nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Algemeen
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard
bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State)
Sinds 1981 wordt de STOAS, oorspronkelijk de afkorting voor
de «Stichting tot Ontwikkeling van agrarische onderwijskunde en scholing»,
bekostigd op basis van de Experimentenwet onderwijs. Het doel van de STOAS
is het bevorderen van de kennisoverdracht voor de agrarische sector in het
algemeen en in het agrarisch onderwijs en de agrarische voorlichting in het
bijzonder. De bekostiging op basis van de Experimentenwet onderwijs biedt
de mogelijkheid om buiten de kaders van de afzonderlijke onderwijswetten gedurende
een in de Experimentenwet onderwijs bepaalde periode naar een definitieve
vorm en inhoud te zoeken voor de agrarische lerarenopleidingen.
In 1986 resulteerde dit in een herstructurering van de agrarische leraren-opleidingen,
waarin geheel geïntegreerde voltijdse opleidingen met een duur van vier
respectievelijk vijf jaar werden doorgevoerd. De eerste afgestudeerden van
deze vernieuwde opleiding kwamen vier jaar later, in 1990, beschikbaar. Een
evaluatie van de vernieuwde opleiding, zoals voorzien in de Experimentenwet,
die mede aan de hand van het functioneren van deze leraren in de praktijk
gestalte moest krijgen, kon op dat moment derhalve nog niet worden uitgevoerd,
aangezien de eerste afgestudeerden pas vanaf dat moment in het onderwijs werkzaam
waren. Bij beschikking van 30 juli 1990 is mede om deze reden besloten de
STOAS nog vijf jaar op experimentele basis te bekostigen.
Dit wetsvoorstel heeft tot doel de agrarische lerarenopleiding uitgaande
van de Stichting «STOAS», onder de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek (WHW) te doen vallen, aangezien per 1 augustus
1995 de termijn, waarvoor bekostiging onder de Experimentenwet onderwijs mogelijk
is voor de STOAS, ten einde is. Conform de bekostigingsbeschikking heeft bij
de afsluiting van de experimentele periode een evaluatie door de onderwijs-inspectie
plaatsgevonden. De bevindingen van de evaluatiecommissie waren in hun totaliteit
bezien positief.
Het evaluatierapport besteedt ruim aandacht aan het functioneren van de
agrarische lerarenopleidingen. De beschouwingen van de evaluatiecommissie
spelen momenteel een belangrijke rol bij de verdere vormgeving van de opleidingen.
Bovendien blijkt de STOAS in een duidelijke behoefte van het agrarisch
onderwijs te voorzien. Mede op grond van het evaluatierapport is het voornemen
vanaf 1 augustus 1995 de agrarische leraren-opleidingen te blijven bekostigen,
maar dan onder de reguliere wetgeving, zoals reeds het geval is bij de Pedagogisch
Technische Hogeschool Nederland (PTHN), die een gelijksoortige positie inneemt
als de STOAS, maar dan op het gebied van de technische lerarenopleidingen.
Inmiddels hebben alle aan de STOAS verzorgde opleidingen een cursusduur van
vier jaar en derhalve een studielast van 168 studiepunten. Ook overigens functioneert
de STOAS reeds overeenkomstig het regime van de WHW.
Door het wetsvoorstel wordt derhalve de bestaande situatie gecontinueerd.
Het is ook uitdrukkelijk de bedoeling dat voor de STOAS eenzelfde regime als
voor de overige lerarenopleidingen zal gaan gelden.
Artikelsgewijs
Ingevolge artikel I van het onderhavige voorstel wordt de STOAS op de
bijlage behorende bij de WHW geplaatst. Ingevolge artikel 1.8 van de WHW is
de STOAS daarmee één van de bekostigde instellingen voor hoger
onderwijs.
In de artikelen II tot en met VI is een overgangsregeling opgenomen, teneinde
te bewerkstelligen dat deze wijziging geen nadelige gevolgen voor studenten
heeft.
Artikel II strekt ertoe de door de STOAS verzorgde opleidingen op te nemen
in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO). Dit is onder
andere van belang om de bekostiging van de studenten aan de opleiding veilig
te stellen. Hiermede wordt afgeweken van hoofdstuk 6, titel 3, van de WHW,
waarin de procedure voor de opname van opleidingen in het CROHO is neergelegd.
Volgens deze procedure moet opname in het CROHO van nieuwe opleidingen
met het oog op een adequate informatieverstrekking ten aanzien van het onderwijsaanbod
zeer vroegtijdig geschieden. Aangezien het hier evenwel om bestaande opleidingen
gaat, kan in het onderhavige geval van deze procedure worden afgeweken.
Ingevolge artikel III wordt voorkomen dat leerlingen die in het verleden
begonnen zijn aan 5-jarige opleidingen met een inschrijvingsduur van 7,5 jaar,
in moeilijkheden zouden komen, nu de inschrijvingsduur onder de WHW maximaal
6 jaar is.
Overigens zal dit in de praktijk uitsluitend gelden voor studenten, die
vóór 1 augustus 1993 hun opleiding zijn begonnen, aangezien
vanaf dit tijdstip alle opleidingen aan de STOAS 4-jarig zijn.
In de artikelen IV en V is bepaald dat onder het regime van de Regeling
bekostiging experimentele agrarische lerarenopleidingen met goed gevolg afgelegde
examens of verleende vrijstellingen, behaalde diploma's of verworven titels
onder het regime van de WHW hun gelding behouden.
Artikel VI behelst een overgangsregeling met het oog op de verstrekking
van studiefinanciering. De daarin genoemde artikelen 17a, tweede tot en met
achtste lid (C+1+2) en 17b (studievoortgangscontrole) van de Wet op de Studiefinanciering
(WSF) zijn van toepassing op studenten aan instellingen voor hoger onderwijs
waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van toepassing
is. Het onderhavige wetsvoorstel brengt de hogeschool uitgaande van de Stichting
«STOAS» onder de werking van de WHW en wel met terugwerkende kracht
tot en met 1 augustus 1995. Zonder nadere voorziening zouden genoemde bepalingen
van de WSF per genoemde datum van toepassing zijn op studenten van de STOAS
waarvoor het tempobeursregime nog niet gold.
Artikel VI strekt ertoe voor deze categorie studenten de terugwerkende
kracht weg te nemen. Bij de invoering van de tempobeurs door de wet 2 juli
1993 (Stb. 403) is geen uitzondering gemaakt voor de zittende studerenden,
omdat de maatregel geen werking heeft met betrekking tot studiejaren in het
verleden. Ook nu wordt een dergelijke uitzondering niet voorgesteld.
Artikel VII tenslotte strekt ertoe een integrale tekst van de bijlage
van de WHW in het Staatsblad te publiceren. Gelet op de vele wijzigingen die
deze bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
in de loop der tijd heeft ondergaan, bestaat hiertoe aanleiding.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J. J. van Aartsen
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J. M. M. Ritzen