Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 december 2011
Op verzoek van uw Kamer reageer ik op het onderzoek van het NICIS Institute en Ecorys «Stapelingseffecten van de bezuinigingen
in het sociale domein», dat is uitgevoerd in opdracht van de G32.
Onderzoek Nicis Institute en Ecorys
Het onderzoek is een verkennende analyse van de gevolgen van de aangekondigde regeerakkoordmaatregelen zoals de invoering
van de Wet Werken naar Vermogen, Passend Onderwijs en de decentralisatie van Jeugdzorg en AWBZ-begeleiding. De G32-gemeenten
laten hiermee zien dat ze, net als veel andere gemeenten, voortvarend begonnen zijn met het implementeren van de hervormingen.
Een dergelijk onderzoek kan voor gemeenten behulpzaam zijn om beter zicht te krijgen op hun bestaande en nieuwe doelgroepen.
Het onderzoek geeft een overzicht van maatregelen uit het regeerakkoord. In antwoord op de Kamervragen van het lid Spekman
van 30 november jongstleden (Aanhangsel Handelingen II 2011/12, nr. 768) heeft de staatssecretaris van SZW u aangegeven dat in het onderzoek een aantal maatregelen niet (volledig) wordt meegenomen.
Ik merk op dat bij de rekenvoorbeelden in het onderzoeksrapport geplande hervormingen, waaronder ontziemaatregelen, niet in
alle gevallen juist zijn meegenomen. Zo wordt nog uitgegaan van onjuiste invoeringsdata van verschillende regelingen, zoals
bijvoorbeeld de Wet investeren in jongeren (WIJ).
Ook worden niet alle ontziemaatregelen meegenomen, zoals die in de WWB. Om het activerende karakter en de vangnetfunctie van
de WWB verder te versterken, wordt met ingang van 1 januari 2012 de bijstand voor inwonenden afgeschaft en wordt de toets
op het partnerinkomen vervangen door een toets op het huishouden. Het daartoe strekkende wetsvoorstel Wijziging WWB en samenvoeging
met de WIJ ligt op dit moment ter behandeling bij de Eerste Kamer. Het rapport wijst er terecht op dat huishoudens daardoor
te maken kunnen krijgen met een inkomensachteruitgang van enkele tientallen procenten. Het is echter niet zo dat eenoudergezinnen
er in algemene zin meer op achteruitgaan dan ander type huishoudens. Ik verwacht niet dat de koopkrachtdalingen leiden tot
ongewenst gedrag, zoals het rapport gesuggereerd. De maatregel is bedoeld om te voorkomen dat mensen afhankelijk worden gemaakt
van een uitkering. Een samenloop van bijstandsuitkeringen die leidt tot een huishoudinkomen ver boven het minimum, stimuleert
niet om te werken. De inzet is daarom om de samenloop van uitkeringen in een gezin te voorkomen. Om kwetsbare groepen te ontzien
zijn er uitzonderingen op de gezinsbijstand bijvoorbeeld voor inwonende meerderjarige kinderen die onderwijs of een opleiding
volgen. Het rapport houdt geen rekening met deze uitzonderingen.
Ook wordt in het rapport gesteld dat huishoudens met extramurale zorg de dupe worden van het wegvallen van persoonsgebonden
budgetten (PGB’s). PGB’s komen voor nieuwe gebruikers van extramurale zorg te vervallen. Voor bestaande gebruikers geldt een overgangssituatie tot 2014. Dit betekent
niet dat het recht op zorg vervalt. De zorg zal in natura worden geleverd door zorgkantoren; onder bepaalde voorwaarden kan
men in aanmerking komen voor de vergoedingsregeling.
Tot slot stellen de onderzoekers dat de decentralisatie van beleid de belofte in zich houdt dat het beleid doelmatiger en
effectiever uitgevoerd kan worden, mits gemeenten beleid mogen integreren, schotten mogen doorbreken en beleidsvrijheid krijgen.
Een doelmatige uitvoering dicht bij de burger is primair een verantwoordelijkheid van gemeenten. Uitvoeringsbepalingen van
het Rijk die daarbij knellend uitwerken, moeten geïdentificeerd worden.
Visie van het kabinet
De inzet van dit kabinet is te komen tot een nieuwe balans in verantwoordelijkheden tussen burgers en overheid, tussen burgers
onderling en tussen overheden onderling. Met de grote decentralisaties (Werken naar Vermogen, AWBZ begeleiding en Jeugdzorg)
worden veel taken en verantwoordelijkheden overgeheveld naar gemeenten. Gemeenten staan het dichtst bij de burger en kunnen
maatwerk bieden, uitgaande van de mogelijkheden van mensen. Gemeenten kunnen hun participatiebeleid meer vraaggericht inrichten.
Het vertrekpunt is daarmee niet meer het aanbod van voorzieningen, maar wat daadwerkelijk nodig is om te participeren.
Gemeenten hebben aangegeven behoefte te hebben aan ondersteuning en coördinatie voor de integrale aanpak. Ook de Tweede Kamer
heeft op deze samenwerking en afstemming aangedrongen (motie lid Uitslag c.s.; 2011–2012, 33 000 XVI, nr. 46). Het kabinet wil graag faciliterend optreden en gemeenten in hun verantwoordelijkheid ondersteunen via de individuele implementatietrajecten
van de decentralisaties. Voor de taken die de komende jaren naar gemeenten gaan, worden door de departementen – veelal in
samenwerking met de VNG en andere stakeholders – zogeheten transitie- of implementatiebureaus ingericht. Die voorzien in het
verstrekken van goede voorbeelden, fact sheets, websites en handreikingen en leveren informatie aan relevante partijen om de communicatie richting cliënten vorm te geven.
Verder is in afstemming met onder meer de G4 en G32 een aantal gemeenten (koplopergemeenten) geselecteerd die meerjarig worden
gevolgd om als voorbeeld te dienen voor andere gemeenten. Deze koplopergemeenten worden ook benut om eventuele knelpunten
tijdig te signaleren. Daarnaast wordt op verschillende wijzen en momenten gemonitord. Ik zie daarbij steeds toe op de samenhang
tussen de verschillende maatregelen.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H. G. J. Kamp