Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24406 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24406 nr. 5 |
| pag. | ||
| 1. | Inleiding | 2 |
| 2. | Emancipatiebeleid op koers? | 3 |
| 2.1. Arbeid en zorg | 4 | |
| 2.2. Verdeling van macht en invloed | 6 | |
| 2.3. Seksueel geweld | 7 | |
| 2.4. Allochtone vrouwen | 8 | |
| 2.5. Armoede onder vrouwen | 9 | |
| 2.6. Discriminatie van vrouwen en internationale verplichtingen | 9 | |
| 2.7. De vrouwenbeweging en de emancipatie-ondersteuningsstructuur | 9 | |
| 2.8. Interdepartementale coördinatie en de rol van de DCE | 10 | |
| 3. | Werkprogramma coördinatie emancipatiebeleid | 11 |
| 3.1. | Systematische monitoring | 11 |
| 3.1.1. Jaarboek | 11 | |
| 3.1.2. Emancipatie Effect Rapportage | 11 | |
| 3.1.3. Onderzoek en communicatie | 11 | |
| 3.2. | Vernieuwing | 12 |
| 3.2.1. Arbeid en zorg | 12 | |
| 3.2.2. Opportunity 2000 | 13 | |
| 3.2.3. Verdeling van macht en invloed | 13 | |
| 3.2.4. Seksueel geweld | 14 | |
| 3.2.5. Allochtone vrouwen | 14 | |
| 3.2.6. Armoede onder vrouwen | 14 | |
| 3.2.7. Discriminatie van vrouwen en internationale verplichtingen | 15 | |
| 3.2.8. Emancipatie-ondersteuningsstructuur | 15 | |
| 3.3. | Interdepartementale coördinatie emancipatiebeleid | 15 |
| 4. | Bijlagen | 15 |
| 5. | Literatuur en beleidsnota's | 22 |
Emancipatie van vrouwen behoort tot de nieuwe vanzelfsprekendheden van deze samenleving. Zozeer zelfs dat regelmatig de opvatting kan worden gehoord dat «emancipatie nu wel geregeld is».
Dat is een misverstand. Vrouwen en in toenemende mate ook mannen denken en handelen weliswaar anders dan twintig of dertig jaar geleden, maar de kloof tussen de opvattingen en wensen van velen en de alledaagse werkelijkheid is nog groot.
De laatste decennia hebben zich aanzienlijke verschuivingen voorgedaan in het maatschappelijke klimaat en in de opvattingen over de positie van vrouwen in het arbeidsproces, onderwijs en bestuur. Het gaat daarbij om een evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen van (betaald en onbetaald) werk, zorg en macht. Tweederde van de Nederlandse bevolking is voorstander van een gelijke verdeling hiervan tussen mannen en vrouwen; circa 80% vindt de verantwoordelijkheid voor het grootbrengen van kinderen even goed bij mannen als bij vrouwen horen1. .
Onderzoek van onder andere het SCP heeft uitgewezen dat ook de waardering en acceptatie van vrouwen in het arbeidsproces, onderwijs, bestuur en maatschappelijk leven toegenomen zijn. Niettemin bestaan er nog steeds belemmerende opvattingen en structuren, die verdere vooruitgang in de weg staan. De stagnatie die daardoor wordt veroorzaakt, is zorgelijk. Vooral allochtone vrouwen en vrouwen aan «de andere kant» van de welvaart worden maar in beperkte mate bereikt door het emancipatiebeleid. Betaalde arbeid en onbetaalde zorg zijn nog lang niet gelijkelijk verdeeld tussen mannen en vrouwen. Niet in Nederland, niet in Europa en niet mondiaal.
In de besluitvorming en op de invloedrijke posities in het bedrijfsleven vormen vrouwen nog steeds een minderheid. Dit ondanks het feit dat het opleidingsniveau van vrouwen jonger dan 45 jaar inmiddels gelijk is aan dat van mannen2.
De pluriformiteit van deze samenleving komt dus nog niet tot uiting in de samenstelling van arbeidsorganisaties.
Kortom, er is vooruitgang geboekt maar van een nieuw evenwicht is nog lang geen sprake.
De samenleving balanceert tussen twee modellen: het traditionele en het geëmancipeerde model. Het aandeel van vrouwen in de betaalde arbeid is nog steeds relatief laag en er is hooguit sprake van een anderhalfverdienersmodel.
Als mannen niet meer zorg op zich nemen, zal een grotere deelname van vrouwen in bestuur en de betaalde arbeid stagneren, de kwaliteit van de zorg achteruitgaan dan wel een combinatie van deze ontwikkelingen zich voordoen.
Geen van deze perspectieven is wenselijk.
Het kabinet streeft de komende jaren naar een verbreding van het draagvlak voor het emancipatiebeleid door het aangaan van nieuwe allianties. Dit lijkt mogelijk nu het besef binnen veel organisaties en bedrijven is gegroeid, dat emancipatie en pluriformiteit in het belang van de organisatie zijn.
Het emancipatiebeleid zal op die ontwikkeling inspelen.
Emancipatie stelt de samenleving ook voor nieuwe vragen. De dagindeling van de samenleving is niet afgestemd op mannen en vrouwen die meerdere taken combineren. Anders dan in de ons omringende landen zijn kinderopvang en buitenschoolse opvang beperkt en zijn schooltijden en arbeidstijden niet op elkaar afgestemd. Dit feit, gecombi-neerd met de toenemende mobiliteit en flexibiliteit van werknemers, plaatst werkende ouders (en met name alleenstaande ouders) voor grote organisatorische problemen en leidt in toenemende mate tot stress.
Ook de positie van het kind is een andere geworden. Het is met name de kwaliteit van de zorg die veel ouders voor nieuwe vragen stelt. Hoe op een verantwoorde manier zorg en betaalde arbeid te combineren en daarbij rekening te houden met de belangen van het kind. Het traditionele gezinstype neemt in betekenis af en de diversiteit aan leefvormen waarin kinderen worden grootgebracht, neemt toe. De vragen blijven echter steeds dezelfde. In deze nota worden voorstellen uitgewerkt die deze vragen op de agenda plaatsen.
Seksueel geweld is als probleem erkend, maar de omvang van het geweld lijkt, ondanks overheidsvoorlichting, nog niet verminderd. Ook de internationale vrouwenhandel is een groot probleem. De overheid zal in haar beleid tegen seksueel geweld inspelen op initiatieven in andere landen en van de (internationale) vrouwenbeweging.
Emancipatie is een proces dat grote gevolgen heeft voor het leven van mensen. Dat geldt met name voor vrouwen, autochtoon en allochtoon, voor meisjes en oudere vrouwen. Als het gaat om volledige toegang tot het maatschappelijk leven ondervinden gehandicapte vrouwen specifieke belemmeringen, die botsen met hun eigen emancipatieproces. Inzicht in de snelle veranderingen van deze tijd en in vernieuwende experimenten in maatschappelijke structuren en culturen kan inspireren tot het nemen van nieuwe stappen.
Daarom wordt in deze nota aangekondigd, dat de resultaten van een systematische monitoring van het emancipatieproces niet alleen bekend worden gemaakt aan een beperkte kring van deskundigen maar, middels een Jaarboek, ook aan een breder publiek.
Het emancipatiebeleid blijkt breed geaccepteerd te zijn, maar vrij algemeen is het gevoel dat nieuwe impulsen noodzakelijk zijn om nog bestaande barrières te slechten. De uitdaging is het meer dan waard om serieus opgepakt te worden. Emancipatie betekent immers méér dan het inhalen van de maatschappelijke achterstand van vrouwen. Het is een voorwaarde voor de verbetering van de kwaliteit van de pluriforme samenleving als geheel!
Het emancipatiebeleid is niet zonder discussie en moeite tot stand gekomen. Toch mag er met enige trots op gewezen worden dat het emancipatiebeleid, ondanks kritiek, niet alleen in staat is gebleken tot het doorbreken van ongeschreven regels en opvattingen, maar ook tot het realiseren van nieuwe vormen van beleid en concrete veranderingen. Dat betekent overigens niet, dat nu tevreden achterover geleund kan worden. Ook hier geldt dat stilstand onherroepelijk leidt tot achteruitgang.
Zolang seksueel geweld bestaat en de internationale vrouwenhandel toeneemt, zolang vrouwen nauwelijks vertegenwoordigd zijn in het topmanagement van bedrijven, zolang de achterstelling van allochtone vrouwen of van ongehuwde vrouwen met jonge kinderen groot is, zolang er sprake is van sekse-segregatie op de arbeidsmarkt, zolang zullen nieuwe beleidsimpulsen op alle mogelijke fronten nodig zijn.
De voor 1996 geplande evaluatie van het emancipatiebeleid zal een verdergaand inzicht kunnen bieden in de concrete resultaten van het integrale emancipatiebeleid van de laatste jaren. Onderstaand volgt een globale schets.
Ondanks vooruitgang blijkt dat Nederland, als het gaat om de arbeidsparticipatie van vrouwen en de mogelijkheden tot verdere groei daarvan, achterloopt in relatie tot de ontwikkelingen in de lidstaten van de Europese Unie en van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dit beeld wordt bevestigd door het Human Development Report 1995 van de UNDP, waaruit blijkt dat Nederland in de algemene index van de «human development» op de vierde plaats staat. Als het echter wordt gespecificeerd naar de positie van vrouwen in de «gender related index» zakt Nederland naar de 20e plaats. Voornaamste oorzaak daarvan is de nog zeer ongelijke verdeling van betaalde arbeid tussen mannen en vrouwen. Van de betaalde arbeid komt 70% voor rekening van mannen en 30% voor rekening van vrouwen3. In het licht van de vergrijzing en ontgroening is dat een niet te onderschatten probleem.
Het realiseren van maatschappelijke en economische zelfstandigheid van vrouwen is vanuit emancipatoir oogpunt van groot belang. Even belangrijk is het benutten van het sociaal-economische potentieel van vrouwen in de nationale economie, de herverdeling van betaald en onbetaald werk tussen mannen en vrouwen, en de herverdeling van verantwoordelijkheden binnen de leefeenheid.
De sociaal-economische bijdrage van vrouwen kan in de toekomst eenvoudig niet worden gemist. Het zou een ondenkbare verspilling van talenten en kwaliteiten betekenen.
Het ligt dan ook voor de hand om onder meer in samenwerking met gemeenten, het bedrijfsleven en sociale partners aansprekende initiatieven te nemen, die in combinatie met elkaar zullen moeten leiden tot structurele vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen.
De toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen is een autonoom proces. Dat proces is in de afgelopen twintig jaar ondersteund door tal van maatregelen, die de combinatie van betaalde en onbetaalde arbeid stimuleren: gelijke-behandelingswetgeving, positieve actiebeleid, doelgroepenbeleid arbeidsmarkt, uitbreiding kinderopvang, Wet op het Ouderschapsverlof.
Deze maatregelen hebben vooral bijgedragen aan de arbeidsparticipatie van samenwonende (gehuwde of ongehuwde) vrouwen, waarbij het gangbare patroon dat van de zogenaamde «anderhalfverdieners» overheerst: de man werkt in voltijd en de vrouw in deeltijd.
Voor alleenstaande ouders zijn de maatregelen tot nu toe ontoereikend. Deeltijdwerk blijkt in de meeste gevallen niet te leiden tot economische zelfstandigheid. Daarom is de uitkomst van de afweging tussen bijstand en inkomen, vaak de bijstand. Mede gezien de beperkte en vaak kostbare mogelijkheden voor kinderopvang. Ondanks de toename van 20 000 tot ruim 74 000 plaatsen is de kinderopvang nog steeds ontoereikend4. Voor slechts 5% van de kinderen tot drie jaar is nu gesubsidieerde opvang beschikbaar5. Ook de omvang van de buiten- en naschoolse opvang is te beperkt. Voor veel ouders, en met name alleenstaande ouders, is kinderopvang een voorwaarde om betaalde arbeid en zorg te kunnen combineren.
Flexibilisering van de arbeidsduur en arbeidstijden kan het arbeidspatroon van mannen en vrouwen veranderen. Voorwaarde is wel dat recht wordt gedaan aan de combineerbaarheid van betaalde arbeid en zorgtaken, en aan de financiële zelfstandigheid van vrouwen en mannen. Daarbij speelt ook het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen een belangrijke rol.
Hoewel Nederland internationaal voorop loopt waar het gaat om deeltijdarbeid, flexibilisering van arbeidstijden en algemene arbeidsduurverkorting, kan ook op dit gebied nog veel gedaan worden. De spreiding van deeltijdwerk over de seksen is nog verre van optimaal. De deeltijdmarkt is vooral een «vrouwenmarkt» en de voltijdmarkt een «mannenmarkt». Veel vrouwen hebben kleine deeltijdbanen (minder dan 20 uur per week) en zijn oververtegenwoordigd in de lagere functies.
Ook de informele arbeid wordt nog steeds gekenmerkt door een scherpe verdeling naar sekse en vertoont het omgekeerde beeld van de betaalde arbeid: 70% wordt door vrouwen gedaan en 30% door mannen6.
De deelname van mannen aan de onbetaalde arbeid stijgt aanmerkelijk minder snel dan de arbeidsparticipatie van vrouwen. In het recent verschenen rapport «Onbetaalde zorg gelijk verdeeld» van de Commissie Toekomstscenario's Herverdeling Onbetaalde Arbeid, wordt op overtuigende wijze aangetoond dat een toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen op zichzelf niet tot herverdeling van onbetaalde arbeid leidt.
Een belangrijke voorwaarde voor vrouwen om beter te kunnen participeren in het arbeidsproces is, zo blijkt, dat mannen onbetaalde zorgtaken overnemen. In de praktijk is dat nog te weinig het geval, zodat het voor vrouwen vaak niet goed mogelijk is betaalde en onbetaalde arbeid adequaat te combineren. De zorg voor kinderen, huishouden, vrijwilligerswerk en maatschappelijke functies is, gecombineerd met een betaalde baan, soms te veel gevraagd. Wanneer tijdelijk gekozen wordt voor een periode waarin zorgtaken hoofdtaken zijn, krijgen vrouwen te maken met een carrière-breuk in hun loopbaan, die nauwelijks meer in te halen valt.
Uit de maatschappelijke discussies over de combineerbaarheid van betaalde arbeid en zorgtaken blijkt, dat de waardering voor onbetaalde activiteiten gelukkig toeneemt. Het inzicht dat ook dergelijke activiteiten bijdragen tot een beter functionerende en meer pluriforme samenleving, is toegenomen.
Stimulering van de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid kan niet alleen worden gerealiseerd door de overheid. Daarvoor is ook de inzet van sociale partners en maatschappelijke organisaties vereist.
Met de Commissie Toekomstscenario's Herverdeling Onbetaalde Arbeid is het kabinet van mening dat het tempo van de veranderingen, gericht op een evenwichtige combinatie tussen betaalde en onbetaalde arbeid, moet worden versneld. Het kabinet wil bezien op welke wijze dit bevorderd kan worden.
In het rapport van de Commissie worden vier toekomstscenario's voor herverdeling van de onbetaalde arbeid ontwikkeld. De Commissie spreekt een voorkeur uit voor wat genoemd wordt het «combinatiescenario». Dit scenario is enerzijds gericht op een gelijke verdeling van de onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen. Anderzijds gaat het om een evenwichtige verdeling van onbetaalde zorgtaken en betaalde zorgarbeid. Met andere woorden, het gaat om een evenwichtige verdeling tussen zelf zorgen en het tegen betaling uitbesteden van zorgtaken aan derden. Dit scenario sluit goed aan bij de cultuur in Nederland om voor een belangrijk deel zelf de zorg voor kinderen en ouderen te dragen. Het combinatiescenario sluit tevens aan bij de wens van steeds meer mannen en vrouwen om zorgtaken met elkaar te delen en tegelijkertijd op de arbeidsmarkt te participeren.
Bij de ontwikkeling van toekomstig beleid laat het kabinet zich inspireren door de visie waar dit scenario op is gebaseerd. Derhalve zal worden bezien in hoeverre het combinatiescenario kan worden benut als richtsnoer voor toekomstig beleid.
Deze verdere verkenning zal kunnen aansluiten op maatregelen die het kabinet reeds heeft genomen of aangekondigd op het terrein van arbeid en zorg:
– In de nieuwe Arbeidstijdenwet neemt de combinatie van betaalde arbeid en andere verantwoordelijkheden, zoals zorgtaken, een centrale plaats in.
– In de nota «Om de kwaliteit van Arbeid en Zorg; investeren in verlof» zijn aanzetten gedaan om het ook voor mannen aantrekkelijker te maken zorgtaken op zich te nemen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om loopbaanonderbreking of sparen voor verlof.
Omdat – vooral ook bij vrouwen – door de toenemende werkintensiteit behoefte bestaat aan flexibele arbeidstijden, zou binnen de huidige vut-regelingen en c.a.o.-afspraken gekeken moeten worden naar concrete oplossingen.
– Ook met het wetsvoorstel tot verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur, dat onlangs is ingediend, wordt de positie van de vrouwelijke werknemer versterkt. Uitgegaan wordt van gelijke behandeling van deeltijdwerkers en full-time werkers.
– Het voorstel voor de nieuwe Winkeltijdenwet biedt betere mogelijkheden om betaalde arbeid met zorgtaken te combineren.
In het werkprogramma van deze nota worden nadere voorstellen uitgewerkt die tot doel hebben het draagvlak voor de herverdeling van arbeid en zorg te verbreden. Beoogd wordt daarmee de barrières beter in kaart te brengen, zodat deze kunnen worden geslecht. Door een nauwere samenwerking van deskundigen op het gebied van arbeid en zorg binnen en buiten de overheid wordt getracht dit te bereiken.
