpaar, ging over de voedselbanken. Er is een heel groot probleem in Nederland, want we hebben nog steeds voedselbanken. Wat is de ambitie van dit kabinet, van deze Minister? Gaan we die voedselbanken uiteindelijk opheffen, omdat het niet meer nodig is? Is de Minister bereid om daar een actieplan op te starten? Dat zijn allemaal belangrijke zaken die hier in Den Haag voorliggen. Heel veel mensen verwachten veel van ons. Ik moet afsluiten, voorzitter. Maar wat gaat het kabinet nog meer doen om die tweedeling te stoppen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Gijs van Dijk. Het woord is aan de heer Van Otterloo namens 50PLUS.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Volgens de sociale staat van Nederland uit 2019 gaat het met ons ongeveer even goed als in 2008. Ondanks een behoorlijk gemiddeld tevredenheidscijfer profiteren mensen nog steeds beperkt van de ongekende economische groei. Het aandeel mensen met een lage levenstevredenheid stijgt dan ook.

Die relatieve welvaartstilstand is vooral het resultaat van tien jaar broekriempolitiek, versobering, uitholling van de collectieve sociale zekerheid, overheersend vrijemarktdenken en een te groot geloof in efficiency en zelfredzaamheid van mensen. De overheid als bedrijf is met haar ver doorgevoerd managementdenken de menselijke maat gewoon kwijtgeraakt, en heeft daardoor vooral kwetsbare mensen van zich vervreemd. Ook het uitkleden van overheidsorganisaties komt nu door misstanden en door fouten steeds manifester aan de orde. Denk maar aan de Belastingdienst – de heer Van Weyenberg en ik komen uit het overleg daarover met de twee nieuwbakken Staatssecretarissen – het CBR, UWV, de NVWA en het WODC. Dat alles gaat ten koste van de burgers en hun vertrouwen in de politiek.

50PLUS ziet ook een ongekende versobering van voorzieningen die met name ouderen en hun mantelzorgers, maar ook jongeren, hard raken. Treurig voor een welvarend land als het onze! Onbegrijpelijk dat verzorgingshuizen en buurthuizen verdwijnen en dat jaarlijks meer dan 300.000 kwetsbare ouderen vanwege welzijnsredenen in het ziekenhuis belanden en daar langer moeten blijven.

Het kabinet volstaat in zijn schriftelijke reactie op de sociale staat van Nederland vooralsnog teleurstellend met een opsomming van lopend beleid. Er wordt van alles gedaan, er wordt geïnvesteerd, luidt de boodschap. Dat is waar, dat is goed, maar na vele tientallen miljarden aan harde bezuinigingen bij lange na niet genoeg.

Vooral mensen aan de onderkant van het loongebouw moeten eindelijk méér gaan voelen van de stijgende welvaart. 50PLUS vraagt bijzondere aandacht voor de zeer kwetsbare positie van hoogbejaarden en 65-plussers met alleen AOW, een minimaal pensioen, en specifieke woon- en zorgproblematiek. Het is niet voor niets dat ook het beroep van ouderen op voedselbanken toeneemt, collega's hadden het er al over. Wat gaat het kabinet voor deze kwetsbare ouderen doen? Wij vragen: pak de stapeling van zorgkosten aan en maak meer middelen vrij, zodat gemeenten ook minder draagkrachtige en arme ouderen op lokaal niveau beter kunnen ondersteunen.

Ook middengroepen, jongvolwassenen en mensen met een arbeidsbeperking of een migratieachtergrond moeten meer gaan merken van de toegenomen economische groei. Wij vinden als 50PLUS dat alle werkenden ten minste het minimumloon moeten kunnen verdienen. Wij vinden ook dat dat een hoger minimumloon moet worden. We hebben daar vele moties over ingediend. Graag toch nog weer een reactie, ondanks het afwijzen van die moties.

Voorzitter. Ouderen zijn nog steeds en langdurig oververtegenwoordigd in de WW, WIA en de bijstand. Wij vragen het beleid voor de bestrijding van ouderenwerkloosheid grondig te toetsen op effectiviteit, en waar nodig en mogelijk aan te scherpen. Graag een toezegging op dit gebied.

Voorzitter. Tot slot nog een signaal. Als 50PLUS zien wij een duidelijk verband tussen de toename van het aantal ontevreden mensen enerzijds, en anderzijds de onzekerheden van de arbeidsmarkt, de versoberde gedecentraliseerde ouderen- en jeugdzorg, het koopkrachtverlies van het pensioen, inmiddels oplopend tot 20% en ook het tekort aan betaalbare en geschikte woningen. Er wordt nu terecht weer gesproken over woningnood, die wij ons als ouderen nog heel goed uit onze eigen vroege geschiedenis kennen. Onbegrijpelijk, want wij leven in één van de rijkste landen ter wereld, maar wij kunnen onze mensen niet volledig huisvesten. Wat gaat het kabinet juist op dit punt doen?

Er zijn nog meer zorgpunten. Maar het is op deze punten dat 50PLUS vandaag vraagt: geef mensen perspectief. Het kan. Wij hebben de financiële mogelijkheden om de stappen te zetten. Doe het dan ook. Stel niet alleen werk, maar ook inkomenszekerheid centraal. Zorg voor een collectieve basis-sociale zekerheid voor alle werkenden, ongeacht de contractvorm, zodat er een eind kan komen aan de ongelijke strijd tussen zwak en onzeker flexwerk – waarmee mensen geen toekomst op kunnen bouwen – en beschermd werk binnen het vaste contract, dat die mogelijkheid wél biedt.

Voorzitter. Tot slot, nog een keer: geef mensen eindelijk die pensioenopbouw en het pensioen waar zij recht op hebben, dus gewoon geïndexeerd. Er is geen reden om dat niet te doen en nog langer te wachten. Neem ook hen mee in de welvaartsgroei.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Otterloo. Het woord is aan de heer Van Weyenberg namens D66.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik was net als collega Van Otterloo wat vertraagd omdat wij nog in het laatste deel van het debat over de Belastingdienst, de toeslagenaffaire zaten. Er wordt hard aan gewerkt, zeg ik tegen collega Van Dijk.

Voorzitter. We praten vandaag over een heel mooi rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de sociale staat. Het is een beetje de thermometer in de stand van het land. Tegelijkertijd moet ik eerlijk bekennen dat ik dit soort debatten altijd ingewikkeld vind, want ze gaan over alles. Het gevaar als je over alles gaat, is dat je uiteindelijk nergens de diepte raakt maar allerlei verschillende onderwerpen aanraakt, en je aan het einde van de dag een beetje het gevoel overhoudt van dat glas, die plas en dat laten zoals het was. De echte dingen zullen we allemaal uitdiepen in veel dieper gravende discussies over de echte problemen op de arbeidsmarkt, in de jeugdzorg en bij de pensioenen. Ondanks dat ongemak dat ik dus wel heb, ga er ook maar vol enthousiasme aan meedoen. Ik zal moeten kiezen waar ik het over heb in mijn duiding.

Voorzitter. Op heel veel punten is het beeld rooskleurig is. Dit is nog steeds een van de mooiste landen om in te wonen: welvarend, de levensverwachting, het opleidingsniveau, de arbeidsparticipatie, de kwaliteit van de zorg. Alleen al wat artsen in dit land kunnen: als je dat vergelijkt met tien of twintig jaar terug, is er grote vooruitgang geboekt in de voortgang van de medische wetenschap. Dit zijn allemaal dingen waarop er grote vooruitgang is geboekt. We gaan vaker op vakantie, de criminaliteit is afgenomen. Dit alles vertaalt zich in het feit dat Nederlanders nog steeds tot de gelukkigste mensen ter wereld behoren.

Voorzitter. Maar dit is slechts de ene en ook maar de halve kant van het verhaal. Want er zijn vraagstukken. Die zullen er overigens ook altijd zijn. Als ik er zelf naar kijk, zie ik er in ieder geval drie. Het eerste is echt een gevoel van groeiende onzekerheid bij een deel van de samenleving, bijvoorbeeld over de arbeidsmarkt, waar alle onzekerheden eigenlijk samenkomen in onzekere contracten met onzekerheid over het loon. Daar is, denk ik, ook met het advies van de commissie-Borstlap nog een lange weg te gaan naar een systeem voor alle werkenden, zoals ook door collega's genoemd. Hier dreigt echt een tweedeling tussen goed beschermde mensen met vaste contracten en een groep mensen die dat tegen hun zin niet zijn. Ik heb het dan niet over zelfstandige ondernemers die vol liefde en overtuiging zelfstandig ondernemen, maar over mensen die vaak in werknemersrelaties zitten of als een soort schijnzelfstandige aan de slag zijn. Deze tweedeling is te groot.

Het tweede vraagstuk betreft grip op je leven en grip op je werk. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid had hier een heel mooie analyse over in het rapport Het betere werk. Zeker als het gaat om de grip op het leven, hebben we het over de mate waarin we mensen hebben gevraagd om zelfredzaam te zijn, de manier waarop de overheid zich heeft georganiseerd, en het feit dat er een groep mensen is die daarin verdwaalt. «De menselijke maat», zei collega Van Otterloo al. Maar het gaat, denk ik, zelfs nog een stap verder. We vragen dingen aan mensen die dat gewoon niet kunnen overzien. Het toeslagensysteem vind ik daar een goed voorbeeld van. Met de beste bedoelingen opgezet, extreem maatwerk en super gedetailleerd. Maar uiteindelijk blijkt dat door al die regels bijna 10% van de groep die we willen bereiken, überhaupt niet eens gebruikmaakt van de inkomensondersteuning die we bieden.

Dan het derde. Het Centraal Planbureau liet gisteren weer zien dat de kans om van een dubbeltje een kwartje te worden, in dit land niet stijgt maar afneemt. Dat is zorgelijk. De nieuwe CPB-directeur, de heer Hasekamp, zei dat ongelijke kansen gemiste kansen zijn. En zo is het. Wat vindt de Minister eigenlijk van deze analyse? Ik vind het echt heel ernstig. Juist in een welvarend land als Nederland zou de kans om van een dubbeltje een kwartje te worden moeten stijgen en niet moeten dalen. Ook ik heb niet die ene wonderoplossing – college Gijs van Dijk zei terecht dat niemand van ons die heeft – maar het begint inderdaad bij onderwijs. Dat gaat dan misschien via minder vroeg kiezen, zodat we mensen niet te vroeg indelen in hokjes die geen recht doen aan hun kwaliteiten, en via veel meer investeren in voorschoolse educatie en kinderopvang. Het kabinet zet daar stappen in, maar wat mij betreft is dat nog maar het begin.

Wat betreft de arbeidsmarkt gaat het over het opvolgen van het advies van de commissie-Borstlap. Het worden moeilijke debatten, maar we zullen het fundamenteel anders moeten durven organiseren. Je kunt je blindstaren op een ander toeslagensysteem met tienden koopkracht, maar de realiteit nu is dat er hele groepen zijn die gewoon geen cent krijgen van de honderden euro's waar ze recht op hebben. Dat zie je niet in de koopkrachtplaatjes, maar is wel een teken dat het daar nu niet goed gaat.

Voorzitter. Ik wil twee punten toevoegen die ik nog niet gehoord heb. Het ene is de wijken. Met name de wijken waar als je daar woont, de kans kleiner is dat je daaruit komt, carrière maakt, je verder ontwikkelt en je goed ontplooit. Ik vind het echt een heel zorgelijke ontwikkeling als de kans op een hoger inkomen afhankelijk is van de postcode waar je wordt geboren. We hebben het grotestedenbeleid hier misschien weggegooid, tot aan het af en toe belachelijk maken van mevrouw Vogelaar, die ons helaas recent ontvallen is, toe. Maar de crux van die analyse staat. We hébben wijken waar we meer in moeten investeren. Welke term en titel we daarvoor bedenken, zal me worst wezen. Maar is het kabinet het met mijn fractie eens dat dat beleid toe is aan een herwaardering en een heroverweging?

Voorzitter. Het tweede punt betreft discriminatie.

De voorzitter:

Meneer Van Weyenberg, ik zou u willen vragen om af te ronden. U bent ruim over uw tijd heen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ja, dat ga ik doen. Excuses, voorzitter. Heel kort. Mbo-afgestudeerden met een migratieachtergrond hebben 30% minder kans op werk. De helft van dat verschil wordt niet verklaard. Dat is waarschijnlijk discriminatie, het feit dat je voor je eerste stap op de arbeidsmarkt vijftien keer vaker moet solliciteren op een toch al krappe arbeidsmarkt. Onacceptabel. Het kabinet heeft allemaal dingen in de pijplijn. Is dat wel genoeg? Deze misstand verdient echt een hogere plaats op de prioriteitenlijst.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Weyenberg. Ik heb zelf ook een bijdrage en wil daarom de orde van de vergadering in handen leggen van de heer Van Weyenberg

Voorzitter: Van Weyenberg

De voorzitter:

Die ervan uitgaat dat de heer Kuzu een beter voorbeeld volgt dan hij zelf deed. Het woord is aan u, meneer Kuzu.

De heer Kuzu (DENK):

Dank u wel, voorzitter. In de jaren negentig was Femke Halsema, de huidige burgemeester van Amsterdam, lid van de Partij van de Arbeid en werkte voor het wetenschappelijk bureau van die partij, de Wiardi Beckman Stichting. De verhouding tussen de wetenschappelijke publicaties die zij schreef en wat de Tweede Kamerfractie van de PvdA deed, was volgens haar nul komma nul. Het gevolg was dat Halsema haar lidmaatschap van de PvdA opzegde, en Kamerlid werd voor GroenLinks.

U zult zich afvragen wat dit te maken heeft met het SCP-rapport. Het SCP-rapport over de sociale staat van Nederland heeft veel weg van een Halsemaatje. De centrale vraag wat DENK betreft is dan ook: wat doet het kabinet eigenlijk met rapporten van het SCP? Worden ze gebruikt om beleid te wijzigen of aan te scherpen, om extra middelen beschikbaar te stellen? Of worden ze eigenlijk gebruikt ter bevestiging van het beleid dat er al is? Dat laatste blijkt vooral het geval.

