nr. 22
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 19 maart 1996
Bij brief van 22 februari 1996 (zie bijlage) verzoekt de vaste commissie
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer mij een nadere
uitwerking te doen toekomen van de tijdens de Eerste Kamerbehandeling
van de Wulbz gedane toezeggingen. Voorts verzoekt deze commissie in
te gaan op andere vragen die tijdens die behandeling niet beantwoord konden
worden.
Vooropgesteld zij dat met de maatregelen vervat in de wetten Amber en
Bia een veel omvattend pakket van flankerende maatregelen bij de wijzigingen
op het terrein van de ziekte en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is geboden.
In aanvulling daarop worden op dit moment de hierna genoemde maatregelen onderzocht
en uitgewerkt.
Voor wat betreft de diverse toezeggingen deel ik u mee dat de ambtelijke
uitwerking daarvan ter hand is genomen. De meeste onderwerpen zijn overigens
nog in een voorbereidend stadium. Deze brief moet dan ook worden beschouwd
als een tussenstand van de in gang gezette projecten.
Tijdens de mondelinge behandeling heb ik toegezegd met de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overleg te zullen treden over de problematiek
van de tweedeling in de zorg, teneinde na te gaan of er zich op dit terrein,
in relatie tot de wet Wulbz, problemen voordoen. De stand van zaken bij deze
toezegging is als volgt. Bij de behandeling van de Wulbz is naar voren gebracht
dat werkgevers en verzekeraars zouden kunnen gaan zoeken naar mogelijkheden
om werknemers versneld een behandeling in de gezondheidszorg te laten ondergaan
teneinde hen weer snel te reïntegreren. Dergelijke initiatieven mogen
in geen geval leiden tot een verslechtering in de toegang tot de zorg voor
andere wachtenden op een medische behandeling. De KNMG heeft een conferentie
belegd met alle betrokken partijen (werkgevers, werknemers, patiëntenorganisaties,
artsenorganisaties en verzekeraars) om te komen tot een referentiekader voor initiatieven gericht op het beperken van de wachttijden in de
zorg. Daarin komen de partijen spelregels overeen over wat wel en niet kan
met betrekking tot dergelijke initiatieven. Dit referentiekader wordt thans
besproken in de achterbannen van de betrokken maatschappelijke organisaties.
De KNMG zal het referentiekader begin april aan de Minister van VWS aanbieden,
waarna het kabinet een standpunt zal innemen. De Kamer zal beide stukken dan
ontvangen.
Een tweede toezegging betrof een nader bezien van de mogelijkheid voor
bedrijven om eigen-risicodrager te worden voor de vangnetvoorziening. Deze
mogelijkheid wordt thans onderzocht. Op korte termijn verwacht ik hierover
meer helderheid te kunnen verschaffen.
Een derde punt dat aan de orde was betrof de problematiek van WAO'ers
die een eigen onderneming voeren (het probleem van mevrouw Miltenburg). Gevraagd
werd of verlenging van het recht op uitkering een oplossing kon zijn voor
WAO'ers die een eigen bedrijf beginnen. Uit ambtelijk onderzoek is gebleken
dat de problemen waaraan in de Kamer-behandeling werd gerefereerd als opgelost
moeten worden beschouwd. Op de situatie van mevrouw Miltenburg is namelijk
de Wet Amber van toepassing. In de artt. 32a AAW en 43a WAO is geregeld dat
gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken, en binnen
5 jaar na het moment van intrekking sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid,
de uitkering na een wachttijd van 4 weken weer opnieuw kan worden toegekend.
Voorwaarde is wel dat de toename van de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit
dezelfde oorzaak als ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.
De betreffende wetsartikelen zijn op 29 december 1995 in werking getreden
(zie Staatsblad 689 van 28 december 1995). Betrokkene is van deze conclusies
in kennis gesteld.
Een ander aspect is de toezegging tot een nadere studie naar de mogelijkheid
om aan werkgevers, die mensen in dienst nemen die bijvoorbeeld tot de WagW-doelgroep
behoren of veel omzet genereren in de sfeer van de WSW, positieve impulsen
te geven in de premiesfeer.
Voor wat betreft de toezeggingen met betrekking tot de aanpassing van
de WagW is de stand van zaken als volgt. Het kabinet is tot de conclusie gekomen
dat een systeem van premiekorting voor werkgevers die WagW'ers in dienst nemen
technisch haalbaar is, en ook een bijdrage zal kunnen leveren aan de arbeidsmarktparticipatie
van arbeidsgehandicapten. Deze maatregel past goed binnen de context van het
al bestaand en met de wet Amber verder uitgebouwde flankerende beleid. Het
kabinet is voornemens deze maatregel onderdeel te doen uitmaken van de Pemba-wetgeving.
Dit betekent dat de mogelijkheid van premiekorting op korte termijn bij het
parlement ingediend zal worden.
Bij het voorstel om premiekorting te geven aan bedrijven die omzet genereren
bij WSW-bedrijven bestaan er verschillende modaliteiten, die nog nader zullen
moeten worden uitgewerkt.
Een technisch punt waarover tijdens de mondelinge behandeling nog onduidelijkheid
bestond is de vraag of het mogelijk is dat de werkgever een contract met een
verzekeraar kan opzeggen, indien de vangnetvoorziening voor zijn werknemers
van kracht zou worden. Het desbetreffende wetsartikel (87a ZW) geeft hierover
geen uitsluitsel. In de Kamerdiscussie heb ik aangegeven dat een dergelijke
opzeggingsmogelijkheid kan worden afgeleid uit het algemene verzekeringsrecht.
Deze opvatting blijf ik onderschrijven, al wil ik toegeven dat het hier een
juridische omweg betreft. Het zou zuiverder zijn als een opzeggingsmogelijkheid
ook in de Ziektewet geregeld is. Ik ben dan ook voornemens de
Ziektewet op dit punt te verduidelijken.
Ik vertrouw u met deze brief van dienst te zijn geweest.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R. L. O. Linschoten
BIJLAGE
Aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
's-Gravenhage, 22 februari 1996
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in haar
vergadering van 20 februari 1996 Uw brief van 12 februari jl. inzake tijdens
de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel Wulbz gedane toezeggingen
besproken.
Naar aanleiding hiervan moge ik U namens de commissie verzoeken haar uiterlijk
vóór 15 maart 1996 een nadere uitwerking van de in deze brief
vermelde voorstellen te doen toekomen.
In dit verband moge ik U tevens verzoeken uitgebreid in te gaan op de
tijdens het algemeen overleg van 7 februari jl. gestelde vragen, welke vanwege
tijdgebrek niet of niet genoegzaam beantwoord konden worden.
De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Pe