Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199724441 nr. 7

24 441
Aanpassing van een aantal wetten in verband met de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Aanpassingswet privatisering ABP)

nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 20 september 1996

In het wetsvoorstel worden de volgende wijzigingen aangebracht.

1. Artikel IV

Artikel IV komt te luiden:

ARTIKEL IV

De Wet op de rechterlijke organisatie wordt als volgt gewijzigd:

A. Na artikel 11 worden drie artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 11a

1. De voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht kunnen, wanneer zij wegens ziekte ongeschikt zijn tot het verrichten van hun taak, door de Hoge Raad worden ontslagen indien:

a. de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd,

b. herstel binnen zes maanden na de termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en

c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de rechterlijk ambtenaar binnen het gezagsbereik van Onze Minister van Justitie andere passende of gangbare arbeid op te dragen danwel de betrokkene heeft geweigerd deze opdracht te aanvaarden.

2. Voor het bepalen van het tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

3. In afwijking van het eerste lid kan het ontslag, indien de daar bedoelde voorwaarden zijn vervuld en de belanghebbende daarom verzoekt, worden verleend bij koninklijk besluit. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid verleend ontslag.

Artikel 11b

1. Voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, onderdelen a en b, wordt medisch advies ingewonnen bij een door het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel daartoe aangewezen arts. Deze stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op, dat wordt toegezonden aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad en in afschrift aan belanghebbende.

2. De arts betrekt bij zijn beoordeling een door de procureur-generaal aangewezen arts en, indien de belanghebbende dit wenst, een door de belanghebbende aangewezen arts.

3. De procureur-generaal stelt de belanghebbende er schriftelijk van op de hoogte dat de in het eerste lid bedoelde procedure zal worden ingesteld en dat de belanghebbende bevoegd is desgewenst een arts aan te wijzen. Deze mededeling geschiedt op zijn vroegst vanaf de achttiende maand na de eerste ziektedag en in ieder geval op een zodanig tijdstip dat de procedure met betrekking tot het medisch advies uiterlijk in de 24ste maand na de eerste ziektedag afgerond kan zijn.

Artikel 11c

1. Aan een voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht kan, wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn taak, door de Hoge Raad een andere taak worden opgedragen, voor zover deze valt binnen het gezagsbereik van Onze Minister van Justitie.

2. Gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn taak, is hij verplicht een hem opgedragen taak te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid als bedoeld in artikel 30 van de Ziektewet.

3. Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn taak, is hij verplicht een hem opgedragen taak te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verplichting geldt eveneens na afloop van het tweede jaar.

4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien aan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, de eigen taak wordt opgedragen onder andere voorwaarden.

5. In afwijking van het eerste lid kan de opdracht, indien de daar bedoelde voorwaarden zijn vervuld en de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, daarom verzoekt, worden gegeven bij koninklijk besluit. Voor de rechtsgevolgen wordt een zodanige opdracht gelijkgesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid gegeven opdracht.

B. Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

2. Onderdeel a vervalt. De onderdelen b, c en d worden geletterd a, b en c.

3. In onderdeel a (nieuw) wordt de zinsnede «anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken» vervangen door: anders dan bedoeld in artikel 11a.

C. In artikel 12a, eerste lid, wordt de zinsnede «artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b» vervangen door: artikel 12, aanhef en onder a.

D. In artikel 13, tweede lid, wordt de zinsnede «ontslag, anders dan op de gronden vermeld in artikel 12, eerste lid, onder a» vervangen door: ontslag, anders dan op grond van artikel 11a.

E. Artikel 84a, derde lid, komt te luiden:

3. Een wijziging als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt voor de vaststelling van aanspraken op en verplichtingen ten aanzien van pensioenen en uitkeringen wegens vrijwillig vervroegd uittreden gelijkgesteld met ontslag.

2. Artikelen IVa en IVb

Na artikel IV worden twee nieuwe artikelen toegevoegd, luidende:

ARTIKEL IVa

Aan artikel 9a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren worden twee leden toegevoegd, luidende:

3. Een belanghebbende kan bij de Centrale Raad van Beroep tevens beroep instellen tegen een schriftelijke beslissing of een handeling, krachtens deze wet genomen of verricht door een onafhankelijk, bij wet ingesteld met rechtspraak belast orgaan of door de voorzitter of een lid van een zodanig orgaan, waarbij een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar als zodanig, een nagelaten betrekking of rechtverkrijgende belanghebbende is.

4. Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van schriftelijke beslissingen en handelingen, genomen of verricht door de president van de Hoge Raad.

ARTIKEL IVB

Indien het bij koninklijke boodschap van 14 juni 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten (aanvulling van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof) (Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nrs. 1–2) tot wet wordt verheven, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van die wet aan artikel 47 van die wet twee leden toegevoegd, luidende:

3. Een belanghebbende kan bij de Centrale Raad van Beroep tevens beroep instellen tegen een schriftelijke beslissing of een handeling, krachtens deze wet genomen of verricht door een onafhankelijk, bij wet ingesteld met rechtspraak belast orgaan of door de voorzitter of een lid van een zodanig orgaan, waarbij een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar als zodanig, een nagelaten betrekking of rechtverkrijgende belanghebbende is.

4. Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van schriftelijke beslissingen en handelingen, genomen of verricht door de president van de Hoge Raad.

3. Artikel X

Artikel X komt te luiden:

ARTIKEL X

De Wet financiële voorzieningen privatisering ABP wordt als volgt gewijzigd:

A. De artikelen 2 tot en met 10 vervallen.

B. Artikel 21, tweede lid, komt te luiden:

2. Het FAOP heeft tot doel:

a. zorg te dragen voor de uitvoering van paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP, alsmede de artikelen 49, 50, vierde lid, 51 en 76 van die wet;

b. zorg te dragen voor de uitvoering van:

1°. de AAW, bedoeld in artikel 8, derde lid, van die wet;

2°. de Wet arbeid gehandicapte werknemers, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van die wet;

c. de middelen bijeen te brengen en te beheren die nodig zijn voor de dekking van de uitgaven van het FAOP op grond van paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP, alsmede de artikelen 49, 50, vierde lid, 51 en 76 van die wet, met inbegrip van de uitvoeringskosten terzake.

C. Artikel 21a komt te luiden:

Artikel 21a

Ten laste van het FAOP komen de uitgaven, met inbegrip van de uitvoeringskosten terzake, voor zover uitgaven niet in rekening kunnen worden gebracht bij het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen, met betrekking tot:

a. de uitvoering van paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP, alsmede de artikelen 49, 50, vierde lid, 51 en 76 van die wet;

b. de uitvoering van de Wet arbeid gehandicapte werknemers, bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, en 16 van die wet.

D. In artikel 24, eerste lid, wordt de zinsnede «bedraagt een jaarlijks door het bestuur van het FAOP vast te stellen» vervangen door: bedraagt een door het bestuur van het FAOP vast te stellen.

E. In artikel 39, eerste lid, onderdeel d, vervalt de zinsnede «en het niet de invaliditeitspremie betreft, bedoeld in artikel 23, eerste lid».

F. De artikelen 42 en 43 vervallen.

G. In artikel 43a, eerste lid, wordt de zinsnede «de uitgaven van het FAOP, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdeel b» vervangen door: de uitgaven van het FAOP, bedoeld in artikel 21a, onderdeel c.

H. Artikel 46, vierde, vijfde en zesde lid, worden vervangen door de volgende leden:

4. Het bestuur stelt voor de secretaris en het overige personeel van het FAOP voorschriften vast betreffende:

a. aanstelling, schorsing en ontslag;

b. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;

c. bezoldiging en ontslaguitkering;

d. diensttijden;

e. verlof en vakantie;

f. voorzieningen in verband met ziekte;

g. bescherming bij de arbeid;

h. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;

i. medezeggenschap;

j. overige rechten en verplichtingen;

k. disciplinaire straffen;

l. de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de in aanhef genoemde personen, waaronder voorzieningen ter oplossing van geschillen die zijn gerezen in dat overleg.

5. Het bestuur zendt de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, alsmede de voorschriften ter uitvoering daarvan aan Onze Minister.

6. Een voorschrift als bedoeld in het vijfde lid treedt niet in werking voordat Onze Minister het heeft goedgekeurd.

7. Onze Minister stelt het bestuur zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee maanden na ontvangst ervan in kennis of hij een voorschrift goedkeurt.

8. Onze Minister kan zijn beslissing omtrent de goedkeuring eenmaal voor ten hoogste een maand verdagen.

9. De goedkeuring wordt geacht te zijn verleend indien binnen de in het zevende lid genoemde termijn geen beslissing of geen besluit tot verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor de beslissing is verdaagd, geen beslissing aan het bestuur is verzonden.

10. Onze Minister onthoudt zijn goedkeuring, geheel of gedeeltelijk, uitsluitend in die gevallen dat het voorschrift niet in overeenstemming is met hetgeen terzake geldt voor overheidswerknemers in de zin van de Wet privatisering ABP die binnen de sector Rijk werkzaam zijn. In het belang van het FAOP kan daarvan worden afgeweken.

I. Artikel 49 komt te luiden:

Artikel 49

1. Het bestuur zendt met het oog op de vereiste overeenstemming daarover met Onze Minister en de Centrale Commissie, voor 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop deze betrekking heeft aan Onze Minister:

a. een begroting van de te verwachten uitgaven van het FAOP, bedoeld in artikel 21a, in het eerstvolgend kalenderjaar, alsmede

b. een voorstel omtrent de vast te stellen invaliditeitspremie, bedoeld in artikel 24, die toereikend is voor de dekking van de in artikel 21a bedoelde uitgaven van het FAOP.

2. De in de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde begroting opgenomen uitgaven van het FAOP worden wat het onderdeel inzake de in artikel 21a bedoelde uitvoeringskosten betreft, ingedeeld naar de kostensoorten personeel en materieel.

3. De in het tweede lid bedoelde kostensoorten worden zodanig gespecificeerd en toegelicht dat een overzichtelijk beeld ontstaat van de samenstelling ervan, van de samenhang met de andere kostensoort en van de relatie met het niveau van de dienstverlening.

4. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde begroting gaat wat het onderdeel inzake de in artikel 21a bedoelde uitvoeringskosten betreft, vergezeld van een analyse van de uitvoeringskosten in het lopende kalenderjaar en van een onderbouwde raming van de uitvoeringskosten in de vier jaren die volgen op het eerstvolgende kalenderjaar.

5. Het bestuur zendt de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde begroting terstond nadat die overeenkomstig het tweede lid is vastgesteld, ter kennisname aan het College van toezicht sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen.

6. Totdat over de begroting overeenstemming is bereikt met Onze Minister en de Centrale Commissie, geldt de begroting van het voorafgaande jaar als grondslag van het beheer, met dien verstande dat het bestuur bevoegd is, ten einde de dienst gaande te houden, te beschikken over ten hoogste vier twaalfde deel van de bedragen die op de laatstelijk goedgekeurde begroting voor een geheel jaar zijn vastgesteld.

7. Het bestuur zendt jaarlijks aan Onze Minister ter kennisname een afschrift van de met overeenkomstige toepassing van artikel 87, vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag over het verstreken boekjaar.

8. Door Onze Minister kunnen na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels worden gesteld aangaande de inrichting van de begroting en het voorstel omtrent de vast te stellen invaliditeitspremie, bedoeld in het eerste lid.

J. Artikel 65 komt te luiden:

Artikel 65

De ministeriële regelingen, bedoeld in de artikelen 30, derde lid, en 31, derde lid, worden tot stand gebracht in overeenstemming met de Centrale Commissie.

K. In artikel 66 komt de zinsnede «indien het een ambtenaar in de zin van de Abp-wet betrof» te luiden: indien het een overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP betrof die werkzaam is binnen de sector Defensie.

L. Artikel 71 vervalt.

4. Artikel XI

Na onderdeel A wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

Aa. Artikel 3, tiende lid, vervalt.

5. Artikel XIII

Na onderdeel E worden twee nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:

F. Artikel 30, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede en derde lid worden vervangen door een nieuw lid, luidende:

2. Met ingang van 1 januari 1995 wordt geen toepassing gegeven aan artikel 17 van het pensioenreglement.

2. Het vierde lid wordt vernummerd tot derde lid.

G. Artikel 30, derde lid, vervalt.

6. Artikelen XVIa tot en met XVIe

In hoofdstuk III worden na artikel XVI vijf artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XVIa

De Wet van 27 juli 1960, houdende maatregelen met betrekking tot de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding (Stb. 314), wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 6 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

Leden van het personeel van de Koninklijke Hofhouding voor wie krachtens de in artikel 1 bedoelde overeenkomst een pensioenvoorziening is getroffen, worden voor de toepassing van:

a. artikel 7 van de Werkloosheidswet;

b. artikel 6, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

c. artikel 6, eerste lid, van de Ziektewet; aangemerkt als degene aan wie door het Rijk terzake van zijn arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd.