2.2. Verdeling van macht en invloed
Politiek, bestuur en maatschappelijke organisaties
In 1993 is de interdepartementale Projectgroep Vrouwen in Besluitvorming ingesteld, die zich specifiek richt op de positie van vrouwen in maatschappelijke besluitvorming. Zij zal maart 1996 haar eindrapport uitbrengen.
Daarnaast loopt er sinds 1992 een project van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, dat zich met name richt op «vrouwen in politiek en openbaar bestuur». In het kabinetsstandpunt «Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur» zijn actiepunten opgenomen, die het doel om meer vrouwen in de politiek en het openbaar bestuur te krijgen, dichterbij zouden moeten brengen.
De projectgroep heeft vanaf 1993 jaarlijkse voortgangsrapportages over de uitvoering van het beleid verzorgd.
Het aantal vrouwen in politiek en bestuur is toegenomen. Het kabinet zal zich blijven inspannen voor een verdere toename van het aantal vrouwen in bestuurlijke functies; het bezint zich op de vraag op welke wijze dit proces doorgezet kan worden. De Minister van Binnenlandse Zaken heeft daarover in juni 1995 advies gevraagd aan de Emancipatieraad.
Een evenwichtige verhouding van functies voor vrouwen en mannen is niet alleen van toepassing op de besluitvorming in politiek en bestuur. Ze is tevens van belang voor het hoger management. Bij de rijksoverheid varieert het percentage vrouwen in topfuncties: 2,7% in schaal 18, 6,9% in schaal 16 en 13,8% in de schalen boven 187. Van de 850 topmanagers in het bedrijfsleven is slechts 1,5% vrouw, zo blijkt uit een recente Elsevier-enquête.
Een evenwichtige spreiding van invloed en macht wordt echter pas bereikt wanneer daarvan ook sprake is bij bedrijven en maatschappelijke organisaties. De steun van de sociale partners voor dit streven is daarom onmisbaar. In het rapport «Vrouw en Bedrijf» wordt geconcludeerd, dat het stimuleringsbeleid «positieve actie» te weinig effect heeft gesorteerd. Daarom wordt in dit rapport een model aanbevolen dat meer aansluit bij het bedrijfsleven. In Groot-Brittannië zijn bemoedigende ervaringen opgedaan met zo'n model, te weten het initiatief «Opportunity 2000».
Opportunity 2000 is een campagne, die erop gericht is om de kwalitatieve en kwantitatieve arbeidsmarktparticipatie van vrouwen te verbeteren en zo tevens het economisch potentieel van vrouwen beter te benutten. Bedrijven die zich aansluiten bij deze campagne stellen voor zichzelf toetsbare programma's op, die beogen betere kansen te scheppen voor vrouwen in hun bedrijf tegen het jaar 2000. Inmiddels doen er in Engeland zo'n 300 bedrijven mee aan deze campagne. De deelnemers aan de campagne vertegenwoordigen bijna 25% van de totale werkgelegenheid. Van de organisaties is tweederde afkomstig uit het bedrijfsleven, en eenderde uit de non-profitsector.
Het biedt bedrijven en non-profitorganisaties de kans om beter in te spelen op het economisch potentieel van vrouwen en daarmee om de pluriformiteit van het management te vergroten.
Het opleidingsniveau is een belangrijke voorwaarde voor participatie. Het opleidingsniveau van mannen en vrouwen onder de 45 jaar is nagenoeg gelijk. Boven de 45 jaar is het opleidingsniveau van vrouwen lager. Het opleidingsniveau van allochtone vrouwen is lager dan dat van autochtone vrouwen.
Belangrijke verschillen bestaan er ook nog in de soort opleiding die mannen en vrouwen kiezen. Zowel in het beroepsonderwijs (vbo, mbo en hbo) als in het wetenschappelijk onderwijs, maken vrouwen andere keuzes dan mannen. Het aandeel vrouwen in de studierichtingen techniek en economie is gestegen, maar blijft nog achter bij de ontwikkelingen in de andere studierichtingen. De keuze voor een vakkenpakket of een opleiding is van grote invloed op de positie op de arbeidsmarkt.
Een van de grote kansen voor Nederland in een voortschrijdende globalisering van de economie is de kennisinfrastructuur. En kennis is macht. In een hoog-technologische samenleving is het van belang voor vrouwen en mannen om een evenredige toegang te hebben tot informatie en informatiesystemen. Er zal naar worden gestreefd om informatie, die vooral voor vrouwen van belang is, een toegankelijke plaats op het Internet te geven. Om hier voldoende publiciteit aan te geven, zal de lancering van een dergelijk «vrouwennetwerk» gepaard gaan met een conferentie voor een zo breed mogelijke doelgroep. De verdere ontwikkeling van de informatiesystemen biedt Nederland immers goede ontwikkelingskansen voor de volgende eeuw. Aan die kansen zullen zowel mannen als vrouwen hun bijdrage moeten kunnen leveren.
In internationaal verband is de Vierde VN Wereldvrouwenconferentie in Beijing van groot belang geweest. Veel aandacht kreeg de bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en de bestrijding van de groeiende internationale vrouwenhandel. Voorts vormde de erkenning van de seksuele rechten van vrouwen een grote stap vooruit. In het «Platform for Action» en de Verklaring van Beijing klinkt door dat «empowerment» van vrouwen centraal komt te staan in het emancipatiebeleid. Bij de inrichting van de samenleving moeten vrouwen de mogelijkheid hebben hun leven in te richten naar eigen opvatting en aspiraties. In Beijing is bevestigd dat de mensenrechten van vrouwen en meisjes een onvervreemdbaar, integraal en ondeelbaar onderdeel van de universele mensenrechten uitmaken.
Ook voor Nederland heeft dit consequenties. Zo lijkt er ook in Nederland sprake van een zorgwekkende toename van de internationale vrouwenhandel en van een hardnekkig voortbestaan van geweld tegen vrouwen, ook in de privé-sfeer. De inspanningen tot nu toe, zoals de succesvolle campagne «Seks is natuurlijk, maar nooit vanzelfsprekend», hebben het onderwerp weliswaar op de maatschappelijke agenda gezet en het begrip voor het probleem vergroot, maar dat lijkt helaas nog niet geleid te hebben tot een substantiële verandering van het gedrag en vermindering van seksueel geweld. Daarom is het niet alleen noodzakelijk dat het inzicht in de achterliggende problematiek wordt vergroot, maar vooral ook dat de effectiviteit van het beleid wordt versterkt, ondermeer door een betere samenwerking tussen deskundigen van politie en Justitie en van instanties op het gebied van vrouwenhandel en vrouwenhulpverlening. Ook in internationaal verband is een beleidsmatige verdieping en verbreding van de maatregelen tegen seksueel geweld noodzakelijk. In het werkprogramma wordt een nadere uitwerking op dit punt gegeven.
In de afgelopen jaren heeft Nederland zich ontwikkeld tot een multi-culturele samenleving, hetgeen ook voor het emancipatiebeleid niet zonder consequenties kan blijven. Allochtone vrouwen vormen een groeiende, heterogene groep met verschillende achtergronden en perspectieven, die vaak niet te vergelijken zijn met die van autochtone vrouwen. Migranten- en vluchtelingenvrouwen komen voort uit zeer diverse culturen, hebben een uiteenlopende geschiedenis met Nederland, wonen soms kort en soms al lang hier. Voor de voortgang en verdere invulling van het emancipatiebeleid is het van belang om verder zicht te krijgen op de consequenties die deze diversiteit heeft.
Net als bij autochtone jongeren het geval is, hebben allochtone jongeren andere opvattingen over hun toekomst dan hun ouders. Zowel allochtone als autochtone jonge vrouwen willen huishoudelijke en verzorgingstaken met hun partners delen. Allochtone jongens laten zich zelfs positiever uit over een gelijke verdeling van taken dan autochtone jongens. Er is, met andere woorden, onder allochtone jongeren een draagvlak voor het emancipatiebeleid. Een draagvlak dat nodig is, want er is sprake van een extra achterstand van allochtone vrouwen op de arbeidsmarkt en in het onderwijs. Bovendien hebben allochtone jongens en meisjes te maken met discriminatie en vooroordelen.
Het kabinet wil een extra inspanning plegen om de achterstandssituatie van allochtone meisjes en vrouwen te bestrijden op het gebied van onderwijs en besluitvorming. Van belang daarbij is een doorbreking van de stereotiepe beeldvorming en de bestrijding van vooroordelen jegens allochtone vrouwen. De inzet is tevens meer allochtone vrouwen op sleutelposities te krijgen in de betaalde arbeid, waarbij de overheid zelf een voorbeeldfunctie kan vervullen. In het Jaaroverzicht Minderheden 1996 worden voornemens op dit gebied aangekondigd. In aansluiting daarop worden in het hierna volgende Werkprogramma extra inspanningen genoemd.
