24 406
Emancipatiebeleid 1996

nr. 2
BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 september 1995

§ 1. Inleiding

Conform de toezegging in het Beleidsprogramma Emancipatie1 is een inventarisatie opgesteld van de raakvlakken tussen de beleidsterreinen van Financiën en het emancipatiebeleid. Dit is gebeurd met het oog op het uitbrengen van een overzicht van beleidsvoornemens op het gebied van de emancipatie, waartoe de ministeries zich in het Beleidsprogramma hebben verplicht.

Deze beleidsbrief geeft een overzicht van bovenbedoelde raakvlakken. Daarbij is aangegeven waar wij aanvullend beleid noodzakelijk, wenselijk en mogelijk achten.

Een concept van deze brief is voor advies voorgelegd aan de Emancipatieraad en aan de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid (ICE). Het advies van de Emancipatieraad is bijgevoegd als bijlage I2.

Ten opzichte van de concept-brief hebben de adviezen geleid tot aanvulling van het onderdeel «bevordering van de deelname aan betaalde arbeid.» Ook is in dit onderdeel ingegaan op het door de Emancipatieraad geëntameerde onderzoek naar de integratie van onbetaalde arbeid in het macro-economisch beleid. Paragraaf 4.j is aangevuld voor wat betreft het personeelsbeleid van het kernministerie. Met betrekking tot het advies van de Raad om de Emancipatiecommissie Financiën te laten voortbestaan na 1995 zal begin 1996 een besluit worden genomen, op basis van een beschouwing over de rol die de commissie in de toekomst zou kunnen vervullen.

§ 2. Het resultaat van de inventarisatie van raakvlakken

Op basis van het Beleidsprogramma Emancipatie is ten behoeve van de inventarisatie een toetsingskader opgesteld (bijgevoegd als bijlage II)3. Door dit toetsingskader toe te passen op een beschrijving van de verantwoordelijkheden van de Minister van Financiën zijn de raakvlakken met het emancipatiebeleid in kaart gebracht.

Uit de inventarisatie blijkt dat slechts enkele raakvlakken de uitsluitende of primaire beleidsverantwoordelijkheid van de bewindspersonen van Financiën betreffen en dat veel onderwerpen meer een beheersmatig dan een beleidsmatig karakter hebben.

Met betrekking tot een aantal raakvlakken is in het verleden reeds beleid ingezet om de emancipatieaspecten de vereiste aandacht te geven, of wordt het beleid van andere bewindspersonen mede uitgevoerd of ondersteund.

De beschrijving van de raakvlakken met een beleidsmatig karakter is opgenomen in § 3. Het gaat om de volgende onderwerpen:

a. Bevordering van de deelname aan betaalde arbeid;

b. Toegang tot de financiële markten;

c. Pensioenregelingen;

d. Het beleid van multilaterale banken.

In het licht van het regeerakkoord van dit kabinet zal het duidelijk zijn dat het eerste onderwerp in beweging is. Uit de beschrijving van de andere raakvlakken blijkt dat er geen aanleiding is voor beleidswijziging.

De volgende raakvlakken hebben een meer beheersmatig karakter. Het betreft:

e. De deelname aan adviesraden, ambtelijke commissies en zelfstandige bestuursorganen;

f. De vertegenwoordiging in internationale financiële organisaties;

g. Publieksvoorlichting en interne communicatie;

h. Klantbenadering en -behandeling door de Belastingdienst;

i. Voorlichting aan specifieke groepen belastingplichtigen;

j. Het personeelsbeleid.

Met betrekking tot enkele van deze raakvlakken achten wij nader beleid wenselijk. In § 4 van deze brief zijn de raakvlakken met een beheersmatig karakter beschreven en zijn de beleidsvoornemens opgenomen.

§ 3. Raakvlakken met een beleidsmatig karakter

a. Bevordering van de deelname aan betaalde arbeid

Dit onderwerp is een hoofdpunt van beleid van de regering. Toegespitst op vrouwen komt deze doelstelling overeen met een van de doelstellingen van het emancipatiebeleid. Het onderwerp raakt ook aan enkele beleidsterreinen van het ministerie van Financiën, met name de fiscaliteit en het sociaal-economisch beleid.