ARTIKEL XVIB

De Wet van 6 juni 1991, houdende regels betreffende de aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel (Stb. 347), wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

Werkneemster in de zin van deze wet is de vrouw die overheidswerknemer is als bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP.

ARTIKEL XVIC

De Wet privatisering ABP wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 24, tweede lid, wordt de zinsnede «blijft de heffing van vermogensbelasting achterwege» vervangen door: blijft de heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

B. In artikel 32, eerste lid, wordt de zinsnede «alsmede de artikelen 57 tot en met 58 juncto 14, 16 tot en met 20, 48 en 78 van de AAW en de op de artikelen 57 tot en met 58 van die wet berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing» vervangen door: alsmede de artikelen 57 tot en met 58 juncto 14, 16 tot en met 20g, 48 tot en met 48b en 78 van de AAW en de op de genoemde artikelen van die wet berustende bepalingen, zijn van overeenkomstige toepassing.

C. Artikel 46, tweede en derde lid, komt te luiden:

2. Het bestuur van het FAOP maakt gebruik van de diensten van de Stichting USZO, overeenkomstig een terzake door het FAOP en de Stichting USZO te sluiten overeenkomst naar burgerlijk recht, ten behoeve van de uitvoering van:

a. zijn taak op grond van het eerste lid;

b. de AAW, bedoeld in artikel 8, derde lid, van die wet;

c. de Wet arbeid gehandicapte werknemers, bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, en 16 van die wet;

d. zijn taak op grond van artikel 49;

e. zijn taak op grond van artikel 50, vierde lid;

f. zijn taak op grond van artikel 51;

g. zijn taak op grond van artikel 76.

3. De goedkeuring van Onze Minister is vereist met betrekking tot:

a. de in het tweede lid bedoelde overeenkomst;

b. de wijziging, de aanvulling, de uitbreiding of de herziening van de in het tweede lid bedoelde overeenkomst;

c. het door derden laten verrichten van werkzaamheden die ingevolge de in het tweede lid bedoelde overeenkomst zijn opgedragen aan de Stichting USZO.

D. Artikel 51 komt te luiden:

Artikel 51

Met ingang van 1 januari 1996 treedt het FAOP in de plaats van het ABP wat het verrichten van handelingen betreft met betrekking tot:

a. de bonusuitkering, bedoeld in artikel 59e, vierde lid, van de AAW, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie;

b. de geldelijke bijdrage met betrekking tot een overheidswerknemer, bedoeld in artikel 59i, eerste lid, onderdeel b of c, van de AAW, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie;

c. de subsidie, bedoeld in artikel 59n, eerste of derde lid, van de AAW, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie;

d. de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk IIA van de WAO en de daarop berustende bepalingen, bedoeld in artikel K 10 van de Abp-wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 1995.

E. Artikel 53 vervalt.

F. Na artikel 66 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 66a

1. Besluiten van het FAOP uit hoofde van zijn taak ingevolge artikel 46, eerste lid, die genomen zijn voor 1 januari 1996, worden tot de datum waarop het College van toezicht sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen, deze zal hebben goedgekeurd, doch uiterlijk tot 1 januari 1997, aangemerkt als te zijn goedgekeurd door dat college, voor zover het betreft besluiten die:

a. betrekking hebben op het in artikel 49, tweede juncto eerste lid, van de Wet FVP/ABP bedoelde onderdeel van de begroting betreffende de in artikel 21a van die wet bedoelde uitvoeringskosten;

b. de goedkeuring behoeven van het vorengenoemde college op grond van artikel 15, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen; of

c. overeenkomstig artikel 18 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de artikelen 27 en 28 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn vastgesteld.

2. Ingeval het college, bedoeld in het eerste lid, zijn goedkeuring onthoudt aan een besluit van het FAOP als bedoeld in het eerste lid, behoudt het bedoelde besluit zijn gelding gedurende de periode tot aan de datum van de bedoelde beslissing van het College.

ARTIKEL XVID

De Wet kaderregeling vut overheidspersoneel wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Onze Minister kan regels stellen voor de dekking van financiële lasten wegens uit een vut-overeenkomst onstane rechten van personen die behoren of behoorden tot het personeel van een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste lid, dan wel van een instelling waarop artikel 3 van overeenkomstige toepassing is, voor het geval zo'n instelling ophoudt te bestaan of ophoudt als een zodanige instelling te bestaan.

B. Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde, vierde en vijfde lid worden vervangen door de volgende leden:

3. De lasten die voor het Vut-fonds ontstaan door artikel 8, tweede lid, worden gedekt door bijdragen van de overheids- en onderwijsinstellingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en van de instellingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, met verhaal op het personeel van die instellingen.

4. De lasten die voor het Vut-fonds ontstaan door artikel 8, vierde lid, worden gedekt overeenkomstig de dekking van de lasten, bedoeld in het derde lid. Het bestuur van het Vut-fonds bepaalt evenwel op verzoek van de gezamenlijke sectorwerkgevers en centrales dat vanaf een bij dat verzoek aan te geven tijdstip de bijdragen worden verstrekt door de instellingen die behoren tot de sector waaruit de belanghebbenden, bedoeld in artikel 8, vierde lid, afkomstig zijn.

5. De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt aangewend ter vermindering van het verhaal op het personeel, bedoeld in het derde lid, en overigens ter verlichting van geldelijke verplichtingen die uit een vut-overeenkomst voor dat personeel zullen kunnen ontstaan.

2. Aan het zesde lid wordt de volgende volzin toegevoegd: De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen voorts overeenkomstig omvatten het geval, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, terzake van de lasten bedoeld in het derde en vierde lid.

3. In het achtste lid wordt de zinsnede «aangewezen groepen werkgevers» vervangen door: aangewezen groepen instellingen.

ARTIKEL XVIE

De Wet privatisering RBB wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 6 vervalt.

7. Artikelen XVIIIa tot en met XVIIIe

In hoofdstuk IV worden na artikel XVIII vijf artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XVIIIa

De Wet op het Basisonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

In de artikelen 96d, eerste lid, 105, derde lid, 111a, vijfde lid, en 114b, eerste, tweede, derde en vijfde lid, in het opschrift van de artikelen 96d en 114b, alsmede in de omschrijving van deze artikelen in de inhoudsopgave wordt de zinsnede «of herplaatsingswachtgelden» telkens vervangen door: of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid.

ARTIKEL XVIIIB

De Interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

In de artikelen 93e, eerste lid, 102, derde lid, 107a, vijfde lid, en 110b, eerste, tweede, derde en vijfde lid, in het opschrift van de artikelen 93e en 110b, alsmede in de omschrijving van deze artikelen in de inhoudsopgave wordt de zinsnede «of herplaatsingswachtgelden» telkens vervangen door: of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid.

ARTIKEL XVIIIC

De Wet op het voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

In de artikelen 84b, eerste lid, 96o, derde lid, 98b, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en 102b, vijfde lid, alsmede in het opschrift van artikel 98b wordt de zinsnede «of herplaatsingswachtgelden» telkens vervangen door: of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid.

ARTIKEL XVIIID

De Wet op de onderwijsverzorging wordt als volgt gewijzigd:

In de artikelen 64a, eerste tot en met vijfde lid, 64b, eerste lid, onderdeel d, 84, tweede lid, en 90, tweede lid, alsmede in het opschrift van artikel 64a wordt de zinsnede «of herplaatsingswachtgelden» telkens vervangen door: of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid.

ARTIKEL XVIIIE

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

In de artikelen 2.5.8, derde lid, 4.4.2, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en 4.4.3, eerste lid, onderdeel d, alsmede in het opschrift van artikel 4.4.2 wordt de zinsnede «of herplaatsingswachtgelden» telkens vervangen door: of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid.

8. Artikel XXI

8.1. Onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder 1 wordt de zinsnede «De onderdelen i, j, p en q» vervangen door: De onderdelen i, j, o, p en q.

b. Onder 2 wordt de zinsnede «met j aan te duiden onderdeel» vervangen door: met k aan te duiden onderdeel.

8.2. Na onderdeel A wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa. In artikel A 8, eerste lid, vervalt de zinsnede «of de Militaire weduwenwet 1922».

8.3. Onderdeel F wordt vervangen door:

F. Artikel F 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt de zinsnede «bij algemene maatregel van» vervangen door: bij de door Onze Minister te stellen regels.

2. Het negende lid komt te luiden:

9. Het in het achtste lid genoemde franchisebedrag wordt door Onze Minister telkens, zodra het franchisebedrag, dat geldt voor de berekening van de premiegrondslag voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen van de overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP die met de betrokken militair kan worden gelijkgesteld, wordt gewijzigd, overeenkomstig aangepast en nader vastgesteld. Het herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel F 11b, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop genoemde wijzigingen zich hebben voorgedaan.

3. In het tiende lid wordt de zinsnede «Indien de som van de in het eerste lid onder a en b bedoelde diensttijd 40 jaren overschrijdt» vervangen door: Indien de som van de in het eerste lid onder a, b en c bedoelde diensttijd voor zover die voor 1 januari 1996 is opgebouwd 40 jaren overschrijdt.

8.4. In onderdeel L wordt de zinsnede «op grond van artikel I 4» vervangen door: op grond van artikel I 5, eerste lid.

8.5. Onderdeel O wordt vervangen door:

O. Artikel J 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «Bij de beperkingen, bedoeld in de artikelen J 1 en J 2» wordt vervangen door: Bij de beperking, bedoeld in artikel J 1.

2. De zinsnede «op de dag, met ingang waarvan die beperkingen worden toegepast» wordt vervangen door: op de dag, met ingang waarvan die beperking wordt toegepast.

8.6. In onderdeel P wordt aan het vierde lid van artikel L 1 een volzin toegevoegd, luidende: De ingevolge dit lid vastgestelde regels werken zo nodig terug tot en met het in het eerste lid genoemde tijdstip.

8.7. Onderdeel T wordt vervangen door:

T. Artikel M 1, derde lid, vervalt.

8.8. Onderdeel X wordt vervangen door:

X. Artikel R 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt de zinsnede «het nabestaanden- en wezenpensioen, bedoeld in artikel 27» vervangen door: het pensioen van nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel 28.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. De bijdrage wordt vastgesteld volgens bij algemene maatregel van bestuur nader te stellen regels en komt overeen met het pensioenbijdrageverhaal dat van de overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP, die met de in het eerste lid bedoelde militair kan worden gelijkgesteld, door diens werkgever wordt geheven naar een vast percentage of gedeelte van de aan de Stichting Pensioenfonds ABP voor die overheidswerknemer verschuldigde pensioenbijdrage.

3. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien de militair overeenkomstig artikel F 6c, tweede lid, heeft gekozen voor een verlaging van de pensioenbijdrage, wordt die bijdrage verlaagd met 0,25 procentpunt van de bijdrage terzake van pensioenaanspraken uit hoofde van ziekten of gebreken, voorzover die aanspraken uitgaan boven de overeenkomstige aanspraken die zouden gelden indien de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op hem van toepassing zou zijn geweest.

8.9. Onderdeel AA vervalt.

8.10. In onderdeel BB, wordt de zinsnede «het derde lid» vervangen door: het tweede lid.

8.11. Onderdeel GG wordt vervangen door:

GG. Artikel U 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

2. De zinsnede «, dan wel een recht op nabestaanden- en wezenpensioen geheel of gedeeltelijk wordt verleend,» vervalt.

8.12. Onderdeel MM wordt vervangen door:

MM. Artikel V 4, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De punt achter onderdeel e wordt vervangen door een komma, waarna wordt toegevoegd: zodra dat na intrekking van die wetten op grond van de daarvoor in de plaats tredende reglementen en andere bepalingen is vastgesteld of omgezet in een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan wel een uitkering naar analogie daarvan en is verhoogd met een bovenwettelijk invaliditeitspensioen;.

2. Een nieuw onderdeel f wordt toegevoegd, luidende:

f. Een WAO-conforme uitkering op grond van artikel 32 van de Wet privatisering ABP.

8.13. Onderdeel RR wordt vervangen door:

RR. Artikel W 2 komt te luiden:Artikel W 2

In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bedraagt de beslistermijn op een bezwaarschrift dertien weken na de ontvangst daarvan.

8.14. In onderdeel SS vervalt het vierde lid van artikel W 4 en wordt het vijfde lid van dat artikel vernummerd tot vierde lid.

8.15. Onderdeel TT vervalt.

9. Artikel XXV

Artikel XXV komt te luiden:

ARTIKEL XXV

De Organisatiewet sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 68a, eerste lid, wordt:

a. de zinsnede «de artikelen in hoofdstuk VI, 2 en 3,» vervangen door: 85, eerste lid, de artikelen in hoofdstuk VI, 3,;

b. de zinsnede «bij de uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in artikel 46, tweede lid, van die wet,» vervangen door: bij de uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in artikel 46, tweede lid, van die wet, voor zover die overeenkomst betrekking heeft op de in artikel 46, eerste lid, van die wet omschreven taak van het FAOP,.