Voorzitter. Een tweede relevante vraag in deze kwestie is of het glas halfvol of halfleeg is. Citaat: de economische groei vertaalt zich niet in een betere kwaliteit van leven. Citaat: ruim 400.000 Nederlanders hebben grote objectieve achterstanden en zijn daarnaast ook zeer ontevreden met hun eigen leven. Citaat: deze mensen hebben weinig hulpbronnen zoals opleiding, inkomen of sociale netwerken en zijn pessimistisch over hun kansen en mogelijkheden. Citaat: 950.000 mensen leven in armoede en 40.000 mensen zijn zelfs dakloos. 2,6 miljoen huishoudens oftewel een op de drie huishoudens komt elke maand moeilijk rond. Voor deze mensen is het glas eerder halfleeg dan halfvol.

Voorzitter. Een opmerkelijke statistiek zit in de werkloosheidscijfers. De werkloosheid is gemiddeld gedaald naar 4% van de beroepsbevolking. Maar voor de groep zogenoemde niet-westerse migranten is die nog steeds 8%. Op welke manier kan de Minister deze wanstaltige statistiek verklaren? En belangrijker nog: wat gaat hij eraan doen? Als het antwoord «VIA» is, Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt, behoor ik ook tot de groep pessimisten. Want ik zie vooral de woorden «pilots», «evaluatie», «onderzoek», «aanvullend onderzoek», «begeleidend onderzoek», «opnieuw evalueren», «opnieuw pilots» et cetera, et cetera. Hoewel de intentie prima is, is VIA slechts een druppel op een gloeiende plaat.

Om nog dieper in te zoomen op VIA, omdat het kabinet die triomfantelijk opvoert als maatregel om de ongelijkheid op de arbeidsmarkt te bestrijden: volgens de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben mensen met een niet-westerse migratieachtergrond structurele achterstanden op de arbeidsmarkt. Ze hebben gemiddeld een lagere arbeidsmarktparticipatie, slechtere contracten en een lager loon. Ook zijn ze vaker werkloos en oververtegenwoordigd in de bijstand. Iedere statistiek laat achterstanden zien. VIA identificeert het onderwijs als een van de oorzaken van deze achterstanden. Daarover zegt de sociale staat: «Bij Nederlanders met een migratieachtergrond stijgt het opleidingsniveau maar tweedegeneratie migrantenkinderen bevinden zich nog wel vaker in lagere onderwijstypen. Voortijdig schoolverlaten is, hoewel het afgelopen decennium sterk gedaald, nog steeds het grootst onder jongeren met een migratie-achtergrond en lijkt recent weer te stijgen.» Voorzitter. De kabinetsaanpak van kansenongelijkheid, discriminatie en racisme heeft veel weg van het gedrag van sommige Italiaanse en Portugese voetbalploegen als ze eenmaal met 1–0 voor staan: beleidscatenaccio. Eindeloos tijdrekken om het verschil te houden zoals het is. Waarom, vraag ik me dan af. Stel je voor dat we de coronacrisis zo zouden aanpakken: een onderzoek naar een onderzoek naar een onderzoek, en dan een commissie instellen naar het daadwerkelijke bestaan van het coronavirus. Dat zou toch niemand accepteren? Het kabinet weet soms geen maat te houden. Het lijkt er soms op of de politiek en de samenleving in twee gescheiden werelden leven: de parallelle wereld van Rutte en de echte wereld. Maar toch betreft het hier hetzelfde land, Nederland.

In de gebruikelijke beleidsgoednieuwsshow, dus de kabinetsbrief, zie ik weer die lange opsomming van bestaand beleid dat er ook al was zonder het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Eigenlijk gebeurt er met de Brede Welvaartmonitor en de jaarlijkse Verantwoordingsdag in mei precies hetzelfde: dat zijn ook Halsemaatjes. Deze zouden in theorie ook een rol moeten spelen in de beleidsvorming. In werkelijkheid moet de eerste beleidswijziging als gevolg van de Brede Welvaartmonitor nog komen. Dat lijkt ook te gelden voor de jaarlijkse verantwoordingsstukken en de jaarverslagen. Dit laatste is al twintig jaar aan de gang, maar vreemd genoeg komt er zelden iets concreets voort uit deze verantwoordingsdebatten. Het is niet meer dan een jaarlijkse rituele dans die wordt opgevoerd voor de bühne. De Minister, in de parallelle wereld van Rutte, zal deze mening vast niet delen, maar ik vraag me af hoe hij het dan ziet. Hoe kan hij leven inblazen in deze dierentuin van papieren tijgers? Als hij dit soort rapporten serieus neemt, wat gaat hij dan doen aan de achterstand op de arbeidsmarkt van mensen met een migratieachtergrond? Komt hij met een intensivering van VIA, komt hij met een intensivering van de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie, komt hij met een intensivering van de aanpak van sollicitatiediscriminatie, de stagediscriminatie, de woningmarktdiscriminatie et cetera? Voorzitter, de fractie van DENK heeft veel woorden gezien, maar zou nu graag daden willen zien van de Minister. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het was wel een klein beetje getijdrek, maar u zat ook heel vaak op het klokje te kijken. Ik geef het voorzitterschap terug aan de heer Kuzu.

Voorzitter: Kuzu

De voorzitter:

Het was evenveel tijdrekken als de heer Van Weyenberg. Ik schors de vergadering voor tien minuten.

De vergadering wordt van 15.29 uur tot 15.39 uur geschorst.

De voorzitter:

Voor de eerste termijn van de Minister heropen ik de vergadering. Ik zou met de commissieleden twee interrupties in tweeën willen afspreken, dus twee keer twee. Ik zou de commissieleden ook willen vragen om de vragen kort en bondig te formuleren, zodat de Minister ook kort en bondig kan antwoorden. Nu de Minister is uitgehoest, zou ik hem graag het woord willen geven.

Minister Koolmees:

Dank u wel, voorzitter. Ik verslikte me in mijn koffie, die koud was geworden.

Dank, voorzitter. Dank ook aan de Kamer voor de gestelde vragen. Ik heb eerst een inleiding. Daarna benoem ik een aantal blokjes waarin ik inga op de door uw Kamer gestelde vragen.

Ik begin met De sociale staat van Nederland van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dat is een indrukwekkend rapport. Het is ook een dik rapport. Ik lees het altijd met veel belangstelling, omdat er ontzettend veel interessante informatie in staat. Het is goed dat we daarover met elkaar van gedachten wisselen. Ik wil er wel bij zeggen dat er een risico is – de heer Van Weyenberg zei dat volgens mij ook – namelijk dat dit rapport over van alles gaat, en daardoor over niks. Dat vind ik een risico van dit soort debatten. Er zijn heel veel vragen gesteld over beleidsterreinen waarvoor ik niet verantwoordelijk ben. Ik probeer er zo meteen antwoord op te geven, maar als het echt de diepte in gaat, ga ik dan toch verwijzen naar de betreffende bewindspersoon. Dat voelt altijd een beetje frustrerend, vind ik. Het is misschien goed om er een keer met uw Kamer over te praten hoe we zo'n ingewikkeld, breed rapport goed kunnen bespreken. Het gaat namelijk over wonen, over zorg, over onderwijs, over veiligheid, over democratie, over arbeid, over sociale zekerheid ... Het is een heel rijk rapport en ook een heel mooi rapport.

De ene boodschap van het rapport is: het gaat goed met heel veel Nederlanders. Ik denk dat het goed is dat de heer Peters, de heer Van Weyenberg en mevrouw Tielen daarover begonnen. Nederlanders geven hun leven gemiddeld een 7,8. In vergelijking met andere landen is de objectieve kwaliteit van leven in Nederland gewoon heel erg hoog. Het opleidingsniveau stijgt, de levensverwachting stijgt, de criminaliteit daalt en de werkloosheid is op het laagste punt sinds het CBS die op deze manier meet. Zeker nu is die werkloosheid laag: 3,0%; gisteren kwam het Centraal Planbureau met nieuwe cijfers. Na de crisis – de grootste crisis in 70 jaar; dat moeten we ook niet vergeten – is de koopkracht weer toegenomen. Ook de contractloonstijging zien we eindelijk, na een lange periode, weer oplopen, boven de 3% in de recente cijfers. Er zijn ook meer vaste contracten bij gekomen. Dat alles moeten we zien tegen de achtergrond dat de cijfers in het rapport waarover we het hebben meestal gaan over het jaar 2017 of 2018. Het is de sociale staat van 2019, gebaseerd op CBS-cijfers van 2017–2018. De woningmarkt loopt tot 2018. De cijfers over inkomen en sociale zekerheid lopen tot 2017. Dat maakt zo'n discussie ook wel een beetje ingewikkeld, zeg ik erbij, want een groot deel van de data wordt pas een jaar later opgeleverd. Daar kan het SCP niks aan doen, want dat is afhankelijk van de CBS-data. Een deel van deze cijfers is dus alweer achterhaald. Dat maakt het ook een beetje frustrerend.

Tegelijkertijd blijven er wel trends in zitten. De heer Kuzu vroeg mij: wat doet het kabinet nou met dit soort rapporten? Ik kan u uit eigen ervaring vertellen – ik heb aan de formatietafel gezeten, zoals u wellicht weet – dat wij een aantal keren de heer Putters, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, hebben uitgenodigd om zijn licht te laten schijnen over juist deze langjarige trends. Het SCP schrijft elke twee jaar een rapport over de tweedeling, over kloven, over de cans en de cannots. Die analyse zouden wij in het regeerakkoord kunnen laten terugkomen. Dat hebben we ook gedaan. In hoofdstuk 1 van het regeerakkoord staat een indringende rapportage over de kloven in de samenleving. Ik ga straks in op het beleid. Maar een van de meerwaardes van het Sociaal en Cultureel Planbureau vind ik dat het een thermometer biedt om langjarig te kijken waar het heen gaat en waar er ontwikkelingen zijn waaraan wij extra aandacht moeten geven. Dat gebeurt dus ook in het kabinetsbeleid.

De voorzitter:

Minister, zou ik u een vraag mogen stellen? U was bezig met de blokjes: een blokje inleiding, de sociale staat van Nederland. Wat zijn de overige blokjes?

Minister Koolmees:

Dat wilde ik zo meteen doen, maar ik kan het ook nu wel doen. Eerst is er een inleidend blokje. Dan komen de blokken kans op goed werk, kans op ontwikkelen en kans op een goede woning. Ten slotte is er een heel groot blokje overig.

De voorzitter:

Dank u wel.

Minister Koolmees:

Maar ik was nog met mijn inleiding bezig. Het is inderdaad niet toevallig dat Nederland volgens het World Happiness Report het vijfde gelukkigste land van de wereld is. Ik meen dat de heer Peters dat zei, of de heer Van Weyenberg; ik weet het niet meer.

Maar dat is altijd maar één kant van de medaille. Tegelijkertijd vroeg de Kamer om aandacht voor problemen die er ook zijn. Daar loop ik helemaal niet voor weg, want die zijn er ook. Een van de grootste aandachtspunten of gevoeligheden, een van de dingen waaraan we echt aandacht moeten besteden in de politiek, zijn de grote verschillen tussen de bevolkingsgroepen. Ik heb het er ook in deze Kamer vaker over gehad. Er is een groep waarmee het gewoon goed gaat, ook als je naar de cijfers kijkt. Dat noem ik altijd de «cans». Die mensen staan er goed voor in het leven. Zij hebben een goede opleiding, een goede baan, een goede gezondheid, een goed netwerk en ga zo maar door. Zij ervaren het leven ook heel positief. Dat is natuurlijk gewoon goed nieuws.

Aan de andere kant staat een groep die we vaak de «cannots» noemen. Zo noemt ook het SCP, directeur Kim Putters, hen: de cannots. Dat zijn de mensen met gezondheidsklachten, met een matig netwerk, mensen die van flexcontract naar flexcontract gaan, die hard werken maar nog nauwelijks boven het bestaansminimum uit komen en die als ze dat wel doen, hun toeslag moeten inleveren en er alsnog op achteruit gaan of in de schulden terechtkomen. Die tweede groep heeft weinig beschikking over wat het SCP noemt «hulpbronnen»: opleiding, inkomen, sociaal netwerk. Dat baart mij en het kabinet in brede zin zorgen. Deze mensen ervaren ook veel meer uitdagingen in het leven. Heel huiselijk gezegd: de maatschappij kent steeds vaker dezelfde winnaars, maar ook dezelfde verliezers. De risico's komen terecht bij een groep waarbij de verschillende risico's stapelen. Hierdoor ontstaat het risico dat de scheidslijnen in de samenleving echt dieper en ook moeilijker te overbruggen worden. Een aantal van u heeft het over de opwaartse sociale mobiliteit gehad. Dat is echt een punt waarover we ons zorgen maken.

Het kabinet wil dus ook dat deze kloof kleiner wordt, dat mensen, zowel de cans als de cannots, vertrouwen hebben in de toekomst, dat mensen ervaren dat het beter gaat met de economie en dat ze mee kunnen in de maatschappij. Dat doen we door verschillende beleidsinterventies, verschillende actieprogramma's, verschillende investeringen. Daarop ga ik zo meteen uitgebreider in. Het gaat er in de kern om mensen in staat te stellen om regie te nemen over hun eigen leven en om hen hulpbronnen te laten opbouwen, in de woorden van het SCP, om ook mee te kunnen doen in de samenleving.

In de brief die ik naar aanleiding van de sociale staat heb gestuurd, hebben we dus een onderscheid gemaakt naar de kans om jezelf te ontwikkelen, de kans op goed werk, de kans op invloed en de kans op een goede woning. In de blokjes ga ik zo meteen uw vragen daarover beantwoorden. In de set overig zitten de overige vragen die u heeft gesteld naar aanleiding van het rapport. Ik kan u wel zeggen dat niet alleen ik maar heel veel collega's in het kabinet op verschillende beleidsterreinen hard aan het werk zijn om deze scheidslijnen aan te pakken. We zijn nog lang niet klaar. Er zijn nog duidelijke uitdagingen op elk van de vier terreinen die ik net heb genoemd.

