24 424
Hoger beroep in vreemdelingenzaken

nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 4 december 1996

De vaste commissie voor Justitie1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Justitie over diens brief van 11 oktober 1996 (24 424, nr. 5) inzake de schriftelijke beantwoording van een aantal feitelijke vragen, gesteld tijdens het algemeen overleg van 11 september 1996 (24 424, nr. 4).

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 4 december 1996.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

V. A. M. van der Burg

De griffier van de commissie,

Pe

1

Kan nader worden uiteengezet waarom het thans niet opportuun wordt geacht om te bevorderen dat de uitspraak van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Zwolle, van 3 september jl. over de terugkeermogelijkheden van een aantal afgewezen Somalische asielzoekers, voor cassatie in het belang der wet wordt voorgedragen? (blz. 1).

In mijn antwoord op de vraag van de heer Rijpstra heb ik uiteengezet dat ik cassatie in het belang der wet tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Zwolle, van 3 september dit jaar niet opportuun heb geacht, omdat het bij deze uitspraak in het bijzonder gaat over de omstandigheden waaronder veilige terugkeer van asielzoekers kan plaatsvinden.

Ter nadere toelichting merk ik op dat van belang is dat omtrent dit aspect van het beleid zo spoedig mogelijk duidelijkheid ontstaat. Het is in het belang van beide partijen dat er snel uitsluitsel komt over de mogelijkheid van terugkeer van asielzoekers naar een bepaad land van herkomst. Met het instellen van cassatie in het belang der wet is echter in het algemeen enige tijd gemoeid. Bovendien ligt de nadruk daarbij op het verkrijgen van uitsluitsel op specifieke rechtsvragen. De feitelijke vraag waar het hier uiteindelijk om draait: in hoeverre kunnen uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers gedwongen terugkeren naar hun land van herkomst, zou hierbij niet ten gronde behoeven te worden beslist. Tegen deze achtergrond vind ik het belangrijker nadere informatie te laten inwinnen over de feitelijke situatie in Somalië, dan te bevorderen dat cassatie in het belang der wet wordt ingesteld. Deze aanpak heeft reeds vruchten afgeworpen. Onlangs heb ik het rapport ontvangen van een ambtelijke missie onder leiding van Buitenlandse Zaken naar Noord-Somalië. Naar aanleiding van dit rapport zal ik uw Kamer binnenkort informeren over het beleid inzake uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers.

2

Heeft het besluit om de in vraag 1 bedoelde uitspraak niet voor te dragen voor cassatie in het belang der wet tot gevolg, dat er een drempel wordt opgeworpen voor de procureur-generaal bij de Hoge Raad om zelfstandig deze zaak te beoordelen? (blz. 1).

Hiermee wordt geen drempel opgeworpen voor een zelfstandige beoordeling van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, wiens bevoegdheid ex artikel 33g van de Vreemdelingenwet geheel onverlet blijft. Het staat aan de belanghebbenden vrij om de aandacht van de procureur-generaal te vestigen op beslissingen die naar hun oordeel voor het instellen van dit buitengewoon rechtsmiddel in aanmerking komen.

3

De beoordeling van de vraag of sprake is van een tenzij-grond als genoemd in artikel 15 b onder 1 kan feitelijk of juridisch ingewikkeld zijn. Indien de rechter de vraag of sprake is van een tenzij-grond ontkennend beantwoordt, wordt de KONO-beschikking bevestigd. Toch kan niet gezegd worden dat sprake is geweest van een eenvoudige zaak.

Heeft het kabinet nog nader advies gevraagd bij deskundigen omtrent de uitsluiting van KONO-zaken van hoger beroep? (blz. 3).

Artikel 15b, eerste lid, Vreemdelingenwet bepaalt dat een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt ingewilligd als deze niet-ontvankelijk is. Deze niet-ontvankelijkheid houdt in dat er sprake is van feiten en omstandigheden die los van de inhoud van de aanvraag aanleiding geven tot het weigeren van toelating. De belangrijkste daarvan (onder a) is dat er op grond van de Nederlandse verdragspositie een andere staat is die als eerst verantwoordelijke staat voor de behandeling van het verzoek om toelating moet worden aangemerkt. De weigeringsgronden onder b–f komen neer op het voorkomen van een dubbele of onnodige behandeling van aanvragen. Zij zijn over het algemeen niet moeilijk vast te stellen.

Over de uitsluiting van deze weigeringen op grond van niet-ontvankelijkheid is nog geen nader advies aan deskundigen gevraagd. Zoals reeds eerder is meegedeeld zullen degenen die met de uitvoering van het hoger beroep worden belast, nauw bij de uitwerking van de geschetste hoofdlijnen worden betrokken, terwijl het wetsvoorstel uiteraard ook nog in concept aan de gebruikelijke instanties en organen zal worden voorgelegd.

4

Indien in 1995 slechts 4,9% van het aantal vreemdelingen dat een KONO-beschikking uitgereikt heeft gekregen in beroep gaat bij de rechter, lijkt het uit een oogpunt van kwantiteit geen bezwaar hoger beroep open te stellen indien de KONO-beschikking wordt bevestigd. Gelet op het feit dat het instellen van het hoger beroep inhoudelijk moet worden gemotiveerd, is het reëel te verwachten dat de kennelijk eenvoudige zaken, waarbij het overduidelijk is dat sprake is van een kennelijke ongegrondheid niet ook nog eens hoger beroep zullen instellen, nadat het beroep door de rechter in eerste instantie is afgewezen. Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van deze stelling? (blz. 3).

De betrekkelijk geringe kwantiteit van het aantal vreemdelingen dat in beroep gaat tegen een KONO-beschikking, geeft het kabinet geen aanleiding in deze zaken toch hoger beroep open te stellen. Aan de KONO-beschikking ligt de opvatting ten grondslag dat de rechtsgang in deze zaken, waarin toelating wordt gewijzigder, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is (voornamelijk wegens misleiding of ander gedrag dat voor rekening van de aanvrager komt), dan wel niet voor inhoudelijke behandeling in aanmerking komt, omdat het niet-ontvankelijk is, zo kort mogelijk en eenvoudig moet zijn. Het toekennen van hoger beroep past daarin niet. Het gaat daarbij om een eerste schifting van enerzijds zaken die kansrijk zijn dan wel nader onderzoek verdienen en anderzijds zaken die kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk zijn. De vreemdeling die opponeert tegen een dergelijke beschikking dient voor het welslagen daarvan voor de rechter aannemelijk te maken dat zijn zaak ten onrechte op grond van artikel 15b en 15c Vreemdelingenwet is afgedaan.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Korthals (VVD), Janmaat (CD), De Hoop Scheffer (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M. M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (Groep Nijpels), Rabbae (GroenLinks), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Van Vliet (D66).

Plv. leden: Koekkoek (CDA), Van den Berg (SGP), Van Blerck-Woerdman (VVD), Marijnissen (SP), Biesheuvel (CDA), Bremmer (CDA), Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Van Heemst (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Meijer (Groep Nijpels), Sipkes (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Passtoors (VVD), Van Boxtel D66, Van der Heijden (CDA), Apostolou (PvdA), vacature D66, Leerkes (U55+), Van den Doel (VVD), Weisglas (VVD), De Koning (D66).

Naar boven