Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24406 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24406 nr. 3 |
Vastgesteld 3 november 1995
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, heeft de navolgende lijst van vragen opgesteld met betrekking tot de begrotingsbrief Emancipatiebeleid 1996.
De regering heeft de vragen beantwoord bij brief van 3 november 1995.
De vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
Op welke wijze wordt in de aangekondigde koersbepaling emancipatiebeleid rekening gehouden met de recente cijfers over ons land in het UNDP Human Development Report? (blz. 1)
Uit het UNDP Human Development Report blijkt dat Nederland door een lage arbeidsparticipatie van vrouwen een relatief slechte positie op de ranglijst van het UNDP-rapport inneemt.
Zoals ook in het rapport «Onbetaalde zorg, gelijk verdeeld» van de commissie Toekomstscenario's wordt vermeld is de ongelijke verdeling van onbetaalde zorgarbeid tussen mannen en vrouwen een belemmering voor een verdergaande verbetering van de sociaal-economische positie van vrouwen.
In de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid, die dezer dagen aan de Kamers wordt toegezonden, zijn hierop gerichte voorstellen opgenomen.
Op welke wijze wordt systematische monitoring van de positie van vrouwen en van de voortgang van het emancipatiebeleid vormgegeven?
Hoe verhoudt dit middel zich tot de doelstellingen? (blz. 2)
a. Bij het vormgeven en de uitvoering van het monitor-systeem zal worden samengewerkt tussen DCE, de facetdirecties van SZW en relevante beleidsdirecties van de departementen. De gegevens van de monitorinstrumenten van de afzonderlijke departementen worden samengebracht in het monitorsysteem DCE. Waar mogelijk zal samenwerking worden gezocht met derden bij het verzamelen van de overige informatie, zoals op het moment ook gebeurd met het CBS bij de publikatie van «Emancipatie in Cijfers».
b. Het emancipatieproces en -beleid wordt gemonitord op basis van de doelstellingen en activiteiten, zoals neergelegd in de beleidsnota's, wetten en internationale verdragen. Door monitoring wordt inzicht geboden in de mate waarin doelstellingen zijn gerealiseerd. In de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid, die dezer dagen aan de Kamers wordt toegezonden, wordt nader ingegaan op de doelstellingen van het beleid voor de komende jaren.
Welke ministeries zijn direct betrokken bij de herijking van het emancipatie-ondersteuningsbeleid in het licht van de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid?
Welke criteria worden hierbij gehanteerd?
Omdat elke bewindspersoon verantwoordelijk is voor het ondersteuningsbeleid op het beleidsterrein van het eigen vakdepartement is elk departement in principe betrokken bij de herijking van het emancipatie-ondersteuningsbeleid in het licht van de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid.
Als extra criterium bij dit herijkingsproces geldt dat in eerste instantie die departementen hierbij worden betrokken die een ondersteuningsbeleid voeren dat is geënt op de instrumenten zoals beschreven in de beleidsnota Emancipatie-ondersteuningsstructuur (TK, 1989–1990, 21 361, nr. 1).
Kan de regering een overzicht geven van de thans geldende budgetten voor emancipatie en de looptijd in de meerjarenraming?
Voor een overzicht van de thans vigerende emancipatiebudgetten en de looptijd in de meerjarenbegroting verwijs ik u kortheidshalve naar de Rijksbegroting 1996, SZW Hoofdstuk XV, artikel 15.02 Emancipatie.
Kan de regering een overzicht geven van de subsidies die alle vakdepartementen ten behoeve van het emancipatiebeleid verstrekken met looptijd en doelstelling?
Doordat het emancipatiebeleid facetbeleid is, en dus ook het emancipatie-ondersteuningsbeleid (van de meeste departementen) onderdeel is van het algemene beleid, zijn emancipatiesubsidies veelal niet als zodanig herkenbaar in de begrotingshoofdstukken. Daarbij komt, dat subsidies voor een deel mede kunnen worden ingezet voor het bereiken van emancipatiedoelstellingen, maar in hoofdzaak worden verstrekt op andere gronden en op die noemer te boek staan.
Om toch een zo volledig mogelijk overzicht te verkrijgen zal de departementen worden verzocht om opgave van die uitgaven in de hoofdstukken van de begroting 1996, die volgens hen (mede) als emancipatiesubsidies dienen te worden beschouwd, met vermelding van looptijd en doelstelling(en). Na ontvangst van de gevraagde gegevens zal ik de Kamer het overzicht toezenden.