Als u het goed vindt, ga ik nu dus over naar blokje 1. Maar er was nog één vraag, die van de heer Gijs van Dijk, die ik bij de inleiding heb gepakt. De heer Van Dijk zei: u heeft een uitgebreide brief gestuurd, maar dat is nog niet genoeg; wat gaat het kabinet nu doen om de eigen ambitie te verhogen? Die vraag is zo algemeen dat ik die bij de inleiding vond horen. Ik ben het met de heer Gijs van Dijk eens dat we er nog niet zijn. Vandaar ook dat de brief die ik heb gestuurd, laat zien dat het kabinet op heel veel terreinen nog bezig is. Dat zeg ik tegen de achtergrond van de cijfers: de cijfers die hierin staan, uit 2017 en 2018. Het kabinet is natuurlijk begonnen in oktober 2017. Heel veel van de beleidsinterventies, heel veel van de dingen die we aan het doen zijn, zijn om te beginnen ingewikkeld om te implementeren. Denk bijvoorbeeld aan mijn eigen Wet arbeidsmarkt in balans. Die is op 1 januari van dit jaar ingegaan. Die wet adresseert het punt van de flexcontracten, en dat zie je nog niet in deze cijfers. Hetzelfde geldt als het gaat om arbeidsmarktdiscriminatie. Ik ga zo meteen nog een heleboel onderwerpen noemen. We hebben echt stappen gezet en we zijn stappen aan het zetten. We zijn er nog niet. We zullen nog vooruit moeten. Dat bij wijze van inleiding, meneer de voorzitter.

Dan ga ik nu in op kansen op goed werk. Meer in zijn algemeenheid geldt weer dat de arbeidsmarkt er in historisch opzicht natuurlijk ontzettend goed voorstaat. We hebben nu een werkloosheid van 3,0%. Gisteren kregen we de CPB-cijfers daarover. Dat is het laagste werkloosheidspercentage sinds we op deze manier meten. Het onbenut arbeidspotentieel is fors teruggelopen de afgelopen jaren. Het aantal banen is historisch hoog. Als je kijkt naar de meest recente cijfers van het CBS, moet je vaststellen dat het op heel veel terreinen gewoon ontzettend goed gaat. Daar mogen we ook best trots op zijn.

Dat betekent niet dat we er zijn. Er is nog ontzettend veel werk aan de winkel. Dat zie je ook in het rapport van de commissie-Borstlap en in dat van de WRR, waarover we onlangs een hoofdlijnendebat hebben gevoerd. Ook de sociale staat van Nederland vraagt hier aandacht voor. Ook op dit punt geldt dat de conclusies van het SCP worden gedeeld door het kabinet. Er bestaan gewoon onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt. We hebben het vaak gehad over de flexconstructies. Zo'n onevenwichtigheid is er ook op het gebied van arbeidsmarktdiscriminatie.

Interessant is dat immigratie en integratie altijd worden genoemd in de top vijf van punten waarover mensen zich het meest zorgen maken. Dat blijkt uit de Burgerperspectieven van het SCP. Maar als je dan één slagje dieper gaat, zie je dat het beeld heel diffuus is. Enerzijds zijn er mensen die zich zorgen maken over migratie, over de vraag «herken ik mijn buurt nog?» Dat blijkt ook uit het andere onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over de hyperdiversiteit of superdiversiteit. Tegelijkertijd blijkt uit de cijfers dat een groot deel van Nederland, met name mensen van niet-westerse afkomst, elke dag worden geconfronteerd met discriminatie, met uitsluiting, met niet uitgenodigd worden bij een vacature of met geen stage kunnen vinden. Als je één slag dieper kijkt, zie je ook dat die cijfers veel gelaagder zijn dan alleen: «het is de immigratie». Maar aangezien het een heel dik rapport is en er heel veel cijfers in staan, begrijp ik ook wel dat wat er overblijft als je er een samenvatting van moet maken, is: Nederland maakt zich zorgen over immigratie. Ik denk dat het zaak is om die gelaagdheid wel te zien en om aan beide kanten van de discussie te kijken wat je zou kunnen doen om het te verbeteren.

Op de arbeidsmarkt hebben we natuurlijk ontzettend veel in de steigers gezet. De WAB, de Wet arbeidsmarkt in balans, is op 1 januari ingegaan. We hebben een deal over loondoorbetaling bij ziekte. We hebben een beleidsaanpak over de zzp, waarover we binnenkort een algemeen overleg met uw Kamer hebben. Gisteren is er nog een advies gekomen van de Stichting van de Arbeid over arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. U ziet dat er op dit gebied echt al heel veel gebeurt.

De heer Van Weyenberg en de heer Kuzu vroegen naar discriminatie op de arbeidsmarkt. Die is echt een probleem. Recente rapporten laten nog steeds zien dat Nederlanders met een migratieachtergrond veel kwetsbaarder zijn voor werkloosheid bij economische tegenwind. Wat betreft de participatie gaat het ontzettend goed. De grootste afname in de werkloosheid zit de afgelopen vijf jaar bij Turkse Nederlanders en Marokkaanse Nederlanders. Toch blijft er nog steeds een achterstand. Dat heeft wel degelijk ook te maken met arbeidsmarktdiscriminatie: gewoon er niet tussen komen. Ik maak me er zorgen om dat dit, als de conjunctuur omdraait, ook weer de groep is die er als eerste uit vliegt, omdat die mensen afhankelijk zijn van een flexcontract dat niet verlengd wordt.

De heer Kuzu had wat kritiek op de aanpak van VIA. Dat vind ik, eerlijk gezegd, wat makkelijk, zoals de heer Kuzu ook weet. Waarom ben ik het programma VIA gestart? Dat was niet als een oplossing voor dit probleem, maar eigenlijk om de benadering om te draaien. We hebben het hier heel vaak gehad over dit probleem, maar er is nooit wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de vraag wat precies de kern is van het probleem en hoe we het kunnen oplossen. Daarom ben ik met die acht pilots begonnen. Het doel is om daar wetenschappelijk inzicht in te krijgen. Als we dat weten, kunnen we het ook uitrollen over het hele land, en kunnen we inderdaad proberen om in de toekomst te voorkomen dat die groep juist weer als eerste overboord slaat als de conjunctuur omslaat. De oppositie wordt natuurlijk betaald om kritiek te hebben. Dat mag ook en dat is ook goed. Anders zou het ook broodroof zijn. Maar ik zou het wel waarderen als we iets constructiever in deze discussie zouden zitten, want het heeft helemaal geen zin om een actieplan uit te rollen over heel Nederland als je niet precies weet wat nou echt helpt en wat niet echt helpt. Maar zo meteen krijg ik vast een interruptie van de heer Kuzu en dan gaan we daar leuk over dimdammen.

Collega Van Ark, Staatssecretaris Van Ark, is natuurlijk heel hard bezig met stevige maatregelen zoals de aanpak van arbeidsmarkt- en stagediscriminatie. We hebben extra geld voor de Inspectie SZW daarvoor.

Ah, de heer Smeulders is er ook!

Kortom, we zetten als departement, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maar ook als kabinet heel erg in op meer kansen voor zekerheid en gelijke kansen voor alle Nederlanders.

In dit blokje antwoord ik ook nog op de vraag van de heer Smeulders hoe het staat met de uitvoering van de moties van GroenLinks en D66, ingediend bij de begrotingsbehandeling, over verlofregelingen. Voor de zomer kom ik met een reactie hierop. Tegelijkertijd kom ik met een reactie op het manifest over rouwverlof, eveneens van de heer Smeulders, samen met de heer Stoffer van de SGP. Dat is dus eveneens voor de zomer.

De heer Smeulders vroeg ook nog naar de quickscan van de Wet arbeidsmarkt in balans. Hij vroeg specifiek om aandacht voor jongeren. Daar wil ik nog even iets algemeners over zeggen. Ik heb recent – ik denk een week of twee, drie geleden – de kabinetsreactie op het SER-advies over jongeren naar uw Kamer gestuurd. Het SER Jongerenplatform heeft daarmee een advies aan het kabinet gegeven over de punten waarover vooral jongeren zich zorgen maken. Daarbij gaat het om een combinatie van woningmarkt, studie en flexcontracten, een heel breed scala aan onderwerpen. Het belangrijkste probleem, of de belangrijkste confronterende werkelijkheid, zit er wat mij betreft in dat jongeren grote beslissingen steeds vaker uitstellen. Zij beginnen bijvoorbeeld steeds later met gezinsvorming of het krijgen van kinderen vanwege onzekerheid op de arbeidsmarkt en het geen kans hebben om een woning te vinden.

Het SER Jongerenplatform heeft het kabinet gevraagd om te komen met een generatietoets op beleid. Dat gaan wij nu, ook in overleg met de jongeren, uitvoeren, omdat ik dat een zeer terecht punt vind. Voor de helderheid: daarmee zeg ik niet dat het zo opgelost is. Ik heb ook met het SER Jongerenplatform gesproken. Vooral het punt van de generatietoets werd onderstreept. Als je beleid maakt, kun je dan ook zien wat voor effect het heeft voor verschillende generaties? Dat vind ik een heel terecht punt, waar we structureel meer aandacht voor moeten hebben, denk ik. Maar daar kom ik later nog op terug.

Over de quickscan op de Wet arbeidsmarkt in balans en de jongeren gaat de motie-Tielen. Ik heb beloofd dat ik na het eerste kwartaal een soort quickscan maak over de gevolgen van de Wet arbeidsmarkt in balans in brede zin, ook voor het bedrijfsleven en voor groepen. Dat zijn natuurlijk nog geen cijfers. Het gaat echt om een quickscan, om de eerste beelden. Ik heb bijvoorbeeld ook aan brancheverenigingen gevraagd om eerste ervaringen met mij te delen, juist om de vinger aan de pols te houden. Ik verwacht dus niet dat ik in april of mei – aan mevrouw Tielen heb ik beloofd dat het in mei zou zijn, geloof ik – heel veel cijfermatige onderbouwing heb, maar ik wil de richting met uw Kamer delen. Overigens zie ik zelf ook heel veel positieve dingen. Heel veel mensen hebben een vast contract gekregen, ook mensen met bijvoorbeeld een uitzendcontract, die als gevolg van de WAB een contract hebben gekregen. Het is dus nog een beetje vroeg, maar ik ga het wel doen, ook naar aanleiding van die motie van mevrouw Tielen.

De heer Smeulders vroeg ook wat ik vind van burn-out onder jongeren. Wat is de stand van zaken van het lopende onderzoek? Mevrouw Van Ark heeft inderdaad een onderzoek aangekondigd bij TNO. Er is ook de kabinetsreactie op het SER-advies over jongeren. Samen met VWS en OCW is opdracht gegeven tot een breed onderzoek naar burn-out. Dat komt voor het einde van het jaar, in de tweede helft van 2020 naar uw Kamer. Dat is de stand van zaken daar.

De heer Smeulders vroeg verder nog of ik wil reflecteren op de werkdruk voor jongeren in het onderwijs. Zijn de wachtlijsten voor studenten bij de psychologen langer geworden? De Minister van Onderwijs heeft in haar Strategische agenda hoger onderwijs aangegeven een omslag te willen maken van focussen op studierendement naar studiesucces of studentsucces, met ook meer aandacht voor studentenwelzijn. Verschillende instellingen hebben onderzoek gedaan naar psychische problemen bij studenten. OCW heeft opdracht gegeven voor een grootschalig landelijk onderzoek naar de mentale gezondheid van studenten, om meer zicht te krijgen op de oorzaken en wat eraan te doen valt. Het heeft dus ook in de commissie Onderwijs de volle aandacht.

De heer Smeulders vroeg ook nog naar zijn initiatiefnota, met drie collega-Kamerleden van GroenLinks, over zeggenschap. Ik kan vertellen dat die heel veel interdepartementale afstemming heeft gevergd, omdat de nota over alles ging. Dat betekent dus dat alle departementen erbij betrokken zijn. Dat kost tijd. Ik kan beloven dat de reactie heel snel komt, ergens in de komende twee weken. Hoop ik.

Mevrouw Tielen vroeg: kan de Minister aangeven hoe het staat met moties over hoe we vrouwen kunnen helpen financieel onafhankelijk dan wel onafhankelijker te worden? Ik ben ik twee weken geleden ook in Parijs geweest, ook bij de OECD, ook bij de heer Scarpetta. En ik heb, denk ik, ongeveer dezelfde presentatie gezien als mevrouw Tielen. Overigens is het inderdaad altijd heel interessant om die internationale vergelijking te maken. Maar precies dit punt viel mij ook op; Nederland scoort gewoon slecht, ook internationaal vergeleken, als het gaat om de deeltijdfactor en als het gaat om de PISA-scores. Op dat laatste kom ik zo meteen nog terug. Dit zijn echt de twee aandachtspunten waar we wat mee moeten. Zoals u weet, kom ik terug op uw vraag bij de kabinetsreactie op het ibo deeltijd. We zijn daar hard mee aan het werk. We hebben ook een aantal andere activiteiten gestart naar aanleiding van uw moties. Ik heb aandacht gevraagd van mijn collega's als het gaat om de zorgen over onderwijs. Maar de echte reactie komt bij de kabinetsreactie op het ibo deeltijd.

Daarnaast vroeg mevrouw Tielen of ik bereid ben om onderzoek te doen naar hoe specifieke groepen, breder dan vrouwen, financieel onafhankelijker kunnen worden. De Minister van OCW en ik hebben twee nieuwe trajecten gestart. Ten eerste de zesde ronde van het programma Vakkundig aan het werk. Dit richt zich op het aanreiken van praktische tools voor klantmanagers bij gemeeneten om vrouwen beter te kunnen begeleiden naar economische zelfstandigheid. Dat is dus weer de vrouwelijke kant. Ik zie nu dat het andere traject zich ook specifiek richt op vrouwen. Ik kom in tweede termijn terug op deze vraag.

