24 434 (R 1550)
Goedkeuring van het op 17 januari 1995 te Antwerpen tot stand gekomen Verdrag inzake de samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap in het Koninkrijk België

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Voorgeschiedenis

Het onderhavige verdrag vervangt wat betreft de verhouding tussen ons land en Vlaanderen het op 16 mei 1946 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de culturele en intellectuele betrekkingen (Stb. 1948, I 9). Dit was één der eerste verdragen gericht op culturele samenwerking, die door elk van beide landen werden afgesloten.

Het verdrag heeft gedurende bijna een halve eeuw zijn deugdelijkheid bewezen. Analoog aan de politieke ontwikkelingen in België ontwikkelden de (bilaterale) culturele consultaties van het Koninkrijk zich tot een periodiek overleg met de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige Gemeenschappen afzonderlijk. Binnen het kader van het verdrag was de samenwerking met Vlaanderen, door de culturele en taalverwantschap, bijna als vanzelfsprekend de meest intensieve en veelzijdige in vergelijking met de andere gemeenschappen. Het grote aantal Vlaams-Nederlandse subcommissies op het gebied van onderwijs, wetenschappen, kunsten en welzijn is hiervan een bewijs.

Aan het eind van de jaren tachtig ontstond een nieuwe oriëntatie in de culturele samenwerking, waarbij de samenwerking zich steeds meer rechtstreeks en spontaan tussen de instellingen in het veld ontwikkelde zonder tussenkomst van de, op grond van artikel 2 van het verdrag van 1946 ingestelde, Gemengde Commissie. Daarnaast deden zich op diverse beleidsterreinen nieuwe mogelijkheden tot samenwerking voor via multilaterale organisaties. De Gemengde Commissie ging meer en meer fungeren als een platform waar bilaterale en multilaterale samenwerking werden gecoördineerd. Daarentegen werd het door haar steeds minder als taak gezien om zelf culturele activiteiten te organiseren.

In 1990 besloot de Gemengde Commissie dan ook tot instelling van een zgn. «Comité van Wijzen» ter evaluatie van het oude verdrag en de rol van de Vlaams-Nederlandse samenwerking daarin. In juni 1991 bracht het Comité rapport uit aan de Gemengde Commissie, waarin het een aantal aanbevelingen deed tot aanpassing van de werking van het verdrag aan de nieuwe vereisten van de culturele samenwerking tussen het Koninkrijk en Vlaanderen.

Het verdrag

Inmiddels hadden de Belgische staatshervormingen Vlaanderen autonomie bezorgd op onder meer cultureel, onderwijs-, wetenschaps- en welzijnsgebied. De federalisering bracht voorts met zich mee, dat de drie gemeenschappen en de drie gewesten, waaruit België thans bestaat, zelf verdragen konden sluiten op de gebieden waarvoor zij competent zijn. Nog voordat het hiervoor vereiste wettelijke kader in België tot stand was gekomen, gaf de Vlaamse regering reeds aan de culturele betrekkingen met Nederland in een verdrag te willen regelen. Vervolgens werd een begin gemaakt met het formuleren van een ontwerptekst voor een verdrag tussen beide landen, die mede was gebaseerd op de aanbevelingen van het «Comité van Wijzen» en de daarop gevolgde reactie van de Gemengde Commissie.

Het overleg heeft uiteindelijk geresulteerd in het onderhavige nieuwe verdrag, waarbij de culturele samenwerking in de meest uitgebreide zin wordt nagestreefd, die door haar intensiteit en rechtstreekse betrokkenheid van het culturele veld afwijkt van het klassieke patroon van culturele verdragen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Het begrip cultuur wordt, zoals in dit artikel is gespecificeerd, in brede zin opgevat. Met betrekking tot cultuur in specifieke zin vindt de samenwerking plaats op het gebied van vrijwel alle disciplines.

Het onderscheid tussen cultuur in brede zin en specifieke zin wordt gehanteerd om aan te geven dat het cultuurbeleid van de tweede ondergetekende zich uitstrekt tot een aantal bijzondere terreinen die expliciet onder diens directe verantwoordelijkheid vallen. Zulks ter onderscheiding van het zogenoemde brede cultuurbegrip dat veel meer in antropologische en minder in beleidsmatige zin wordt gedefinieerd. In dit verband kan verwezen worden naar relevante passages in de memorie van toelichting op de Wet op het Specifieke Cultuurbeleid (Kamerstukken II 1988/89, 20 987, nr. 3, met name paragraaf 2 van het Algemeen Deel) en de Nota «Investeren in Cultuur» (Kamerstukken II 1991/92, 22 602, nr. 1, met name paragraaf 1.1 van de Inleiding).