B. In artikel 97, onderdeel b, vervalt de zinsnede «het Algemeen burgerlijk pensioenfonds,».

10. Artikel XXVII

10.1. Onderdeel A komt te luiden:

A. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b, onder 2e, wordt:

a. de zinsnede «aan wie een invaliditeitspensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540)» vervangen door: aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP;

b. de zinsnede «en die geheel of gedeeltelijk algemeen invalide dan wel arbeidsongeschikt is» vervangen door: en die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is.

2. In onderdeel b, onder 3e, wordt de zinsnede «, met toepassing van artikel P 6, P 7 , P 9 of P 9a van de Algemene burgerlijke pensioenwet» vervangen door: dan wel de overeenkomstige toepassing daarvan krachtens artikel 32 van de Wet privatisering ABP.

3. Onder vervanging van de punt na onderdeel f door een puntkomma, wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

g. het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel: het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP.

10.2. Onderdeel B vervalt.

10.3. Na onderdeel D wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Da. In artikel 10, onderdeel b, wordt de zinsnede «of het Algemeen burgerlijk pensioenfonds» vervangen door: of het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel.

10.4. Onderdeel F komt te luiden:

F. In artikel 16, tweede en derde lid, wordt de zinsnede «en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds» vervangen door: en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel.

11. Artikel XXXII

Artikel XXXII komt te luiden:

ARTIKEL XXXII

De Wet financiering volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 37, tweede lid, wordt:

a. de zinsnede «aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds» vervangen door: aan het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP,;

b. de zinsnede «door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds» vervangen door: door het vorenbedoelde Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel.

12. Artikel XXXIII

Artikel XXXIII komt te luiden:

ARTIKEL XXXIII

De Wet voorzieningen gehandicapten wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 10 wordt de zinsnede «Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en» vervangen door: Het bestuur van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, en.

13. Artikelen XXXVIIa tot en met XXXVIIc

In hoofdstuk IX worden na artikel XXXVII drie nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXXVIIa

De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 62, eerste lid, onderdeel a, wordt de zinsnede «of het Algemeen burgerlijk pensioenfonds is bemiddeld» vervangen door: of het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, is bemiddeld.

ARTIKEL XXXVIIB

De Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «degene die ambtenaar is in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1979, 679) uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot een lichaam als bedoeld in artikel A 1, onderdeel d, van de Algemene burgerlijke pensioenwet» vervangen door: degene die ambtenaar is in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze wet luidde op 31 december 1995, uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot een lichaam als bedoeld in artikel A 1, onderdeel d, van die wet.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «artikel B 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, mits» vervangen door: artikel B 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze wet luidde op 31 december 1995, mits.

ARTIKEL XXXVIIC

De Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel XVI worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:

3. De door het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, met toepassing van artikel 51 van de Wet privatisering ABP teruggevorderde bonusuitkeringen en de door de werkgevers nog te betalen geldelijke bijdragen, bedoeld in dat artikel, die betrekking hebben op perioden gelegen voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet, komen ten gunste van het vorengenoemde Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel.

4. De door het in het derde lid genoemde Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel met toepassing van artikel 51 van de Wet privatisering ABP nog te betalen bonusuitkeringen als bedoeld in dat artikel, alsmede de door het vorengenoemde Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel met toepassing van dat artikel nog te verlenen restitutie van geldelijke bijdragen als bedoeld in dat artikel, die betrekking hebben op perioden gelegen voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet, komen ten laste van het vorengenoemde Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel.

14. Hoofdstuk IXa

Na hoofdstuk IX wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IXa. HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

ARTIKEL XXXVIID

Artikel 31a van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een algemene bezoldigingswijziging, worden de pensioenbedragen naar overeenkomstige normen en voorwaarden aangepast. Onze Minister stelt de regels voor de uitvoering van de eerste volzin, krachtens welke regels de pensioenbedragen, naargelang de grondslagen waarvan zij zijn afgeleid, worden aangepast aan bedoelde algemene bezoldigingswijziging. Indien de algemene bezoldigingswijziging een verhoging is, werken deze regels zo nodig terug tot en met de datum waarop bedoelde algemene bezoldigingswijziging is ingegaan.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een eenmalige uitkering met een algemeen karakter, stelt Onze Minister de regels over de wijze waarop deze eenmalige uitkering naar overeenkomstige normen en voorwaarden leidt tot een eenmalige uitkering aan de buitengewoon gepensioneerden. Deze regels werken zo nodig terug tot en met de datum waarop de in de eerste volzin bedoelde aanpassing van pensioenen en uitzichten op pensioen plaatsvindt.

ARTIKEL XXXVIIE

Artikel 28a van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een algemene bezoldigingswijziging, worden de pensioenbedragen naar overeenkomstige normen en voorwaarden aangepast. Onze Minister stelt de regels voor de uitvoering van de eerste volzin, krachtens welke regels de pensioenbedragen, naargelang de grondslagen waarvan zij zijn afgeleid, worden aangepast aan bedoelde algemene bezoldigingswijziging. Indien de algemene bezoldigingswijziging een verhoging is, werken deze regels zo nodig terug tot en met de datum waarop bedoelde algemene bezoldigingswijziging is ingegaan.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een eenmalige uitkering met een algemeen karakter, stelt Onze Minister de regels over de wijze waarop deze eenmalige uitkering naar overeenkomstige normen en voorwaarden leidt tot een eenmalige uitkering aan de buitengewoon gepensioneerden. Deze regels werken zo nodig terug tot en met de datum waarop de in de eerste volzin bedoelde aanpassing van pensioenen en uitzichten op pensioen plaatsvindt.

ARTIKEL XXXVIIF

Artikel 35 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een algemene bezoldigingswijziging, worden de pensioengrondslagen, bedoeld in artikel 10, eerste, tweede en zesde lid, naar overeenkomstige normen en voorwaarden aangepast. Onze Minister stelt de regels voor de uitvoering van de eerste volzin. Indien de algemene bezoldigingswijziging een verhoging is, werken deze regels zo nodig terug tot en met de datum waarop bedoelde algemene bezoldigingswijziging is ingegaan.

2. In het tweede lid worden de woorden «algemene maatregel van bestuur» gewijzigd in: ministeriële regeling.

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een eenmalige uitkering met een algemeen karakter, stelt Onze Minister de regels over de wijze waarop deze eenmalige uitkering naar overeenkomstige normen en voorwaarden leidt tot een eenmalige uitkering aan de buitengewoon gepensioneerden. Deze regels werken zo nodig terug tot en met de datum waarop de in de eerste volzin bedoelde aanpassing van pensioenen en uitzichten op pensioen plaatsvindt.

ARTIKEL XXXVIIG

Artikel 18 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een algemene bezoldigingswijziging, worden de grondslagen, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede en zesde lid, naar overeenkomstige normen en voorwaarden aangepast. Onze Minister stelt de regels voor de uitvoering van de eerste volzin. Indien de algemene bezoldigingswijziging een verhoging is, werken deze regels zo nodig terug tot en met de datum waarop bedoelde algemene bezoldigingswijziging is ingegaan.

2. In het tweede lid worden de woorden «algemene maatregel van bestuur» gewijzigd in: ministeriële regeling.

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een eenmalige uitkering met een algemeen karakter, stelt Onze Minister de regels over de wijze waarop deze eenmalige uitkering naar overeenkomstige normen en voorwaarden leidt tot een eenmalige uitkering aan de uitkeringsgerechtigden. Deze regels werken zo nodig terug tot en met de datum waarop de in de eerste volzin bedoelde aanpassing van pensioenen en uitzichten op pensioen plaatsvindt.

ARTIKEL XXXVIIH

Artikel 25 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een algemene bezoldigingswijziging, worden de grondslagen, bedoeld in artikel 10, eerste, tweede, zesde, zevende en negende lid, naar overeenkomstige normen en voorwaarden aangepast. Onze Minister stelt de regels voor de uitvoering van de eerste volzin. Indien de algemene bezoldigingswijziging een verhoging is, werken deze regels zo nodig terug tot en met de datum waarop bedoelde algemene bezoldigingswijziging is ingegaan.

2. In het tweede lid worden de woorden «algemene maatregel van bestuur» gewijzigd in: ministeriële regeling.

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Indien de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, bedoeld in artikel 10 van de Wet privatisering ABP, ingevolge dat artikel worden aangepast aan een eenmalige uitkering met een algemeen karakter, stelt Onze Minister de regels over de wijze waarop deze eenmalige uitkering naar overeenkomstige normen en voorwaarden leidt tot een eenmalige uitkering aan de uitkeringsgerechtigden. Deze regels werken zo nodig terug tot en met de datum waarop de in de eerste volzin bedoelde aanpassing van pensioenen en uitzichten op pensioen plaatsvindt.

15. Artikelen XXXVIIi en XXXVIIj

In hoofdstuk X worden na het opschrift twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXXVIIi

Artikel 12, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, zoals luidende voor de inwerkingtreding van de onderhavige wet, blijft van toepassing onderscheidenlijk is van overeenkomstige toepassing op de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar aan wie op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken voor die inwerkingtreding ontslag is verleend of te wiens aanzien voor die inwerkingtreding de aan zodanig ontslag voorafgaande procedure in gang is gezet.

ARTIKEL XXXVIIJ

In afwijking van artikel XI, onderdeel Aa, blijft artikel 3, tiende lid, van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956, zoals die luidde op 31 december 1994, gelden ten aanzien van uitbetaling betreffende een periode voor 1 januari 1995 van pensioenen of uitkeringen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c en d, en tweede lid, van die wet.

16. Artikel XXXVIII

Artikel XXXVIII komt te luiden:

ARTIKEL XXXVIII

In afwijking van artikel XII, onderdeel A, blijft artikel 4 van de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960, zoals die luidde op 31 december 1995, gelden ten aanzien van uitbetaling betreffende een periode voor 1 januari 1996 van pensioenen als bedoeld in artikel 1, onder 2, van die wet.

17. Artikel XXXIX

Artikel XXXIX komt te luiden:

ARTIKEL XXXIX

1. In afwijking van artikel XIII, onderdeel E, blijft artikel 12 van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps, zoals die luidde op 31 december 1995, gelden ten aanzien van uitbetaling betreffende een periode voor 1 januari 1996 van pensioenen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van die wet.

2. In afwijking van artikel XIII, onderdeel F, blijft artikel 30, tweede tot en met vierde lid, van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps, zoals die luidde op 31 december 1994, gelden ten aanzien van uitbetaling betreffende een periode voor 1 januari 1995 van pensioenen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van die wet.

18. Artikel XLI

Artikel XLI komt te luiden:

ARTIKEL XLI

Bij de toepassing van artikel 55 van de Wet privatisering ABP wordt ten aanzien van de militaire nabestaandenpensioenen uitvoering gegeven aan de Algemene militaire pensioenwet, zoals die luidde op 31 december 1995, met dien verstande dat ten aanzien van de artikelen J 2 en L 1 van de laatstgenoemde wet wordt uitgegaan van die wet zoals deze luidt na de inwerkingtreding van deze wet.

19. Artikel XLIa

Na artikel XLI wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XLIa

Artikel 62, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing ten aanzien van de persoon die voor 1 januari 1996 is bemiddeld door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds.

20. Artikel XLII

Artikel XLII komt te luiden:

ARTIKEL XLII

1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt, met uitzondering van de in het tweede lid genoemde bepalingen, terug tot en met 1 januari 1996.

2. Deze wet werkt terug wat betreft:

a. artikel X, onderdeel E, tot en met 1 januari 1995;

b. artikel X, onderdeel J, tot en met 1 maart 1996;

c. artikel XI, onderdeel Aa tot en met 1 januari 1995;

d. artikel XIII, onderdeel F, tot en met 1 januari 1995;

e. artikel XVIc, onderdeel B, tot en met 1 augustus 1996;

f. artikel XVIe tot en met 22 mei 1996;

g. artikel XXXVIIj tot en met 1 januari 1995;

h. artikel XXXIX, tweede lid, tot en met 1 januari 1995.

TOELICHTING

1. Algemeen

Met deze nota van wijziging worden enkele omissies hersteld en wijzigingen aangebracht die in verband met andere wetgeving noodzakelijk zijn geworden. Voorts wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele wijzigingen aan te brengen in de Wet privatisering ABP, de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel en de Wet Stichting USZO.

Tot de onderwerpen die deze nota van wijziging regelt, behoren onder meer enige wijzigingen in de rechtspositionele regelgeving inzake rechterlijke ambtenaren. Het gaat hierbij om wijzigingen van de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en een overgangsregeling voor het vervallen van een bepaling van eerstgenoemde wet, opgenomen in de artikelen IV, IVa en XXXVIIi. Over deze onderdelen van de nota van wijziging is advies uitgebracht door de Raad van State, welk advies is bijgevoegd.