Tot zover dit blokje. Nee, ik zie nu dat er nog een paar andere antwoorden binnenkomen. De heer Peters vroeg specifiek naar de voortgang van de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Ook de heer Van Weyenberg vroeg daarnaar. In juni en november 2018 zijn de hoofdlijnenbrief en het implementatieplan van het Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie 2018–2021 aan uw Kamer toegezonden. Daarin zitten drie pijlers. Ten eerste toezicht op handhaving, ten tweede onderzoek naar instrumenten en ten derde kennis en bewustwording. Daarin staat bijvoorbeeld dat de bevoegdheden van de Inspectie SZW worden verruimd, zodat toezicht en handhaving mogelijk worden. Het eerste kwartaal van 2019 is de campagne gestart rondom arbeidsmarktdiscriminatie, met aandacht voor zwangerschapsdiscriminatie en loondiscriminatie. Verder is er een breed onderzoeksprogramma ingericht om kennis te verzamelen over onbewuste of bewuste vooroordelen in de werving- en selectiepraktijk en effectieve maatregelen die werkgevers kunnen en willen toepassen. Voor de ontwikkeling van die effectieve interventie wordt gebruikgemaakt van de opbrengst van de VIA-pilots waar ik het net al over had richting de heer Kuzu. Het wetsvoorstel waarmee de Inspectie SZW bevoegdheden krijgt met betrekking tot werving en selectie is in het najaar opengesteld voor internetconsultatie en toetsing door diverse uitvoeringsorganisaties. In het eerste kwartaal van 2020, dus heel erg binnenkort, zal het worden afgerond. Daarna wordt het naar de Raad van State gestuurd voor advies, zodat we het daarna naar uw Kamer kunnen sturen.

De heer Kuzu vroeg nog, in het verlengde van zijn kritiek op de VIA-pilots, op welke manier het verschil in werkloosheid tussen westerse en niet-westerse migranten kan worden verklaard. Er zijn heel veel verschillende factoren die bijdragen aan die achterblijvende arbeidsmarktpositie. Een deel kan verklaard worden door harde kenmerken als leeftijd, verblijfsduur, werkervaring en opleidingsniveau. Maar een deel kan ook niet verklaard worden. De «onverklaarbare achterstand» wordt dat genoemd. In dat onverklaarde deel zit voor een groot deel discriminatie op de arbeidsmarkt. Het kan ook te maken hebben met minder effectief zoekgedrag. Die twee kunnen een verklaring zijn voor deze verschillen. Maar inderdaad, arbeidsmarktdiscriminatie is en blijft een lastig en ook moeilijker te bestrijden onderwerp, waar we langjarig op zullen moeten inzetten.

De heer Van Otterloo vroeg naar het beleid rondom ouderen, met name als het gaat over werkloosheid, mensen die langdurig in de werkloosheid zitten, en vroeg om dat beleid te herzien. Zoals u weet, hebben wij het actieplan Perspectief voor vijftigplussers. Dat was op 10 januari afgelopen. De evaluatie loopt op dit moment. Op basis van die evaluatie kan ik zeggen wat wel en wat niet werkt, en hoe we het beleid kunnen aanpassen dan wel voortzetten. Overigens geldt wel dat ook in de meest recente cijfers juist de uitstroom uit de WW van met name oudere werklozen heel positief is. Door de lagere werkloosheid en de grotere tekorten voor vacatures op de arbeidsmarkt gaat het echt de goede kant op.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Dat is het voordeel dat je ontleent aan het feit dat het jarenlang niet goed is gegaan. Dan kom je dus vervolgens, als die achterstand wordt ingelopen, hoger uit in de percentages. Maar de achterstand is nog steeds fors als je kijkt naar het verschil tussen ouderen en andere leeftijdsgroepen in de verschillende werkloosheidsvoorzieningen. Dus wat dat betreft: mooi dat er wat meer mensen komen, maar dat is ook het gevolg van de achterstand die de afgelopen jaren is opgebouwd.

Minister Koolmees:

Daar heeft u gelijk in. Als je kijkt naar de groep die het langst is blijven hangen in de WW maar ook inde bijstand, dan is dat de groep 55-plussers. Zij hadden namelijk de kleinste kans om terug te keren naar de arbeidsmarkt. Juist om daarop te interveniëren hebben we het actieplan Perspectief voor vijftigplussers gestart. No-riskpolissen, loonkostenvoordelen voor oudere werklozen, zodat werkgevers ze in dienst konden nemen en het financieel cv van de heer Van Weyenberg hebben we ontwikkeld. Het positieve nieuws is dat je vanwege de arbeidsmarktkrapte nu ziet dat de uitstroom weer toe begint te nemen. Maar u heeft gelijk, de arbeidsmarktpositie van deze groep is kwetsbaar. Daarom zullen we naar de toekomst toe, bijvoorbeeld in het kader van leven lang ontwikkelen en het loopbaanadvies ook daarin moeten investeren. We hebben nu een jaar lang het loopbaanadvies lopen; mensen van 45 jaar en ouder kunnen een loopbaancoach spreken om te vragen: kan ik deze baan nog in goede gezondheid tot mijn pensionering volhouden? Dergelijke initiatieven vind ik heel erg interessant en kansrijk. Ze zijn ook bedoeld om bij een volgende crisis beter voorbereid te zijn.

De voorzitter:

De heer Van Otterloo met een vervolgvraag.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Het plan is nu afgelopen. Het wordt geëvalueerd. De vraag is wanneer wij de resultaten van die evaluatie krijgen met de daaruit getrokken conclusies voor een nieuw plan.

De voorzitter:

De Minister kijkt op zijn papieren.

Minister Koolmees:

Voor de zomer. Voor de zomer ga ik u informeren.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Voor 21 juni?

Minister Koolmees:

Ja, dat is het begin van de zomer, dat klopt.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Jaja, want ik weet hoe het werkt in dit huis. Voor de zomer.

De voorzitter:

Ja, voor de zomer. De Minister vervolgt zijn antwoorden.

Minister Koolmees:

Ja. Dan kom ik bij het blokje kans op ontwikkelen. Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in de samenleving kan blijven meedoen. Daarom is het belangrijk dat mensen zich blijven ontwikkelen en ook de kans krijgen om zich te blijven ontwikkelen. In de kabinetsreactie, in de brief die ik heb gestuurd, spreken we in dat verband over het belang van een goede start, de ontwikkeling op weg naar beter werk, aandacht voor brede ontwikkeling, voor- en vroegschoolse educatie, leven lang ontwikkelen. Maar veel van de beleidsdingen liggen bij collega's van mij, namelijk de Minister van OCW en de Minister van VWS. Ik ga proberen de vragen te beantwoorden, maar dat is dan wel in een algemenere lijn, waarschuw ik alvast.

Ten eerste het punt van de PISA-scores. Ik ben daar bij mijn bezoek aan de OECD echt van geschrokken. Dus de vraag van mevrouw Tielen of ik dit onder de aandacht wil brengen, kan ik beantwoorden met «jazeker». Ik heb dat ook al gedaan. Maar het vergt, denk ik, nog ietwat meer tijd om het goed op te pakken. Maar ik vind dit echt een aandachtspunt, ook voor de langere termijn, zeker ook omdat je je moet realiseren dat de PISA-scores echt jaren nodig hebben om te dalen. Want het betreft interventies die tien, vijftien jaar geleden zijn ingezet en die nu leiden tot die lagere PISA-scores. Het kost dan dus ook tijd om die weer om te draaien. Maar ik ben er wel van geschrokken, dat ben ik onmiddellijk met u eens.

Mevrouw Tielen vroeg of de Minister nog voor de zomer komt met zijn brief over leven lang ontwikkelen 2.0. Ja.

Mevrouw Tielen vroeg in dit kader ook naar de taaleis bij inburgering. Kan die B1 worden? Ook de heer Peters vroeg hiernaar. In de nieuwe inburgeringswet, die nu bij de Raad van State ligt, is B1 inderdaad het uitgangspunt. Dat hebben we gedaan, en in het regeerakkoord zo afgesproken, omdat we weten dat als je de taal op B1-niveau beheerst, de kans op het vinden van een baan veel groter is. Dat is ook een van de problemen in het huidige inburgeringsstelsel. Daarin doen heel veel mensen op A2-niveau examen, ook vanuit een pervers effect in het leenstelsel waardoor mensen denken: ik kies voor de veilige weg, ik ga maar op een lager niveau examen doen. Maar dat heeft natuurlijk voor hun kans op een duurzame baan heel perverse effecten. Dus ja, B1 is het uitgangspunt.

Zoals u wellicht weet, zitten in de wet ook twee andere routes: de onderwijsroute, voor jongeren onder de 27 jaar die het reguliere onderwijs in kunnen, en de Z-route, voor mensen die bijvoorbeeld vluchteling en analfabeet zijn en die in het land van herkomst door twintig jaar burgeroorlog nooit een school van binnen hebben gezien en nooit een taal hebben geleerd. Dan nog geldt dat het leren van de taal en meedoen op de arbeidsmarkt zo ontzettend cruciaal is voor de integratie dat we die Z-route hebben ontwikkeld, juist om dat mogelijk te maken.

De nieuwe wet ligt bij de Raad van State. Zoals u wellicht weet, heb ik er ook overleg over met de VNG. Er bestaat nog een verschil van inzicht over de financiën. In de andere commissie heb ik al aangekondigd dat ik hier morgen een bestuurlijk overleg over heb. Hopelijk kan ik in de Voorjaarsnota helderheid geven.

In het verlengde hiervan de vraag of binnen een leven lang ontwikkelen bijscholing in taalbeheersing mogelijk is. Verreweg de meeste investeringen in een leven lang ontwikkelen worden gedaan door werkgevers en sectoren, in allerlei O&O-fondsen, cao-afspraken en individuele leerpotjes. Via het individuele opleidingsbudget, het STAP-budget – naast de SLIM-regeling die ik afgelopen maandag heb mogen lanceren en waarin het investeren in leercultuur in het mkb wordt gestimuleerd – kunnen mensen ook opleidingen in basisvaardigheden financieren, dus ook, inderdaad, in de Nederlandse taal. Zoals u weet, wordt dat uitgevoerd door het UWV. Het kost enige tijd om dit uit te werken en te implementeren, maar het is wel de gedachte erachter dat het een brede regeling is, die ook kan worden ingezet voor basisvaardigheden. Om mee te kunnen doen is het immers cruciaal dat je de taal beheerst.

Dan de woningmarkt. Ik weet dat de heer Smeulders ook woordvoerder is op dit onderwerp. Dat maakt mij altijd een beetje terughoudend om daar vrijuit over te filosoferen, want ik volg niet alle debatten in uw Kamer. Ik weet dat er binnenkort een debat is, zelfs op verzoek van de heer Smeulders, met mevrouw Van Veldhoven, Minister voor Milieu en Wonen, over betaalbaarheid en bereiknaarheid van woningen. Ik ben het zeer eens met de uitspraak van de heer Peters dat er veel woningen gebouwd moeten worden. Overigens zijn er vorig jaar 77.000 woningen gebouwd, toen hebben we de doelstelling dus gehaald. Maar ik ben het eens met de heer Smeulders dat de woningmarktproblemen echt groot zijn. Die leiden ook tot andere problemen, van doorstroming tot wachtlijsten. Mevrouw Van Veldhoven is daar hard mee bezig, zoals de heer Smeulders weet. Vorige Prinsjesdag hebben we natuurlijk ook 2 miljard euro vrijgemaakt hiervoor: 1 miljard op de begroting en 1 miljard via de verhuurderheffingskorting. Dit juist ook om de woningbouw te stimuleren. Maar de heer Smeulders weet veel meer over dit onderwerp dan ik, dus ik stop nu.

De heer Van Otterloo vroeg wat het kabinet doet voor ouderenhuisvesting. Passende huisvesting heeft vanzelfsprekend de aandacht van het kabinet. De collega's van Volksgezondheid en van BZK werken daar samen aan, bijvoorbeeld door de Stimuleringsregeling Wonen en Zorg, het programma Langer Thuis en de Taskfoce Wonen & Zorg. We willen dat er echt meer geschikte huisvesting voor ouderen komt, mede naar aanleiding van moties van 50PLUS. Ik weet dat de heer Krol nog in de vorige periode hier al mee begonnen is. Ik was toen nog woordvoerder wonen in uw Kamer, dus daarom weet ik dit wel. De Taskforce Wonen & Zorg gaat naar gemeenten toe om met lokale partijen tot concrete plannen te komen, zodat er ook echt gebouwd gaat worden voor ouderenhuisvesting. Er is al heel veel gerealiseerd. Bijvoorbeeld in 200 gemeenten zijn er 91.000 geclusterde wooneenheden bij gekomen, ook naar aanleiding van de interventies die eerder, ook in de vorige kabinetsperiode, al zijn gestart.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Voorzitter, maar er waren er 200.000 ...

De voorzitter:

De heer Van Otterloo vraagt om een interruptie. Dat is tevens zijn laatste interruptie. De heer Van Otterloo.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Dank u, voorzitter. Het debat over de Taskforce Wonen & Zorg is van de agenda afgehaald net voor het reces dat we hebben gehad. Daarom hebben we er niet over kunnen spreken. Maar vooralsnog lijkt dat meer een praatclub dan een club die woningen tot stand brengt. Want daarvoor heb je plannen nodig van de gemeente en heb je ook mogelijkheden nodig om de 150.000 verzorgingsplaatsen te vervangen. Want langer thuis wonen is aardig, maar ik noemde al de 300.000 mensen die langer in het ziekenhuis verblijven omdat ze om welzijnsredenen niet naar huis kunnen. Dat is dus meer dan alleen wonen, het is ook zorgen dat de zorg thuis er voldoende is.

Minister Koolmees:

Ik kan dat oprecht niet beoordelen. Dat is een beetje een flauw antwoord. Maar ik lees het antwoord op dat er een taskforce is en ik heb geen idee – dat zeg ik eerlijk. Ik heb namelijk met pensioenen, arbeidsmarkt, integratie en uitvoering best andere dingen aan mijn hoofd. Maar ik zal navraag doen, bij ik denk collega De Jonge en mevrouw Van Veldhoven.

De voorzitter:

Geen vervolgvraag van de heer Van Otterloo? Nee. Het hoeft niet, meneer Van Otterloo.