Tijdens de Vierde VN Wereldvrouwenconferentie in Beijing en ook op de Sociale Top in Kopenhagen (maart 1995) is armoede onder vrouwen erkend als een groeiend en wereldwijd probleem. Het gaat daarbij vaak om vrouwen die alleen de verantwoordelijkheid dragen voor een gezin met opgroeiende kinderen.
Armoede, zo werd duidelijk, is niet meer alleen een probleem van ontwikkelingslanden. Het manifesteert zich in groeiende omvang in de Oost-Europese landen, maar ook in de Europese Unie en de Verenigde Staten.
Regeringen hebben zich verplicht in Kopenhagen de armoede te bestrijden door middel van nationale programma's en internationale samenwerking. Ook in Beijing is geconstateerd, dat de situatie wereldwijd verergert door de toenemende armoede, waaronder een groot deel van de mensheid lijdt, in het bijzonder vrouwen en kinderen. In die zin is er sprake van een «feminisering van de armoede». Bestrijding van armoede zal dan ook moeten plaatsvinden met de betrokkenheid van vrouwen bij de sociale en economische ontwikkeling.
Ook in Nederland is er sprake van feminisering van de armoede zowel onder autochtone als allochtone vrouwen. Vrouwen die op of zelfs onder de armoedegrens leven, zien de resultaten van het emancipatiebeleid grotendeels aan zich voorbij gaan. Veel van deze vrouwen zijn afhankelijk van alleen een AOW- of bijstandsuitkering.
In het kader van de Armoedenota van het kabinet worden verschillende initiatieven aangekondigd om de positie van alleenstaande ouders in de bijstand te verbeteren. Zo worden maatregelen in de sfeer van de kinderopvang aangekondigd, die er op gericht zijn om het combineren van betaalde arbeid en zorgtaken te vergemakkelijken. In het werkprogramma van deze nota wordt een project aangekondigd, dat zich zal richten op de bestrijding van de feminisering van armoede.
2.6. Discriminatie van vrouwen en internationale verplichtingen
Nederland heeft in het kader van het Internationaal Verdrag tegen Discriminatie van Vrouwen (IVDV) de verplichting elke vier jaar aan het Verdragscomité (het CEDAW) verslag te doen over de uitvoering van dit Verdrag. Deze Koninkrijksrapportage wordt geschreven ten behoeve van de internationale discussie. Mede daarom is in de goedkeuringswet voor het Verdrag vastgelegd, dat de regering voorafgaand aan deze internationale rapportage een nationale rapportage aan het parlement moet zenden. Daarbij gaat het niet alleen om de handhaving in Nederland van de regelgeving tegen discriminatie, maar vooral ook om de ontwikkeling van het beleid tegen seksediscriminatie.
De inspanningen op het gebied van positieve actie worden voortgezet. In een binnenkort aan de Tweede Kamer te zenden notitie zal het kabinet aandacht schenken aan eventuele consequenties voor Nederland van een recente prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op dit terrein (de zaak Kalanke-Bremen).
2.7. De vrouwenbeweging en de emancipatie-ondersteuningsstructuur
Bij de verdere ontwikkeling van het emancipatiebeleid blijft de rol van de vrouwenbeweging van groot belang. In de loop der jaren is de vrouwenbeweging van rol en karakter veranderd. Een sterke specialisering heeft geleid tot professionele vrouwengroepen op vrijwel ieder beleidsterrein.
Tijdens de VN Vierde Wereldvrouwenconferentie in Beijing is opnieuw gebleken hoe belangrijk de rol is van de nationale en internationale vrouwenbeweging. Zeker ook door de grotere professionalisering is de invloed op het beleid toegenomen maar ook op de uitvoering daarvan en de versterking van het draagvlak daarvoor.
De toenemende belangstelling voor de integratie van het emancipatiebeleid en de grotere verantwoordelijkheid van andere maatschappelijke partijen vergen een permanente aanscherping van de inzet en benutting van deskundig advies, onderzoek, informatie, organiserend en inspirerend vermogen.
De huidige, door de overheid gefinancierde ondersteuningsstructuur, zal hiervoor steeds de ruimte moeten bieden. Zeker met de naderende opheffing van de Emancipatieraad en met het einde van de looptijd van diverse subsidies van instituten in zicht, ligt een vernieuwing van de ondersteuningsstructuur in de rede. Zodra het aangekondigde advies van de Emancipatieraad over het «expert-centrum voor emancipatie» zal zijn ontvangen, zal in overleg met betrokken organisaties een standpunt worden bepaald. In de toelichting op de begroting voor 1997 zullen de gevolgtrekkingen, ook voor wat betreft het toekomstig subsidiebeleid, hieruit worden verwerkt.
2.8. Interdepartementale coördinatie en de rol van DCE
Emancipatiebeleid behoort te worden verwerkt in de kerntaken van ieder departement. In het kader van het Beleidsprogramma «Met het oog op 1995» is dit facetbeleid nader uitgewerkt door de toezegging dat ieder ministerie middels een emancipatienota en een eigen emancipatie-infrastructuur vorm zou geven aan het interne en externe emancipatiebeleid. In de Tussenstand is aangegeven hoever de departementen zijn gevorderd. Bij de evaluatie van het Beleidsprogramma «Met het oog op 1995» zal blijken hoe de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van het departementaal emancipatiebeleid. Naar verwachting zal ook naar voren komen welke extra impulsen nog nodig zijn. De evaluatie zal worden uitgevoerd in overleg met de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid.
Bij het schrijven van deze nota staat echter al vast dat in de toekomst departementen steeds meer op eigen benen zullen staan als het gaat om de uitvoering van de eigen emancipatietaak. Duidelijk is ook dat de rol van coördinerend minister emancipatiebeleid en daarmee van de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid in toenemende mate gericht is op het monitoren van de resultaten van het interne en externe emancipatiebeleid, op het stimuleren van vernieuwende initiatieven en op de afstemming op hoofdlijnen van het rijksbrede emancipatiebeleid.
Om aan deze taak invulling te geven, worden in het werkprogramma van deze nota een aantal nieuwe initiatieven genoemd. Het betreft hier ondermeer de ontwikkeling en publikatie van een Jaarboek, waarin ook de resultaten van het interne en externe emancipatiebeleid van de departementen zullen worden verwerkt.
Verder zullen interdepartementale projecten worden ingesteld die een nieuwe impuls moeten geven aan thema's, waarop stagnatie dreigt en vernieuwing nodig is.
De Secretarissen-Generaal zal worden gevraagd om ten minste een keer per twee jaar inzicht te geven over de wijze waarop interdepartementaal en door de afzonderlijke departementen uitvoering zal worden gegeven aan het emancipatiebeleid van het kabinet, zowel intern als extern. Dit zal worden voorbereid door de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid, in overleg met de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid.
Een breed draagvlak is in algemene zin cruciaal voor de verdere effectuering en vernieuwing van het emancipatiebeleid. Er is behoefte aan nieuwe impulsen om het draagvlak voor het emancipatiebeleid te versterken en te verbreden.
3. Werkprogramma Coördinatie Emancipatiebeleid
Dit werkprogramma biedt een overzicht van de activiteiten, die per 1 januari 1996 in uitvoering zullen worden genomen.
Allereerst zal het emancipatieproces in zijn volle breedte beter inzichtelijk en toetsbaar gemaakt moeten worden. Wat is bereikt en wat nog niet? Hoe vordert de uitvoering van beleid? Waar is nog sprake van achterstelling? Welke barrières zijn verdwenen en welke moeten nog overwonnen worden? Waar liggen kansen en hoe verlopen experimenten? Wat is het maatschappelijk draagvlak voor het emancipatiebeleid en op welke wijze vindt daarop beïnvloeding plaats?
Een systematische monitoring van het emancipatiebeleid ontbreekt tot nu toe. Met de uitgave «Emancipatie in cijfers» is wel een aanzet gegeven. Monitoring, effectrapportages en evaluaties zullen informatiebronnen zijn voor het beleid. Niet alleen zijn dergelijke gegevens in een informatiemaatschappij van essentiële betekenis, ook dienen ze voor een permanente interactie tussen burger en bestuur. Op die manier zal de kwaliteit en acceptatie van het emancipatiebeleid alleen maar kunnen toenemen.
Vandaar ook dat vanaf 1996 jaarlijks in boekvorm relevante ontwikkelingen rond emancipatie zullen worden gepubliceerd. De uitgave van een Jaarboek, dat een vooruit- en terugblik geeft, is mede gebaseerd op systematische monitoring en bestemd voor een breed publiek.
3.1.2. Emancipatie Effect Rapportage
De experimenten met de Emancipatie Effect Rapportage (EER) zullen worden voortgezet. De ervaringen van onder andere de ministeries van OC&W en Buitenlandse Zaken worden daarbij betrokken. Met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zal samengewerkt worden om het instrument zo mogelijk geschikt te maken voor gemeentelijk beleid.
