nr. 4
VERSLAG
Vastgesteld 20 december 1995
De vaste commissie voor Economische Zaken,1 belast met het
voorbereidend onderzoek van het onderhavige wetsvoorstel, heeft de eer als
volgt verslag uit te brengen.
De leden van de PvdA-fractie stemmen in beginsel in met het voorliggend
wetsvoorstel. Toch willen zij de regering nog enkele vragen stellen.
Is de regering bereid een beschouwing te wijden aan de relatie en een
mogelijke spanning tussen het mededingingsbeleid en de bescherming van merken?
Met betrekking tot de ervaringen van de Nederlandse Wet Bestrijding Namaakprodukten
vragen de aan het woord zijnde leden het volgende. Zij stellen het op prijs
indien de regering inzicht geeft in de opgedane ervaringen met en de effecten
van de Wet bestrijding Namaakprodukten. Zij wensen onder andere informatie
over de werking van artikel 2 en over de effecten van de activiteiten van
de Stichting Namaakbestrijding Nederland.
Met betrekking tot het Protocol constateren de leden van de PvdA-fractie
dat het deponeren of registreren van een merk geweigerd kan worden op basis
van goede zeden en openbare orde. Kan de regering toelichten hoe deze toets
in de praktijk operationeel gemaakt kan worden?
De leden van de PvdA-fractie willen graag geïnformeerd worden over
de voorkeur van de regering als het gaat om de definitie van het begrip merk.
Het is deze leden bekend dat er onduidelijkheid bestaat over de vraag
of geluid beschouwd moet worden als een (ken)merk waarmee de waren of diensten
van een onderneming te onderscheiden zijn. Wat is de mening van de regering
in deze?
De leden van de PvdA-fractie willen graag nadere informatie ontvangen
over de stand van zaken inzake het instellen van het Europees Merkenbureau.
Is het juist dat de nieuwe Europese merkenwet per 1 april 1996 in werking
treedt? Wat is de meerwaarde van een apart Beneluxmerkenbureau? Is het denkbaar
dat er verschillen in jurisprudentie gaan ontstaan inzake de uitvoering van
het Europees en Beneluxmerkenbureau? Zo ja, tot welke knelpunten zal dat leiden
en welke oplossingen zijn voorhanden? 1De
leden van de PvdA-fractie vinden een effectieve samenwerking tussen de nationale
opsporingsinstanties en een intensieve controle aan de buitengrenzen van de
EU essentieel. Zijn er op dit punt knelpunten?
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van
het onderhavige wetsvoorstel. Door het Protocol houdende wijziging van de
eenvormige Beneluxwet op de merken van 2 december 1992 is reeds op merkenrechtelijk
gebied aan deze wens voldaan. Het lijkt deze leden een goede zaak dat de wetgeving
betreffende bestrijding van namaak van door rechten op een tekening of model
beschermde produkten nu ook wordt opgenomen in de eenvormige Beneluxwet inzake
tekeningen of modellen. Het is van het grootste belang dat dergelijke wetgeving
bestaat. Een effectieve bestrijding van namaak komt ten goede aan de economische
positie van de bedrijven die dergelijke produkten produceren en verhandelen.
Het zal leiden tot een grotere investeringsgeneigdheid van bedrijven werkzaam
op dit terrein. Zo stond het al te lezen in de Memorie van Toelichting die
het wetsvoorstel van de Wet bestrijding namaakprodukten begeleidde. De leden
van de VVD-fractie konden en kunnen zich nog steeds vinden in deze woorden.
Zij zijn overtuigd van het belang van goede wetgeving op dit gebied. Zij zijn
verheugd over het feit dat de betreffende materie in Benelux-verband geregeld
wordt.