Minister Koolmees:

Op 16 april is er een AO.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Ik zou kunnen zeggen dat een taskforce aardig klinkt, maar wat je eigenlijk nodig hebt, is een snelle-interventiemacht, om militaire termen te gebruiken. En die is er niet.

De voorzitter:

De Minister knikt instemmend en peinst erover.

Minister Koolmees:

Ik ga deze snelle-interventiemacht onder de aandacht brengen van mijn collega's.

De voorzitter:

Dank u wel.

Minister Koolmees:

Alstublieft.

De voorzitter:

U kunt doorgaan met uw antwoorden.

Minister Koolmees:

Sorry, het klonk lulliger dan bedoeld. Maar u overvraagt mij gewoon. Ik kan het niet beoordelen en de mensen die hier achter mij zitten, kunnen dat ook niet. Op 16 april is er een AO. Ik hoop dat er dan een iets inhoudelijker antwoord gegeven kan worden.

De heer Van Weyenberg vroeg of het kabinet het met hem eens is dat de aanpak van achterstandswijken aan herwaardering toe is. Ja. Het wijkenbeleid is belangrijk om problemen integraal te benaderen. Het kabinet doet dat ook via het interbestuurlijk programma leefbaarheid en veiligheid. Dat was ook gericht op het wijkenbeleid. Ook in de woondeals van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn er afspraken gemaakt over de specifieke gebieden, met bijvoorbeeld een integrale aanpak van onderwijs, arbeidsmarkt, participatie, veiligheid, zorg en wonen. Je ziet ook in het sociale domein als het gaat over criminaliteit, veiligheid, multiproblematiek, schuldenproblematiek dat er vaak heel veel overlap is in die problematieken. Je hebt hier echt een integrale aanpak voor nodig, veel minder verkokerd dan we misschien van oudsher deden. Nog deze maand komt de rapportage over dit programma, hoe het ermee staat, van de Minister van Binnenlandse Zaken naar uw Kamer.

Dan ben ik bij een heel uitvoerig blokje overig. Daar zit dus geen enkele lijn in, voorzitter. Tot nu toe zat die er wel in ...

Het is raar om te zeggen, maar een van de hoofdvragen door een aantal van uw Kamerleden gesteld, is wat ik vind van de analyse van het Centraal Planbureau van gisteren dat de kans afneemt om van een dubbeltje een kwartje te worden. Dus de opwaartse sociale mobiliteit. Ik vind dat de kernvraag. Het heeft te maken met de tweedeling, de cans en de cannots. Het heeft te maken met de kansen die je krijgt om ook mee te kúnnen doen. Het Centraal Planbureau bracht gisteren in het CEP in kaart hoe het gaat met de inkomensmobiliteit, de mate waarin kinderen erin slagen om het inkomen van hun ouders te overtreffen. Dan zie je enerzijds dat Nederland in internationaal opzicht goed scoort. Dat is altijd goed. Maar het is zorgelijk dat de inkomensmobiliteit nu lager is dan tien jaar geleden. Dat is wel degelijk echt een zorgpunt.

Ik vind het wel belangrijk om richting de Kamer te benadrukken dat de resultaten uit dit laatste onderzoek ... Laat ik het zo zeggen: er zijn weinig datapunten. Het komt wel overeen met andere analyses, ook die door het SCP in de sociale staat van Nederland worden genoemd. Onderzoekers van het Centraal Planbureau concluderen wel dat er verder onderzoek nodig is om te bepalen of het aangetroffen verschil veroorzaakt wordt door kansenongelijkheid of door andere oorzaken, zoals de conjunctuur. Want in de periode waarin er is gemeten, hebben we natuurlijk de grootste economische crisis in de afgelopen 70 jaar gehad. De val van Lehman Brothers en de financieel-economische crisis van 2009 zitten immers in deze fase. Dus ik denk wel dat we een onderscheid moeten maken.

Dat gezegd hebbende, blijf ik dit een van de belangrijkste punten vinden als het gaat om de kansen op meedoen, op goed onderwijs, op je kunnen ontwikkelen en de opwaartse sociale mobiliteit die we van oudsher na de tweede Wereldoorlog juist zo goed hadden in Nederland.

Mevrouw Tielen (VVD):

Mooi, dan herkennen de Minister en ik elkaar daarin. De Minister en het CPB zeggen ook dat er aanvullend onderzoek nodig is. We moeten beter vast kunnen grijpen welke eventuele belemmeringen er zijn, om die weg te kunnen nemen. Wat is de Minister dan van plan om dit kernthema, als je het hebt over de sociale staat van Nederland, enigszins handen en voeten te geven?

Minister Koolmees:

Volgens mij moet je dan op verschillende terreinen dingen doen. Het begint inderdaad bij jonge kinderen, bij voor- en vroegschoolse educatie. Zoals bekend heeft het kabinet 170 miljoen euro extra uitgetrokken om daarin te investeren. Dan gaat het over het bestrijden van taalachterstanden. Dat is echt een belangrijk punt.

Vervolgens zit je met de discussie over de werkdruk op de basisschool, waar Arie Slob 340 miljoen euro heeft geïnvesteerd in het verlichten van de werkdruk. Er zijn nog een heleboel problemen, dat weten we, zoals grote tekorten bij het aantal leraren. Het kabinet heeft grote stappen gezet: 14% meer salaris door de cao-afspraken in het primair onderwijs en 340 miljoen euro voor het verlichten van die werkdruk. Maar je ziet tegelijkertijd dat er nog steeds tekorten en problemen zijn op deze arbeidsmarkt.

Dan ga je door naar de arbeidsmarkt, waar de heer Smeulders en u aandacht vroegen voor de flexcontracten, met name jongeren die van flex naar flex gaan. Daar hebben we de Wet arbeidsmarkt in balans die net op 1 januari is ingegaan.

Wat ik belangrijk vind, is dat we met dit soort analyses en met de vervolganalyses die het Centraal Planbureau gaat doen, ook kunnen onderscheiden waar precies het punt zit. Waar lopen we nou achter? Een punt is volgens mij de PISA-scores op het gebied van leesvaardigheid, waar mevrouw Tielen aandacht voor heeft gevraagd, en ook internationale vergelijkingen. Dat kan een vervolgstap zijn, maar daar moet ik even met collega's over praten, om dit beleid vorm te geven.

Maar het gaat inderdaad ook over de toegankelijkheid van de kinderopvang en bredere economische zelfstandigheid voor vrouwen. Dat zijn allemaal onderdelen die een rol kunnen spelen in die terugvallen van opwaartse sociale mobiliteit.

Je kan er heel lang over praten, maar dit zijn een aantal elementen die van belang zijn, denk ik. Overigens vind ik het wel interessant, nog in twee zinnen, dat de opwaartse mobiliteit van mensen met een niet-westerse achtergrond ontzettend indrukwekkend is in de afgelopen jaren. Als het gaat om opleidingsniveau en arbeidsmarktparticipatie zie je daar juist een hele grote sprong tussen bijvoorbeeld de eerste en de tweede generatie of de tweede en derde generatie. Los van de opmerkingen die ik net richting de heer Kuzu heb gemaakt zie je daar wel degelijk een hele grote opwaartse sociale mobiliteit.

De voorzitter:

Dan is de vraag van mevrouw Tielen daarmee beantwoord. U kunt doorgaan met uw beantwoording, Minister.

Minister Koolmees:

De heer Gijs van Dijk vroeg wat de ambitie is van het kabinet en van deze Minister met betrekking tot de voedselbanken. Moeten die uiteindelijk worden opgeheven? Daar is ook naar gevraagd door de heren De Jong, Smeulders en Jasper van Dijk. De vraag van de heer Gijs van Dijk was het meest concreet, daarom is die als eerste genoemd.

Voedselbanken en andere maatschappelijke organisaties doen goed werk voor mensen in armoede, maar het feit dat mensen ervan afhankelijk zijn, is niet gewenst. Daar wil ik helder over zijn. Bij het zoeken van hulp bij armoede speelt schaamte een hele grote rol, dat zei de heer Gijs van Dijk ook in zijn inleidende woorden. Mensen willen niet hun hand ophouden. Voedselbanken zijn actief om potentiële klanten op te zoeken die nu nog onder de radar blijven. Dit heeft effect. Dat is een deel van de verklaring van de stijging die je nu ziet: beter bereik. Dat klinkt een beetje cynisch, maar dat heeft effect. De toelatingscriteria van de voedselbanken zijn ook verruimd. Dat heeft als effect dat meer mensen een beroep doen op de voedselbanken. Dat er grote behoefte aan is, blijkt ook uit die cijfers. Het mooiste zou zijn dat zij niet meer nodig zouden zijn, laten we daar helder over zijn. Dat blijft de ambitie van ieder kabinet, zowel het vorige kabinet als dit kabinet. Daarom zetten we in op het voorkomen en bestrijden van structurele oorzaken van armoede en de schuldenproblematiek, denk aan de brede schuldenaanpak, waar mevrouw Van Ark met verschillende leden van het kabinet aan trekt.

De voorzitter:

Daar heeft de heer Peters een vraag over.

Minister Koolmees:

Mag ik daar nog even drie dingen over zeggen? Ambities, kinderarmoede en zorgen dat mensen die in de bijstand zitten, wat vaak een risico op langdurige armoede is, ook aan het werk gaan, denk aan de discussie over passend aanbod. Daarover hebben de heer Peters en de heer Raemakers van D66 een motie ingediend.

De heer Peters (CDA):

Ik heb in tegenstelling tot andere partijen wel een poging gedaan om een lans te breken voor het bestaan van dit soort maatschappelijke initiatieven, niet alleen omdat ze noodzakelijk zijn, want dat is erg, maar ook omdat zij een belangrijke sociale rol in de maatschappij kunnen vervullen. Mijn concrete vraag was dan ook of de Minister kans ziet om dit soort initiatieven te ondersteunen, ook anders dan financieel.

Minister Koolmees:

Hoe bedoelt u dat dan? Op wat voor manier zou dat ondersteund kunnen worden?

De heer Peters (CDA):

Ik kan een lijstje naar u mailen van wensen die bijvoorbeeld de Stichting Leergeld of de voedselbanken hebben. Als u daar ja op zegt, vind ik dat ook prima, maar die lijstjes bestaan. Als u mij een minuut geeft, dan download ik ze wel even.

Minister Koolmees:

Mag ik u vragen om dit onder de aandacht van de Staatssecretaris te brengen? Zij is uiteindelijk verantwoordelijk voor de schulden- en de armoedeaanpak. Ik weet dat u in de andere commissie Sociale Zaken hierover veelvuldig overleg heeft met mevrouw Van Ark. Als u dat zou willen doen, heel graag.

De voorzitter:

Meneer Peters, kunt u daar genoegen mee nemen?

De heer Peters (CDA):

Daar kan ik wel genoegen mee nemen, maar ik benadruk dat ik dit soort initiatieven ontzettend belangrijk vind voor het maatschappelijk cement, en meer dan alleen maar een noodzakelijk kwaad. Dat wil ik nog even benadrukken.

De voorzitter:

Dat staat gemarkeerd. De Minister.

Minister Koolmees:

Ik begrijp wat u zegt. Tegelijkertijd zit er in zo'n vraag een aanname of je wil dat er armoede blijft bestaan. Daarop is het antwoord natuurlijk nee. Uw opmerking gaat meer over het maatschappelijk middenveld en initiatieven om mensen te helpen. Daar kun je ook trots op zijn, laten we daar helder over zijn.

De voorzitter:

Een vraag van de heer Gijs van Dijk en daarna van de heer De Jong.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Ik vind de Minister hier toch iets te makkelijk weglopen. Ik begrijp dat het heel veel onderwerpen zijn. Voedselbanken vinden we allemaal erg en daar willen we wat aan doen. Maar het kabinetsbeleid, ook van de Minister, want het gaat om dit ministerie, schiet gewoon tekort. We hebben inderdaad een schuldenaanpak. Er zijn armoedegelden. Maar gemeenten luiden al twee of drie jaar de noodklok dat zij geld tekortkomen om mensen te helpen die in de shit zitten en die wij zouden moeten helpen – excuus, voorzitter, ik zal op mijn woorden letten: die in de problemen of in de knel zitten, zo is dat. Het zijn echte mensen, met echte problemen. Gemeenten zeggen: we willen ze helpen, maar we schieten gewoon tekort. Dat is ook mijn verwijt aan het kabinet, breed. Er wordt inderdaad van alles gedaan, maar het is gewoon te weinig. Op zo'n manier gaan we die voedselbanken nooit opheffen.

Minister Koolmees:

Het is altijd te weinig, als het gaat over armoede. Dat ben ik in zijn algemeenheid met de heer Gijs van Dijk eens. De heer Peters zei in zijn eerste termijn ook dat de problematiek wel heel ingewikkeld is. Dat zie je ook bij wat mevrouw Van Ark aan het doen is bij de brede schuldenaanpak. Het is ingewikkeld, ook in de uitvoering, om dat voor elkaar te krijgen. Er zijn veel actoren bij betrokken. Ik weet dat zij daar heel hard aan trekt. De Kamer heeft er ontzettend veel moties over ingediend bij het laatste debat over dit punt. Natuurlijk willen we allemaal dat het sneller gaat, maar we lopen in de praktijk aan tegen die uitvoeringsproblemen. Bij de discussie over de beslagvrije voet kent u veel beter dan ik alle achtergronden ervan.

Ik herken ook dat er kritiek is van de gemeenten, vanuit het sociale domein, bijvoorbeeld vanwege de stijging van de uitgaven voor de jeugdzorg en de Wmo, waardoor andere uitgaven in de verdrukking komen. De heer Peters heeft daarover ook een opmerking gemaakt in zijn eerste termijn. Ook daarover zijn we in overleg met de gemeenten.