Op welke wijze wordt bevorderd dat er standaardcriteria worden ontwikkeld voor Emancipatie-effectrapportages?
Op welke beleidsvoornemens is dit instrument primair gericht? (blz. 5)
De methode emancipatie-effectrapportage (EER methode) is, in opdracht van mijn ambtsvoorganger, ontwikkeld min of meer naar analogie van de milieu-effectrapportage. Een emancipatie-effectrapportage toetst beleidsvoornemens op de te verwachten (neven-) effecten op emancipatieprocessen. De ontwikkelde methode omvat een theoretisch kader en een daarop gebaseerd stappenplan. Twee criteria, gelijkheid en pluriformiteit/autonomie, vormen in het theoretisch kader het normatieve element. Met behulp daarvan kunnen beleidsvoornemens worden gewogen op hun positieve of negatieve lading.
Het is vooralsnog niet de bedoeling om andere criteria te ontwikkelen dan de zojuist genoemde. Op zich is het EER stappenplan bedoeld als een methode om systematisch de relevante aspecten van een beleidsvoornemen langs te lopen. Het fungeert daarmee als geheel als een standaard voor toetsing.
Er is op voorhand geen categorie beleidsvoornemens uitgezonderd van toepassing van een EER. De praktijk zal moeten uitwijzen, bij welke soort beleidsvoornemens toepassing van de EER methode de beste resultaten geeft.
Op welke wijze zal de Kamer betrokken zijn bij de follow-up van de conferentie in Beijing in Europees en internationaal verband, zowel wat betreft de voorbereiding als de uitkomst van de verschillende bijeenkomsten?
In een brief die ik op 13 oktober 1995 mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zond aan de voorzitter van de Tweede Kamer is toegezegd dat het kabinet de Kamer op korte termijn zal informeren over de wijze waarop de resultaten van de Wereldvrouwenconferentie zullen worden meegenomen in de beleidsvorming. Daarbij zal ook aandacht worden geschonken aan de wijze waarop de Kamer bij de voorbereiding en de uitkomst van verschillende follow-up-bijeenkomsten in Europees en internationaal verband zal kunnen worden betrokken.
Welke ministeries, naast het Ministerie van OCW, gaan in 1996 gebruik maken van de emancipatie-effectrapportages (EER)?
Is de EER hanteerbaar; ook voor lagere overheden? Zo nee, tegen welke problemen lopen overheden aan? Hoe gaan deze problemen aangepakt worden?
In zijn brief d.d. 29 juni 1994 heeft de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uw Kamer onder andere bericht ervoor te willen zorgen dat in 1994 en 1995 op enkele departementen een aantal experimenten uitgevoerd worden met emancipatie-effectrapportages op lopende beleidsvoornemens. Hiervoor is ruimte vrijgemaakt binnen het SZW-onderzoeksbudget 1995. De bedoeling is tijdens deze fase van invoering te leren van opgedane ervaringen. Op dit moment wordt binnen het Ministerie van Justitie een emancipatie-effectrapportage uitgevoerd op het terrein van het personen- en familierecht.
Op een groot aantal andere departementen worden de mogelijkheden nagegaan voor het doen uitvoeren van emancipatie-effectrapportages, die, wanneer tot uitvoering wordt besloten, in hoofdzaak in 1996 zullen vallen.
Met name het Ministerie van OCW is actief. Na de EER op het advies Recht doen aan verscheidenheid van de Commissie MAVO/VBO-Aansluitend Onderwijs is een op het OCW-terrein toegesneden handleiding EER ontwikkeld, wordt er gewerkt aan de verdere implementatie hiervan en aan de daadwerkelijke toepassing van de emancipatie-effectrapportage op het terrein van dit departement. Hieruit blijkt reeds, dat de EER in beginsel goed hanteerbaar is en dat ook voor lagere overheden zal zijn.
De EER methode is primair ontwikkeld voor gebruik binnen de rijksoverheid. Niettemin blijken, tot mijn genoegen, ook provinciale en gemeentelijke overheden belangstelling te hebben voor dit beleidsinstrument. Op ambtelijk niveau is er contact met de VNG waarin de vraag wordt verkend, of in onderlinge samenwerking de mogelijkheden van toepassing van de EER methode voor gemeenten kunnen worden vergroot.
Waarom wordt bij de arbeidsparticipatie van vrouwen het gegeven niet betrokken dat slechts 30% van de vrouwen economisch zelfstandig is?