3.1.3. Onderzoek en communicatie
Daarnaast zullen de meer traditionele middelen van informatieuitwisseling – onderzoek en communicatie – worden gebruikt om een goed inzicht te krijgen en te geven in de pluriforme emancipatoire samenleving. Onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau en onderzoek in het kader van «vrouwenstudies» leveren belangrijke informatie.
Vooral de wijze waarop de uitvoering van het emancipatiebeleid plaatsvindt en de effecten die dat heeft zullen beter gecommuniceerd moeten worden. Daardoor kan meer draagvlak voor het emancipatiebeleid ontstaan.
Zoals in het eerste deel van deze nota is aangegeven, heeft het kabinet reeds voorstellen gedaan, die gericht zijn op het bereiken van een meer evenwichtige verdeling van de betaalde en onbetaalde arbeid. Zowel in het kader van de Arbeidstijdenwet, het wetsvoorstel Verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur en met name in de nota «Om de kwaliteit van Arbeid en Zorg; investeren in verlof». Hierin worden ondermeer voorstellen geformuleerd die werknemers moeten stimuleren zelf voor verlof te sparen, en wordt onderzoek aangekondigd naar de praktische, juridische en financiële haalbaarheid van loopbaanonderbreking.
In aansluiting op de reeds genomen en aangekondigde maatregelen worden in het kader van deze nota de volgende activiteiten geëntameerd:
– Monitoring van de implementatie van juridische maatregelen, onder andere rond ouderschapsverlof, adoptieverlof en calamiteitenverlof, en monitoring van de ontwikkelingen ten aanzien van verlofregelingen in de cao's.
Belangrijke voorwaarden om te komen tot een versnelling van het proces liggen in de verruiming en de praktische afstemming van basisvoorzieningen, onderwijs en de organisatie van de arbeid. Daarbij speelt het belang van het kind in de samenleving nadrukkelijk een rol. Daarom zal veel aandacht uitgaan naar:
– Monitoring van de ontwikkeling van de kinderopvang en buitenschoolse opvang.
– De vergroting van de kinderopvang en buitenschoolse opvang voor een-oudergezinnen in de bijstand via middelen die beschikbaar komen in het kader van de Armoedenota van het kabinet.
– Een nadere analyse van de positie van het kind in de moderne samenleving. Deze analyse zal onderdeel uitmaken van het werk van de in te stellen externe Commissie Dagindeling van de Samenleving. Deze Commissie zal binnen een jaar rapporteren.
Ze krijgt tot taak om een toekomstbeeld te schetsen, waarin voorzieningen zoals kinderopvang, buitenschoolse opvang, onderwijs- en arbeidstijden en vervoersmodaliteiten zo op elkaar zijn afgestemd, dat betaalde arbeid en zorgtaken op een verantwoorde manier met elkaar kunnen worden gecombineerd. De Commissie zal voorbeelden uit het buitenland bij haar werkzaamheden betrekken. Tenminste een derde van de leden van de Commissie zal jonger dan 25 jaar zijn.
Dit initiatief komt tot stand op basis van samenwerking tussen de departementen van OC&W, SZW/DCE, V&W en VWS; ook de VNG is hierbij betrokken.
Om het tempo van de herverdeling van de betaalde en onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen te versnellen en om toe te werken naar een evenwichtige verdeling overeenkomstig de voorstellen van de Commissie Toekomstscenario's, worden aanvullend enkele initiatieven genomen.
Deze initiatieven zijn primair gericht op de verbreding van het draagvlak voor een versnelde herverdeling van de betaalde en onbetaalde arbeid:
– Strategische werkconferenties met ondernemingsraden, medezeggenschapscommissies en vrouwenoverleggen over de vergroting van de kansen op de invoering van verlofregelingen, deeltijdbanen en andere voorwaarden voor een betere verdeling van arbeid en zorg.
– De organisatie van een «Nationaal Zorgdebat», door de Ministeries van VWS en SZW/DCE, waarbij de inzet is om de organisatie van de zorg centraal te stellen en meer aandacht te krijgen voor de noodzaak een meer gelijke verdeling te bereiken van de onbetaalde zorgarbeid tussen vrouwen en mannen.
– Het kabinet zal met een nadere uitwerking komen voor een geïntegreerde aanpak van werkgelegenheid, sociale zekerheid en fiscale wetgeving, zoals genoemd in het regeerakkoord. Daarbij worden de voorstellen van de Commissie Toekomstscenario's Herverdeling Onbetaalde Arbeid betrokken, alsmede de over deze voorstellen gevraagde adviezen en de eindrapportage van de Projectgroep Herverdeling van Onbetaalde Arbeid.
Derhalve zal worden bezien in hoeverre het combinatiescenario kan worden benut als richtsnoer voor toekomstig beleid.
Ook in Nederland lijkt een initiatief als Opportunity 2000 kansrijk, zo bleek uit een informele consultatieronde onder topmanagers uit het bedrijfsleven, overheid en non-profit-organisaties.
– Voorstellen om een professionele organisatie op te richten, die de Nederlandse campagne Opportunity 2000 kan gaan uitvoeren, kunnen rekenen op steun van het kabinet.
– Het kabinet zou graag zien, dat de campagne Opportunity 2000 wordt verbreed tot organisaties zoals bijvoorbeeld departementen, gemeenten, provincies en universiteiten.
– In dit kader wordt overwogen te participeren in de financiering van een bijzondere leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam met betrekking tot Vrouwen en Management.
3.2.3. Verdeling van macht en invloed
Aan bestaande initiatieven – zoals de databank van Toplink – zal via voorlichting meer bekendheid worden gegeven. Via monitoring zal de voortgang worden bewaakt.
– Voor de vergroting van de participatie van vrouwen in politiek, openbaar bestuur en maatschappelijke organisaties zal een vervolgbeleid door het kabinet worden geformuleerd. Daarbij worden betrokken de eindrapportage van de Projectgroep Vrouwen in Besluitvorming en het advies van de Emancipatieraad dat is gevraagd door de Minister van Binnenlandse Zaken. Bij de inrichting van de nieuwe externe adviesorganen blijft de evenredige verdeling van mannen en vrouwen uitgangspunt.
– EZ en SZW/DCE streven er naar om informatie, die vooral voor vrouwen van belang is, een toegankelijke plaats op het Internet te geven. Om hier voldoende publiciteit aan te geven, zal de lancering van een dergelijk «vrouwennetwerk» gepaard gaan met een conferentie voor een zo breed mogelijke doelgroep.
– Om seksueel geweld tegen meisjes en vrouwen, ook in de privé-sfeer, te bestrijden zal een plan van aanpak noodzakelijk zijn om na te gaan welke (gezamenlijke) beleidsverantwoordelijkheid daarvoor moet worden opgezet. Deskundigen uit vrouwenopvanghuizen, Openbaar Ministerie, politie, KNMG en andere organisaties zullen daar een actieve rol in moeten vervullen. Dit initiatief staat onder auspiciën van de Ministeries van Justitie, VWS en SZW/DCE.
– Om de ontwikkeling van effectieve beleidslijnen ter bestrijding van de internationale vrouwenhandel te bevorderen, zullen ronde-tafel-conferenties worden georganiseerd met deskundigen uit de sfeer van politie, justitie en vrouwenorganisaties. Speciale aandacht vraagt daarbij de afstemming met het werk van de speciale VN-rapporteur inzake geweld tegen vrouwen.
Ook dit initiatief staat onder verantwoordelijkheid van de Ministeries van Justitie, VWS en SZW/DCE.
De positie van allochtone vrouwen maakt deel uit van het emancipatiebeleid van elk afzonderlijk departement. Gezien de specifieke situatie waarin allochtone vrouwen verkeren, is daarnaast extra aandacht nodig.
Voortbouwend op de dialoog met allochtone vrouwen en vrouwenorganisaties en in aansluiting op de voornemens in het Jaaroverzicht Minderhedenbeleid 1996, zullen nadere initiatieven worden genomen:
– Het zichtbaar maken van allochtone vrouwen in statistische gegevens – zoals in het Jaarboek – en in beleid op het gebied van politiek en openbaar bestuur, arbeid en zorg.
– Specifieke aandacht om de positie van allochtone vrouwen in het personeelsbestand van departementen te verbeteren, ook in de hogere functies. Aansporing aan andere overheidsorganisaties om hetzelfde te doen.
– Bij het doorbreken van de stereotiepe beeldvorming over allochtone vrouwen is een goed zicht op de ontwikkeling in de landen van herkomst belangrijk. Vernieuwende initiatieven gericht op uitwisseling van kennis en ervaring tussen vrouwen in Nederland en vrouwen in de zogenaamde herkomstlanden, die aansluiten bij deze nota, kunnen voor ondersteuning in aanmerking komen.
Het project Bestrijding Feminisering van de Armoede zal in 1996 door de Ministeries van VWS en SZW/DCE, en waar mogelijk de grote steden en de VNG worden gestart met als doel het doorbreken van de cirkel van armoede en werkloosheid via het vergroten van de economische participatie van vrouwen.
– Er zal zo mogelijk ondersteuning worden geboden aan gemeentelijke toeleidingsprojecten voor alleenstaande ouders naar de betaalde arbeid. Daarbij zal gekeken worden naar betrokkenheid van organisaties met specifieke emancipatiedeskundigheid, zoals de vrouwenvakscholen en vrouw-en-werkorganisaties. De ondersteuning bestaat uit het verstrekken van programmasubsidies, het organiseren van deskundigenbijeenkomsten en het monitoren van lopend beleid. Het gaat daarbij vooral om beleid ten aanzien van alleenstaande ouders die geconfronteerd worden met de problemen van het combineren van betaalde arbeid en zorgtaken.
3.2.7. Discriminatie van vrouwen en internationale verplichtingen
Medio 1996 zal in het kader van de uitvoering van het Internationaal Verdrag tegen Discriminatie van Vrouwen een nationale rapportage aan de Kamers worden aangeboden.
De eerstvolgende Koninkrijksrapportage over de uitvoering van dit verdrag zal eind 1996/begin 1997 aan het Comité voor de Uitbanning van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW) worden toegezonden.
3.2.8. Emancipatie-ondersteuningsstructuur
Na ontvangst van het advies van de Emancipatieraad over het expert-centrum voor emancipatie, en na overleg met vrouwenorganisaties in de eerste helft van 1996, zullen in de toelichting op de begroting voor 1997 voorstellen worden aangekondigd tot vernieuwing van de emancipatie-ondersteuningsstructuur. Hierover zal interdepartementale afstemming plaats vinden. Daarbij wordt ook het subsidiebeleid betrokken.
3.3. Interdepartementale coördinatie emancipatiebeleid
Medio 1996 zal een evaluatie-rapport over het Beleidsprogramma «Met het oog op 1995» aan de Kamer worden aangeboden.
De Secretarissen-Generaal geven een keer per twee jaar inzicht in de wijze waarop interdepartementaal en door de afzonderlijke departementen uitvoering zal worden gegeven aan het emancipatiebeleid van het kabinet, zowel intern als extern. Dit zal worden voorbereid door de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid, in overleg met de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid.
| pag. | ||
| 4.1. | Inleiding | 16 |
| 4.2. | Arbeid en zorg | 17 |
| 4.3. | Verdeling van macht en invloed | 19 |
| 4.4. | Allochtone vrouwen | 20 |
| 4.5. | Seksueel geweld | 21 |
| 4.6. | Armoede onder vrouwen | 21 |
Op emancipatiegebied is er de afgelopen decennia veel veranderd. Vrouwen verrichten meer betaalde arbeid en participeren vaker in de politiek. De houding tegenover de combinatie van arbeid en zorg is veranderd.
Opinie over het buitenshuis werken van vrouwen met kleine kinderen (die nog niet naar de basis school gaan) naar geslacht en opleidingsniveau
| kan niet | kan wel, mits | andere | ||
|---|---|---|---|---|
| samengaan | kinderopvang | mening | ||
| vrouwen | ||||
| laag opgeleid | 1982 | 65 | 32 | 3 |
| 1993 | 41 | 53 | 6 | |
| middelbaar opgeleid | 1982 | 54 | 41 | 5 |
| 1993 | 23 | 70 | 7 | |
| hoger opgeleid | 1982 | 32 | 61 | 7 |
| 1993 | 10 | 82 | 8 | |
| totaal | 1982 | 57 | 38 | 5 |
| 1993 | 28 | 65 | 7 | |
| mannen | ||||
| laag opgeleid | 1993 | 33 | 57 | 10 |
| middelbaar opgeleid | 1993 | 22 | 67 | 11 |
| hoger opgeleid | 1993 | 13 | 75 | 12 |
| totaal | 1993 | 24 | 65 | 11 |
(Bron: CBS – Onderzoek gezinsvorming 1993)
Internationale positie van Nederland
De sociaal-economische positie van vrouwen ten opzichte van die van mannen is verbeterd. Toch blijft Nederland in dit opzicht nog achter. Op de ranglijst van de Human Development Index bekleedt Nederland een vierde positie. De HDI kent drie componenten: levensverwachting, onderwijs en inkomensontwikkeling. Op de ranglijst voor de Gender-Related Development Index neemt Nederland evenwel slechts een twintigste plaats in. De GDI is gelijk aan de HDI, gecorrigeerd naar gender verschillen.
| HDI | GDI |
|---|---|
| 1. Canada | 1. Zweden |
| 2. VS | 2. Finland |
| 3. Japan | 3. Noorwegen |
| 4. Nederland | 4. Denemarken |
| 5. Finland | 5. VS |
| 6. IJsland | 6. Australië |
| 7. Noorwegen | 7. Frankrijk |
| 8. Frankrijk | 8. Japan |
| 9. Spanje | 9. Canada |
| 10. Zweden | 10. Oostenrijk |
| 11. Australië | 11. Barbados |
| 12. België | 12. Nieuw Zeeland |
| 13. Zwitserland | 13. Ver. Koninkrijk |
| 14. Oostenrijk | 14. Italië |
| 15. Duitsland | 15. Tsjechië |
| 16. Denemarken | 16. Slowakije |
| 17. Nieuw Zeeland | 17. Hong Kong |
| 18. Ver. Koninkrijk | 18. België |
| 19. Ierland | 19. Zwitserland |
| 20. Italië | 20. Nederland |
| 21. Israël | 21. Estland |
| 22. Griekenland | 22. Polen |
| 23. Cyprus | 23. Hongarije |
| 24. Hong Kong | 24. Letland |
| 25. Barbados | 25. Portugal |
In de periode 1981–1994 is de arbeidsparticipatie van mannen ongeveer gelijk gebleven. De arbeidsparticipatie van vrouwen is veranderd. De netto-arbeidsparticipatie is gestegen van 30% in 1981 naar 42% in 1994. Vrouwen werken wel veelal parttime.
Een op de vijf werkende vrouwen werkt minder dan 12 uur per week. Bijna tweederde van de werkende vrouwen werkt minder dan 35 uur, terwijl dit maar voor 15% van de werkende mannen geldt. Bij veel huishoudens blijkt er sprake te zijn van een anderhalfverdienersmodel.
Bevolking van 15–64 jaar naar arbeidsduur per week, 1994
| vrouwen | mannen | |
|---|---|---|
| 35 uur of meer werkzaam | 19 | 64 |
| 20 – 34 uur werkzaam | 17 | 5 |
| 12 – 19 uur werkzaam | 6 | 1 |
| 1 – 11 uur werkzaam | 10 | 4 |
| niet werkzaam | 47 | 25 |
(Bron: CBS – enquête beroepsbevolking 1994)
Mannen zijn echter nauwelijks meer gaan zorgen. Uit onderstaande tabel blijkt, dat vrouwen minder tijd besteden aan huishoudelijke- en gezinstaken naarmate ze meer betaald werken. Waar beide partners meer dan 30 uur per week werken, besteden mannen en vrouwen vrijwel evenveel tijd aan huishoudelijke- en gezinstaken. In alle andere gevallen draaien vrouwen grotendeels alleen op voor deze taken.
Aantal uren per week besteed aan huishoudelijke en gezinstaken van (gehuwd) samenwonende vrouwen en mannen van 20–64 jaar naar uren betaalde arbeid per week van de vrouw
| vrouwen | mannen | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1980 | 1985 | 1990 | 1980 | 1985 | 1990 | |
| vrouw heeft geen betaald werk | 47,0 | 47,9 | 44,5 | 14,8 | 16,5 | 15,8 |
| vrouw werkt minder dan 10 uur | 43,7 | 44,7 | 41,2 | 12,3 | 14,0 | 13,3 |
| vrouw werkt 10–29 uur per week | 36,1 | 37,0 | 33,6 | 14,2 | 15,9 | 15,3 |
| vrouw werkt meer dan 30 uur | 21,0 | 21,9 | 18,5 | 16,1 | 17,8 | 17,1 |
(Bron: SCP – tijdbestedingsonderzoek 1980, 1985, 1990)
Combineerbaarheid arbeid en zorg
De combineerbaarheid van werk en zorg wordt in sterke mate beïnvloed door de mogelijkheid van kinderopvang. Na een aantal jaren dat zich kenmerkte door sterke groei bij vrijwel alle voorzieningen op het gebied van de kinderopvang is er in 1994 sprake van een zekere stabilisatie. In 1994 stonden er 47 000 kinderen op de wachtlijst «hele-dagverblijven» (CBS-publikatie: kinderopvang 1994).
