Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199724441 nr. 6

24 441
Aanpassing van een aantal wetten in verband met de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Aanpassingswet privatisering ABP)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 september 1996

Op 31 oktober 1995 heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken haar verslag uitgebracht. Hoewel het op zichzelf beschouwd wenselijk zou zijn geweest om de voorgestelde Aanpassingswet privatisering ABP tegelijkertijd met de Wet privatisering ABP in werking te doen treden, zijn de in dat wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van dien aard dat een latere inwerkingtreding van de Aanpassingswet privatisering ABP niet bezwaarlijk is. Daarom is er voor gekozen om, toen ten tijde van de ontvangst van het verslag bleek dat meer wetswijzigingen in verband met de privatisering van het ABP noodzakelijk waren, de nota naar aanleiding van het verslag aan te houden en gelijktijdig met een nota van wijziging in te dienen.

De leden van de CDA-fractie vroegen waarom de verwijzing in artikel X, onderdeel G, exclusief is toegespitst op de overheidswerknemers die in de sector Defensie werkzaam zijn.

In onderdeel G van artikel X wordt artikel 66 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP (Wet FVP/ABP) gewijzigd. Ingevolge dat artikel is de beroepsmilitair een premie, bijdrage of vergoeding verschuldigd ter grootte van het vut-bijdrageverhaal dat op het salaris van de burgerlijke overheidswerknemer wordt ingehouden. Achtergrond voor deze bepaling is dat in de Wet FVP/ABP een nieuwe regeling inzake de financiering van de vut-uitkeringen is neergelegd, in welk kader van het burgerlijk overheidspersoneel een bijdrage aan die financiering wordt gevraagd in de vorm van het vut-bijdrageverhaal. Het is wenselijk geoordeeld om geen verschil in inkomenspositie te laten ontstaan tussen enerzijds het burgerlijk overheidspersoneel en anderzijds de beroepsmilitairen, terwijl een bijdrage van de beroepsmilitairen aan de financiering van de voor het burgerlijk overheidspersoneel geldende vut-regeling is afgewezen. Gekozen is toen voor de introductie van een aparte inhouding voor beroepsmilitairen.

Nu in verband met de privatisering van het ABP tevens een nieuwe regeling inzake de vut tot stand is gebracht en de mogelijkheid is geopend dat sectorale vut-regelingen worden overeengekomen, dient ook ten aanzien van de specifiek voor beroepsmilitairen geldende inhouding rekening te worden gehouden met die sectoralisatie van de vut-regeling. Daarom is er voor gekozen de vorenbedoelde inhouding voor militairen te koppelen aan het vut-bijdrageverhaal op de bezoldiging van de burgerlijke overheidswerknemers van de sector Defensie.

Een en ander houdt in dat zolang een centrale vut-regeling voor het overheidspersoneel geldt, de beroepsmilitairen met een inhouding worden geconfronteerd die gelijk is aan het vut-bijdrageverhaal op de bezoldiging van het burgerlijk overheidspersoneel, inclusief dat personeel van de sector Defensie. Indien evenwel zou worden gekozen voor sectorale vut-regelingen, blijft door de voorgestelde wijziging van artikel 66 van de Wet FVP/ABP voor de inhouding voor beroepsmilitairen de aansluiting bij het vut-bijdrageverhaal voor het burgerlijk Defensiepersoneel gehandhaafd. Daardoor wordt bewerkstelligd dat binnen de sector Defensie de netto-inkomensontwikkeling van de onderscheiden groepen van personeel niet uit elkaar gaat lopen in verband met verschillen in vut-bijdragen tussen de onderscheiden sectoren.

De leden van de CDA-fractie vroegen voorts wanneer het nieuwe financieringsmodel van het GBA-netwerk is te verwachten en wat (globaal) de financiële consequenties zijn voor de Stichting Pensioenfonds ABP.