Op welke wijze dienen de gegeven cijfers in relatie tot «Rapport 1990»? (blz. 6)
Economische zelfstandigheid van vrouwen is een van de hoofddoelstellingen van het emancipatiebeleid. Volgens gegevens van het CBS is bijna de helft van de vrouwen thans economisch zelfstandig en is 37% economisch zelfstandig met betaalde arbeid als hoofdbron van inkomsten. Het beleid ter bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen is er juist op gericht de economische zelfstandigheid van vrouwen te vergroten.
Op welke termijn kan de Kamer nadere informatie tegemoet zien over de wijze waarop, en het tijdpad waarin, de Koninkrijksrapportage aan het CEDAW respectievelijk de zgn. Kalsbeek-rapportage worden voorbereid en de termijn waarop de resultaten hiervan met de Kamer worden besproken?
Welk onderzoek is bij de voorbereiding van bovengenoemde rapportages verricht? Wat is de voortgang hiervan? (blz. 6).
a. Het streven is, beide Kamers voor het Kerstreces bij brief te informeren over de wijze van voorbereiding en het tijdpad van:
– de Nationale Implementatie Rapportage over de uitvoering van het Internationaal Verdrag tegen Discriminatie van Vrouwen (IVDV), de zgn. Kalsbeek-rapportage;
– de tweede Koninkrijksrapportage over de uitvoering van het IVDV.
De voorbereiding van de nationale rapportage heeft om diverse redenen – waarop in de aangekondigde brief nader zal worden ingegaan – vertraging ondervonden. Momenteel wordt onderzocht of middels de instelling op korte termijn van een (niet-ambtelijke) begeleidingscommissie of regiegroep die vertraging zoveel mogelijk kan worden weggewerkt.
b. Over het onderzoek dat bij de voorbereiding van de genoemde rapportages wordt verricht kan het volgende worden gemeld:
– het juridisch onderzoek naar de betekenis van het IVDV voor de Nederlandse rechtsorde, waartoe in november 1993 opdracht werd gegeven aan de Vakgroep Publiekrecht van de Rijksuniversiteit Limburg en dat vermoedelijk begin 1996 tot een publikatie zal leiden;
– aan de Kamers is toegezegd dat in het kader van de Nationale Implementatie Rapportage jaarlijks een verdiepend onderzoek wordt gestart en/of uitgevoerd op een deelterrein van het IVDV. In dat kader geschiedt het volgende:
♦ aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam is in november 1994 een verkennend onderzoek opgedragen naar de betekenis van artikel 12 IVDV (betreffende het recht op gezondheidszorg); de resultaten worden in maart 1996 aan SZW aangeboden en zullen voor het zomerreces 1996 kunnen worden gepubliceerd;
♦ in november 1995 zal – naar aanleiding van gevraagde en inmiddels ontvangen offertes – worden aanbesteed een onderzoek naar de betekenis van het IVDV voor de maatschappelijke positie en de rechtspositie van zwangere en pas bevallen vrouwen;
♦ ook in 1996 zal een verdiepend onderzoek op een (in het begin van dat jaar) nader te bepalen deelterrein van het IVDV worden aanbesteed;
– ter uitvoering van de toezegging die het Koninkrijk in januari 1994 bij de bespreking van de eerste verdragsrapportage aan het Verdragscomité (het CEDAW) heeft gedaan, zal begin 1996 opdracht worden gegeven tot het schrijven van een samenhangende analyse van het Nederlandse sociaal-economische beleid ten aanzien van de positie van vrouwen; bij de uitvoering van deze opdracht zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van materiaal dat reeds voor andere doeleinden is of wordt verzameld.
Op welke wijze zal follow-up worden gegeven aan de resultaten van het tijdelijk meldpunt Reparatie van vrouwenpensioenen? (blz. 7)
Naar aanleiding van een desbetreffend verzoek van het Instituut Vrouw en Arbeid wordt momenteel onderzocht of, en zo ja op welke wijze, een follow-up van het meldpunt «Reparatie van vrouwenpensioenen» mogelijk is binnen het project «Vrouw en pensioen» van het instituut.
Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Boogaard (Groep Nijpels), Noorman- den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD) en Van Blerck-Woerdman (VVD). Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Esselink (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Boers-Wijnberg (CDA), Van Boxtel (D66), vacature CD, J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (U55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD) en Hoogervorst (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24406-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.