Bij de fiscale beleidsvorming speelt een groot aantal aspecten een rol. Daarbij wordt, zoals in het Beleidsprogramma Emancipatie, paragraaf 11, is aangegeven4, ook de bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen meegewogen. In het verleden heeft dit reeds tot aanpassing van het fiscale stelsel geleid. In de afgelopen twintig jaar heeft de belastingheffing zich ontwikkeld van een heffing op het huishoudensinkomen tot een grotendeels geïndividualiseerde heffing5.

In het regeerakkoord is met betrekking tot de emancipatie, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen. «Het emancipatiebeleid vergt een geïntegreerde aanpak van werkgelegenheid en zorg, sociale zekerheid en fiscale wetgeving. Het richt zich op een samenleving waarin keuze-vrijheid bestaat om gedurende een leven verschillende rollen te vervullen, waarin mogelijkheden zijn de verantwoordelijkheid voor betaalde en onbetaalde arbeid te verdelen en waarin mannen en vrouwen gelijke rechten hebben, ook op economische zelfstandigheid.

Het traditionele kostwinnersmodel, waarin arbeidsdeling thuis, de arbeidsorganisatie van bedrijven en de inkomenspolitiek keurig in elkaar pasten, zal plaats moeten maken voor het patroon van de geëmancipeerde en economisch zelfstandige burger, onder voorwaarde dat dit niet leidt tot grotere sociale ongelijkheid.» Deze aspecten zullen in de komende periode dan ook bijzondere aandacht krijgen bij de uitwerking van de hiervoor bedoelde geïntegreerde aanpak, die door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in samenwerking met de andere betrokken ministers wordt voorbereid. Daarbij wordt opgemerkt dat de afschaffing van de overdracht van de basisaftrek vanwege de vele en ingrijpende directe en indirecte gevolgen een complexe materie is. In dit verband zij ook gewezen op het initiatief-wetsvoorstel De Korte/Van Rey, waar deze aspecten ook aan de orde zijn. Dit initiatief-wetsvoorstel verdient een constructieve benadering.

Andere concrete raakvlakken met het emancipatiebeleid zijn de fiscale behandeling van kinderopvang en de fiscale behandeling van de meewerkende vrouw, in het bijzonder de meewerkaftrek6, in de inkomstenbelasting.

Met betrekking tot de kinderopvang heeft met ingang van 1-1-1995 een wettelijke verankering van de fiscale regeling inzake kinderopvangkosten plaatsgevonden. Daarbij is de regeling die tot dan toe alleen voor werknemers en werkgevers gold, ook uitgebreid naar zelfstandigen. Het budgettaire beslag van de wettelijke regeling is op zich lager dan de oude regeling, maar het verschil is toegevoegd aan het kinderopvangbudget ter bevordering van meer kinderopvangplaatsen. Dit past in het kabinetsbeleid om de aanbodkant van de kinderopvang te versterken. Met ingang van 1-1-1995 is tevens de feitelijke kinderopvang vrijgesteld voor de omzetbelasting. De met deze vrijstelling gemoeide kosten bedragen 20  mln. Voorts zijn wij, mede ter uitvoering van het voornemen in het regeerakkoord om het beleid met betrekking tot de kinderopvang voort te zetten, voornemens met ingang van 1-1-1996 een extra faciliteit met betrekking tot kinderopvangkosten voor werkgevers in te voeren. Doel van deze faciliteit is het aantal bedrijfkinderopvangplaatsen te bevorderen. Het budgettaire beslag van deze faciliteit bedraagt 45 mln. Te zamen met het hiervoor genoemde bedrag van 20 mln leidt dit tot een fiscale impuls van structureel 65 mln per jaar ten behoeve van de kinderopvang.