Het streven is er op gericht het nieuwe financieringsmodel in het voorjaar van 1997 in te voeren. De grondslag voor dit nieuwe financieringsmodel zal worden opgenomen in het voorstel van wet tot instelling van een beheerorganisatie GBA, dat zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

Wat betreft de gevolgen van de in de voorgestelde Aanpassingswet privatisering ABP opgenomen aanpassing geldt, zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, dat de positie van de Stichting Pensioenfonds ABP materieel niet verschilt van die van het ABP voor privatisering.

In het toekomstige financieringsmodel zal het thans in artikel 5 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens gemaakte onderscheid in toerekening van kosten naar enerzijds gemeenten, Rijk en (Stichting Pensioenfonds) ABP en anderzijds de overige gebruikers van het GBA-netwerk, naar verwachting worden opgeheven. Voor iedere gebruiker van het GBA-netwerk zal dan gelden dat hij betaalt naar rato van de berichten die ten behoeve van hem over het netwerk zijn verzonden. Gelet op de fase van voorbereiding van het nieuwe financieringsmodel kan op dit moment nog geen concrete informatie worden gegeven over de financiële gevolgen van het nieuwe model voor individuele gebruikers van het GBA-netwerk.

Ten slotte vroegen de leden van de CDA-fractie naar de positie van militairen in de situatie dat zij recht hebben op zowel een overheidspensioen als een pensioen in de private sector. Zij wensten te vernemen of rekening is gehouden met het feit dat sommige militairen deels als militair deels als burger pensioen hebben opgebouwd, daardoor in een aantal gevallen meer dan 40 dienstjaren hebben opgebouwd, en daardoor meer gekort worden dan anderen die niet in een dergelijke positie verkeren.

Het maximum van 40 dienstjaren dat werd gehanteerd voor de berekening van het ouderdomspensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) had betrekking op het ouderdomspensioen waarop uitsluitend ingevolge die wet aanspraak bestond. Dat maximum had geen betrekking op de situatie dat er sprake was van samenloop van een ouderdomspensioen ingevolge de Abp-wet met een pensioen krachtens een andere regeling in de overheidssector. Voor die samenloop gold tot 1 januari 1995 de bepaling dat het pensioen ingevolge de Abp-wet werd beperkt indien het bedrag van de verschillende pensioenen gezamenlijk een bepaald bedrag (grensbedrag) zou overschrijden. De desbetreffende bepaling in de Abp-wet (artikel J 1a) is ingevolge de Wet FVP/ABP komen te vervallen. De Abp-wet kende geen bepaling die in het geval van samenloop van een ouderdomspensioen ingevolge die wet met een ouderdomspensioen ingevolge een regeling in de particuliere sector, het ouderdomspensioen ingevolge de Abp-wet beperkte.

In de Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet) zijn overeenkomstige bepalingen ten aanzien van het maximum aantal voor pensioen geldige dienstjaren en het maximum bedrag bij samenloop van pensioenen in de overheidssfeer opgenomen als die in de inmiddels ingetrokken Abp-wet. De bepaling inzake het grensbedrag in artikel J 1a van de Amp-wet is evenals artikel J 1a van de Abp-wet ingevolge de Wet FVP/ABP komen te vervallen.

Voor de burgerlijke overheidswerknemers is met de inwerkingtreding van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP ten aanzien van de diensttijd na 31 december 1995 het maximum van 40 dienstjaren voor de berekening van het ouderdomspensioen komen te vervallen. In het verlengde daarvan is ten aanzien van beroepsmilitairen in de voorgestelde Aanpassingswet privatisering ABP in artikel XXI eveneens voorzien in het laten vervallen van dat maximum. Gewezen wordt op de onderdelen F en G.

Gezien het voorgaande kan worden vastgesteld dat na de privatisering van het ABP de beroepsmilitairen wat betreft hun ouderdomspensioenen niet in een ongunstiger positie zijn komen te verkeren dan de burgerlijke overheidswerknemers.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal