Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24434-(R1550) nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24434-(R1550) nr. 5 |
Ontvangen 13 mei 1996
De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de bijdragen van de verschillende fracties aan het verslag. Zij heeft goede nota genomen van het belang dat diverse fracties aan de beoogde samenwerking hechten. Hieronder zal op de in het verslag gestelde vragen worden ingaan, waarbij de indeling van het verslag zal worden aangehouden.
De leden van de VVD-fractie achten samenwerking op het gebied van taal en cultuur tussen Nederland en de overige aan Nederland nauw verwante taal- en cultuurgebieden (Zuid-Afrika, Indonesië en Suriname) van groot belang. Op de vraag van genoemde leden of de regering overweegt om zich in te spannen om de werking van het verdrag terzake uit te breiden c.q. aanvullende verdragen te sluiten met genoemde landen antwoorden wij, dat het cultureel verdrag tussen Nederland en Vlaanderen inderdaad mogelijkheden biedt om gezamenlijke activiteiten te ontwikkelen in de bedoelde derde landen, en dit geldt thans in het bijzonder voor Zuid-Afrika. De regering wil zich in deze zin inspannen. De leden van de GPV-fractie constateren dat middels onderhavig verdrag er in intensiteit en omvang van onze culturele betrekkingen met België een belangrijk onderscheid wordt gemaakt tussen Vlaanderen en Wallonië; zij menen dat een wellicht groeiend gevoel van vervreemding in Wallonië ten aanzien van Nederland vermeden dient te worden. Zij vragen zich in dit verband af of het overblijvende deel van het verdrag van 1946 nog voldoende substantie biedt om dit tegen te gaan. De regering antwoordt hierop dat de werking van het verdrag van 1946 geen afbreuk doet aan de bestaande culturele betrekkingen met de Franstalige (of Duitstalige) Gemeenschap. Aangezien, zeker voor de lidstaten van de Europese Unie, een cultureel verdrag geen voorwaarde is voor het onderhouden van culturele betrekkingen bestaat er geen aanleiding om van het bestaande beleid, geen nieuwe culturele verdragen aan te gaan, af te wijken (zie de Nota Internationale Culturele Betrekkingen en Handelingen II 1991/92, 21 637, nr. 3). Gelet echter op het specifieke en intensieve karakter van de culturele samenwerking tussen het Koninkrijk en Vlaanderen en het advies van het «Comité van Wijzen» aan de Gemengde Commissie in juni 1991 inzake aanpassing van de culturele samenwerking met Vlaanderen, alsmede de Staatshervorming, waardoor Vlaanderen bevoegd werd zelfstandig verdragen te sluiten, werd besloten om toch tot het aangaan van een nieuw verdrag over te gaan. Op de vraag van de leden van voornoemde fractie of er reacties uit Wallonië bekend zijn op dit nieuwe cultureel verdrag, antwoorden wij ontkennend.
Op de vraag van leden van de fractie van de PvdA en het CDA, uiteen te zetten waarom er geen geïntegreerd verdrag tot stand is gekomen, zoals uitgedrukt in de motie-Beinema, en hun verzoek om voornoemde motie uit te voeren, moge het hiernavolgende dienen.
Het cultureel verdrag heeft andere doelstellingen en omvat een aanzienlijk ruimer en ander werkterrein dan het op 9 september 1980 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de Nederlandse Taalunie (Trb. 1980, 147). Gelet op de specifieke doelstellingen van het Taalunieverdrag, met onder meer het gezamenlijk uitdragen van de Nederlandse taal en letteren in derde landen, vooral via het onderwijs, zou onderbrenging van het cultureel verdrag daarin niet bijdragen tot versterking van de positie van de Nederlandse taal. De Taalunie is gebaat bij een heldere taakafbakening en een helder mandaat.
Daarnaast hechten zoals bekend zowel de Vlaamse als de Nederlandse regering veel belang aan de handhaving van het Nederlands in bepaalde organen van de Europese Unie (zie in dit verband de antwoorden van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken op de vragen van de leden van Middelkoop en Koekoek over het gebruik van het Nederlands in de vergaderingen en instellingen van de Europese Unie dd. 5 oktober 1995 (Handelingen II 1995/96, Aanhangsel 138)).
In dit verband wordt ook verwezen naar de resultaten van de Algemene Conferentie van de Taalunie in 1995 die gewijd was aan de talenproblematiek in de Europese instellingen. Daarbij stond de principiële gelijkwaardigheid van alle officiële talen in de Europese Unie voorop, zoals vastgelegd in verordening (EEG) nr. 1 van de Raad der E.E.G. van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Gemeenschap (Pb. EG van 6 oktober 1958, blz. 385).
In de vergadering van de Interparlementaire Commissie van 6 november 1996 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Comité van Ministers van de Taalunie, in antwoorden op de motie van het lid Beinema betreffende de verbreding van het Taalunieverdrag tot een cultureel verdrag tussen Nederland en Vlaanderen, de bezwaren tegen de uitvoering van de motie aldus uiteengezet: «Nu is de Taalunie een afgeslankte maar daardoor efficiënt werkende organisatie. Daarbij hebben we ook vastgesteld dat er geen overbelasting mag zijn. Als men dat uitgangspunt koppelt aan het ontstaan van het cultureel verdrag dan kunnen we werkelijk zeggen dat het de moeite loont om niet te hard van stapel te lopen».
Nu het cultureel verdrag, dat een andere en bredere werking heeft, tot stand is gekomen lijkt de uitbreiding van het takenpakket van de Taalunie voorlopig niet opportuun (in dit verband moge verwezen worden naar de antwoorden van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken op vragen van de leden Beinema en de Hoop Scheffer van 23 september en 10 november 1994, Handelingen II 1994/95, Aanhangsel 147 en 234.
Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie om duidelijk uiteen te zetten wat de regeringen met het verdrag in de praktijk tot stand willen brengen, alsmede een overzicht te geven van knelpunten in de samenwerking waarvan de oplossing door het verdrag wordt beoogd, moge het hiernavolgende dienen.
Door de gemeenschappelijke taal en het wegvallen van de grenzen vormen Nederland en Vlaanderen de facto één ruimte waarbinnen een intensieve culturele samenwerking en uitwisseling kan ontstaan. Door de regering wordt zoals bekend veel waarde gehecht aan de verdieping van de huidige culturele samenwerking met Vlaanderen op alle terreinen. Nog geen half jaar na het aantreden van de regering is hieraan uitdrukking gegeven met de politieke verklaring van de Ministers-Presidenten van de beide landen over de (toekomstige) samenwerking alsmede met de ondertekening van de waterverdragen (welke gelijktijdig met het onderhavige verdrag plaatsvond. Er doen zich op het ogenblik geen wezenlijke knelpunten in de samenwerking voor. Een lijst met «witte vlekken» in de samenwerking wordt thans opgesteld en zal in de Gemengde Commissie worden besproken, in welke Commissie ook eventuele knelpunten aan de orde komen.
De leden van de PvdA-fractie plaatsen voorts vraagtekens bij een apart cultureel verdrag naast het Taalunieverdrag. Wat betreft de opmerking van genoemde leden, dat het Taalunieverdrag onder directe parlementaire controle valt en het onderhavige verdrag veel minder, zij opgemerkt dat beide verdragen aan (voorafgaande) parlementaire goedkeuring zijn onderworpen, en dat de Kamer over de uitvoering van beide verdragen elke vraag kan stellen die zij nodig acht. Ten aanzien van hun vrees voor eventuele competentieproblemen bij de uitvoering meent de regering dat deze niet te verwachten zijn. De onderlinge nauwe afstemming zal ook in de toekomst blijven bestaan. De Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie zal, evenals bij de Gemengde Commissie van het verdrag van 1946, de vergaderingen van de nieuwe Gemengde Commissie bijwonen.
Op de vraag van leden van de PvdA- en CDA-fracties naar het budget met een (eventuele) verdeelsleutel, antwoorden wij dat het verdrag slechts voorwaardenschappend is; net als bij de andere culturele verdragen worden hiervoor geen middelen gereserveerd. De uitvoering van het verdrag en de geldstromen zijn in handen van de veldorganisaties. De regering kan faciliteren en op ad hoc basis projecten financieël ondersteunen (bijvoorbeeld de Frankfurter Buchmesse en bepaalde grote tentoonstellingen). Op de vraag van leden van de PvdA-fractie om eenmaal per jaar de Interparlementaire Commissie op basis van verslaglegging de voortgang en de gewenste integratie van de verdragen te doen bespreken, antwoorden wij hiertoe in overleg te zullen treden met de Vlaamse regering om te bezien hoe een en ander praktisch zou dienen te geschieden. Op de vraag van de leden van de CDA-fractie waarom formuleringen als «zoveel mogelijk» en «waar mogelijk», in de artikelen 2, 3 en 5 worden gebezigd, antwoorden wij deze leden dat bij het aangaan van een verdrag een staat zich verbindt tot het te goeder trouw ten uitvoer leggen ervan: «pacta sunt servanda». Tot het onmogelijke kan weliswaar ook een staat niet worden gehouden, doch deze kan bij niet-nakoming van verdragsverplichtingen wel in gebreke worden gesteld. Om die reden worden in een verdrag vaak eerder genoemde termen opgenomen in die bepalingen waarvan de mogelijkheid van nakoming op het moment van verdragsluiting niet geheel kan worden overzien.