Ik begrijp wat u zegt, maar u kunt er wel van overtuigd zijn dat we als kabinet hard aan het werk zijn om de problemen op te lossen. Dat gaat niet van vandaag op morgen, helaas, want ik zou heel graag willen dat dat zo was. Als het gaat om dak- en thuislozen is de heer Blokhuis heel hard aan het werk om dat probleem aan te pakken. Wees er zeker van dat we hier hard mee bezig zijn.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Er zijn heel veel goede bedoelingen en er zijn ook heel veel moties die in dit huis worden aangenomen. Het is ook heel complex, dat ben ik met de Minister eens. Maar in the end gaat het heel plat gewoon om geld, om voldoende geld en tijd om mensen die nu problemen hebben te helpen. Daar moeten gemeenten tijd en mensen in investeren of misschien een extra uitkering kunnen leveren. De Minister zegt dat hij in gesprek is met de gemeenten. Betekent dat heel concreet dat er bij de Voorjaarsnota een paar honderd miljoen liggen om mensen te helpen die nu in de problemen komen en die zich niet gekend voelen? Dat hoorden we gisteren op de radio. Er zijn heel veel mensen in Nederland in grote problemen en die horen niks terug vanuit Den Haag.

Minister Koolmees:

Ik kan echt niet vooruitlopen op de discussie over de Voorjaarsnota. Daar hebben we in het kabinet besprekingen over. Zoals u weet zijn die besprekingen ieder jaar weer in het voorjaar. De Voorjaarsnota komt gewoon op 1 juni naar uw Kamer. Maar ik heb er wel net iets over gezegd.

De heer De Jong (PVV):

De Minister duikt een beetje weg. Hij zegt: die vragen moet je maar stellen aan de Staatssecretaris, want ik weet het niet zo goed. Het is de Minister die hier zit. Had de Staatssecretaris dan meegenomen. Had ondertussen Rutte ook maar meegenomen. Dan hadden we hem ook kunnen ondervragen over de sociale staat van Nederland.

Gisteren is het bericht gekomen dat er meer dan 150.000 mensen gebruikmaken van die voedselbanken. Dat is een stijging van bijna 10%; ontzettend veel. Waarom zegt de Minister niet gewoon dat hij er alles aan gaat doen om die voedselbank uiteindelijk onnodig te maken?

Dat doet hij door te erkennen dat het inkomensbeleid niet goed is geweest, dat de mensen inderdaad achterlopen bij de economische groei, dus dat zij in hun portemonnee te weinig merken van die economische groei. En dan gaat hij er concreet iets aan doen. Dan gaat hij iets doen aan de oplopende zorgkosten en aan die onnodige btw-verhoging. Is de Minister bereid om dat te doen? Als hij bereid is om dat te doen, dan doet hij echt iets aan het probleem.

Minister Koolmees:

Ik heb net al in antwoord op vragen van de heren Gijs en Jasper van Dijk gezegd wat de verklaring is van een deel van die stijging. Als het gaat om de koopkracht ben ik het onmiddellijk met de heer De Jong eens. Mevrouw Tielen zei dat ook in haar inleiding. We zien eindelijk plussen in de koopkracht. Gisteren kwam het Centraal Planbureau met cijfers over de koopkracht in 2019, 2020 en 2021, met plussen erin.

Als het gaat om de stapeling van de zorgkosten, kan de heer De Jong tevreden zijn. Het kabinet heeft het eigen risico bevroren. Bij de Wmo hebben we er een abonnementstarief van gemaakt, juist om die stapeling van zorgkosten bij met name ouderen te voorkomen en om daar ondersteuning te bieden.

Dan de lastenverlichting. Het klopt: de btw is verhoogd in 2019. Daar staat een forse lastenverlichting tegenover in de vorm van de arbeidskorting en de daling van de belastingtarieven in de eerste, tweede en derde schijf en uiteindelijk het tweeschijvenstelsel.

Alles bij elkaar resulteert dat in positieve koopkrachtcijfers voor de jaren 2019 en 2020. Wilde u meer? Ja, natuurlijk wil ik meer. Daarom gaf ik in mijn inleiding al aan dat ik blij ben dat de krapte op de arbeidsmarkt zich eindelijk vertaalt in hogere cao-lonen. Dat heeft een tijd geduurd. Ook dat is een doorwerking van de financieel-economische crisis geweest. Ik kan er uren over doorgaan, voorzitter.

De heer De Jong (PVV):

Dit is gewoon ronduit vals en ik zal ook vertellen waarom. De heer Koolmees komt nu met cijfers van dit jaar over de koopkrachtverwachting. Dat is allemaal prima en leuk, maar zij compenseren niet wat men de afgelopen jaren is misgelopen. Op het moment dat mensen zien dat de economie met 10% groeit in de afgelopen jaren en zij er een schamele 4% bij hebben gekregen, ongeveer een procentje per jaar, zegt diezelfde groep dat zij dat helemaal niet voelt in de portemonnee. Dan kan de Minister niet komen met mooie praatjes over de koopkracht, want dan valt hij in dezelfde val. Die koopkrachtcijfers die hij net noemde, compenseren helemaal niet wat zij de afgelopen jaren zijn misgelopen. Of zegt de Minister dat dit wel wordt gecompenseerd? Dat kan hij niet. Als hij dat zou doen, dan liegt hij. Ik neem aan dat hij dat niet wil.

Als het gaat om datgene wat mensen daadwerkelijk raakt, dan gaat het om het eigen risico. Dat moet gewoon weg. Als het gaat om koopkracht, hebben de mensen te maken met de energiekosten en de hogere huren. Als u zegt dat u dat niet allemaal kunt oplossen, oké, maar kom met iets concreets, doe iets aan die huren, aan de zorg of aan die btw-verhoging. Dat is iets wat mensen voelen in hun portemonnee.

De voorzitter:

Uw vraag is helder, meneer De Jong.

De heer De Jong (PVV):

Maar dat wilt u niet. Als u dat niet wilt, bent u een onderdeel van het probleem, want dan lost u het probleem van het onnodig maken van die voedselbanken ook niet op.

Minister Koolmees:

Ik mag natuurlijk niet liegen naar de Kamer, en dat doe ik dus ook niet. Als het gaat om lastenverlichting hebben we bij de augustusbesluitvorming 2,5 miljard euro lasten voor huishoudens verlicht. De verhoging van de arbeidskorting is een lastenverlichting. De verhoging van de algemene heffingskorting is een lastenverlichting. De introductie van het tweeschijvenstelsel in 2020 is een lastenverlichting. Daarmee hebben we ook de koopkracht ondersteund, naast de cao-loonstijging. Dat zien we dus ook terug in de koopkrachtraming, zowel bij Prinsjesdag als bij de eerste raming van het Centraal Planbureau voor dit jaar, die gisteren is uitgekomen. Daar staat: mediaan +2,1%.

Is daarmee al het leed van de afgelopen jaren gecompenseerd? Nee, want het is de grootste economische crisis in zeventig jaar geweest. Tegelijkertijd zit in die koopkrachtcijfers ook niet dat de werkloosheid historisch laag is, dat heel veel mensen een baan hebben gevonden en dat heel veel mensen een inkomensstijging hebben gehad omdat zij een betere baan hebben gevonden of omdat de partner die geen baan had, uit de werkloosheid aan het werk is gegaan. Dat is de realiteit die eronder zit. Dat is netjes terug te vinden in de Prinsjesdagstukken, dus daar verwijs ik maar naar.

De voorzitter:

De heer De Jong wenst gebruik te maken van zijn tweede interruptie. Hij gaat zijn best doen om de vraag kort en bondig te formuleren. De Minister gaat ook zijn best doen om kort en bondig te antwoorden.

De heer De Jong (PVV):

Dit is de kern waar we elke keer tegenaan lopen in deze Kamer: goochelen met cijfers. De cijfers die deze Minister naar voren brengt, compenseren niet wat de mensen de afgelopen jaren zijn misgelopen. Ze compenseren niet de achteruitgang in het netto besteedbaar inkomen, dat nog steeds achterloopt op het niveau van 2008. Dat compenseert het dus helemaal niet. Dan kunt u wel een applaus verwachten als er ergens een plusje in de koopkracht komt, maar dat applaus verdient u helemaal niet, want u komt niet met beleid dat de mensen daadwerkelijk voelen.

Nogmaals, mijn vraag is: wanneer begint deze Minister nu eens eindelijk om al die papieren werkelijkheden naast zich neer te leggen en echt te gaan luisteren naar de burger thuis, die niet uitkomt, aan het eind van de maand, en zorgt hij ervoor dat het netto besteedbaar inkomen per direct stijgt en compenseert hij wat in de afgelopen jaren is afgenomen?

Minister Koolmees:

Ik herhaal mijn antwoord uit de vorige ronde kort.

De heer De Jong (PVV):

Geef eens antwoord.

Minister Koolmees:

Dat heb ik net gedaan. Bij de augustusbesluitvorming en bij Prinsjesdag hebben wij als kabinet een forse lastenverlichting gegeven voor het jaar 2020. Dat hadden we ook gedaan in 2019, maar daar bleek dat de contractloonstijging achterbleef bij de inflatie. Dat was inderdaad een probleem. Maar in 2020 zie je dat het kabinet heeft gekozen voor een forse lastenverlichting. Over de hele kabinetsperiode, onder de streep, dalen de lasten voor burgers met ruim 4 miljard. Dat zijn cijfers van het CPB van gisteren.

De voorzitter:

De heer De Jong stelt zijn vraag, in laatste instantie, via de voorzitter aan de Minister.

De heer De Jong (PVV):

Als de Minister zo zeker is van zijn zaak, laat hij dan maar met cijfers komen waaruit blijkt dat datgene wat in 2020 gebeurt minimaal compenseert wat in de afgelopen vijf jaar is afgenomen, wat men is misgelopen ten opzichte van de economische groei. Kom dan met die cijfers! Zeg dan dat u dat inderdaad heeft opgelost en dat u herstelt wat de mensen zijn misgelopen met betrekking tot de economische groei! Kom dan met die cijfers! Dat kunt u niet. Omdat u dat niet kunt, bent u een onderdeel van het probleem. U lost het niet op, maar u bent er een onderdeel van.

De voorzitter:

Wilt u via de voorzitter spreken, meneer De Jong?

De heer De Jong (PVV):

Nu doet de Minister het weer. Hij is mooi weer aan het spelen voor de publieke tribune, voor de mensen thuis, maar ondertussen levert hij niet, want het compenseert niet. Geef nou ’ns een keertje datgene wat de mensen nodig hebben: minimale compensatie van wat zij de afgelopen jaren zijn misgelopen! Zo niet, dan bent u een onderdeel van het probleem.

De voorzitter:

Meneer De Jong, u bent een ervaren Kamerlid. Het is gebruikelijk dat u via de voorzitter spreekt. De Minister.

Minister Koolmees:

Ik heb hier niet betoogd dat ik gecompenseerd heb wat de afgelopen vijf jaar is gebeurd. Dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat we als kabinet een forse lastenverlichting hebben aangekondigd, zowel in 2019 als in 2020, om de koopkracht te ondersteunen, juist om mensen het economisch herstel ook in de portemonnee te laten voelen. Dat staat in het regeerakkoord en dat is voor het eerst actief geworden in de begroting voor 2019. De tweede stap is de begroting voor 2020 en de derde stap is de begroting voor 2021, onder andere met de introductie van het tweeschijvenstelsel. Gisteren stond ook het bericht in de krant, los van de CPB-berichten, over het CBS en de energierekening. Ik stop nu met hierover door te praten, want het is een soort open zenuw, maar in 2019, 2020 en 2021 hebben we als kabinet dus per saldo gezorgd voor ruim 4 miljard euro lastenverlichting; ik heb het zonet opgelezen. Compenseer ik daarmee volledig de economische crisis van de afgelopen jaren? Nee, natuurlijk niet, maar het is ook breder dan dat. In die economische crisis was de werkloosheid namelijk opgelopen tot 7%. Heel veel mensen stonden aan de zijlijn; dat is bijna 2 miljoen mensen onbenut arbeidspotentieel. Ondertussen is dat teruggelopen naar een werkloosheidspercentage van 3%, stijgen de contractlonen weer en is het onbenut arbeidspotentieel afgenomen tot onder de 1 miljoen. Dat is ook de realiteit. Dat zijn ook cijfers die de heer De Jong kan terugvinden bij het CPB. Dus ja ... Punt.

De voorzitter:

Dank u wel, Minister. Het is mijn ambitie om deze vergadering op tijd af te ronden.

Minister Koolmees:

De mijne ook.

De voorzitter:

Uw stapel is heel dun geworden, zie ik. Hoeveel tijd heeft u nog nodig voor de beantwoording?

Minister Koolmees:

Ik heb geen idee. Nou, tien minuutjes. Ik ga proberen om er snel doorheen te gaan.

De heer Peters stelde nog de specifieke vraag hoe het staat met de voortgang van de schulden- en armoedeaanpak in verband met de vertraging door de uitvoering. In het afgelopen jaar is heel veel werk verzet door de Staatssecretaris om de schuldenproblematiek aan te pakken en het actieplan Brede Schuldenaanpak uit te voeren. Daarbij liggen we op schema. De vertraging waar de heer Peters het over heeft, heeft waarschijnlijk met de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet te maken. Het kabinet en alle betrokken partijen zetten alles op alles om de implementatie te realiseren. Dit voorjaar wordt de Kamer nader geïnformeerd over de implementatie.

Mevrouw Tielen stelde eigenlijk een wat bredere vraag over integratie. Daar heb ik recent nog een debat met uw Kamer over gevoerd. Als u het goed vindt, verwijs ik daarnaar. Ik heb toen een heel vurig betoog gehouden – de heer Kuzu was daarbij – over hoe we daartegen moeten aankijken. Dus als u het goed vindt, doe ik dat op die manier. U twijfelt daarover, zie ik.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ja, want ik had een brede vraag gesteld over integratie, maar ook een paar specifieke punten genoemd. Aan de ene kant ging dat over die beloofde scenario's.

Minister Koolmees:

Ja, die komen.

Mevrouw Tielen (VVD):

O, sorry.

Minister Koolmees:

Ja. Voor de algemene vraag verwijs ik dus naar het andere AO.