Aanbod van kinderopvangplaatsen
| 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | |
|---|---|---|---|---|---|
| * hele-dagverblijven: | |||||
| – gesubsidieerde plaatsen | 21 400 | 21 600 | 22 200 | 26 500 | 26 100 |
| – bedrijfsplaatsen | ..... | 7200 | 12 400 | 15 200 | 19 700 |
| ♦ buitenschoolse opvang | 3 400 | 4 900 | 7 500 | 10 800 | 10 900 |
| ♦ gastouderopvang | 2 100 | 4 300 | 8 100 | 10 600 | 10 800 |
| ♦ overig | 4 300 | 4 100 | 5 000 | 6 400 | 7 100 |
| ♦ totaal dagverblijven | 31 200 | 42 000 | 55 200 | 69 500 | 74 600 |
(CBS-publikatie: kinderopvangcentra 1994)
Uit opinieonderzoek blijkt dat de «dagindeling van de samenleving» slecht op de combineerbaarheid van arbeid en zorg is ingesteld. Veel vrouwen en mannen hebben problemen bij de opvang van zieke kinderen. Voor velen sluiten de openingstijden slecht aan bij de werktijden. Allochtone ouders vinden daarnaast, dat er onvoldoende allochtone leidsters zijn.
Knelpunten gebruik kinderopvang
| Aard | % |
|---|---|
| Geen opvang zieke kinderen | 41 |
| Te hoge kosten | 33 |
| Openingstijden komen niet overeen met de werk- en studietijden | 30 |
| Geen opvang in vakantietijd kinderopvang | 19 |
| Geen buitenschoolse opvang aanwezig | 15 |
| Onzekerheid voortbestaan instelling | 5 |
| Afwezigheid allochtone leid(st)ers | 2 * |
(* Onder allochtone ouders noemde 12 % van de ondervraagden dit als knelpunt)
(Bron: «kinderopvanggebruik en arbeidsparticipatie van vrouwen met kinderen», Research voor beleid, feb 1995)
Het aantal werkende vrouwen dat na de geboorte van het eerste kind blijft werken, is tussen 1985 en 1993 gestegen van 37% (28/74) naar 59% (47/80). Iets meer dan de helft van deze vrouwen gaat wel minder uren werken.
Vrouw en werk: situatie rondom geboorte eerste kind, naar leeftijd moeder en geboortejaar eerste kind
| Leeftijd moeder | Geboortejaar | Percentage werkende vrouwen | |||
| bij geboorte | eerste kind | voor | na | ||
| eerste kind | bevalling | bevalling | |||
| eerste | evenveel | minder | |||
| kind | uren | uren | totaal | ||
| % | % | % | % | ||
| 24 of jonger | 1985 – 1987 | 62 | 6 | 5 | 11 |
| 1988 – 1990 | 72 | 8 | 12 | 20 | |
| 1991 – 1992 | 64 | 10 | 13 | 23 | |
| 25 – 29 | 1985 – 1987 | 78 | 11 | 21 | 32 |
| 1988 – 1990 | 83 | 12 | 30 | 42 | |
| 1991 – 1992 | 85 | 21 | 31 | 52 | |
| 30 – 34 | 1985 – 1987 | 86 | 25 | 20 | 45 |
| 1988 – 1990 | 84 | 21 | 31 | 52 | |
| 1991 – 1992 | 89 | 32 | 27 | 59 | |
| totaal | 1985 – 1987 | 74 | 12 | 16 | 28 |
| 1988 – 1990 | 80 | 13 | 25 | 38 | |
| 1991 – 1992 | 80 | 21 | 26 | 47 | |
(Bron: CBS – onderzoek gezinsvorming 1993)
Er blijkt een groot verschil te bestaan tussen vrouwen die op jonge leeftijd een kind krijgen en vrouwen die op latere leeftijd een kind krijgen. Van de eerste groep blijft slechts een heel klein deel werken. Verklaringen die hiervoor gegeven worden, gaan uit van verschillen in opleiding, voldoening in het werk en de omgevingssituatie.
Bijlage 4.3. Verdeling van macht en invloed
De deelname van vrouwen aan politiek en openbaar bestuur is de afgelopen jaren toegenomen, maar loopt nog achter bij de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen. Tussen de 4 en 30% van de bestuursleden van algemene maatschappelijke organisaties is vrouw.
| Aandeel vrouwenAandeel vrouwen | |||
|---|---|---|---|
| % | % | ||
| Vrouwenorganisaties | 95 | Wetenschappen | 16 |
| Gezondheid en welzijn | 30 | Werkgevers, werknemers | 16 |
| Jeugd en jongeren | 29 | Radio, televisie en film | 15 |
| Taal- en letterkunde | 27 | Monumenten | 14 |
| Sociaal, maatsch., charitatief | 27 | Bibliotheekwezen | 14 |
| Internationale samenwerking | 27 | Vrijetijdsbesteding | 14 |
| Politiek | 25 | Energie | 14 |
| Kerk en geestelijk leven | 25 | Publiciteit | 14 |
| Cultuur en kunst | 24 | Automatisering en informatica | 11 |
| Geschiedenis en oudheidkunde | 24 | Overheid | 6 |
| Toerisme | 24 | Agrarische sector | 6 |
| Nationaal | 22 | Verkeer en vervoer | 5 |
| Onderwijs en opvoeding | 20 | Militairen | 5 |
| Recht | 20 | Vrije ondernemingen en organisaties | 4 |
| Natuur en milieubeheer | 19 | Economie | 4 |
| Bouw en volkshuisvesting | 17 | ||
(Bron: Het maatschappelijk tekort, vrouwen in besturen van maatschappelijke organisaties, Ministerie van SZW, 1994)
Het aandeel van vrouwen onder de bestuurders (ministers, wethouders) is sedert de laatste verkiezingen in 1994 aanzienlijk gestegen. Het aandeel van vrouwelijke gemeenteraadsleden is daarentegen niet toegenomen.
Aandeel vrouwen in politiek en openbaar bestuur (in %)
| 1980 | 1985 | 1990 | 1994 | |
|---|---|---|---|---|
| Europees Parlement | 20 | 28 | 28 | 32 |
| Eerste Kamer | 11 | 20 | 24 | 27 |
| Tweede Kamer | 16 | 21 | 26 | 31 |
| Provinciale Staten | 16 | 21 | 25 | 25 |
| Gemeenteraadsleden | 12 | 19 | 22 | 22 |
| Ministers | 6 | 14 | 21 | 29 |
| Staatssecretarissen | 25 | 19 | 20 | 42 |
| Gedeputeerden | 11 | 21 | 24 | 23 |
| Wethouders | 7 | 13 | 16 | 18 |
| Commissarissen | 9 | 0 | 0 | 8 |
| Burgemeesters | 2 | 4 | 7 | 12 |
(Bron: CBS-statistiek der verkiezingen 1994)
Het opleidingsniveau van mannen en vrouwen verschilt. Dit verschil is grotendeels het gevolg van een lager opleidingsniveau van vrouwen van 45 jaar en ouder. Een tweede verschil is het verschil in vakkenkeuze en soort opleiding. Vrouwen zijn bijvoorbeeld nog steeds een minderheid bij de studierichtingen techniek en economie.
Aandeel vrouwen in wetenschappelijk onderwijs (% van de richting)
| 1979 | 1984 | 1989 | 1993 | |
|---|---|---|---|---|
| Landbouw | 26 | 33 | 41 | 43 |
| Techniek | 5 | 8 | 12 | 15 |
| Economie | 7 | 13 | 21 | 24 |
| Recht | 30 | 40 | 46 | 49 |
| Gedrag & maatschappij | 45 | 52 | 59 | 62 |
| Onderwijs | 43 | 47 | 51 | 55 |
(Bron: CBS-onderwijsstatistiek 1994)
Bijlage 4.4. Allochtone vrouwen
De arbeidsparticipatie van allochtone vrouwen is lager dan die van autochtone vrouwen. Dat geldt met name voor de participatie van Turkse en Marokkaanse vrouwen. Surinaamse vrouwen maken ongeveer even vaak deel uit van de beroepsbevolking (bruto participatie) als autochtone vrouwen.
Personen van 15–64 jaar naar arbeidsparticipatie, werkloosheidspercentages en herkomstgroepering, 1994
| Participatie bruto1 | Netto2 | Werkloosheidspercentages3 | Totale bevolking | ||
|---|---|---|---|---|---|
| werkloze beroepsbevolking | geregistreerde werkloosheid | ||||
| Vrouwen | % | x 1000 | |||
| Autochtonen | 49 | 43 | 10 | 7 | 4 604 |
| Allochtonen | 39 | 31 | 21 | 18 | 552 |
| w.o. Turken | 23 | 15 | 32 | 36 | 79 |
| Marokkanen | 23 | 18 | . | . | 51 |
| Surinamers | 53 | 42 | 21 | 17 | 101 |
| Antillianen | 43 | 33 | . | . | 24 |
| Overige allochtonen | 42 | 34 | 20 | 14 | 297 |
| Totaal | 48 | 42 | 11 | 8 | 5156 |
Bron: CBS-Enquête beroepsbevolking 1994
1 Bruto participatie = werkzame en werkloze beroepsbevolking in % van de bevolking; 2 Netto participatie = werkzame beroepsbevolking in % van de bevolking; 3 Werkloosheidspercentages: werkloze beroepsbevolking = werkloze beroepsbevolking in % van de beroepsbevolking; geregistreerde werkloosheid = geregistreerde werkloosheid in % van de beroepsbevolking.