Op het gebied van onderwijs staat de samenwerking in het kader van de Nederlands-Vlaamse actieprogramma's «Gehele Europese Nederlandse Taalgebied» (GENT; op te vragen bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; zie ook Kamerstukken II 1990/91, 21 820, nr. 7) model. Doelstelling van het actieprogramma GENT is het voor elkaar volledig toegankelijk maken van elkaars systemen van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Onder de samenwerking op het gebied van wetenschappen wordt verstaan het wetenschapsbeleid in het algemeen en het wetenschappelijk onderzoek en de technologische ontwikkeling in het bijzonder.

Onder de samenwerking op het gebied van welzijn valt met name die op de terreinen volwassenenvorming en jeugdwerk. Samenwerking met betrekking tot het bibliotheekwerk behoort in Vlaanderen, samen met eerder genoemde gebieden, tot de sociaal-culturele sector en in Nederland tot de bevoegdheid van de tweede ondergetekende. De samenwerking op welzijnsgebied zal ook betrekking hebben op het ouderen-, gehandicapten- en minderhedenbeleid.

Artikel 2

Met de samenwerking in de grensgebieden wordt bedoeld samenwerking tussen lokale en regionale besturen, zoals gemeenten, intercommunale verenigingen, provincies, interprovinciale verenigingen en euregio's. De samenwerking impliceert een wederzijds gebruik van elkaars voorzieningen.

Het doel van de samenwerking is het intensiveren van de grensoverschrijdende contacten en een grotere mobiliteit tussen Nederland en Vlaanderen.

Artikel 4

De samenwerking en het gezamenlijk optreden in derde landen vindt onder meer plaats:

– binnen de bestaande instituten, zoals bijvoorbeeld het Nederlands Instituut voor Archeologie en Arabische Studiën te Kairo en het Institut Néerlandais te Parijs; uitbreiding van samenwerking binnen andere (niet-gouvermentele) instituten in het buitenland wordt nadrukkelijk opengehouden;

– door middel van projecten ad hoc, zoals bijvoorbeeld de gezamenlijke presentatie op de Frankfurter Buchmesse 1993 en de Biënnale van Venetië.

Nederland en Vlaanderen informeren elkaar over culturele afspraken en programma's, die worden overeengekomen in het kader van culturele verdragen met derde landen of de internationale culturele samenwerking in het algemeen.

Artikel 5

Het gaat hierbij vooral om de versterking van de positie van de beide landen gezamenlijk in Europa en in de wereld op de terreinen genoemd in onderhavig verdrag.

Artikel 6

De verspreiding van informatie en documentatie is noodzakelijk omdat de wederzijdse kennis in een aantal gevallen nog altijd onvoldoende is. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die het onderwijs, de openbare bibliotheken en eventueel de media bieden.

Artikel 7

De hier bedoelde Commissie, welke de regeringen moet adviseren met betrekking tot de uitvoering van het verdrag, bestaat in beginsel uit veertien leden. De ambtelijke leden behoren tot de bij dit verdrag betrokken ministeries, terwijl ook een vertegenwoordiger van de regering van Aruba deel uitmaakt van de Commissie. Niet-ambtelijke leden zijn uit hoofde van hun deskundigheid hiertoe speciaal aangetrokken personen, die actief zijn op één of meerdere terreinen die door het verdrag worden bestreken. Ten aanzien van de personele samenstelling van de Commissie zal een zo groot mogelijke flexibiliteit worden betracht met dien verstande, dat het aantal niet-ambtelijke leden niet groter zal zijn dan het aantal ambtelijke.

Een en ander zal nader worden uitgewerkt in een door de Commissie op te stellen huishoudelijk reglement.

Artikel 8

Het werkveld van het verdrag is ruimer dan dat van het op 9 september 1980 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de Nederlandse Taalunie (NTU) (Trb. 1980, 147). De NTU bezit bevoegdheid op het gebied van taalgebonden culturele en onderwijsactiviteiten.

Sinds verschillende jaren worden de activiteiten en het beleid die uit de NTU en het verdrag van 1946 voortvloeien zoveel mogelijk op elkaar afgestemd onder meer doordat de Algemeen Secretaris van de NTU de vergaderingen van de Gemengde Commissie bijwoont. In de nieuwe Commissie zal deze gewoonte worden voortgezet.

Artikel 11

Het verdrag van 16 mei 1946 blijft van kracht in de relatie tussen het Koninkrijk enerzijds en de Franse en Duitstalige Gemeenschappen in België anderzijds.

Koninkrijkspositie

De regering van Aruba heeft om medegelding van het verdrag voor haar land verzocht. De regering van de Nederlandse Antillen heeft kenbaar gemaakt medegelding niet wenselijk te achten; zij is van mening dat de op 4 juni 1975 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de culturele betrekkingen tussen de Nederlandse Antillen en België (Trb. 1975, 64) ten behoeve van haar land naar voldoening functioneert en stelt het op prijs dat deze relatie gehandhaafd blijft.

Ten aanzien van Aruba wordt laatstgenoemd verdrag beëindigd.

De Minister van Buitenlandse Zaken a.i.,

H. F. Dijkstal

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Naar boven