2. Artikel IV

2.1. Algemeen. In Artikel IV, betreffende de wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, worden enkele wijzigingen toegevoegd. De nieuwe wijzigingen zijn opgenomen in de onderdelen A tot en met D van Artikel IV. Onderdeel E was reeds opgenomen in het wetsvoorstel.

2.2. Onderdeel A. Gelet op artikel 117 van de Grondwet dient het arbeidsongeschiktheidsontslag van de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht, anders dan op eigen verzoek, te worden geregeld bij de wet en te worden verleend door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht. Met het oog daarop wordt in de Wet op de rechterlijke organisatie een specifieke regeling opgenomen in de nieuwe artikelen 11a en 11b. Daarin wordt voor de voorwaarden waaronder het ontslag wordt verleend, aangesloten bij de in het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) opgenomen regeling voor burgerlijke rijksambtenaren. Dat betekent (zie het nieuwe artikel 11a) dat een voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht, indien deze wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn taak, kan worden ontslagen indien de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd, herstel binnen zes maanden redelijkerwijs niet is te verwachten en na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de rechterlijk ambtenaar binnen het gezagsbereik van Onze Minister van Justitie andere passende of gangbare arbeid op te dragen danwel de betrokkene heeft geweigerd deze opdracht te aanvaarden.

Het ontslag wordt op grond van het eerste lid van artikel 11a verleend door de Hoge Raad, maar kan op grond van het derde lid worden verleend bij koninklijk besluit indien de belanghebbende daarom verzoekt. Dit betekent dat het ontslag in beginsel door de Hoge Raad wordt verleend, tenzij de belanghebbende blijkens een verzoek daartoe instemt met een ontslag bij koninklijk besluit. Hierdoor kan enerzijds worden bereikt dat de Hoge Raad niet nodeloos wordt belast met ontslagbeslissingen waarover geen verschil van mening bestaat, terwijl anderzijds wordt verzekerd dat het arbeidsongeschiktheidsontslag slechts bij koninklijk besluit wordt verleend in het geval en op de grond dat de voorwaarden van artikel 11a, eerste en tweede lid, zijn vervuld, en niet dan op verzoek van de belanghebbende. Op deze wijze wordt de bestaande praktijk voortgezet, waarin de Hoge Raad slechts hoeft te worden ingeschakeld indien de betrokkene niet meewerkt aan het te verlenen ontslag. Voor alle duidelijkheid wordt in het derde lid wel vastgelegd dat het met instemming van betrokkene bij koninklijk besluit te verlenen ontslag voor de rechtsgevolgen wordt gelijkgesteld met een ontslag door de Hoge Raad, waardoor zeker wordt gesteld dat de rechtspositionele gevolgen dezelfde zijn. Op ieder moment in de voorbereidingsprocedure kan de belanghebbende aan de procureur-generaal kenbaar maken dat hij niet instemt met een ontslag bij koninklijk besluit, hetgeen tot gevolg heeft dat de ontslagbeschikking zal moeten worden genomen door de Hoge Raad. De voorgestelde regeling is in overeenstemming met artikel 117 van de Grondwet.

In artikel 11b wordt geregeld op welke wijze het arbeidsongeschiktheidsontslag wordt voorbereid. Ook daarbij wordt inhoudelijk aangesloten bij de regeling zoals deze is vastgelegd voor de burgerlijke rijksambtenaren. De voorbereiding van een arbeidsongeschiktheidsontslag vindt formeel plaats onder verantwoordelijkheid van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene doorgaans op de hoogte zal worden gesteld door de desbetreffende functionele autoriteit. Bij de voorbereiding van het ontslag kan de procureur-generaal vanzelfsprekend gebruik maken van de diensten van de Minister van Justitie.

Voor de volledigheid zij erop gewezen dat het voor de hand ligt dat de kosten welke gemoeid mochten zijn met de inschakeling van de in artikel 11b, tweede lid, bedoelde artsen die zijn aangewezen door de procureur-generaal en eventueel de belanghebbende, voor rekening komen van het Ministerie van Justitie.

Artikel 11c ziet op de herplaatsing van voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht gedurende het eerste en tweede ziektejaar. De bepaling is de aan de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht aangepaste versie van artikel 35 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Braa), dat werd ontleend aan het nieuw ingevoegde artikel 57a van het ARAR.

Gelet op de bijzondere positie van de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht zou het op gespannen voet staan met artikel 117 van de Grondwet, indien de Minister van Justitie bevoegd zou zijn tot het, tegen de wens van betrokkene, opdragen van een andere taak aan een voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht, indien deze wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn eigen taak. Een dergelijke opdracht kan onder omstandigheden immers impliciet het ontslag van betrokkene als voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht met zich brengen. Anderzijds is het wel wenselijk dat het herplaatsingsregime op zichzelf ook van toepassing is op deze categorie ambtenaren. Daarom is aansluiting gezocht bij de regeling van het ontslag van deze categorie ambtenaren, waarin de Hoge Raad een belangrijke rol vervult ter waarborging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Evenals bij de regeling van het ontslag wegens ziekte (zie het voorgestelde artikel 11a) wordt de bevoegdheid tot het opdragen van een andere taak formeel bij de Hoge Raad gelegd, maar wordt anderzijds vastgelegd dat deze beslissing, indien met instemming van betrokkene, in plaats daarvan bij koninklijk besluit genomen kan worden.

De regeling sluit inhoudelijk aan bij de regeling zoals voor rijksambtenaren neergelegd in het ARAR en voor de niet voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht en de raio's neergelegd in het Braa. De tweede volzin van het derde lid van artikel 11c komt overeen met de tweede volzin van het derde lid van artikel 35 van het Braa/artikel 57a van het ARAR en heeft betekenis voor het geval zich de situatie voordoet dat de betrokkene, in het tweede jaar dat hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn taak, is herplaatst en een eventueel ontslag niet precies na afloop van het tweede jaar wordt gegeven.

Wat betreft de feitelijke gang van zaken bij een herplaatsing van een – wegens ziekte arbeidsongeschikt – voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht kan nog het volgende worden opgemerkt. De opdracht tot het verrichten van andere passende arbeid kan met zich brengen dat betrokkene een andere aanstelling verkrijgt, die slechts mogelijk is na ontslag uit de vorige functie. Daarom zal de beslissing van de Hoge Raad inzake herplaatsing onder omstandigheden tegelijkertijd kunnen inhouden de beslissing dat betrokkene uit de vorige functie ontslagen moet worden en in de nieuwe functie benoemd moet worden. Indien de betrokkene de herplaatsing aanvaardt, zullen vervolgens het ontslag en de benoeming moeten worden geëffectueerd. Indien de herplaatsing wordt geweigerd, kan het ontslag, gelet op artikel 11a, pas worden verleend na ommekomst van de termijn van twee jaar en pas als is voldaan aan de daarin gestelde andere voorwaarden. Wordt de herplaatsing wegens een ondeugdelijke reden geweigerd dan is wel het sanctieregime van toepassing, zoals geregeld in het gewijzigde Braa; tegen een sanctie, op te leggen door de Minister van Justitie, staat beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

2.3. De onderdelen B tot en met D. De andere artikelen van de Wet op de rechterlijke organisatie worden in overeenstemming gebracht met de nieuw in te voegen artikelen 11a, 11b en 11c.

2.4. Onderdeel E. Dit onderdeel was reeds opgenomen en toegelicht in het wetsvoorstel en de daarbij behorende memorie van toelichting.

3. Artikel IVa

Ter uitvoering van artikel 16, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (welk artikellid is ingevoegd door middel van artikel 73 van de Wet privatisering ABP) zullen voor rechterlijke ambtenaren en raio's, alsmede voor gewezen rechterlijke ambtenaren en raio's voorschriften en nadere voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot uitkeringen in verband met arbeidsongeschiktheid, ziekte en werkloosheid en met betrekking tot daarmee samenhangende aanspraken en verplichtingen. Naar verwachting zal daarbij onder meer worden voorzien in beslissingen die de functionele autoriteiten kunnen nemen ten aanzien van die rechterlijke ambtenaren ten aanzien van wie zij functionele autoriteit zijn. Tegen dergelijke beslissingen staat rechtsbescherming open overeenkomstig artikel 9a, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, luidend:

«Een belanghebbende kan tegen een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een rechterlijk ambtenaar als zodanig of een rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.»

Deze bepaling biedt, doordat zij is beperkt tot besluiten of handelingen van «bestuursorganen», evenwel geen rechtsbescherming tegen beslissingen van bij voorbeeld een president van een rechtbank ten opzichte van een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar; de president is namelijk ten gevolge van de begripsbepaling in artikel 1:1, tweede lid juncto derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen bestuursorgaan voor zover hij handelt ten opzichte van een voor het leven benoemde ambtenaar. Deze lacune wordt thans voor de beslissingen of handelingen op grond van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren weggenomen door het voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 9a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Het voorgestelde derde lid wordt beperkt tot beslissingen en handelingen die worden genomen of verricht ter uitvoering van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en heeft derhalve geen betekenis voor beslissingen die op grond van andere wetten worden genomen, zoals een ontslag dat op grond van de Wet op de rechterlijke organisatie door de Hoge Raad wordt genomen. Over een verdergaande uitbreiding van de rechtsbescherming vindt op dit moment overleg plaats met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Een eventuele uitbreiding zal zo mogelijk worden ingevoegd in de eerste aanbouw van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, zoals ook is aangekondigd in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel (Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nr. 3, blz. 24 en 25). Bij die gelegenheid zal ook worden bezien welke instantie dient te worden belast met de rechtsbescherming van de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht tegen beslissingen van hun functionele autoriteiten, en of de uitzondering die in het vierde lid voorlopig voor beslissingen van de president van de Hoge Raad is opgenomen, gehandhaafd dient te worden.

4. Artikel IVb

In deze bepaling wordt de samenloop geregeld van artikel IVa van het onderhavige wetsvoorstel met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten (aanvulling van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof) (Kamerstukken I 1995/95, 24 220, nr. 126). Krachtens het onderhavige wetsvoorstel worden met ingang van 1 januari 1996 (met terugwerkende kracht) van artikel 9a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren een derde en vierde lid toegevoegd. Krachtens wetsvoorstel 24 220 wordt met ingang van de dag van inwerkingtreding daarvan (vermoedelijk 1 januari 1997) de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren opnieuw vastgesteld, waarbij onder meer artikel 9a – zonder het nieuwe derde en vierde lid – wordt vernummerd tot artikel 47.

Om nu te zorgen dat met ingang van de dag van inwerkingtreding van wetsvoorstel 24 220 artikel 9a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren niet alleen wordt vernummerd tot 47, maar ook het nieuwe derde en vierde lid bevat, moet in het onderhavige wetsvoorstel een voorziening worden getroffen. Bij de opstelling van deze nota van wijziging was nog niet zeker of wetsvoorstel 24 220 of het onderhavige het eerst het Staatsblad zou bereiken. Artikel IVb biedt een voorziening voor beide gevallen. Het beoogde effect (per datum van de inwerkingtreding van wetsvoorstel 24 220 geldt artikel 47 inclusief het derde en vierde lid) wordt ook bereikt in het – onverhoopte – geval, dat de datum waarop het onderhavige wetsvoorstel tot wet wordt verheven niet alleen later ligt dan de datum waarop wetsvoorstel 24 220 tot wet wordt verheven, maar zelfs later dan de datum waarop wetsvoorstel 24 220 in werking treedt. Dit wordt bewerkstelligd door de passage «met ingang van de datum van inwerkingtreding van die wet» in artikel VIb, in combinatie met de terugwerkende kracht van het onderhavige wetsvoorstel (artikel XLII).

5. Artikel X

5.1. Algemeen. Gebleken is dat de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP (Wet FVP/ABP) op meer punten dient te worden aangepast aan de privatisering van het ABP dan in het wetsvoorstel is aangegeven. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om een wijziging aan te brengen die los staat van die privatisering. Met het oog op de overzichtelijkheid is niet volstaan met de invoeging van nieuwe onderdelen in artikel X van het wetsvoorstel, maar wordt dat artikel geheel vervangen.

5.2. Onderdeel A. Dit onderdeel is niet gewijzigd.

5.3. Onderdeel B. De redactie van artikel 21, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet FVP/ABP wordt aangepast aan de wijzigingen van de artikelen 46, tweede lid, en 51 van de Wet privatisering ABP die in deze nota van wijziging zijn neergelegd. Voorts wordt in het voorgestelde nieuwe onderdeel c van artikel 21, tweede lid, als taak van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) opgenomen dat dat fonds zorg draagt voor de financiering van de toepassing van artikel 51 van de Wet privatisering ABP.

Bij onderdeel c wordt voorts opgemerkt dat ingevolge de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie (Wet amber) niet langer het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAf) zorg draagt voor de financiering van reïntegratievoorzieningen die voorheen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) werden verstrekt. Die financiering is bij de Wet amber opgedragen aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) wat de marktsector betreft. Wat de overheidssector betreft, is bij de Wet amber uitgegaan van financiering van de voormalige AAW-voorzieningen ten laste van het FAOP. De formalisering hiervan is niet geregeld in de Wet amber. Vandaar dat nu alsnog wordt voorgesteld een en ander voor de overheidssector te regelen door middel van toevoeging van onderdeel c aan artikel 21 van de Wet FVP/ABP.

5.4. Onderdeel C. Voorgesteld wordt in de aanhef van artikel 21a van de Wet FVP/ABP op te nemen dat in voorkomend geval de uitgaven die verhaald kunnen worden op het AAf in mindering dienen te worden gebracht op de uitgaven van het FAOP. Dit betreft dan uitgaven aangaande de Wet arbeid gehandicapte werknemers (onderdeel b) onderscheidenlijk, in voorkomend geval, de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk IIA van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op grond van artikel 32 van de Wet privatisering ABP (onderdeel a). Hiermee is geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de bestaande situatie beoogd, het is alleen wat duidelijker opgeschreven.

De huidige formulering van onderdeel a van artikel 21a van de Wet FVP/ABP is te beperkt. Die formulering houdt in dat uitsluitend de lasten van de WAO-conforme uitkeringen door het FAOP kunnen worden gedragen. De bedoeling is evenwel dat het FAOP de lasten draagt van de toepassing van paragraaf 9 en een aantal bepalingen uit paragraaf 10 van de Wet privatisering ABP. Onderdeel a is in die zin opnieuw geformuleerd.

Het voorgestelde onderdeel a is zodanig omschreven dat het tevens de financiering van de overeenkomstige toepassing van Hoofdstuk IIA van de WAO omvat. Het huidige onderdeel c is dan ook overbodig naast het nieuwe onderdeel a en kan derhalve vervallen.

Het huidige onderdeel b wordt in het voorstel gehandhaafd, maar het wordt gewijzigd in verband met het vervallen van artikel 64 van de Wet privatisering ABP ingevolge artikel 69, onderdeel C, van die wet, alsmede ter aanpassing aan de nieuwe redactie van artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van die wet.

5.5. Onderdeel D. De invaliditeitspremie die de overheidswerkgevers verschuldigd zijn aan het FAOP, bedraagt een vastgesteld percentage van de betreffende grondslag. Op grond van de vigerende regeling wordt dit percentage jaarlijks, dat wil zeggen eenmaal per kalenderjaar, vastgesteld. Dit sluit de mogelijkheid uit van tussentijdse wijziging van de premie. Het gevolg is een premiesysteem dat nader bezien niet adequaat zou kunnen reageren op tussentijdse ontwikkelingen in de uitgaven of inkomsten. Dit premiesysteem wijkt voorts af van dat van de WAO. Vanuit het oogpunt van zowel flexibiliteit als aansluiting bij de WAO is het derhalve gewenst dat de mogelijkheid geopend wordt de invaliditeitspremie in de loop van een kalenderjaar te wijzigen. Dit kan worden bereikt door het genoemde woord «jaarlijks» in artikel 24, eerste lid, van de Wet FVP/ABP te laten vervallen. Het onderhavige onderdeel voorziet daarin.

5.6. Onderdeel E. Deze wijziging staat los van de privatisering van het ABP en heeft uitsluitend betekenis voor het jaar 1995.

Bij het tot stand brengen van de Wet FVP/ABP was het de bedoeling om een marktconform bruto-netto-traject voor de salarissen van het overheidspersoneel tot stand te brengen, in welk kader ook de financiële verhoudingen tussen het ABP en het FAOP zoveel mogelijk marktconform zou dienen te zijn. Gebleken is dat wat betreft de regeling van de vergoeding door het FAOP van uitgaven van het ABP, de in de Wet FVP/ABP in het algemeen gevolgde werkwijze dat het ABP als «werkgever» wordt aangemerkt van hen die een pensioen of uitkering van dat pensioenfonds ontvingen, te ver is doorgevoerd. Het gaat hierbij om de uitzondering bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder d, van de Wet FVP/ABP, welke uitzondering inhield dat de invaliditeitspremie die over pensioenen en uitkeringen dienden te worden betaald door het ABP, ten laste van het ABP bleven en niet werden vergoed door het FAOP.

Deze uitzondering op de vergoeding van lasten van het ABP inzake invaliditeitspensioenen is niet marktconform. Dit omdat de door WAO- gerechtigden verschuldigde WAO-premie ook wordt gedragen door het Aof, terwijl over een uitkering ingevolge een pensioenregeling geen premie is verschuldigd. Er behoort in verband met de verplichting voor het ABP om invaliditeitspremie af te dragen aan het FAOP, welke verplichting is opgenomen in de Wet FVP/ABP omdat nog geen onderscheid kon worden aangebracht tussen het «wettelijk deel» en het «bovenwettelijk deel» van de aanspraken die inzake invaliditeit op grond van de Abp-wet bestonden, derhalve geen last te blijven rusten op het ABP.

Voor deze kwestie is van de zijde van zowel het bestuur van het FAOP als het ABP-bestuur de aandacht gevraagd. Vooruitlopend op de wijziging van de Wet FVP/ABP hebben deze besturen al dienovereenkomstig gehandeld.

5.7. Onderdelen F. Dit onderdeel was als onderdeel C (oud) reeds in het wetsvoorstel opgenomen.

5.8. Onderdeel G. Bij de Wet amber is artikel 43a ingevoegd in de Wet FVP/ABP. In dat artikel wordt verwezen naar uitgaven van het FAOP, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdeel b, van de Wet FVP/ABP. In de Wet privatisering ABP is enerzijds opgenomen dat laatstgenoemd artikel per 1 januari 1996 komt te vervallen en anderzijds dat de bedoelde uitgaven van het FAOP vanaf 1 januari 1996 komen te berusten op het nieuwe artikel 21a, onderdeel c, van de Wet FVP/ABP. Onderhavige wijziging behelst de redactionele aanpassing van artikel 43a van de Wet FVP/ABP in verband met de genoemde veranderingen.

5.9. Onderdeel H. Dit onderdeel was als onderdeel D (oud) reeds opgenomen in het wetsvoorstel.

5.10. Onderdeel I. In onderdeel I wordt artikel 49 van de Wet FVP/ABP verdergaand gewijzigd dan in het wetsvoorstel. Hieromtrent wordt het volgende opgemerkt.

Bij artikel 66 van de Wet privatisering ABP is een nieuw artikel 68a in de Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) ingevoegd. In artikel 68a, eerste lid, van de Osv is onder meer opgenomen dat de artikelen in hoofdstuk VI, paragraaf 3, van de Osv van overeenkomstige toepassing zijn op het FAOP bij de uitoefening van zijn in artikel 46, eerste lid, van de Wet privatisering ABP omschreven taak in het kader van de uitvoering van de WAO-conforme regeling. Hoofdstuk VI, paragraaf 3, van de Osv betreft onder meer (in artikel 87) de verslaglegging over een verstreken boekjaar door onder andere het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) en de bedrijfsverenigingen door middel van een jaarrekening en een jaarverslag. De bepalingen van de genoemde paragraaf van de Osv gelden met ingang van 1 januari 1996 ook voor het FAOP ten aanzien van de jaarrekening en het jaarverslag inzake de WAO-conforme regeling.

In artikel 49 van de Wet FVP/ABP is onder meer de vaststelling van de begroting van het FAOP geregeld. Die begroting wordt in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken vastgesteld door het bestuur van het FAOP. Artikel 49 van de Wet FVP/ABP kan in hoofdlijn materieel gehandhaafd blijven in het kader van de WAO-conforme regeling, maar zal op enkele punten dienen te worden gewijzigd.

Die wijzigingen betreffen in de eerste plaats het huidige eerste lid, betreffende het boekjaar van het FAOP. Die bepaling komt overeen met het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 87, eerste lid, van de Osv en is derhalve niet meer nodig.

Voorts kan nader bezien de in het vierde lid opgenomen bepaling inzake de jaarrekening en het jaarverslag van het FAOP niet in stand worden gelaten. Die materie wordt immers geregeld door de overeenkomstige toepassing van artikel 87, vierde en zesde lid, van de Osv. Dit neemt overigens niet weg dat wel dient te worden bepaald dat de met overeenkomstige toepassing van de Osv vastgestelde jaarrekening en jaarverslag ter kennisname dienen te worden gezonden aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit in verband met de rol van die minister bij de vaststelling van de begroting en de invaliditeitspremie van het FAOP ingevolge het voorgestelde nieuwe eerste lid van artikel 49 van de Wet FVP/ABP. De vorenbedoelde toezending is opgenomen in het nieuwe zevende lid van dat artikel.

Verder dienen tegelijk met het vervallen van het oorspronkelijke vierde lid van artikel 49 van de Wet FVP/ABP ook het eveneens op de jaarrekening betrekking hebbende vijfde en zesde lid van het oorspronkelijke artikel te vervallen.

Ten slotte zal het oorspronkelijke zevende lid van het artikel, dat inhoudt dat de Minister van Binnenlandse Zaken nadere regels kan stellen, nog uitsluitend betrekking kunnen hebben op de inrichting van de begroting en het voorstel omtrent de vast te stellen invaliditeitspremie. Die bepaling is als achtste lid opgenomen in de thans voorgestelde tekst van het artikel.

Van het oude artikel 49 van de Wet FVP/ABP zijn materieel het tweede en derde lid gehandhaafd als nieuw eerste onderscheidenlijk zesde lid, met dien verstande dat in het nieuwe eerste lid de datum waarvoor de begroting en het voorstel inzake de invaliditeitspremie dienen te worden aangeboden aan de Minister van Binnenlandse Zaken is vervroegd van 1 september naar 1 augustus. Dit teneinde aan te sluiten bij het tijdstip dat is genoemd in artikel 79, eerste lid, van de Osv.

Door middel van het nieuwe tweede tot en met vierde lid wordt bewerkstelligd dat artikel 80, tweede en derde lid, van de Osv materieel wordt toegepast met betrekking tot het onderdeel van de begroting van het FAOP inzake de uitvoeringskosten. Wat betreft die kosten wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de uitvoeringskosten van de Stichting USZO op basis van het contract tussen beide instellingen worden toegerekend aan het FAOP en vanuit de Wet privatisering ABP worden beschouwd als uitvoeringskosten van het FAOP. Behalve de door USZO in rekening gebrachte uitvoeringskosten, vallen onder de uitvoeringskosten van het FAOP uiteraard ook de kosten die het FAOP zelf maakt.

De begroting dient terstond na vaststelling ter kennisname te worden gezonden naar het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). Dit is opgenomen in het voorgestelde vijfde lid. Het Ctsv dient de begroting als toetsingskader bij zijn toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de WAO-conforme uitvoering te kunnen hanteren.

5.11. De onderdelen J, K, en L. Deze onderdelen waren als onderdeel F, G en H (oud) van het oorspronkelijke artikel X opgenomen en zijn niet gewijzigd.

6. Artikel XI

De wijziging van artikel XI, onderdeel Aa, betreft artikel 3, tiende lid, van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 (TIP), waarin een beperking is neergelegd van de in artikel 2, eerste lid, onderdeel c en d, en tweede lid van die wet bedoelde pensioenen en uitkeringen bij samenloop met Nederlandse pensioenen, overeenkomstig de artikelen J 1a en J 2a van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet), zoals die luidden op 31 december 1994. Door het vervallen van de genoemde artikelen van de Abp-wet per 1 januari 1995 ingevolge de Wet FVP/ABP, had artikel 3, tiende lid, van de TIP reeds geen betekenis meer ten aanzien van betalingen over de periode na 31 december 1994 van de in de TIP bedoelde pensioenen en uitkeringen. Het artikel bleef evenwel van belang voor de betalingen van die pensioenen en uitkeringen voor zover die betalingen betrekking hadden op de periode tot en met 31 december 1994. Tot op heden was dit nog niet op wetstechnisch correcte wijze vorm gegeven.

Onderdeel Aa van artikel XI dient te worden gelezen in samenhang met het nieuw ingevoegde artikel XXXVIIj, waarin de werking van artikel 3, tiende lid, van de TIP ten aanzien van betalingen over perioden voor 1 januari 1995 in stand wordt gehouden. Een en ander op overeenkomstige wijze als in artikel XXXVIII is geschiedt ten aanzien van de wijziging van artikel 4, onderdeel A, van de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960.

7. Artikel XIII

De nieuwe onderdelen F en G van artikel XIII betreffen artikel 30, tweede tot en met het vierde lid, van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps.

In het tweede en derde lid van het vorenbedoelde artikel 30 zijn bepalingen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van artikel 17 van het Pensioenreglement Nederlands-Nieuw-Guinea (Pensioenreglement NNG). Dat artikel 17 houdt in dat het pensioen ingevolge het Pensioenreglement NNG wordt beperkt in bepaalde gevallen van samenloop van dat pensioen met andere eigen pensioenen krachtens een andere pensioenregeling. Dit overeenkomstig de artikelen 69 en 98 van de toenmalige Pensioenwet 1922, alsmede de artikelen J 1a en J 2a van de Abp-wet, zoals die luidden op 31 december 1994.