Voor de vraag van de leden van de VVD-fractie naar de speerpunten van de samenwerking tussen verdragspartijen alsmede de beschikbare financiële middelen verwijzen wij naar de antwoorden terzake aan de leden van de PvdA-fractie. Zij informeren voorts naar de inpassing van een en ander in de herijking van het Nederlandse buitenlandse beleid en naar de rol van de Vereniging voor Buitenlandse Culturele Betrekkingen. De regering antwoordt hierop dat de beoogde samenwerking past in de herijking van het buitenlandse beleid alsook in het gevoerde prioritaire grenslandenbeleid. De rol van de Vereniging is van adviserende aard; zij kan eventueel een rol spelen bij de uitvoering van het verdrag.
Op de vraag van de leden van de VVD-fractie, of de regering bereid is een aantal op externe samenwerking gerichte activiteiten te stimuleren en zo ja, welke stappen hiertoe zijn ondernomen, antwoorden wij het volgende.
Er zal zoveel mogelijk gezamenlijk in derde landen worden opgetreden (zie artikel 4 van het verdrag). Hierbij wordt gedacht aan gezamenlijke tentoonstellingen, co-producties alsmede samenwerking op het gebied van de omroep. Er vindt momenteel reeds een nauwe samenwerking plaats tussen Nederlandse en Vlaamse instituten. Eveneens wordt de nederlandstalige aanwezigheid in Brussel van groot belang geacht. Een zelfstandig centrum behoort budgettair echter niet tot de mogelijkheden. Er zal wel naar alternatieven worden gezocht in de vorm van gezamenlijke grote culturele activiteiten of presentaties. Terzake verwijzen wij naar de brief van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 24 september 1993 (zie Handelingen II 1993/94, 21 637, nr. 10). Ten aanzien van de vraag van voornoemde leden, welke besparingen met een gecoördineerd beleid worden gerealiseerd en welke aanvullende financiële middelen hiervoor benodigd zijn, verwijzen wij naar de antwoorden terzake aan de leden van de fracties van de PvdA en het CDA.
De leden van de VVD-fractie vragen eveneens wat de principiële reden is om een afzonderlijk Taalunieverdrag in stand te houden en of de regering wel overwogen heeft om de beide verdragen te integreren. Terzake verwijzen wij naar hetgeen hierboven is gesteld om soortgelijke vragen van de leden van de fracties van de PvdA en het CDA. Op de vraag van de leden van de RPF-fractie, of het onderhavige verdrag aanleiding kan zijn om voor het Hoger Onderwijs gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen, antwoorden wij deze leden dat op onderwijsgebied samenwerking reeds plaatsvindt in het kader van de actieprogramma's Gehele Europese Nederlandse Taalgebied (GENT), waarvan de doelstelling is het wederzijds volledig toegankelijk maken van elkaars systemen van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Op vraag van de leden van de RPF-fractie, hoe de samenwerking op het terrein van de cultuur in brede zin vorm zal worden gegeven, antwoorden wij dat er momenteel een onderzoek wordt uitgevoerd naar de zogenaamde «witte plekken» in de samenwerking.
Zodra de resultaten hiervan bekend zijn, zal worden bezien op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven. Inmiddels is er een begin gemaakt met gemeenschappelijke manifestaties en acties in derde landen (bijvoorbeeld op de Frankfurter Buchmesse, bij Liber in Barcelona en I Fiamminghi a Roma en recentelijk bij het financieren van de restauratie van schilderijen uit Tblisi).
Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA, of onderhavig artikel er toe kan leiden dat in Europese organen en multilaterale fora waarvan België lid is, maar de Vlaamse Gemeenschap niet, het Vlaamse standpunt voortaan door Nederland wordt vertolkt, antwoorden wij dat zulks een interne aangelegenheid is van de Vlaamse Gemeenschap en de Belgische federale staat.
Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie, of het klopt dat de Nederlandse wet en zelfs de Grondwet zich zou verzetten tegen een commissie die in meerderheid uit niet-ambtenaren bestaat en waarop genoemde bewering is gebaseerd, diene het hiernavolgende.
Bij voorbereiding van het verdrag werd aandacht gevraagd voor de eventuele opheffing van de onder artikel 79 Grondwet vallende adviesorganen op grond van het voorstel Herzieningswet adviesstelsel (Kamerstukken II 1994/95, 24 232). Aangezien artikel 79 Grondwet niet van toepassing moet worden geacht op adviescolleges opgericht krachtens afspraken met andere staten, kan van Nederlandse zijde de Gemengde Commissie in meerderheid uit niet-ambtenaren bestaan.
Hiermee menen wij de door de leden van de diverse fracties gestelde vragen genoegzaam te hebben beantwoord.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24434-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.