De fiscale behandeling van arbeid van de meewerkende vrouw kan afhankelijk van de situatie op verschillende wijze plaatsvinden. Zo kan sprake zijn van mede-ondernemerschap, van een reële arbeidsbeloning of van toepassing van de meewerkaftrek. Uit emancipatoir oogpunt heeft de meewerkaftrek minder gunstige aspecten. Inmiddels heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan die de destijds gehanteerde motivering voor de meewerkaftrek thans in een ander daglicht stelt. Zo bestaat er de mogelijkheid van het aangaan van een firma tussen echtgenoten en de mogelijkheid om op grond van het nieuw Burgerlijk wetboek een dienstbetrekking tussen echtgenoten aan te gaan. Op dit moment is de afschaffing van de meewerkaftrek dan ook onderwerp van onderzoek van de werkgroep «Technische Herziening Loon- en inkomstenbelasting».

Een meer algemeen raakvlak tussen emancipatie en deelname aan betaalde arbeid is de prijs van de arbeid. Een hoge lastendruk op arbeid remt de vraag naar arbeid en de bereidheid om deel te nemen aan betaalde arbeid af. Bovendien heeft hij een negatief effect op de kosten van arbeidsintensieve diensten, zoals kinderopvang, huishoudelijke hulp, boodschappendiensten en dergelijke. Een van de belangrijke beleids-doelstellingen van dit kabinet is de verlaging van de arbeidskosten met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt via gerichte lastenverlichting. Voor 1995 is de toespitsing van de lastenverlichting op de onderkant vormgegeven door een franchise voor het werkgeversdeel van de Ziekenfondspremie. Dit heeft ook tot gevolg dat deeltijdarbeid voor werkgevers goedkoper uitvalt, hetgeen op zichzelf deeltijdarbeid zal stimuleren. In 1996 zal de verlaging van arbeidskosten en de toespitsing op laag betaalde arbeid worden voortgezet. Zie hiervoor verder de Miljoenennota 1996.

Voorts bepleiten wij in EU-verband om arbeidsintensieve diensten onder het verlaagde BTW-tarief te brengen. Dit heeft een positief effect op de prijs van dergelijke diensten. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de verlaging van de financiële lasten voor mensen die als gevolg van de deelname aan het arbeidsproces meer op deze diensten zijn aangewezen. Een andere ontwikkeling is de discussie over de markt voor persoonlijke dienstverlening. Bij het formuleren van concrete maatregelen zullen ook emancipatoire aspecten zoals eventuele verdringing en verzwakking van de arbeidsmarktpositie van vrouwen, in beeld moeten komen.

Naast het fiscale beleid is het sociaal-economische beleid een van de instrumenten waarbij vanuit Financiën op de arbeidsparticipatie invloed wordt uitgeoefend.

Bij de voorbereiding van de inbreng in het sociaal-economische beleid is Financiën attent op aspecten waarin de specifieke positie en belangen van vrouwen afwijken van die van mannen, zodat deze in de afweging van beleidsalternatieven kunnen worden betrokken. Het betreft evenwel steeds beleidsterreinen waar andere departementen eerst-verantwoordelijke zijn; een voorbeeld hiervan is de betekenis van liberalisering van de winkelsluitingswet.

De Emancipatieraad heeft in een recent rapport7 aandacht gevraagd voor het belang van de kosten en baten van de onbetaalde arbeid bij de vorming van het macro-economisch beleid. De Raad beveelt verdere studie aan. Daarbij sluiten wij ons graag aan.

Het rapport schetst de omvang van de hoeveelheid onbetaalde arbeid en het belang ervan voor de samenleving. Vervolgens wordt uitgewerkt hoe een en ander in de macro-economische modellen kan worden verwerkt, een onderwerp dat primair het Centraal Planbureau aangaat. Waar nodig en mogelijk zal ook vanuit Financiën deze studie worden bevorderd.

b. Toegang tot de financiële markten

Goed functionerende financiële markten (bankwezen, effectenwezen, verzekeringswezen) vormen een wezenlijk bestanddeel van de zorg voor een stabiele economische ontwikkeling.

Een raakvlak met het emancipatiebeleid is de mate van toegankelijkheid van deze markten voor mannen en vrouwen. Aspecten hiervan zijn: (on)gelijke behandeling bij de kredietverlening, bij de toegang tot zakelijk advies en krediet, bij de verkrijging van verzekeringen en hypotheken e.d.

De situatie met betrekking tot deze onderwerpen is hieronder weergegeven.

Op 12 november 1992 is een algemene gedragscode tegen discriminatie op grond van onder meer geslacht in werking getreden, ter voorkoming en bestrijding van discriminatie van consumenten betrokken bij verzekeringstransacties. Deze gedragscode geldt voor de leden van het Verbond van Verzekeraars (waarbij circa 90% van de onder toezicht van de Verzekeringskamer staande in Nederland gevestigde verzekeraars is aangesloten) en voor niet-leden van het Verbond die daartoe een schriftelijke verklaring hebben afgelegd. Discriminatie (zowel direct als indirect) wordt ook verboden ingevolge de Algemene wet gelijke behandeling8, die op 1 september 1994 in werking is getreden. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van ongeoorloofd onderscheid jegens vrouwen bij de toegang tot de verzekeringsmarkt, dat vanuit Financiën tot aktie zou moeten leiden.

Bij de kredietverlening hanteren krediet-instellingen standaard-normen voor de beoordeling van risico's. Bij kredietverstrekking in de vorm van het verstrekken van hypotheken wordt bij tweeverdieners het inkomen van een der partners meestal slechts voor een beperkt aantal jaren of voor een beperkt deel meegeteld. Doel hiervan is om overkreditering tegen te gaan. Dit is in het belang van zowel de hypotheekgever als de hypotheeknemer.

De partners bepalen zelf welk van beide inkomens beperkt zal meetellen. In de praktijk wordt meestal gekozen voor het laagste inkomen: een andere keuze vermindert de leencapaciteit.

Uit een oogpunt van emancipatiebeleid en vanuit de zorg voor financiële consumentenzaken ziet Financiën het mede als haar taak om de ontwikkelingen actief te volgen. Daartoe zal Financiën attent zijn op signalen die duiden op mogelijke discriminatie van vrouwen bij de toegang tot financiële markten.

c. Pensioenregelingen

Collectieve aanvullende pensioenregelingen vormen een onderdeel van de beloning en daarmee van de arbeidskosten. Het beleid met betrekking tot pensioenregelingen in de private sector is een primaire verantwoordelijkheid van de Minister van SZW; de primaire verantwoordelijkheid voor pensioenregelingen in het algemeen ligt bij de sociale partners. Op grond van Europese regelgeving9 moet bij sectorale pensioenregelingen (ondernemings- en bedrijfstakpensioenfondsen) gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn doorgevoerd voor het tijdvak van tewerkstelling vanaf 17 mei 1990 (datum arrest Barber).

Reparatie van de gevolgen van directe discriminatie voor die datum is zeer kostbaar. Om reparatie te vergemakkelijken wordt via een wijziging van de Pensioen- en Spaarfondsenwet10 (op dit moment in behandeling in de Eerste Kamer) het mogelijk gemaakt om de middelen van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering aan te wenden in de vorm van bijdragen voor de verwerving van pensioenaanspraken voor vrouwelijke werknemers die in het verleden van pensioenopbouw zijn uitgesloten vanwege hun geslacht.

Overigens zijn in het belang van de individualisering en flexibilisering onlangs, mede namens de tweede ondertekenaar, maatregelen voorgesteld om het fiscale kader voor pensioenen te verruimen.

d. Het beleid van multilaterale banken

Het beleid van de Wereldbank en andere ontwikkelingsbanken bepaalt mede de wijze en richting waarop de economische ontwikkeling van een land wordt gefinancierd en vorm kan krijgen. Naast de minister van Financiën is ook de minister voor Ontwikkelingssamenwerking actief betrokken bij het formuleren van de Nederlandse inbreng.

In de berichtgeving aan de bewindvoerders van multilaterale banken schenkt Financiën systematisch aandacht aan aspecten die de specifieke positie van vrouwen beïnvloeden. In de meeste gevallen zal het – gezien de samenwerking tussen Ontwikkelingssamenwerking en Financiën – gaan om terreinen die primair de competentie van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking betreffen. De minister van Financiën ondersteunt de minister voor Ontwikkelingssamenwerking bij het streven om in het beleid van de Wereldbank en van andere ontwikkelingsbanken en via speciale projecten de positie van vrouwen in ontwikkelingslanden te verbeteren. Voorts wordt in onderhandelingen over middelenaanvulling en kapitaalverhoging van de betrokken fondsen resp. banken door het ministerie van Financiën aandacht gevraagd voor het beleid gericht op verbetering van de positie van vrouwen in ontwikkelingslanden.

Dit beleid zal worden gecontinueerd.

§ 4. Raakvlakken met een beheersmatig karakter

e. De deelname aan adviesraden, ambtelijke commissies en zelfstandige bestuursorganen

Naar aanleiding van het kabinetsstandpunt Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur11 zijn binnen het ministerie van Financiën de mogelijkheden geïnventariseerd om het aandeel van vrouwen in deze organen op de beleidsterreinen van het ministerie te laten toenemen tot de in de kabinetsnota genoemde percentages. Bij de adviesraden van het ministerie van Financiën benoemt de minister de leden op voordracht van organisaties van het georganiseerde bedrijfsleven. Rechtstreekse invloed op de voordrachten is er daarbij evenwel niet. Tussen 1-1-'93 en 1-1-'94 is het aandeel van vrouwen als lid van de drie externe adviesorganen gestegen van 4,2% naar 5,9% (streefcijfer: 15%). Als gevolg van het wegvallen van een van deze raden is dit percentage per 1-1-'95 gedaald tot 2,6%. Een belemmerende factor is soms dat vrouwen met voldoende expertise en ervaring op een specifiek financieel-economisch deelterrein niet in redelijke mate beschikbaar zijn. Bij de wijziging van de samenstelling van de Rijkscommissie voor Export-, Import- en Investeringsgaranties, voorjaar 1994, is het om deze reden niet gelukt een vrouwelijk lid voor te dragen, ondanks de pogingen die daartoe in het werk zijn gesteld. Bij de Raad van Toezicht op de Verzekeringskamer waren daarentegen wel voldoende deskundige vrouwen beschikbaar.

In juli 1994 is via een brief aan de externe adviesraden aan de organisaties die leden voordragen verzocht bij hun voordrachten rekening te houden met het in bovengenoemde kabinetsnota geformuleerde beleid. Bij de instelling van nieuwe raden zal in het licht van het kabinetsstandpunt Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur het aandeel van vrouwen een apart punt van overweging zijn.

Het aandeel van vrouwen bij de vertegenwoordiging van het ministerie van Financiën in interdepartementale commissies is tussen 1-1-'93 en 1-1-'95 gestegen van 2,7% naar 11,1% (streefcijfer: 20%). De afgevaardigden vanuit het ministerie naar interdepartementale commissies worden in het algemeen benoemd uit hoofde van hun functie, hetgeen grenzen stelt aan het, los van het algemene personeelsbeleid, verhogen van het percentage.

f. De vertegenwoordiging in internationale financiële organisaties (Ontwikkelingsbanken, IMF en Wereldbank)

Analoog aan het vorige punt wordt gestreefd naar een evenwichtige vertegenwoordiging van Nederland door mannen en vrouwen.

g. Publieksvoorlichting en interne communicatie

In het voorlichtingsbeleid van het ministerie wordt bewust getracht om stereotype beeldvorming tegen te gaan. In alle voorlichtingsuitingen wordt ernaar gestreefd om mannen en vrouwen een gelijkwaardige en evenwichtige rol te laten spelen.

In de personeelsbladen van het ministerie wordt regelmatig aandacht besteed aan onderwerpen op het terrein van emancipatie. Een voorbeeld is het interview met de eerste ondertekenaar, december 1994, in het personeelsblad over het klimaat en de beeldvorming binnen het ministerie ten opzichte van deeltijdarbeid.

Dit beleid zal worden voortgezet.

Daarnaast zal bij de collectievorming van het ministerie meer aandacht worden besteed aan literatuur met betrekking tot emancipatie-ontwikkelingen en aan gegevens over verschillen in positie tussen vrouwen en mannen op de beleidsterreinen van het ministerie van Financiën.

h. Klantbenadering en -behandeling door de Belastingdienst

De Belastingdienst is het uitvoerend orgaan van het ministerie voor de belastingheffing en -inning. Een raakvlak met het emancipatiebeleid bij de uitoefening van deze functie ligt in de wijze waarop de Belastingdienst haar klanten benadert en behandelt.

In dat kader zullen bestaande belemmeringen voor gehuwde vrouwen om te worden geregistreerd onder de meisjesnaam worden opgeheven. Na voltooiing daarvan zal voorlichting worden gegeven aan gehuwde vrouwen over de mogelijkheid om onder de meisjesnaam te worden geregistreerd.

i. Voorlichting aan specifieke groepen belastingplichtigen

Voorlichting aan specifieke doelgroepen is een van de hulpmiddelen om het inzicht in (en daarmee de acceptatie van) de uitvoering van de belastingwetgeving te bevorderen. Daartoe kunnen ook vrouwen in bepaalde, specifieke (en van mannen afwijkende) situaties behoren.

Het Beleidsprogramma Emancipatie spreekt dan ook in 11.4 uit:

«De voorlichting aan herintredende vrouwen wordt voortgezet; de informatiebehoefte van andere groepen zal worden onderzocht. Vanuit een breder financieel-economisch kader wordt de noodzaak tot een hogere arbeidsparticipatie waar mogelijk in de voorlichting meegenomen».

In 1993 en 1994 zijn in campagnes via Postbus 51 de fiscale gevolgen van «(weer) gaan werken» onder de aandacht gebracht. Hierbij werd onder meer verwezen naar de brochure «Herintredende vrouwen». In 1994 is ook het onderwerp «trouwen en samenwonen» aan de orde gesteld. Bij deze campagnes is in de voorlichtingsspots bewust gekozen voor een mondige vrouw, die de belastingzaken regelt. In 1995 is deze aanpak voortgezet.

Een ander aspect is het signaleren van behoeften en het verrichten van onderzoek bij belastingplichtigen ten aanzien van voorlichting voor specifieke doelgroepen. Vrouwen kunnen, indien zij in een van mannen afwijkende situatie verkeren, tot deze specifieke doelgroep behoren. Zo is er bijvoorbeeld een brochure «Arbeidsbeloning/meewerkaftrek».

Het beleid blijft erop gericht om vrouwen te informeren omtrent hun positie en zodoende hun achterstand in informatie ten opzichte van mannelijke belastingplichtigen te reduceren. Voorlichtingsmateriaal zal zonodig deze informatie verschaffen.

Het bovenstaande beleid dient als invulling van het geciteerde beleidsvoornemen uit het Beleidsprogramma Emancipatie.

j. Het personeelsbeleid

Reeds een aantal jaren wordt bij het ministerie in het personeelsbeleid specifieke aandacht gegeven aan de positie van vrouwen. Het Beleidsprogramma Emancipatie bevat als beleidsvoornemen:

«Zowel bij het kerndepartement als bij de Belastingdienst is het intern personeelsbeleid gericht op vergroting van het aantal vrouwen in middelbare en hogere functies».

Het interne emancipatiebeleid van het ministerie is gericht op de volgende doelstellingen.

– Evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen op alle functieniveaus en in alle functiespecialisaties, en een volwaardige positie van de vrouw als werkneemster.

– Een sociaal beleid waarin recht wordt gedaan aan de keuze om werk en gezin te combineren.

– Bevordering van een arbeidsklimaat, dat door vrouwen als prettig en stimulerend wordt ervaren.

– Verbetering van het imago en de positie als werkgever.

– Vergroting van het rendement van opleidingen.

Binnen centraal gestelde kaders kunnen de onderdelen van het ministerie het beleid nader invullen.

Conform het Beleidsprogramma Emancipatie streven de Belastingdienst en het kernministerie naar een substantiële toename van het aandeel van vrouwen in het personeelsbestand, met name in de middelbare en hogere schalen. Het streefcijfer uit het Beleidsprogramma voor de situatie eind 1995 m.b.t. het aandeel van vrouwen in het personeelsbestand is voor de Belastingdienst 25% en voor het kernministerie 33%. Voor het aandeel van vrouwen in de hogere functies is dit respectievelijk 13% en 20%. De verschillen in de streefcijfers voor beide organisatie-onderdelen hangen samen met verschillen in de uitgangssituatie.

Omdat de Belastingdienst het streefcijfer voor het aandeel van vrouwen in het personeelsbestand inmiddels heeft bereikt, streeft deze dienst naar een verdere verhoging tot een totaal aandeel van 30% van het personeelsbestand in het jaar 2000.

Een complex van factoren, variërend van de beschikbaarheid op de arbeidsmarkt en mogelijkheden van part-time functievervulling tot aspecten van het werkklimaat, speelt bij de nagestreefde toename van het aantal vrouwen een rol. Om de gestelde doelen te bereiken moet het interne emancipatiebeleid dan ook integraal onderdeel zijn van het personeelsbeleid.

Tot de voorwaarden die moeten worden vervuld om de doelen te kunnen realiseren behoren de voorzieningen voor kinderopvang. Daarbij schenkt het ministerie niet alleen aandacht aan de reguliere kinderopvang, maar ook aan alternatieve wijzen van kinderopvang, zoals opvang door gastouders en naschoolse opvang.

De taakstelling voor de Belastingdienst om 370 kindplaatsen t.b.v. kinderopvang per 1-1-'96 te realiseren, is ruimschoots bereikt. Het totaal aantal kindplaatsen in 1994 bedroeg 394 plaatsen. Ook heeft de Belastingdienst, omgerekend naar kindplaatsen, 21 plaatsen aan gastouderopvang en buitenschoolse opvang gerealiseerd (bovenop de 394 kindplaatsen voor opvang in creches). Het kernministerie beschikt voor de verschillende vormen van kinderopvang over ruim 50 plaatsen.

Voor wat de feitelijke situatie betreft: ultimo 1994 lag het aandeel van vrouwen in het personeelsbestand bij de Belastingdienst op 26% en bij het kernministerie op 29%. Het aandeel van vrouwen in het personeelsbestand in de schalen 10 en hoger bedroeg toen 11% bij de Belastingdienst en 16% bij het kernministerie. In het algemeen is sprake van een lichte tot duidelijke stijging van dit aandeel over de afgelopen jaren. Bij het kernministerie is het aandeel van vrouwen in het totale personeelsbestand tussen 1991 en 1994 echter licht gedaald. Een van de oorzaken daarvoor is dat de omvang van het kernministerie kleiner is geworden. Met name het aantal lagere functies, waar het aandeel van vrouwen ruim 40% bedraagt, is afgenomen. Daardoor daalde het aantal vrouwen. De toename van het aantal vrouwen in de hogere functies was onvoldoende om deze daling in de lagere functies te compenseren.

Bij de maatregelen ter vergroting van het aandeel van vrouwen in met name de middelbare en hogere functies legt de Belastingdienst de nadruk op het ontwikkelen van het zittend potentieel. Om de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen is in 1994 onderzoek verricht naar effectieve beleidsmaatregelen. In 1995 is het «Loopbaan Stimuleringsprogramma voor Vrouwen», een ontwikkeltraject voor vrouwen in en naar hogere functies, van start gegaan. Tevens worden in 1995 verdere maatregelen voorbereid om het aantal vrouwen in de schalen 10 en hoger te vergroten.

Op het kernministerie heeft de universiteit Nijenrode eind 1993 een baanbelevingsonderzoek verricht bij twee directoraten-generaal. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek wordt een aantal maatregelen genomen om het interne emancipatiebeleid beter in het personeelsbeleid te integreren. Besloten is tot de volgende maatregelen.

– Aan hoogleraren en docenten die worden benaderd bij de werving zal expliciet worden gevraagd naar vrouwelijke kandidaten. Ook zal deze contactpersonen worden verzocht om geschikte vrouwelijke studenten expliciet te wijzen op de mogelijkheden van een functie bij Financiën.

– Bij de werving en selectie zal gericht aandacht worden gegeven aan herintredende vrouwen die, na een aantal jaren verzorgende taken in gezinsverband te hebben uitgevoerd, opnieuw in het arbeidsproces willen intreden.

– Het management van de dienstonderdelen zal goede voorlichting geven aan de medewerkers over de feitelijke mogelijkheden van flexibele werktijden en deeltijdarbeid, en zal de (on)mogelijkheden van flexibele werktijden en deeltijdarbeid systematisch onder de loep nemen.

– Om het werkklimaat voor vrouwen te bevorderen worden diverse activiteiten overwogen, zoals het organiseren van een jaarlijkse studiedag voor alle vrouwen die bij Financiën werken en stimuleren dat vrouwelijke medewerkers deelnemen aan speciaal voor vrouwen ontwikkelde cursussen en (management)opleidingen deelnemen.

– Onder andere door middel van exit-gesprekken zal worden getracht een dieper inzicht te verkrijgen in belemmerende factoren voor de loopbaanmogelijkheden van vrouwen.

Aanvullend op deze maatregelen zal, op grond van het advies van de Emancipatieraad, bij het kernministerie het selectieproces in de tweede helft van 1995 extra aandacht krijgen. Per afzonderlijke vacature zal worden bijgehouden hoeveel vrouwen reageren en hoe het aandeel van vrouwen ligt na de eerste selectieronde, alsmede hoe het uiteindelijke resultaat is. Het selecterende lijnmanagement zal na de eerste selectieronde, alsmede na afloop van het totale selectieproces ten aanzien van de afgewezen vrouwelijke kandidaten, aangeven op welke specifieke argumenten de afwijzing is gebaseerd. De bevindingen worden systematisch gevolgd.

Deze maatregel beoogt te bevorderen dat aan de hand van de resultaten van de rapportage over de in deze periode opgedane ervaringen het lijnmanagement, gesteund door de decentrale en centrale adviseurs op het terrein van Personeel en Organisatie, structureler en gerichter aan dit beleid uitvoering kan geven.

De resultaten moeten tot uiting komen in de feitelijke ontwikkeling van het aandeel van vrouwen in het personeelsbestand, waarvoor een halfjaarlijkse rapportage zal worden opgesteld. Uit deze gegevens kan een extra prikkel voortvloeien om zonodig de ontwikkelingen bij te sturen.

5. Ten slotte

Met deze inventarisatie is een beeld geschetst van de wijze waarop Financiën bij het emancipatiebeleid is betrokken. Waar nodig en mogelijk blijven wij de afstemming tussen het departementale beleid en het emancipatiebeleid bevorderen.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend


XNoot
1

MET HET OOG OP 1995, Beleidsprogramma Emancipatie. Bij brief van 19 november 1992 door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Kamerstuk 22 913, nr 2 (vergaderjaar 1992–1993). Hoofdstuk 11 bevat de beleidsvoornemens van het ministerie van Financiën.

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
3

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
4

§11.4.1.1. Bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen. «Bij de voorbereiding van regelgeving op het terrein van de loon- en inkomstenbelasting zal, mede in het licht van de overige aspecten van beleid, de bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen worden meegewogen.»

XNoot
5

Zie ook de nota «Op weg» (Kamerstukken II, vergaderjaar 1979–1980, 15 385, nrs. 1–2).

XNoot
6

De meewerkaftrek is een aftrekpost op het onzuivere inkomen bij de ondernemer in wiens onderneming wordt meegewerkt door zijn partner. De eventueel met het meewerken genoten inkomsten van de partner worden bij de ondernemer in aanmerking genomen als winst uit onderneming.

XNoot
7

dr. J. Plantenga en drs. M. J. Sloep, Rekenen met onbetaalde arbeid, uitgebracht onder auspiciën van de Emancipatieraad, mei 1995.

XNoot
8

Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), Staatsblad 1994, 230.

XNoot
9

Uitspraken van het Europese Hof van Justitie in de zaak Barber en volgende zaken.

XNoot
10

Wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten; Eerste Kamer, vergaderjaar 1993–1994, 23 123, nr. 264.

XNoot
11

Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur, kabinetsstandpunt augustus 1992, uitgegeven door het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Naar boven