Het vierde lid van artikel 30 van het Pensioenreglement NNG houdt in dat voor de toepassing van de voor het burgerlijk overheidspersoneel geldende pensioenwet, een pensioen overeenkomstig het Pensioenreglement NNG dat is toegekend of geacht wordt mede te zijn toegekend krachtens de Wet van 25 mei 1962, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea (Stb. 196), wordt aangemerkt als een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist anders dan ingevolge wettelijke geranties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling. Dit vierde lid was van belang voor de hierboven reeds genoemde artikelen van de Pensioenwet 1922 en Abp-wet en was voorts relevant voor de toepassing van artikel J 14 van de Abp-wet, zoals dat luidde op 31 december 1995. Het laatstgenoemde artikel beperkte in bepaalde gevallen van samenloop van pensioenen de zogenaamde inbouw van het AOW-pensioen en het pensioen ingevolge de Abp-wet.

In het verlengde van het ingevolge de Wet FVP/ABP vervallen van de artikelen J 1a en J 2a van de Abp-wet per 1 januari 1995, is het gewenst geacht te komen tot een overeenkomstige wijziging van de samenloopregeling van de pensioenen die overeenkomstig het Pensioenreglement NNG zijn toegekend of geacht worden mede te zijn toegekend krachtens de vorengenoemde wet van 25 mei 1962 (Stb. 196). Een wijziging van het Pensioenreglement NNG zelf is evenwel niet mogelijk, aangezien dat reglement is vastgesteld bij ordonnantie van de gouverneur van het toenmalige Nederlands-Nieuw-Guinea. Daarom wordt voorgesteld deze voor de belanghebbenden gunstige wijziging van de samenloopregeling inzake pensioenen neer te leggen in artikel 30 van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps, waarin de aanvullende bepalingen zijn neergelegd ten aanzien van de toepassing van de samenloopregeling van het Pensioenreglement NNG. Met het oog hierop wordt in het nieuwe onderdeel F van artikel XIII voorgesteld het tweede en derde lid van het laatstbedoelde artikel te vervangen door de bepaling dat met ingang van 1 januari 1995 geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17 van het Pensioenreglement NNG. Ingevolge artikel XLII verkrijgt onderdeel F van artikel XIII terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1995.

Omdat het vierde lid van artikel 30 van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps na het vervallen van de artikelen J 1a en J 2a van de Abp-wet nog van belang was voor de toepassing van artikel J 14 van die wet gedurende het jaar 1995, is in het nieuwe onderdeel F dat vierde lid gehandhaafd en genummerd tot derde lid. In het nieuwe onderdeel G van artikel XIII wordt vervolgens het ingevolge onderdeel F juncto artikel XLII met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1995 tot derde lid vernummerde vierde lid vervallen verklaard. Ingevolge artikel XLII verkrijgt onderdeel G terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1996.

8. Artikel XVIa

Bij de Wet van 27 juli 1960, houdende maatregelen met betrekking tot de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding (Stb. 314), werd het ABP gemachtigd een overeenkomst aan te gaan met de Stichting tot Verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau (Stichting pensioenen Koninklijke Hofhouding), overeenkomstig de bij die wet gevoegde tekst. In die overeenkomst verplichtte het ABP zich tot regeling, toekenning en uitbetaling van pensioenen aan het personeel van de koninklijke hofhouding of hun nagelaten betrekkingen op de voet van de Abp-wet. Op grond van deze wettelijk geregelde overeenkomst viel het personeel van de koninklijke hofhouding, evenmin als het personeel waarop de Abp-wet rechtstreeks van toepassing was, onder de wettelijke werknemersverzekeringen.

Nu het publiekrechtelijke ABP niet meer bestaat en de verplichtingen die voor het ABP voortvloeiden uit de vorenbedoelde overeenkomst met de Stichting pensioenen Koninklijke Hofhouding per 1 januari 1996 zijn overgegaan op de Stichting Pensioenfonds ABP, is het de vraag of de argumenten die destijds hebben geleid tot de conclusie dat de leden van het personeel van de koninklijke hofhouding geen werknemers zijn in de zin van de WAO, WW en ZW, thans nog valide zijn. Die vraag is in bevestigende zin beantwoord. Om die reden is er voor gekozen in de onderhavige wet van 27 juli 1960 alsnog een expliciete bepaling terzake op te nemen.

9. Artikel XVIb

De wijziging van de Wet van 6 juni 1991, houdende regels betreffende de aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel (Stb. 347), is een wetstechnische, die noodzakelijk is geworden omdat de terminologie «aan wie door het Rijk terzake van haar arbeidsovereenkomst invaliditeitspensioen is verzekerd» is verouderd.

10. Artikel XVIc

10.1. Onderdeel A. Artikel 24 van de Wet privatisering ABP is per 1 januari 1996 gewijzigd ingevolge artikel 11 van de Wet Stichting USZO. Daarbij is in het nieuwe tweede lid van het vorenbedoelde artikel 24 abusievelijk de term «vermogensbelasting» gehanteerd in plaats van «overdrachtsbelasting». Dit wordt thans hersteld.

10.2. Onderdeel B. De Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid voorziet met ingang van 1 augustus 1996 onder meer in toevoeging aan de AAW van de artikelen 20a tot en met 20g, 48a en 48b. De onderhavige wijziging van artikel 32, eerste lid, van de Wet privatisering ABP voorziet in de overeenkomstige toepassing van deze nieuwe bepalingen in het kader van de verstrekking van voorzieningen overeenkomstig de AAW aan overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers als bedoeld in dat artikel.

Verder beperkt de zinsnede «en de op de artikelen 57 tot en met 58 van die wet berustende bepalingen» in het huidige artikel 32, eerste lid, van de Wet privatisering ABP de overeenkomstige toepassing tot de op de artikelen 57, 57a en 58 van de AAW berustende bepalingen. Bij nader inzien is het gewenst om ook de op de artikelen 20, derde lid, en 48b van de AAW, zoals die wet komt te luiden na de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing te verklaren. Deze uitbreiding kan worden bereikt door de aangehaalde zinsnede te vervangen door de volgende: «de op de genoemde artikelen van die wet berustende bepalingen».

10.3. Onderdeel C. Ingevolge het huidige artikel 46, tweede lid, van de Wet privatisering ABP dient het FAOP een overeenkomst aan te gaan met de Stichting USZO betreffende de uitvoering door die stichting van de volgende regelingen:

– de WAO-conforme regeling, bedoeld in paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP;

– de AAW, wat betreft artikel 8, derde lid, van die wet;

– de Wet arbeid gehandicapte werknemers (WAGW).

Het FAOP blijft overigens als semi-bedrijfsvereniging verantwoordelijk voor die uitvoering.

Inmiddels is gebleken dat de huidige redactie van artikel 46, tweede lid, te beperkt is. Er is behoefte om meer van de in de Wet privatisering ABP geregelde taken van het FAOP als semi-bedrijfsvereniging te kunnen opdragen aan de Stichting USZO als uitvoeringsinstelling. De in de bestaande tekst reeds genoemde taken zijn in de voorgestelde nieuwe redactie van het tweede lid gehandhaafd in de onderdelen a, b en c. In plaats van artikelen van de Wet privatisering ABP te noemen, zijn thans de betreffende bepalingen van de AAW en de WAGW zelf vermeld.

Bij nader inzien is het gewenst dat de opdrachtverlening van het tweede lid ook uitdrukkelijk betrekking heeft op de volgende andere, in de Wet privatisering ABP geregelde taken van het FAOP:

– de opsporing van strafbare feiten, bedoeld in artikel 49 (hierbij uitgaande van de aanwijzing ingevolge dat artikel van onder meer personeelsleden van de Stichting USZO als personen die met die opsporing zijn belast);

– de vaststelling van de aanspraken ten aanzien van de zogenaamde oude gevallen, bedoeld in artikel 50, vierde lid;

– het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 51;

– de mogelijkheid van kostenverhaal op derden, bedoeld in artikel 76.

Deze taken zijn toegevoegd aan de omschrijving van het tweede lid in respectievelijk de onderdelen d, e, f en g.

Door de expliciete vermelding in het tweede lid van deze taken wordt voorts buiten twijfel gesteld dat de in dat lid genoemde goedkeuring van de overeenkomst door de Minister van Binnenlandse Zaken ook ziet op de uitbesteding van die taken aan de Stichting USZO.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in de voorgestelde tekst van artikel 46, tweede lid, niet meer wordt verwezen naar artikel 64. Dit omdat dat artikel ingevolge artikel 69, onderdeel C, en de totstandkoming van de Wet amber, is vervallen.

Wat betreft het derde lid van artikel 46 wordt het volgende opgemerkt. De overeenkomst tussen het FAOP en de Stichting USZO behoeft de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken. Thans is echter niet uitdrukkelijk geregeld dat eventuele wijzigingen, aanvullingen of herziening van de bedoelde overeenkomst eveneens diens goedkeuring behoeven. Evenmin is in de huidige tekst geregeld dat het vereiste van ministeriële goedkeuring ook betrekking heeft op overeenkomsten die de Stichting USZO met derden sluit inzake de uitbesteding van werkzaamheden die aan die stichting zijn opgedragen ingevolge de overeenkomst tussen het FAOP en de Stichting USZO. Gelet op de politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid van die minister voor de WAO-conforme regeling en de uitvoering daarvan, dient alsnog uitdrukkelijk te worden geregeld dat zijn goedkeuringsrecht ook betrekking heeft op de vorengenoemde situaties. Met het oog daarop is artikel 46, derde lid, opnieuw geredigeerd.

10.4. Onderdeel D. Tot 1 januari 1996, de datum van inwerkingtreding van de Wet privatisering ABP, werden door het ABP handelingen verricht met betrekking tot de bonus/malus-regeling en de loonkostensubsidie op grond van de AAW, zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van de Wet amber. Na de inwerkingtreding van de Wet amber verrichtte het ABP tot de intrekking van de Abp-wet handelingen met betrekking tot de loonkostensubidie op grond van artikel K 10 van de laatstgenoemde wet (materieel een overeenkomstige toepassing van de bepaling in de WAO terzake van de loonkostensubsidie inhoudende). Met ingang van 1 januari 1996 is het FAOP in de plaats getreden van het ABP wat de arbeidsongeschiktheidsregeling voor overheidswerknemers betreft. Voor zover op of na 1 januari 1996 nog handelingen verricht moeten worden met betrekking tot de bonus/malus-regeling of de loonkostensubsidie op grond van de AAW, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van de Wet amber, dan wel met betrekking tot artikel K 10 van de Abp-wet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Wet privatisering ABP, worden de bedoelde handelingen verricht door het FAOP. Dit op grond van artikel 51 van de Wet privatisering ABP.

Bij nader inzien is het nodig de tekst van artikel 51 van de Wet privatisering ABP bij te stellen. De huidige formulering van de aanhef juncto onderdeel c is te ruim, want die sluit niet uit dat het FAOP handelingen zou kunnen gaan verrichten met betrekking tot loonkostensubsidies die door bedrijfsverenigingen in de marktsector zijn verstrekt. Dit laatste is niet de bedoeling, aangezien uitsluitend is beoogd het FAOP de plaats van het voormalige ABP te laten innemen. Een en ander kan worden ondervangen door reeds in de aanhef van het onderhavige artikel met zoveel woorden te vermelden dat, voor zover het de in dat artikel bedoelde handelingen betreft, het FAOP in de plaats treedt van het ABP.

De bestaande formulering van onderdeel c levert nog een volgend probleem op. Die formulering heeft een tweetal niet beoogde effecten. In de eerste plaats maakt die formulering het onmogelijk voor het FAOP om handelingen te verrichten ten aanzien van de subsidieverstrekking op grond van artikel 59n, eerste lid, onderdeel b, van de AAW (thans artikel 62, eerste lid, onderdeel b, van de WAO), de zogenaamde «loonkostensubsidie eigen werkgever». In de tweede plaats sluit de formulering van onderdeel c van dit artikel («door het ABP bemiddeld») thans uit dat het FAOP subsidies verstrekt aan een overheidswerkgever met betrekking tot een door een bedrijfsvereniging bemiddelde werknemer. Beide effecten zijn bij de opstelling van artikel 51 niet beoogd. Voorgesteld wordt dan ook de formulering van onderdeel c van dit artikel (mede in combinatie met de formulering van de aanhef) zodanig aan te passen dat de bedoelde effecten ongedaan gemaakt worden.

Voorts was in de omschrijving van de onderdelen a, b en c van artikel 51 van de Wet privatisering ABP nader bezien onvoldoende rekening gehouden met de Wet amber. Het betreft namelijk de toepassing van AAW-bepalingen zoals die luidden voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van de Wet amber. De tekst van die onderdelen is in die zin aangevuld.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in onderdeel d alsnog aan te geven dat het artikel K 10 van de Abp-wet betreft zoals dat luidde op 31 december 1995.

