Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1995-199624481 nr. 4

24 481
Wijziging van de Rampenwet en andere wetten in verband met de uitbreiding van de reikwijdte van de Rampenwet tot zware ongevallen en de regeling van enige andere onderwerpen

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 31 januari 1996

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer van haar bevindingen als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de gestelde vragen door de regering tijdig beantwoord zullen zijn, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

1. Uitbreiding van de reikwijdte van de Rampenwet tot zware ongevallen

De leden van de PvdA-fractie staan in principe positief tegenover het voorstel om – op basis van praktijkervaring – de reikwijdte van de Rampenwet uit te breiden naar «zware ongevallen». De uitbreiding lijkt goed beargumenteerd. Bestrijding van rampen en zware ongevallen vergt inderdaad vaak dezelfde aanpak, het grensgebied tussen een «ramp» en een «zwaar ongeval» is bovendien nogal mistig. Waar een «zwaar ongeval» ophoudt en een ramp begint, is afhankelijk van subjectieve interpretaties. Een probleem is wel dat de grens tussen een «zwaar ongeval» en een «ongeval» minstens zo moeilijk is aan te geven. Op de vraag op welke situaties de wet van toepassing is, is ook met deze wetswijziging niet eenvoudig antwoord te geven. Zoals ook in het voorstel wordt opgemerkt, wordt slechts de drempel om de Rampenwet toe te passen verlaagd.

De leden van de PvdA-fractie vragen of bij de handhaving van de titel van de wet ook de eerder genoemde psychologische drempels zijn meegewogen of hebben slechts semantische overwegingen een rol gespeeld?

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorstel tot wijziging van de Rampenwet en enkele andere wetten. Deze leden kunnen zich in het algemeen vinden in de door de regering voorgestelde aanpassingen.

Op een enkel onderdeel leeft er bij deze leden nog een vraag. Zij delen de conclusie van de regering met betrekking tot de aanpassing van de reikwijdte van de Rampenwet tot zware ongevallen gezien de argumentatie van de regering in de memorie van toelichting. Wel heeft het de leden van de CDA-fractie verbaasd dat, hoewel de regering zelf aangeeft dat toepassing van de huidige rampenwet bij zware ongevallen achterwege blijft vanwege een aantal psychologische drempels bij het begrip «ramp» en gebrek aan bekendheid bij de uitvoerende bestuurders, aanpassing in de titel van de wet en documenten achterwege blijft. Zou het niet voor de hand liggen de eerste drempel die ligt in de titel van de wet te slechten? Zij willen daarbij ook wijzen op de scepsis die er is in de commentaren van de insprekers over de voorgestelde wijziging. (VNG, NBF) Deze leden vinden de gegeven argumentatie zwak en vragen de regering dit nader te overwegen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij zijn met de regering van mening dat een onderscheid tussen rampen en zware ongevallen in de praktijk niet goed hanteerbaar is. De uitbreiding van de reikwijdte van de Rampenwet tot zware ongevallen zal een ruimere toepassing van deze wet mogelijk maken. In de praktijk zal dit kunnen betekenen dat de burgemeester zich vaker moet verantwoorden in de gemeenteraad over het al dan niet toegepast hebben van de Rampenwet. Door het wegnemen van een in de praktijk niet goed hanteerbaar onderscheid tussen rampen en zware ongevallen zal deze verantwoording meer gericht kunnen zijn op het bestuurlijk handelen. Deze leden kunnen hetgeen hierover in de memorie van toelichting wordt opgemerkt dan ook onderschrijven. Wel vragen zij op welke wijze er grenzen worden gesteld aan het gebruik maken van de bevoegdheden op grond van de Rampenwet? Net zoals er graduele verschillen zijn tussen rampen en zware ongevallen, bestaan er graduele verschillen tussen zware ongevallen en ernstige ongevallen. Graag vernemen zij hierover een reactie van de regering.

Welke consequentie heeft de uitbreiding van de reikwijdte van de Rampenwet tot zware ongevallen voor de Wet Geneeskundige Hulpverlening bij Rampen? Is er voldoende (medische) kennis aanwezig bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken om dit aspect bij de rampenbestrijding te betrekken?

2. De nazorg bij rampen en zware ongevallen

De uitbreiding van de Rampenwet tot de nazorgfase blijft in het wetsvoorstel beperkt tot een toevoeging dat om de «schadelijke gevolgen te beperken» een beroep mag worden gedaan op de wet. Het gaat echter volgens de leden van de PvdA-fractie niet alleen om het beperken van de schadelijke gevolgen, maar ook om daadwerkelijk herstel van de ergste schade, tot het gevaar geweken en de situatie gestabiliseerd is.

De leden van de VVD-fractie zijn met de regering van oordeel dat ook de nazorgfase onder werking van de Rampenwet valt.

3. De landelijke coördinatie bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke gronden de regering het nodig acht de samenwerking tussen verschillende ministers een wettelijke basis te verlenen. Is in de praktijk van problemen gebleken?

Meent de regering dat met het opnemen van een bepaling in de Rampenwet die in die coördinatie voorziet, een voldoende antwoord wordt gegeven op de problemen die bij de coördinatie van de watersnood zijn gerezen?

Het wetsvoorstel laat sectorministers de ruimte om in noodsituaties zonder overleg vooraf met de minister van Binnenlandse Zaken op te treden. Aan welke situaties wordt gedacht? Elders in de memorie van toelichting (blz. 8, paragraaf over de coördinatie van bijstand van militairen) wordt opgemerkt: «Met de huidige snelle en betrouwbare telecommunicatiemiddelen zal er geen tijdverlies behoeven op te treden, indien het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt ingeschakeld.» Dit lijkt evengoed op te gaan voor de communicatie tussen sectorministers en de minister van Binnenlandse Zaken.

4. De coördinatie van bijstand van militairen

De leden van de PvdA-fractie vragen wie met betrekking tot de coördinatie van bijstand van militairen de financiële lasten hiervan tot nu toe voor zijn rekening neemt? Behoeft dit een nadere regeling?

Met betrekking tot de coördinatie bijstand militairen merken de leden van de CDA-fractie op dat volgens hun informatie deze coördinatie is geregeld bij Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Waar het echter gaat om capaciteit en beschikbaarheid vragen deze leden of door de reductie van het defensieapparaat, met name de opheffing van het corps mobiele colonnes, er wel voldoende voorbereide eenheden, met name genie, aanwezig zijn om in te zetten bij rampen. Tevens willen deze leden weten of er met betrekking tot de oproepproblematiek van de reserve-eenheden (watersnood Limburg) al duidelijke afspraken zijn gemaakt.

5. Strafrechtelijke handhaving van de verplichtingen tot informatieverschaffing aan burgemeester en wethouders onderscheidenlijk de burgemeester

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de regering bedoelt met het argument dat «een ieder () in het licht van strafbaarstelling een te vaag omlijnde groep is»?

Ten aanzien van de strafrechtelijke handhaving van de verplichtingen tot informatieverschaffing aan burgemeester en wethouders onderscheidenlijk de burgemeester wijzen de leden van de VVD-fractie erop dat de voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van de Rampenwet tot een aanzienlijke toename van het aantal meldingen ingevolge artikel 11b, eerste lid, zal leiden. Heeft de regering overwogen om deze meldingsplicht te beperken? Zal het besluit informatie inzake rampenbestrijding van dit wetsvoorstel gewijzigd moeten worden? (Staatsblad 1994, 463)?

6. Versterking brandweer

In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat het wenselijk is dat gemeenten zich voldoende op bestrijding van de rampen en zware ongevallen voorbereiden, die zich kunnen voordoen bij tijdelijke of dynamische risico's. De leden van de PvdA-fractie zouden graag vernemen wat de minister van Binnenlandse Zaken concreet onderneemt om zich ervan te verzekeren dat gemeenten zich daadwerkelijk hierop voorbereiden (los van de wettelijke verplichting van een rampenbestrijdingsplan).

De leden van de PvdA-fractie vragen of de sturings- en controlemogelijkheden van commissarissen der Koningin en de minister niet voldoende zijn. In hoeverre is naar de mening van de regering in het verleden van conflicterende bevoegdheden gebleken? In het concept-wetsvoorstel werd nog gesproken over een uitbreiding van de aanwijzingsbevoegdheid van de commissaris van de Koningin aan het gemeentebestuur en van de minister van BiZa aan het provinciebestuur. In het uiteindelijke wetsvoorstel wordt «vooralsnog» van zo'n uitbreiding afgezien. Als reden geeft de minister op: «In het licht van het in gang gezette proces van versterking van de brandweer acht ik deze uitbreiding van de aanwijzingsbevoegdheden thans minder opportuun.» De aanwijzingsbevoegdheden hebben echter niet alleen betrekking op de brandweer, maar ook op bijvoorbeeld het opzetten van een rampenplan. Zou de regering in bredere zin op het vraagstuk van de opportuniteit kunnen ingaan?

Onlangs heeft de provincie Friesland aan de Tweede Kamer een plan tot bestuurlijke vernieuwing aangeboden. Ziet de regering mogelijkheden voor de daarin geschetste «provincie – nieuwe stijl» om taken op het terrein van de rampenbestrijding te vervullen?

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre de zogenaamde «reality-tv» bestrijding van rampen en zware ongevallen zou kunnen verstoren. Inmiddels hebben de leden begrepen uit de schrijvende pers dat het OM met strakke regels komt die medewerking van politie en justitie aan dergelijke opnamen beperken en moeten waarborgen dat slachtoffers niet tegen hun zin kunnen worden gefilmd. Wanneer kan de Kamer deze gegevens verwachten?

7. Geneeskundige hulpverlening

Bij brief van 13 november 1995 hebben de ministers van Binnenlandse Zaken en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de rapportage «De opbouw van de organisatie voor de geneeskundige hulpverlening bij rampen» ter kennisneming aan de Tweede Kamer aangeboden. Over deze rapportage van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding en de Inspectie voor de Gezondheidszorg had de regering nog geen standpunt ingenomen. Graag vernemen de leden van de VVD-fractie wanneer zij over deze rapportage een regeringsstandpunt tegemoet kunnen zien.

Houdt de minister van Binnenlandse Zaken zich met de medische aspecten van de rampenbestrijding (en zware ongevallen) bezig of is de minister van Volksgezondheid hiervoor verantwoordelijk? De geneeskundige hulpverlening bij rampen (en zware ongevallen) loopt achter bij die van de brandweer en de politie, zo blijkt uit de jaarrapportage (1994) van de Geneeskundige Inspectie van de Volksgezondheid. Door de brandweer zelf wordt aangegeven hoe groot het belang is van een goed functionerende geneeskundige hulpverlening. Zoals de commandant van de regionale brandweer Rotterdam onlangs opmerkte, verliest de inzet van de brandweer om slachtoffers te redden ernstig aan effectiviteit indien vervolgens het vervoer en de verpleging niet goed geregeld is. Op welke wijze en door welke bewindspersoon zal deze achterstand weggewerkt worden? Kan nader worden ingegaan op de aspecten «onderwijs en oefening» ten aanzien van geneeskundige hulpverlening bij rampen en zware ongevallen? Hoe verhouden onze inspanningen zich op deze gebieden met de ontwikkelingen in de ons omringende landen?

De commissie-Hermans beveelt aan om de verdere opbouw van de organisatie voor geneeskundige hulpverlening bij rampen snel voort te zetten (meer en beter oefenen voor de rampenbestrijding, dec. 1995). «Eerst als die opbouw is voltooid kan er, landelijk gezien, succesvol met die organisatie worden geoefend. Opleidingen voor de rampenbestrijding zijn een voorwaarde voor effectief oefenen.» Welke rol, is er in deze weggelegd voor het NIBRA, zo vragen de leden van de VVD-fractie?

Er is op dit moment een discussie gaande over de ontwikkeling in de richting van het Geïntegreerd Meldkamer Systeem (GMS) dat voor zowel brandweer, politie als ambulance hulpverlening bruikbaar moet zijn. De integratie van meldkamers waarbij de CPA wordt gelicht uit de keten van de gezondheidszorg, is voor het Nederlands Ambulance Platform (NAP) onbespreekbaar (brief aan de vaste commissie voor VWS 95–1352 1.). De toegevoegde beschikbaarheidsfunctie op het gebied van openbare orde, veiligheid en rampenbestrijding dient – zo stelt het NAP – integraal onderdeel te vormen van de regionale voorzieningen. De leden van de VVD-fractie willen van de ministers van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid graag vernemen wat hun standpunt terzake is, danwel te vernemen wanneer een definitief standpunt terzake zal worden ingenomen.

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier van de commissie,

Hommes


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Brinkman (CDA), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA).

Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Mulder-van Dam (CDA), Jeekel (D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen (CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Van Boxtel (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Assen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (U55+), Van Oven (PvdA).