Hoe worden mensen uit EU-landen gestimuleerd om in te burgeren? Voor die mensen geldt inderdaad geen inburgeringsplicht, dus zij doen geen taalexamen. Ze kunnen wel vrijwillig inburgeren, maar daartoe niet worden verplicht. Ze kunnen bijvoorbeeld bij DUO een lening aanvragen voor het volgen van inburgeringslessen, die wel moet worden terugbetaald. In veel gemeenten is er nu een fijnmazige infrastructuur opgezet via voorzieningen zoals de taalhuizen en de bibliotheken, waar mensen laagdrempelig terechtkunnen om de taal te leren. Het geld hiervoor komt volgens mij via het Ministerie van OCW. Het gaat om het programma Tel mee met Taal, waar ook wij als SZW aan mee betalen.

De tweede specifieke vraag was: hoe staat het met de scenario's voor de bevolkingsgroei? Voor de kerst heb ik fase één van de uitvoering van de motie-Dijkhoff naar uw Kamer gestuurd. Dat is een samenwerking van verschillende planbureaus. Het NIDI is daarvan de trekker. Na de zomer volgt de rapportage waarin de gevolgen voor de mogelijke economische, sociaal-culturele en technologische ontwikkelingen zijn doorberekend. Daarbij wordt per beleidsterrein nagegaan met welke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden. Die komt dus na de zomer. Ik heb mevrouw Becker in het AO Integratie beloofd dat het kabinet u wel voor de zomer gaat berichten over wat er allemaal loopt, omdat het inderdaad effect heeft op de woningmarkt, op de gezondheidszorg, op het onderwijs, op de arbeidsmarkt en op de integratie. Het is dus een breed onderwerp.

De heer Jasper van Dijk vroeg of er al antwoord is op de vragen uit het debat van 25 september over de dubbele Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit. Ik begrijp uw wens van een spoedige beantwoording van de Kamervragen. Dat zijn vragen van de leden Van Wijngaarden, Koopmans en Wiersma van de VVD en van de heer Van Dijk en mevrouw Karabulut van de SP. Ik zeg u toe dat ik de beantwoording van de Kamervragen, evenals de kabinetsreactie op het manifest mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, dit voorjaar aan de Kamer stuur. Dat is het manifest van de Marokkaanse Nederlanders die aandacht hebben gevraagd voor de dubbele nationaliteit.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Even voor de orde: wanneer houdt het voorjaar op?

Minister Koolmees:

Als de zomer begint. Dat is op 21 juni.

De voorzitter:

Helder antwoord.

Minister Koolmees:

Ik was van plan om het uitgebreider te doen, maar ik ga het korter doen: het punt van de heer Van Otterloo over de uitvoering. Ik heb heel recent, twee weken geleden, een uitgebreide brief naar uw Kamer gestuurd, met analyses erbij, over «Werk aan de ... uitvoering». Ik heb daar ook contact over gehad met de Voorzitter van de Tweede Kamer, want ik weet dat u een parlementair onderzoek gaat starten naar de uitvoering. Als kabinet hebben we een eerste analyse gedaan van Belastingdienst, UWV, SVB en DUO, de grote data-uitvoeringsorganisaties die actief zijn in de inkomens- en socialezekerheidssfeer. Dat is een uitgebreide analyse geworden, met een rapport erbij, waarin je eigenlijk verschillende factoren ziet van de afgelopen tien jaar die een verklaring bieden voor de problemen waar we nu mee te maken hebben, zoals bezuinigingen, IT legacy en ingewikkelde en complexe wet- en regelgeving, die vaak ook ingewikkelder wordt na behandeling in de Kamers; dat is geen jij-bak maar een onderzoeksresultaat. Ik wil daarover graag met uw Kamer in gesprek, omdat ik echt vind dat we hierin stappen moeten zetten met elkaar. Daar heb ik ook aandacht voor gevraagd bij uw Voorzitter. We hebben nu de eerste analyse gemaakt voor de vier data, maar je hebt ook de discussie over de IND, ook deze week nog heel actueel, het CBR en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Dat betekent dat deze problematiek echt breder is. Daarom ben ik ook langsgegaan bij uw Voorzitter, om te kijken of we dat samen kunnen doen, ook met uw parlementair onderzoek. Daar kan ik ook uren over praten, maar dat is niet de bedoeling. Maar weet dat het kabinet dit een ontzettend belangrijk thema vindt en er daarom afgelopen Prinsjesdag ook aandacht aan heeft besteed in de troonrede en in de Miljoenennota. We moeten de komende jaren echt stappen zetten om de uitvoering te verbeteren. U komt net uit het AO Belastingdienst. Daar ziet u ook grote problemen die aangepakt moeten worden.

De heer Peters heeft ook een mooie, brede vraag. Hij vraagt namelijk om een reflectie op de juridisering van de samenleving: computer says no. Dat ligt eigenlijk een beetje in het verlengde van de uitvoering. We hebben de afgelopen tien jaar natuurlijk heel veel uitvoering digitaal gemaakt en, vanuit gelijkheidsdenken, ook een soort onmenselijker gemaakt. Bijvoorbeeld het feit dat er bij de toeslagen – de heren Van Weyenberg en Van Otterloo weten dat – geen loketten zijn maar alleen een telefoonnummer, betekent ook dat mensen, die vaak in een kwetsbare positie zitten en toeslagen nodig hebben, niet bij iemand van vlees en bloed kunnen aankloppen. Dat heeft ook te maken met maatwerk in de uitvoering en met het menselijke gezicht in de uitvoering. Ik ben het zeer met de heer Peters eens dat we echt op de verkeerde weg zijn als dat leidt tot juridificering en tot systemen die niemand meer begrijpt. De heer Van Weyenberg heeft samen met de heer Bruins ook een motie ingediend over het maken van een fundamenteel andere keuze in de toeslagen. Die motie is door uw Kamer aangenomen met 150 tegen nul stemmen. Als kabinet zijn we daar ook mee bezig. Het zijn wel hele ingewikkelde trajecten, kan ik u vertellen, omdat het ontzettend complex is om dit te vervangen en uit te voeren, maar ik ben het wel eens met de algemene oproep van de heer Peters dat dit niet de weg voorwaarts is.

De voorzitter:

De heer Peters heeft hier een hele korte vraag over.

De heer Peters (CDA):

Ik wou alleen maar zeggen dat ik heel blij ben dat de Minister onderschrijft dat doorgeslagen gelijkheidsdenken kan leiden tot juridisering en het ontbreken van maatwerk. Dat was geen vraag, maar wel een interruptie.

De voorzitter:

Ik zie dat de Minister ...

Minister Koolmees:

Ik heb nog even een laatste opmerking daarover. We zijn bezig met een apart traject over maatwerk in de uitvoering. Daar hoop ik uw Kamer binnenkort over te informeren. Ik vind dat echt heel erg belangrijk voor het menselijk gezicht van de overheid. Het is toch het loket waar mensen in contact komen met de overheid. Als ze daar horen «the computer says no», zijn we echt op de verkeerde weg.

Dat was het ongeveer, voorzitter.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van de Minister in eerste termijn. Ik kijk even naar de commissieleden. Is er behoefte aan een tweede termijn? Er is behoefte aan een tweede termijn. Ik stel voor dat we dat in een minuut doen. De heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik heb netjes het antwoord van de Minister beluisterd, maar ik heb eerlijk gezegd weinig concreets gehoord. Dat werd een beetje verklaard met de dooddoener: ja, dit debat gaat overal en dus nergens over. Nu kunnen we allemaal naar huis gaan en that's it, maar de Minister had dat natuurlijk kunnen aangrijpen om te zeggen: dat gaan we niet laten gebeuren; we gaan vandaag stappen zetten. De Kamer heeft heel veel goede suggesties gedaan, maar die zijn helaas weinig opgepakt. Ik noem er eentje, waar u ook niet op bent ingegaan. Dat is het geweldige voorstel van de linkse oppositie, dat gisteravond werd gepresenteerd in Amsterdam, om de verlaging van de winstbelasting, ter waarde van 2,4 miljard euro, van tafel te halen en daar goede dingen mee te gaan doen voor de samenleving.

Voorzitter. Ik heb ook gevraagd wat de Minister en de regering vinden van het nieuwe boek van Thomas Piketty, Kapitaal en ideologie. Het gaat in de tweede termijn niet meer lukken om daar een goed debat over te voeren. Mag ik de Minister dan vragen – dat is mijn enige echte wens – om daar schriftelijk op te reageren, zodat we wel een keer een goed debat kunnen voeren over dat boek en over de groeiende ongelijkheid? Wat is de opvatting van het kabinet over de analyse van Piketty? Deelt het die of deelt het die niet?

Tot slot. Het is leuk dat ik de antwoorden op mijn Kamervragen over de dubbele nationaliteit krijg op 21 juni, maar dat is eigenlijk natuurlijk onacceptabel. Die vragen zijn gesteld in september vorig jaar. Antwoorden moeten binnen vier weken gegeven worden. Het zou netjes zijn als u ze gewoon voor volgende week dinsdag aan de Kamer stuurt.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Dijk. Mevrouw Tielen.

Mevrouw Tielen (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb niet zo veel toe te voegen in tweede termijn. Ondanks dat het een heel breed en ingewikkeld debat is, omdat het over alles gaat, gaat het volgens mij in de kern wel over wat mensen thuis en op hun werk raakt, namelijk je inzetten en daar ook voor gewaardeerd en beloond worden en het gevoel hebben dat je vooruit kan. Ik heb een aantal antwoorden gekregen waar ik voorlopig zeker mee verder kan, maar waar we volgens mij ook nog echt wel een aantal keer over door zullen spreken in verschillende, meer diepgaande debatten. Dus wordt vervolgd, zou ik zeggen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Tielen. De heer Smeulders.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording. Het is niet makkelijk om zo'n debat in minder dan drie uur te doen. Ik zou het ook heel interessant vinden om een kabinetsreactie te krijgen op de voorstellen van de heer Piketty, en met name op het rapport dat gisteren verschenen is over de toenemende ongelijkheid in Nederland. Ik mag hopen dat dat wel gaat gebeuren. Ik zie de Minister nee schudden op Piketty, maar ik mag toch hopen dat er wel een reactie komt op het rapport dat gisteren gekomen is. Dan kunnen we daar een debat over voeren. Ik ben in ieder geval blij dat er een reactie binnen is ...

Minister Koolmees:

Welk rapport is dat?

De heer Smeulders (GroenLinks):

Het CPB-rapport over de ongelijkheid. Dat zou toch interessant zijn? Dan kunnen we daar een debat over voeren. Ik ben blij dat er inmiddels wel een reactie binnen is op het rapport van het SER Jongerenplatform. Het lijkt me goed om daar als commissie binnenkort een apart AO over te organiseren, maar dat moeten we in een procedurevergadering regelen.

De voorzitter:

Exact. U stelt de vraag en u geeft het antwoord. Dank u wel. De heer Peters.

De heer Peters (CDA):

Dank u wel, voorzitter. En dank u wel, excellentie, voor de beantwoording van de vragen, tenminste de meeste. De antwoorden op de vragen over dakloosheid en de voortgang met betrekking tot die moties is hij even vergeten. Maar dat is niet zo'n probleem; dat kan ook wel schriftelijk. Als het maar gebeurt, en snel.

Ik schrik toch wel een beetje van de antwoorden als het gaat om het overbodig willen maken van de maatschappelijke organisaties. Dat het doel moet zijn om armoede te bestrijden, daarover zijn we het natuurlijk snel eens, maar die maatschappelijke organisaties zijn er voor veel meer dan alleen maar koopkracht. Ze zijn ontzettend belangrijk. Ik vind dat we daar niet voldoende aandacht voor hebben, in ieder geval aan deze zijde van de Kamer.

Ten slotte ben ik blij met het verhaal van de Minister over het doorgeslagen gelijkheidsdenken. Dat zorgt inderdaad voor juridisering en dingen als «computer says no». Dat willen we niet, dat maakt maatwerk onmogelijk en daar moeten we iets aan doen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Peters. Het woord is aan de heer De Jong.

De heer De Jong (PVV):

Voorzitter. Het is weer teleurstellend. De Minister komt eigenlijk met niks. Er is geen vooruitgang voor gewone hardwerkende Nederlanders. In het interruptiedebatje met betrekking tot de koopkracht haalde hij zelfs nog de energierekening erbij. Nou, ik kan u vertellen dat die in 2019 met meer dan € 300 is gestegen. Als het CBS zo meteen gelijk krijgt en die rekening komend jaar met € 170 daalt, dan is dat nog steeds een sigaar uit eigen doos. Dan is er per saldo nog steeds sprake van een stijging van de energielasten, die mensen elke keer weer voelen. Ik kan er dus niets anders van maken dan wat in het rapport De sociale staat van Nederland staat, namelijk dat heel veel mensen er gewoon geen vertrouwen in hebben. Heel veel mensen zeggen: Kamerleden en Ministers geven eigenlijk heel weinig om ons. Dit debat is daar weer een prachtig voorbeeld van. Dat is teleurstellend, maar ook te verwachten. Laten we hopen dat het de volgende keer wat beter gaat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer De Jong. Het woord is aan de heer Gijs van Dijk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank, voorzitter. Dank voor de antwoorden van de Minister. Die tweedeling is inderdaad complex. Dat erkent de Minister. Er zijn allerlei initiatieven, ook vanuit het kabinet. Maar als het gaat om het bestrijden van een van de grootste maatschappelijke problemen van Nederland, namelijk het feit dat mensen in armoede leven in zo'n welvarend land – het gaat om ongeveer een miljoen mensen, waaronder honderdduizenden kinderen – moet er een stevige ambitie komen vanuit het kabinet. Vanuit de Kamer is die in ieder geval gewild. Het gaat om vragen als «hoeveel kinderen gaan we uit de armoede helpen?» en «wanneer gaan we de voedselbanken sluiten?» Dit kabinet heeft nog een jaar de tijd. Het zou toch mooi zijn als het een begin kan maken met concrete doelstellingen, zodat wij over een aantal jaar in dit prachtige, welvarende land geen mensen meer achterlaten.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Gijs van Dijk. Het woord is aan de heer Van Otterloo.

De heer Van Otterloo (50PLUS):

Dank u wel, voorzitter. Dank voor de uitvoerige uiteenzetting en zorgvuldige beantwoording van de Minister, voor zover dat binnen zijn mogelijkheden en zijn portefeuille lag. Vele onderwerpen zijn de revue gepasseerd, maar ondanks onze grote gemiddelde welvaart moet je constateren dat er een hardnekkige tweedeling in de maatschappij blijft tussen mensen die meekomen en mensen die niet meekomen, de zwakkeren in de samenleving, jong en oud, met en zonder werk. Aan die tweedeling heeft het kabinet tot nu toe fundamenteel weinig kunnen veranderen. De vraag is of die nieuwe voorstellen dat wel doen. De maatschappelijke protesten en onvrede in de samenleving illustreren dat helaas. De vele positieve cijfers en wapenfeiten die het kabinet noemt – al kun je over de koopkracht fors van mening verschillen – overbruggen die kloof toch nog onvoldoende. Daarvoor is meer nodig. Daarom blijven we het kabinet oproepen om daar meer aan te doen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Otterloo. Als laatste in de rij de heer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank u wel, voorzitter. We zullen hier in allerlei andere debatten vaak nog preciezer op inzoomen. Kinderarmoede is er daar inderdaad zeker een van. Daarin heeft de heer Gijs van Dijk helemaal gelijk. We moeten vooral voorkomen dat die kloof toeneemt en dat de plek waar je wieg stond of het inkomen of opleidingsniveau van je ouders een grotere rol gaat spelen in de kansen die je krijgt om je talenten te ontwikkelen, terwijl dat juist een kleinere rol moet gaan spelen en je alle kansen moet krijgen. Daarbij gaat het over onderwijs, de tweedeling op de arbeidsmarkt en discriminatie. Er is nog een lange weg te gaan.

Maar voor we ook weer al te somber eindigen: wie mij, toen we uit de crisis kwamen met het werkloosheidspercentage van destijds, had voorspeld dat we hier vandaag zouden zitten met een historisch lage werkloosheid en dat heel veel mensen een baan hebben gevonden, had ik voor gek verklaard. Dat is overigens niet zozeer een compliment aan de politiek, hoewel ook het vorige kabinet nog steeds een pluim verdient voor de manier waarop het in de crisis heeft gehandeld. Het zegt vooral iets over de veerkracht in onze samenleving. Als je naar heel veel indicatoren kijkt, zie je dat heel veel Nederlanders wel gelukkig zijn. Het feit dat juist de groep die helemaal aan de onderkant bungelt, groeit en die afstand voelt – de heer De Jong noemde dat terecht – is een grote reden van zorg. Daar moeten we wat aan doen. Maar laten we ook niet vervallen in doorgeslagen somberheid.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Weyenberg. De heer Jasper van Dijk heeft nog een nabrander.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Excuus, voorzitter. Ik was vergeten een VAO aan te vragen om een motie in te kunnen dienen. Dat is een hele geruststelling, nietwaar?

De voorzitter:

Hierbij. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. Kunt u direct antwoorden, Minister, of heeft u een schorsing nodig? U kunt direct antwoorden. Het woord is aan de Minister.

Minister Koolmees:

Voorzitter, ik dacht dat u zelf ook nog het woord wilde voeren, maar dat is niet het geval.

Oké, ik zal proberen om de vragen snel te beantwoorden. Ik houd daarbij de volgorde van de Kamerleden aan. De heer Jasper van Dijk vroeg om een reactie op de plannen van de linkse oppositie van gisteren. Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet gekeken heb. Ik heb wel een verslag gelezen in de krant van vanmorgen. Ik las op twitter dat er af en toe ook «boe» werd geroepen, maar ik weet niet precies wat de context daarvan was.

O, dat was de heer De Jong.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat was vanwege de slechte vragen van journalisten.

Minister Koolmees:

U geeft journalisten de schuld?

Dat gezegd hebbende, ik hoor vaker kritiek op het kabinetsbeleid als het gaat over het beleid ten aanzien van het bedrijfsleven en de lastenverlichting. Om dat even in perspectief te plaatsen: ik heb net gezegd dat de lasten voor de burgers gedurende deze kabinetsperiode met 4 miljard euro dalen terwijl de lasten voor het bedrijfsleven juist stijgen. Dus ja, dat vind ik altijd wel een ingewikkeld verwijt, zeg ik u eerlijk. Daar zijn goede redenen voor, waar we ook bij de formatie en in het regeerakkoord voor hebben gekozen, juist ook om die lastenverlichting voor burgers te kunnen realiseren. Als ik dan steeds hoor dat dat leidt tot kritiek vanuit de linkse oppositie, dan vraag ik me af of zij daarbij ook het totaalplaatje in ogenschouw neemt. Maar dat volledig terzijde.

Als u het goedvindt, ga ik geen recensie over het boek van de heer Piketty schrijven. Dan kan ik recensies gaan schrijven over alle boeken die zijn verschenen. Als u een debat met mij wilt over ongelijkheid, dan moet u dat aanvragen. Daar ben ik graag toe bereid. Dan zal ik daar ook een reactie op geven bij het VAO. U heeft immers al een VAO aangekondigd. Dan hoor ik dat graag. Ik wil wel zeggen dat twee jaar geleden, en ook vijf jaar geleden toen het eerste boek van de heer Piketty verscheen en de heer Klaver daar heel veel aandacht voor heeft gevraagd, er verschillende kabinetsbrieven zijn geschreven over de ontwikkeling van de inkomens- en vermogensongelijkheid in de afgelopen 20, 30 jaar. Uit mijn hoofd was de conclusie dat de inkomensongelijkheid in die 20, 30 jaar nauwelijks was toegenomen. Over de vermogensongelijkheid kun je nog een discussie voeren, omdat een deel van het vermogen in Nederland in de pensioenfondsen zit, waar in andere landen het vermogen vaak privé is, omdat mensen sparen voor hun pensioen en de pensioenen via een pay-as-you-go, een omslagstelsel, door de staat worden betaald. Daar vallen allerlei nuancerende opmerkingen over te maken. Meten we dat nou goed? Is de ginicoëfficiënt de betere of is het deciel 9 gedeeld door deciel 1? Maar daar zijn in de afgelopen jaren heel veel brieven over gestuurd. Mijn indruk is dat die analyse in de kern niet veranderd is. In de CPB-cijfers van gisteren zie je bijvoorbeeld ook dat de arbeidsinkomensquote de komende jaren weer fors stijgt als gevolg van hogere contractloonontwikkelingen en krapte op de arbeidsmarkt.

Maar als uw Kamer dat wil, dan kom ik natuurlijk altijd. Want ik ben dol op de debatten met uw Kamer. Maar ik ga geen boekrecensies schrijven, als u dat goedvindt.

Ik ga kijken hoe het staat met de beantwoording van de Kamervragen over de dubbele nationaliteit. Dat vergt dus interdepartementale afstemming. Ik heb net al een rijtje opgesomd van mensen die erbij betrokken zijn. Het is een ingewikkelde materie. Maar ik zal uw Kamer laten weten wanneer de reactie er kan zijn. Dat is het enige wat ik nu kan toezeggen, want ik kan het niet helemaal overzien, zeg ik eerlijk.

Mevrouw Tielen zei dat we over heel veel onderwerpen nog diepgravende debatten kunnen voeren. Ja graag! Dat is voor mij ook aantrekkelijker en bevredigender dan over alles in hoofdlijnen praten.

De heer Smeulders vroeg ook om een boekrecensie. Dat ga ik dus niet doen. Maar als de heren Smeulders en Jasper van Dijk een motie indienen of een debat aanvragen om over ongelijkheid te debatteren, dan ...

De voorzitter:

Dat kunnen ze heel goed doen via de commissievergadering, Minister.

Minister Koolmees:

Ja.

De heer Peters had in eerste termijn een vraag over dakloosheid gesteld. Excuus dat ik die niet beantwoord heb. Ik zal de heer Blokhuis vragen om daarop terug te komen. Ik heb niet gesuggereerd dat ik maatschappelijke organisaties overbodig wil maken. Juist niet. Ik heb gezegd dat armoede een probleem is dat we willen aanpakken. Ik heb zelf in mijn dagelijkse werk heel veel te maken met maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld met de vakbonden, de werkgeversorganisaties en een heleboel nieuwe modern werkenden organisaties. Dat zijn ontzettend belangrijke organisaties voor ons land.

Over de juridisering en de computers zijn we het onmiddellijk eens. Ik wil daar wel een kanttekening bij maken. Er is behoefte aan de menselijke maat. Dat is iets anders dan maatwerk. Gelijkheid en rechtvaardigheid zijn ook belangrijke uitgangspunten van overheidshandelen. Dus als mensen ongelijk behandeld worden, is dat ook iets wat we met elkaar niet moeten willen. Maar de menselijke maat is wel een belangrijk punt. Dat is een kleine nuancering naar aanleiding van de opmerking van de heer Peters. Maar wij het daar met elkaar over eens, hoor.

De heer De Jong is het niet met mij eens. Dat is overigens al eerder gebeurd. Ik hoor hem buiten de microfoon zeggen «iemand moet de oppositie zijn». Dat is waar.

De heer Gijs van Dijk stelde nog een vraag over kinderarmoede en over de voedselbanken. Hij vroeg om een reductiedoelstelling. Dat is ook al een aantal keren aan de orde geweest in de Eerste Kamer. De heer Kox van de SP heeft daar in de Eerste Kamer ook een aantal moties over ingediend. Er is op 21 januari jongstleden een mondeling overleg over geweest. De Staatssecretaris heeft vier ambities geformuleerd voor het reduceren van kinderarmoede. Die zijn daarin besproken. Maar ook de Eerste Kamer heeft gevraagd om daar een kwantitatief streefcijfer bij te noemen. Dat is heel ingewikkeld, omdat je verschillende definities hebt. Ik noem het SCP, het Nibud en het CBS. Maar de Staatssecretaris is op dit moment aan het bezien wat de mogelijkheden zijn. Zij zal de Eerste Kamer hierover binnenkort informeren. Ik zal haar vragen om een afschrift van die brief naar uw Kamer te sturen, zodat u daar ook van op de hoogte bent.

De heer Van Otterloo is ervan overtuigd dat er meer nodig is. Ik ook. We zijn als kabinet hard bezig om ook meer mogelijk te maken en te leveren.

Ik ben het zeer eens met de laatste opmerking van de heer Van Weyenberg. Ik begon mijn eigen inleiding met de opmerking dat de sociale staat van Nederland eigenlijk begint met een heleboel goed nieuws. Het gemiddelde cijfer is een 7,8. Er zijn een heleboel positieve ontwikkelingen. We staan in de top 5 van het World Happiness Report. Dat betekent niet dat er geen problemen zijn. Die problemen zijn er. En die kloven en de tweedelingen zijn er ook. We moeten beleid voeren om die aan te pakken. Maar als je zo naar dit debat luistert, vraag ik me af of dat een representatief beeld is van Nederland. Ik doe daarmee niets af aan de problemen die er zijn – daarvoor zullen we ook stappen moeten zetten – maar dit wilde ik toch nog even gezegd hebben als laatste woorden in dit debat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik heb nog een aantal procedurele opmerkingen. Er staat een VAO genoteerd met als eerste spreker de heer Jasper van Dijk van de SP. De commissiegriffier zal dat doorgeven aan de Griffie.

We hebben een aantal toezeggingen genoteerd.

  • De Kamer ontvangt voor de zomer, te weten voor 21 juni, informatie over de uitvoering van de moties van GroenLinks en D66 over verlofregelingen en het manifest over rouwverlof van GroenLinks en de SGP. Dat is een toezegging aan de heer Smeulders.

  • De Kamer ontvangt voor de zomer een nadere uitwerking van het beleid ten aanzien van ouderenwerkloosheid. Dat is een toezegging aan de heer Van Otterloo.

  • De Kamer ontvangt voor de zomer een brief over een leven lang ontwikkelen 2.0. Dat is een toezegging aan mevrouw Tielen.

Minister Koolmees:

Dat is eigenlijk al een oude toezegging.

De voorzitter:

Oké. Dan staat die in ieder geval nog een keer genoteerd. We konden zo snel niet nagaan of die al in de planningsbrief was opgenomen.

  • De Kamer ontvangt een reactie op het manifest van Marokkaanse Nederlanders over dubbele nationaliteiten en de beantwoording van gestelde Kamervragen over dit onderwerp.

  • Daarbij was het voor ons niet duidelijk of u aangaf dat dit voor de zomer komt of dat u nog informatie geeft over wanneer die reactie zal volgen.

Minister Koolmees:

In mijn antwoord stond: dit voorjaar. Toen werd gevraagd: tot wanneer loopt het voorjaar. Daarop zei ik: tot de zomer.

De voorzitter:

Tot de zomer. Dus voor 21 juni?

Minister Koolmees:

Dus voor 21 juni. Maar het zou ook eerder kunnen. Maar dat weet ik op dit moment niet. We moeten even navraag doen. Dat heb ik in tweede termijn in reactie op een vraag van de heer Jasper van Dijk gezegd. Ik zal de Kamer laten weten wanneer die antwoorden komen. Als dat snel kan, dan stuur ik gewoon de antwoorden. Maar dat weet ik op dit moment niet. Dat ligt ook aan de interdepartementale afstemming.

De voorzitter:

Uiterlijk 21 juni, maar hoe eerder, hoe beter.

Ik lees de laatste toezegging voor.

  • De Kamer ontvangt een afschrift van de reactie van het kabinet op een aantal moties over kinderarmoede die zijn ingediend in de Eerste Kamer. Die toezegging volgt op vragen van de heer Gijs van Dijk.

Daarmee zijn wij gekomen aan het einde van dit algemeen overleg. Ik dank de Minister en de ondersteuning voor de antwoorden. Ik dank de Kamerleden uiteraard voor hun bijdrage. Ik dank de kijkers op de publieke tribune voor hun komst en ik wens de kijkers via internet nog een hele fijne namiddag.

Sluiting 17.03 uur.

Naar boven