10.5. Onderdeel E. Ingevolge artikel 11, onderdeel 11, van de Wet Stichting USZO is artikel 54 van de Wet privatisering ABP vervallen. Artikel 11 van de Wet Stichting USZO is bij nota van wijziging in het desbetreffende wetsvoorstel ingevoegd. Bij het opstellen van die nota van wijziging is uitgegaan van het voorstel van de Wet privatisering ABP zoals dat na nota van wijziging (Kamerstukken II 1995/96, 24 205, nr. 8) zou komen te luiden. Ten gevolge van de latere aanpassing van de nummering van de artikelen in het voorstel van de Wet privatisering ABP is de verwijzing in de Wet Stichting USZO naar artikel 54 niet in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoeling; bedoeld werd de bepaling van artikel 53 van de Wet privatisering ABP te laten vervallen. Dit wordt alsnog geregeld.

Het vervallen van artikel 54 van de Wet privatisering ABP, dat oorspronkelijk niet werd beoogd, behoeft niet te worden hersteld. Dat artikel bevatte een voorziening voor het geval dat de sociale partners in de overheidssector niet tijdig tot overeenstemming zouden kunnen komen over de nieuwe pensioenregeling. Die situatie heeft zich, zoals bekend is, niet voorgedaan.

10.6. Onderdeel F. Gebleken is dat er behoefte bestaat aan een overgangsregeling inzake de goedkeuring door het Ctsv van besluiten van het FAOP inzake zijn taken bij de uitvoering van de WAO-conforme regeling. Zowel het FAOP als, namens het FAOP, de Stichting USZO hebben voor 1 januari 1996 terzake besluiten genomen die per die datum in werking zijn getreden zonder dat zij voorafgaand zijn goedgekeurd door het Ctsv. Het voorgestelde artikel 66a treft alsnog een regeling inzake de rechtsgeldigheid van die besluiten; zij kunnen in werking treden zonder de voorafgaande toestemming van het Ctsv.

Het voorgaande neemt niet weg dat de in artikel 66a, eerste lid, bedoelde besluiten van het FAOP wel op enig moment de goedkeuring dienen te verkrijgen van het Ctsv. In die zin wordt geen afbreuk gedaan aan artikel 68a van de Osv. Daarom is in het voorgestelde artikel 66a van de Wet privatisering ABP een termijn gesteld. De goedkeuring van het Ctsv voor deze besluiten dient voor 1 januari 1997 te worden verkregen.

Indien het Ctsv goedkeuring onthoudt aan een door het FAOP voorgelegd besluit, heeft die weigering van goedkeuring op grond van het tweede lid geen effect voor handelingen van het FAOP op grond van het betreffende besluit die zijn verricht voor de datum van de desbetreffende beslissing van het Ctsv. De onthouding van goedkeuring heeft, anders gezegd, geen terugwerkende kracht. Wel dient het FAOP ten gevolge van de onthouding van goedkeuring een nieuw besluit te nemen, dat opnieuw ter goedkeuring dient te worden voorgelegd aan het Ctsv.

Dit laatste is ook aan de orde indien het Ctsv niet voor 1 januari 1997 zijn goekeuring hecht aan een besluit van het FAOP. De rechtsgeldigheid van een dergelijk besluit vervalt op die datum van rechtswege. Het FAOP dient alsdan opnieuw in de desbetreffende aangelegenheid te voorzien.

11. Artikel XVId

11.1. Onderdeel A en onderdeel B, onder 2. Deze wijzigingen van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel betreffen in het bijzonder de situatie dat een publiekrechtelijke instelling privatiseert, dan wel de aanwijzing van een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Wet privatisering ABP of van een B 3-lichaam als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van die wet wordt ingetrokken. Het is ongewenst dat in zo'n geval zonder meer een einde zou komen aan de financiële verplichtingen van overheids- of andere instellingen terzake van vut-lasten wegens vervroegd uittreden van (gewezen) personeel van de desbetreffende instelling.

De wijzigingen van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel die zijn opgenomen in artikel XVId, onderdeel A en onderdeel B, onder 2, voorzien in de voortzetting van de vorenbedoelde financiële verantwoordelijkheid. Onderdeel A heeft daarbij betrekking op vut-lasten die zijn ontstaan uit een vut-overeenkomst. Onderdeel B, onder 2, betreft de lasten die zijn ontstaan uit de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden.

11.2. Onderdeel B, onder 1 en 3. Mede om tot uitdrukking te doen komen dat de financiering van de vut-lasten bedoeld in artikel 9, derde en vierde lid, van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel (overgangslasten) zal plaatsvinden volgens het bij de Wet FVP/ABP geregelde omslagstelsel, zijn begrippen uit die wet gebruikt. Omdat die wet verwijst naar begrippen uit de Abp-wet en de laatstgenoemde wet is ingetrokken bij de Wet privatisering ABP, wordt artikel 9, derde, vierde, vijfde en achtste lid, van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel aangepast aan de terminologie die overigens wordt gehanteerd in die wet.

12. Artikel XVIe

In de Wet privatisering RBB is nog geen rekening gehouden met de privatisering van het ABP en zijn in artikel 6 bepalingen opgenomen inzake de pensioenaanspraken ingevolge de Abp-wet van het personeel dat bij de privatisering is betrokken. Nu de Abp-wet is ingetrokken en de onderhavige pensioenaanspraken een privaatrechtelijk basis hebben, bestaat geen behoefte meer aan een specifieke wettelijke regeling van de eventuele overdracht van pensioenverplichtingen van het ABP naar een andere instelling. De Pensioen- en spaarfondsenwet stelt regels terzake.

13. De artikelen XVIIIa tot en met XVIIIe

In de artikelen XVIIIa tot en met XVIIIe wordt een aantal onderwijswetten gewijzigd met het oog op het verdwijnen van het herplaatsingswachtgeld, bedoeld in artikel K 4, tweede lid, van de Abp-wet bij de intrekking van die wet. Bij de invoering van de WAO-conforme uitkering ingevolge paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP, is voor niet volledig arbeidsongeschikt geworden overheidswerknemers in hun onderscheiden rechtspositieregelingen in het algemeen in plaats van het herplaatsingswachtgeld een nieuwe uitkeringsregeling tot stand gebracht. Deze regeling is de zogenaamde suppletieregeling. Deze is ook voor het personeel van de onderwijssector tot stand gebracht. Verwezen wordt naar het Besluit van 21 december 1995, houdende vaststelling van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel en wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, het Kaderbesluit rechtspositie HBO, het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en het Besluit werkloosheid onderwijs en onderzoekpersoneel (Stb. 703). De verwijzing naar het herplaatsingswachtgeld in de in de onderhavige artikelen genoemde wetten dient aan de nieuwe situatie te worden aangepast.

14. Artikel XXI

14.1. Algemeen. Artikel XXI van het wetsvoorstel betreft wijzigingen van de Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet). Het merendeel van de bij deze nota in punt 7 aangebrachte wijzigingen op de oorspronkelijk voorgestelde wijzigingen betreffen wetstechnische aanpassingen en verbeteringen die noodzakelijk zijn geworden ingevolge eerdere wetswijzigingen. Het gaat hierbij om de punten 8.2. tot en met 8.5, 8.7 tot en met 8.12, alsmede punt 8.15.

14.2. Punt 8.6. De wijziging van artikel XXI, onderdeel P, maakt een omissie ongedaan terzake van de aanpassing van pensioenen. Alsnog wordt het in artikel L 1, vierde lid, van de Amp-wet mogelijk gemaakt om de aanpassing van pensioenen met terugwerkende kracht te doen plaatsvinden.

14.3. Punt 8.13. De wijziging van artikel XXI, onderdeel RR, betreft het herstel van een te verstrekkende wijziging. Ingevolge het aanvankelijk voorgestelde onderdeel RR zou artikel W 2 van de Amp-wet komen te vervallen. De bepaling inzake de beslistermijn op bezwaarschriften dient evenwel te worden gehandhaafd met het oog op de pensioenen die anders dan ingevolge een pensioenreglement worden toegekend.

14.4. Punt 8.14. De wijziging van artikel XXI, onderdeel SS, brengt de nieuwe tekst van artikel W 4 van de Amp-wet in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht wat betreft het in kennis stellen van de gronden waarop een beslissing steunt.

15. Artikel XXV

15.1. Algemeen. De tekst van artikel XXV wordt vervangen door een gewijzigde tekst, aangezien de oorspronkelijke onderdelen A en B wijzigingen van de Osv inhielden die reeds waren aangebracht ingevolge artikel 66 van de Wet privatisering ABP. Daaraan was abusievelijk voorbijgegaan. Het oorspronkelijke onderdeel C is gehandhaafd als onderdeel B.

15.2. Onderdeel A. In artikel 68a, eerste lid, van de Osv (ingevoegd in die wet bij artikel 66 van de Wet privatisering ABP) is onder meer opgenomen dat de artikelen in hoofdstuk VI, paragraaf 2, van de Osv van overeenkomstige toepassing zijn op het FAOP bij de uitoefening van zijn in artikel 46, eerste lid, van de Wet privatisering ABP omschreven taak. Hoofdstuk VI, paragraaf 2, van de Osv betreft de budgetten voor de uitvoeringskosten. Voortschrijdend inzicht heeft inmiddels geleerd dat het geen aanbeveling verdient deze paragraaf van hoofdstuk VI van de Osv integraal van overeenkomstige toepassing te verklaren. Die toepassing zou, indien daaraan zou worden vastgehouden, leiden tot de onwenselijke situatie dat het budget voor uitvoeringskosten van het FAOP terzake van de WAO-conforme regeling vastgesteld zou worden door het Tica, met overeenkomstige toepassing van artikel 82, derde lid, van de Osv juncto de artikelen 79, derde lid, en 83, derde lid, van die wet. De uitgaven van het FAOP terzake van de WAO-conforme regeling worden ingevolge artikel 21, tweede lid, onderdeel c, van de Wet FVP/ABP door het FAOP zelf bijeengebracht en beheerd. Het Tica heeft daarbij geen rol. Het ligt dan ook niet voor de hand om de budgetvaststelling terzake van uitvoeringskosten van het FAOP uit hoofde van de WAO-conforme regeling te laten plaatsvinden door het Tica. Die budgetvaststelling is een zaak van het FAOP zelf, met inachtneming van de in artikel 49 van de Wet FVP/ABP vervatte procedure.

Van paragraaf 2 van hoofdstuk VI van de Osv kan bij nader inzien dan ook alleen artikel 85, eerste lid, betreffende de toerekening van de uitvoeringskosten van het Ctsv aan de uitvoeringsinstanties, van overeenkomstige toepassing zijn. Het wordt in dat kader als zuiverder beschouwd om de tekst van artikel 68a, eerste lid, van de Osv dienovereenkomstig aan te passen, dan de uitzondering terzake op te nemen in de op het vierde lid van dat artikel berustende algemene maatregel van bestuur.

Artikel 68a, eerste lid, van de Osv wordt verder aangepast in verband met de gewijzigde redactie van artikel 46, tweede lid, van de Wet privatisering ABP. De overeenkomstige toepassing van de in artikel 68a, eerste lid, van de Osv genoemde bepalingen betreft uitsluitend de in artikel 46, eerste lid, van de Wet privatisering ABP omschreven taak van het FAOP, te weten de uitvoering van de WAO-conforme regeling.

16. Artikel XXVII

16.1. Onderdeel A. Onderdeel A is in zijn geheel vervangen omdat het gestelde onder 1 en 2 niet adequaat is gebleken. De wijziging van artikel 1, onderdeel b, onder 2e, van de WAGW was niet volledig. De terminologie «algemeen invalide» correspondeert met bepalingen van de ingetrokken Abp-wet, zodat die terminologie niet meer dient te worden gehanteerd.

De oorspronkelijke wijziging van onderdeel b, onder 3e, van dat artikel hield er geen rekening mee dat ten aanzien van overheidswerknemers geen sprake is van toepassing van de voorzieningenregeling van de AAW, maar van overeenkomstige toepassing daarvan. Daarom dient de zinsnede inzake de overeenkomstige toepassing van de bepalingen in de AAW betreffende voorzieningen te worden ingevoegd.

16.2. Onderdeel B. Onderdeel B dient te vervallen. In het wetsvoorstel was geen rekening gehouden met de Wet van 10 juli 1995 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en andere wetten in verband met de afschaffing van de verplichtingen om advies te vragen over algemene beleidsvoornemens van de rijksoverheid, waaronder regelgeving, en het stellen van een dwingende termijn aan advisering (afschaffing adviesverplichtingen) (Stb. 355). Ten gevolge van die wet is het in onderdeel B beoogde derde lid van artikel 3 van de WAGW reeds vervallen.