Van de Turken en Marokkanen in ons land heeft 10% (Marokkaanse vrouwen) tot 30% (Turkse mannen) een diploma van voortgezet onderwijs. Bij de Antillianen en Surinamers in Nederland lopen deze percentages uiteen tussen 59% (Surinaamse vrouwen) en 65% (Antilliaanse mannen). Van de autochtone bevolking heeft 77% (mannen) tot 79% (vrouwen) een dergelijk diploma.
Hoogst bereikte opleidingsniveau van de niet-schoolgaande bevolking van 15–64 jaar, naar etniciteit en sekse, 1991 (in procenten)
| basisonderwijs | hoogst behaalde diploma | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| geen | onv. | voltooid | lbo | mavo | mbo | havo/ vwo | hbo/ wo | (n=100%) | ||
| Turken | v | 26 | 9 | 47 | 5 | 9 | 3 | 3 | 0 | (820) |
| m | 8 | 5 | 57 | 8 | 13 | 4 | 3 | 2 | (1048) | |
| Marokkanen | v | 64 | 12 | 15 | 3 | 5 | 1 | 0 | 1 | (678) |
| m | 43 | 14 | 26 | 5 | 6 | 2 | 3 | 2 | (930) | |
| Surinamers | v | 4 | 9 | 28 | 15 | 21 | 13 | 4 | 6 | (636) |
| m | 3 | 7 | 28 | 21 | 17 | 10 | 6 | 8 | (500) | |
| Antillianen | v | 3 | 8 | 28 | 17 | 19 | 13 | 6 | 6 | (396) |
| m | 2 | 5 | 28 | 26 | 10 | 13 | 7 | 9 | (309) | |
| autochtonen | v | 1 | 2 | 19 | 23 | 13 | 15 | 10 | 18 | (662) |
| m | 0 | 3 | 20 | 20 | 9 | 17 | 9 | 22 | (638) | |
Bron: ISEP (SPVA'91) SCP-bewerking
In Nederland is, zeker internationaal gezien, vrij veel onderzoek gedaan naar omvang en ernst van verschillende vormen van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes.
De belangrijkste ervan zijn de onderzoeken van Nel Draijer, Seksueel misbruik van meisjes door verwanten (1988) en van Renée Römkens, Geweld tegen vrouwen in heteroseksuele relaties (1989). Uit deze onderzoeken bleek onder meer, dat 1 op de 3 vrouwen eens of meermalen seksueel misbruikt is voor haar 16e jaar, en dat 1 op de 5 vrouwen eenzijdig geweld van haar mannelijke partner heeft ervaren.
Internationaal onderzoek, verricht in Barbados, Canada, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen en de V.S., laat zien dat 27% tot 34% van de geïnterviewde vrouwen te maken heeft gehad met seksueel geweld. Lagere percentages werden genoemd in Groot-Brittannië (12%) en Duitsland (17%).
Bijlage 4.6. Armoede onder vrouwen
Eind 1993 werden bijna 168 000 ABW-sec uitkeringen verstrekt, waarvan 141 000 aan vrouwen. Twee van de drie vrouwen onder hen zijn enig ouder. Potentieel vormen zij de grootste groep die in de armoede terecht kan komen. Zij vormen ruim tweederde van het totaal aantal alleenstaande moeders met kinderen jonger dan 18 jaar. Voor meer gedetailleerde achtergrondinformatie zij verwezen naar de Armoedenota van het kabinet.
ABW-sec uitkeringen aan personen jonger dan 65 jaar (x 1000)
| 1980 | 1 985 | 1990 | 1993 | |
|---|---|---|---|---|
| (Echt)paren | ||||
| . (echt)paren zonder kinderen | 3,9 | 7,5 | 4,7 | 5,2 |
| . (echt)paren met kinderen | 6,2 | 11,5 | 6,8 | 6,7 |
| totaal | 10,1 | 19,0 | 11,5 | 11,9 |
| Vrouwen | ||||
| . éénoudergezin | 70,9 | 111,6 | 105,6 | 94,0 |
| . alleenstaande, n-woningdeler | 25,6 | 34,9 | 41,0 | 43,5 |
| . alleenstaande, woningdeler | 2,3 | 4,1 | 3,9 | |
| totaal | 96,5 | 148,8 | 150,7 | 141,4 |
| Mannen | ||||
| . éénoudergezin | 1,2 | 1,6 | 1,7 | 1,5 |
| . alleenstaande, n-woningdeler | 8,2 | 8,0 | 8,7 | 10,5 |
| . alleenstaande, woningdeler | 0,9 | 1,6 | 1,9 | |
| totaal | 9,4 | 10,6 | 12,0 | 13,9 |
(Bron: CBS-statistiek van de algemene bijstand)
De arbeidsparticipatie van alleenstaande moeders is in Nederland zeer laag. Nederland neemt met een netto-arbeidsparticipatie van 29% (inmiddels 33%) een lage plaats in. In alle onderzochte landen (behalve Groot-Brittannië) geldt verder dat alleenstaande moeders vaker dan getrouwde moeders voltijds werken.
Arbeidsparticipatie alleenstaande en gehuwde moeders in enkele OECD-landen (in %)
| land | jaar | alleenstaande moeders | getrouwde moeders | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| full- | part- | werkend | full- | part- | werkend | ||
| time | time | time | time | ||||
| Oostenrijk | 1990 | 55 | 13 | 69 | 36 | 16 | 52 |
| Finland | 1989 | 81 | 6 | 87 | 68 | 8 | 76 |
| Zweden | 1990 | 55 | 32 | 87 | 43 | 47 | 90 |
| Verenigd Kon. | 1989 | 17 | 21 | 37 | 19 | 40 | 58 |
| Nederland | 1990 | 11 | 18 | 29 | 6 | 28 | 34 |
(Bron: OECD-breadwinners or childrearers: the dilemma for lone mothers; 1993)
5. Literatuur en beleidsnota's
Beleidsplan Emancipatie.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1984–1985, 19 052, nrs. 1–2.
De emancipatie van meisjes en jonge vrouwen: rapportage t.b.v. een evaluatie van het meisjesbeleid. M. Niphuis-Nell.
Sociaal en Cultureel Planbureau, januari 1992.
Denken en doen. Voortgangsrapportage van de Projectgroep doorbreking van beeldvorming in termen van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Ministerie van SZW, Directie Coördinatie Emancipatiebeleid, maart 1995.
Herverdeling Onbetaalde Arbeid. Voortgangsrapportage van de Projectgroep herverdeling onbetaalde arbeid. Ministerie van SZW, Directie Coördinatie Emancipatiebeleid, april 1995.
Human Development Report 1995. Gepubliceerd voor de United Nations Development Programme. Oxford University Press, 1995.
Inzichten uit vrouwenstudies: uitdagingen voor beleidsmakers.
Ankelien van Lenning (eindredactie). De Vrije Universiteit Amsterdam in opdracht van het Minsterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, april 1995.
Kabinetsstandpunt Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1991–1992, 22 777, nr. 1.
Kindercentra 1994. Centraal Bureau voor de Statistiek, 1995.
Met het oog op 1995, Beleidsprogramma Emancipatie.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1992–1993, 22 913, nr. 1.
Onbetaalde zorg gelijk verdeeld. Toekomstscenario's voor herverdeling van onbetaalde zorgarbeid.
Commissie Toekomstscenario's Herverdeling Onbetaalde Arbeid, Den Haag, VUGA, oktober 1995.
Ongezien Onderscheid: een analyse van de verborgen machtswerking van sekse. Marian Schaapman.
Den Haag, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid/VUGA, 1995.
Sociale atlas van de vrouw, deel 3: Allochtone vrouwen.
B.T.J. Hooghiemstra, M. Niphuis-Nell.
Sociaal en Cultureel Planbureau, juni 1995.
Vorm geven aan structurele verandering; de rol van vrouwen.
OESO. Parijs 1995
Vrouwen in Besluitvorming. Voortgangsrapportage van de Projectgroep vergroting van de deelname van vrouwen aan de maatschappelijke besluitvorming.
Ministerie van SZW, Directie Coördinatie Emancipatiebeleid, april 1995.
Mensen en management in de Rijksdienst. Deel 2, Informatie. Ministerie van Binnenlandse Zaken, DGMP, 1995. Tabel 5.16.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24406-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.