De regering zegde in het debat over de Wet bestrijding namaakprodukten
een evaluatie toe, waarbij in het bijzonder aandacht zou worden geschonken
aan artikel 2, zodra artikel 1 in de Beneluxwet is gerealiseerd (Handelingen
II 1991–1992, pagina 967). De Raad van State signaleerde dit ook in
haar advies. Is de totstandkoming van de nieuwe Verordening EG nr. 3295/94
de reden van het ontbreken van de toegezegde evaluatie? Kan de regering nadere
duidelijkheid verschaffen op dit punt? De uitvoeringstaken in het kader van
deze Verordening worden toegewezen aan de douane. Onder de oude Verordening
(EEG nr. 3842/86) was de Economische Controle Dienst als bevoegde instantie
aangewezen. Is de douane voor deze nieuwe taak toegerust? Graag ontvangen
de leden van de VVD-fractie een nadere onderbouwing over reikwijdte en gevolgen
van deze Verordening.
Het lijkt de leden van de VVD-fractie een goede zaak dat het Protocol
de invoering van een termijn van respijt van twaalf maanden behelst. Vooral
bepaalde industrietakken, modegevoelige, zullen van deze bepaling profiteren.
Zij zijn op deze wijze in staat tekeningen en modellen uit te testen voordat
tot deponering wordt overgegaan, zonder dat dit leidt tot een aantasting van
de nieuwheid. Dat zal, zo denken de leden van de VVD-fractie, tot een kostenbesparing
kunnen leiden. Het zal bovendien niet leiden tot extra administratieve handelingen.
De keuze voor een termijn van respijt in plaats van een tentoonstellingsprioriteit
lijkt hen een verstandige keuze.
De leden van de D66-fractie hebben met instemming kennis genomen van het
wetsvoorstel tot goedkeuring van het Protocol tot wijziging van de Benelux-Merkenwet.
Het komt de leden van de D66-fractie dan ook voor dat intrekking van de Wet
bestrijding namaakprodukten een logische stap is. Deze leden zijn verheugd
dat ook dit leerstuk van de merkenbescherming wordt neergelegd in de eenvormige
Beneluxwet inzake tekeningen en modellen.
Ten aanzien van artikel 14bis vragen de leden van de D66-fractie hoe de
bevoegdheid van de rechthebbende tot het opvorderen of laten vernietigen van
roerende zaken, waarmee inbreuk op het uitsluitend recht wordt gemaakt,
zich verhoudt tot het feit dat het nationale recht van toepassing is bij de
tenuitvoerlegging van die bevoegdheid. Zal deze omstandigheid ertoe leiden
dat aan deze bevoegdheid van de rechthebbende van land tot land een andere
invulling zou kunnen worden gegeven?
De ondervoorzitter van de commissie,
Van Erp
De griffier van de commissie,
De Vries
XNoot
1Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), ondervoorzitter, Mateman (CDA), Blaauw
(VVD), Van der Vlies (SGP), H. Vos (PvdA), voorzitter, Van Gelder (PvdA),
Smits (CDA), Ter Veer (D66), De Jong (CDA), Leers (CDA), Van der Hoeven (CDA),
Remkes (VVD), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten
(D66), De Koning (D66), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Vreeman (PvdA),
Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), Van Zuijlen (PvdA),
Van Walsem (D66), Houda (PvdA).
Plv. leden: Passtoors (VVD), Ten Hoopen (CDA), Van Rey (VVD),
Van Middelkoop (GPV), Woltjer (PvdA), Sterk (PvdA), Van Rooy (CDA), Ybema
(D66), Wolters (CDA), Lansink (CDA), Terpstra (CDA), Weisglas (VVD), Nijpels-Hezemans
(Groep Nijpels), M. Vos (GroenLinks), Bakker (D66), Van Ardenne-van der Hoeven
(CDA), Verbugt (VVD), Klein Molekamp (VVD), Witteveen-Hevinga (PvdA), Poppe
(SP), Leerkes (U55+), Verspaget (PvdA), Adelmund (PvdA), Jeekel (D66), Crone
(PvdA).