16.3. Onderdeel Da. In het wetsvoorstel was abusievelijk voorbijgegaan aan artikel 10, onderdeel b, van de WAGW.

16.4. Onderdeel F. In het wetsvoorstel was nog geen rekening gehouden met het derde lid van artikel 16 van de WAGW, dat ingevolge de Wet amber is ingevoegd. Ook in dat lid dient de zinsnede «het Algemeen burgerlijk pensioenfonds» te worden vervangen.

17. Artikel XXXII

Artikel XXXII is vervangen omdat het in het wetsvoorstel bedoelde voorstel van wet houdende nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen) inmiddels in het Staatsblad is geplaatst en in werking is getreden. Tevens is meer precies aangegeven dat de wijziging het tweede lid van artikel 37 van de Wet financiering volksverzekeringen betreft.

18. Artikel XXXIII

Artikel XXXIII is vervangen omdat de in het wetsvoorstel bedoelde, te vervangen zinsnede «Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, de directie van het Spoorwegpensioenfonds» inmiddels is gewijzigd in «Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds» ingevolge artikel XIX van de Wet van 21 december 1995 tot nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen) (Stb. 691).

19. Artikel XXXVIIa

Ingevolge de Wet amber is in de WAO een nieuw artikel 62 ingevoegd. Daarbij was nog geen rekening gehouden met de Wet privatisering ABP. Dit wordt door middel van de invoeging van het nieuwe artikel XXXVIIa gecorrigeerd.

20. Artikel XXXVIIb

In het wetsvoorstel is voorbijgegaan aan artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. Dit wordt hersteld.

21. Artikel XXXVIIc

In artikel XVI van de Wet amber is de overdracht van de financiering van de bonus/malus-regeling van het AAf naar het Aof geregeld. Deze overdracht is beperkt gebleven tot de toepassing van de bonus/malus- regeling in de marktsector. Bij de opstelling van de Wet amber is verzuimd een soortgelijke bepaling op te nemen ten aanzien van de financiering van de bonus/malus-regeling in de overheidssector. Vandaar dat in deze nota van wijziging voorgesteld wordt een met artikel XVI, eerste en tweede lid, van de Wet amber vergelijkbare regeling op te nemen ten aanzien van het FAOP. Deze regeling is opgenomen in het voorgestelde derde en vierde lid van dat artikel.

In het kort komt de voorgestelde financieringsregeling er op neer dat het FAOP, evenals het Aof in de marktsector, de lasten en lusten van de bonus/malus-regeling overneemt van het AAf voor zover het de toepassing van die regeling binnen de overheidssector (uitgezonderd militairen) betreft.

22. Hoofdstuk IXa

Bij wet van 13 december 1990 (Stb. 641) is de welvaartsvastheid van de buitengewone pensioenen en uitkeringen in de wetten voor oorlogsgetroffenen op overeenkomstige wijze geregeld als in artikel L 1 van de Amp-wet voor de militaire pensioenen wegens dienstinvaliditeit. Op 31 oktober 1995 ging de Eerste Kamer akkoord met het wetsvoorstel tot herziening van het aanpassingssysteem in de wetten voor oorlogsgetroffenen, waarbij dat systeem werd herzien op overeenkomstige wijze als de wijziging van artikel L 1 van de Amp-wet ingevolge de Wet FVP/ABP (Kamerstukken I, 1994/95, 24 115, nr. 349). De wijziging van artikel L 1 van de Amp-wet, zoals voorgesteld onder artikel XXI, brengt thans eveneens een wijziging van de indexatiebepaling in de wetten voor oorlogsgetroffenen met zich.

In afwijking van de voorgestelde wijziging van artikel L 1 van de Amp-wet wordt wat betreft de wetten voor oorlogsgetroffenen het huidige indexatiesysteem ook voor toekomstige pensioen- of uitkeringsgerechtigden onder de oorlogsgetroffenen gehandhaafd. In de voorgestelde indexatiebepalingen voor de wetten voor oorlogsgetroffenen wordt daarom verwezen naar artikel 10 van de Wet privatisering ABP, in welke bepaling de aanpassing van de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen is geregeld. Deze aanpassing vindt plaats overeenkomstig het huidige artikel A 8 van de Abp-wet. Zo is vastgelegd dat het indexatiesysteem voor de toekomstige pensioen- of uitkeringsgerechtigden ingevolge de wetten voor oorlogsgetroffenen, na de privatisering van de overheidspensioenen niet als indirect gevolg van sectorspecifieke afspraken tussen de sociale partners in de diverse overheidssectoren kan worden gewijzigd. De reden voor deze consolidatie is dat de aantallen aanvragen om een buitengewoon pensioen of uitkering wegens invaliditeit in verband met de Tweede Wereldoorlog jaarlijks snel afnemen. Het vooruitzicht dat er een eind komt aan de aanvragen rechtvaardigt niet meer dat er een opening voor mogelijke systeemwijzigingen in de toekomst wordt gemaakt. Een andere overweging is dat de oorlogsgetroffenen uiteraard niet zijn vertegenwoordigd in het overleg van de sociale partners over de arbeidsvoorwaarden en pensioenen bij de overheid.

Een tweede punt van verschil met artikel L 1 van de Amp-wet is dat de aanpassing van de oorlogspensioenen en uitkeringen zo nodig terugwerkende kracht tot en met de ingangsdatum van de algemene bezoldigingswijziging heeft, indien het een verhoging is. Bij de behandeling van het reeds genoemde wetsvoorstel tot herziening van het aanpassingssysteem in de wetten voor oorlogsgetroffenen, heeft de Tweede Kamer met algemene stemmen de amendementen van het lid Middel c.s. aanvaard, waarbij in de indexatiebepaling in de wetten voor oorlogsgetroffenen de terugwerkende kracht werd uitgesloten voor verlaging van de pensioenen en uitkeringen (Kamerstukken II, 1994/95, 24 115, nr.6).

23. Artikel XXXVIIi

Het in hoofdstuk X (overgangs- en slotbepalingen) toegevoegde artikel XXXVIIi houdt verband met het vervallen van artikel 12, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (zie de door middel van deze nota van wijziging opgenomen wijziging in artikel IV, onderdeel B). Deze overgangsbepaling bevat het overgangsrecht voor de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht, waarover overeenstemming is bereikt met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Door dit overgangsrecht wordt verzekerd dat artikel 12, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie gelding behoudt voor de categorie van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren die voor de inwerkingtreding van deze wet (hetgeen een later tijdstip is dan 1 januari 1996, de datum tot welke deze wet terugwerkende kracht verkrijgt) zijn ontslagen of te wiens aanzien de ontslagprocedure reeds in gang is gezet. Dit betekent dat het herkeuringsregime (voorheen de artikelen F 10 en F 10a van de Abp-wet; met ingang van 1 januari 1996 de WAO- conforme regeling ingevolge de Wet privatisering ABP) voor hen buiten toepassing blijft. Op nieuwe gevallen is dat regime uiteraard wel van toepassing.

24. Artikel XXXVIIj

Wat betreft het vervallen van artikel 3, tiende lid, van de TIP dient te worden zekergesteld dat de tekst van die wet zoals die luidde op 31 december 1994 blijft gelden ten aanzien van de uitbetaling betreffende een periode voor 1 januari 1995 van pensioenen of uitkeringen waarop die wet betrekking heeft.

25. Artikel XXXVIII

Artikel XXXVIII dient te worden aangepast in verband met de omstandigheid dat de voorgestelde Aanpassingswet privatisering ABP later dan aanvankelijk werd voorzien in werking kan treden. Bovendien is een redactionele wijziging aangebracht, omdat is gebleken dat de oorspronkelijk voorgestelde tekst tot misverstanden aanleiding gaf. Om die reden is gepoogd te verduidelijken dat de in dat artikel bedoelde betalingen als zodanig betrekking dienen te hebben op een periode die is gelegen voor 1 januari 1996.

26. Artikel XXXIX

De oorspronkelijke tekst van artikel XXXIX is als eerste lid genummerd en redactioneel aangepast overeenkomstig artikel XXXVIII.

In het nieuwe tweede lid is ten aanzien van de wijziging van artikel 30, tweede en derde lid, van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps ingevolge artikel XIII, onderdeel F, zekergesteld dat de tekst van die wet, zoals die luidde op 31 december 1994, blijft gelden ten aanzien van de uitbetaling betreffende een periode voor 1 januari 1995 van pensioenen van gewezen leden van het Bijstandkorps.

27. Artikel XLI

Artikel XLI is redactioneel gewijzigd omdat de verwijzing naar artikel 56 van de Wet privatisering ABP niet meer correct was, terwijl voorts inmiddels duidelijk is geworden dat toepassing is gegeven aan de bepaling van het bedoelde artikel 55 van die wet.

Volledigheidshalve wordt hierbij aangetekend dat de verwachting bestaat dat binnen afzienbare tijd een overeenkomst betreffende de militaire nabestaandenpensioenen tot stand zal worden gebracht.

28. Artikel XLIa

Artikel XLIa is ingevoegd in verband met de invoeging van artikel XXXVIIa, waarin een wijziging is opgenomen van artikel 62 van de WAO. Voorkomen dient te worden dat de aanspraken van hen die voor 1 januari 1996 zijn bemiddeld door het ABP door die wijziging zouden worden aangetast. Artikel XLIa voorkomt een dergelijke aantasting.

29. Artikel XLII

Het wetsvoorstel dient in verband met de intrekking van de Abp-wet per 1 januari 1996 in beginsel terugwerkende kracht te hebben tot en met die datum. Voor zover het gaat om correcties van wettelijke regelingen, dient in beginsel ook te worden uitgegaan van die terugwerkende krecht.

Ook tegen terugwerkende kracht van de meer inhoudelijke artikelen IV, IVa en XXXVIIi bestaat geen bezwaar, alleen al omdat reeds op 21 november 1995 in het kader van het Sectoroverleg met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is overeengekomen een dergelijke regeling per 1 januari 1996 in te voeren. Bovendien zou onmiddellijke werking betekenen dat bij voorbeeld een rechter die voor de inwerkingtreding van deze regeling – dus volgens oud recht –, maar na 31 december 1995 wordt ontslagen wegens ziekte, invaliditeitspensioen zou mislopen. Het oude invaliditeitspensioen op grond van de Abp-wet bestaat immers niet meer en het nieuwe, dat aan een WAO-conforme uitkering is gekoppeld, zou zonder terugwerkende kracht voor hem niet gelden.

Er is een aantal uitzonderingen wat betreft de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1996.

Artikel X, onderdeel E, dient terugwerkende kracht te verkrijgen tot en met 1 januari 1995. Dit omdat het te wijzigen artikel 39 van de Wet FVP/ABP de financiële verhouding tussen het FAOP en het ABP in het jaar 1995 betreft.

Artikel X, onderdeel J, betreft een aanpassing van artikel 65 aan het vervallen van de artikelen 5, 6 en 7 van die wet ingevolge het onderhavige wetsvoorstel en van artikel 15 van die wet ingevolge de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel. Omdat artikel 65 van de Wet FVP/ABP per 1 maart 1996 reeds is gewijzigd ingevolge de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte, is er voor gekozen onderhavig onderdeel niet te laten terugwerken tot en met 1 januari 1996, maar tot en met 1 maart 1996. Dit kan zonder bezwaar, omdat het in artikel 65 van de Wet FVP/ABP gaat om een procedureel voorschrift ten aanzien van ministeriële regelen op basis van de in dat artikel genoemde artikelen van die wet. Dat voorschrift is zonder betekenis ten aanzien van daar genoemde artikelen die reeds vervallen zijn.

Artikel XI, onderdeel Aa, betreft – zoals hierboven in de toelichting op dat artikel reeds is uiteengezet – een aanpassing van de TIP aan een wijziging van de Abp-wet per 1 januari 1995. Daarom dient die aanpassing een terugwerkende kracht te verkrijgen tot en met 1 januari 1995.

Artikel XIII, onderdeel F, houdt eveneens verband met de vorenbedoelde wijziging van de Abp-wet, zodat ook de in dat onderdeel bedoelde wijziging van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps dient terug te werken tot en met 1 januari 1995.

Artikel XVIc, onderdeel B, dient terugwerkende kracht te verkrijgen tot en met 1 augustus 1996. Dit is de datum van inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, waarmee de in dit onderdeel opgenomen wijziging van de Wet privatisering ABP verband houdt.

Artikel XVIe dient terugwerkende kracht te verkrijgen tot en met 22 mei 1996, zijnde de datum waarop de Wet privatisering RBB in werking is getreden.

Artikel XXXVIIj houdt het overgangsrecht in inzake de wijziging van de TIP ingevolge artikel XI, onderdeel Aa. Artikel XXXVIIj dient derhalve dezelfde terugwerkende kracht te verkrijgen als die wijziging, dat wil zeggen tot en met 1 januari 1995.

Ten slotte artikel XXXIX, tweede lid, dat het overgangsrecht inhoudt inzake de wijziging van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps ingevolge artikel XIII, onderdeel F. De laatstgenoemde bepaling werkt terug tot en met 1 januari 1995, zodat datzelfde dient te gelden voor artikel XXXIX, tweede lid.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal