Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24406 nr. 1 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24406 nr. 1 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 19 september 1995
Binnenkort zend ik u de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid, waarin ik de hoofdlijnen van de nieuwe koers voor het emancipatiebeleid na 1995 zal uiteenzetten.
In deze koersbepaling zal het accent liggen op de versterking van de sociaal-economische positie van vrouwen. Zoals het onlangs verschenen Human Development Report 1995 van het Ontwikkelingsprogramma van de V.N. (UNDP) nog eens heeft onderstreept, dient op dit terrein een nieuwe impuls te worden gegeven.
Het beleid op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid draagt bij aan de versterking van de sociaal-economische positie van vrouwen.
In de Sociale Nota 1996, die u heden bereikt, concentreren wij ons op het terugdringen van de werkloosheid. De aangekondigde maatregelen zullen ook voor vrouwen gunstig moeten uitpakken.
Recent zond ik u de nota Arbeid en Zorg. Daarin doe ik een aantal voorstellen met betrekking tot verlofmogelijkheden, mede met het oog op het realiseren van een andere organisatie van de betaalde arbeid, waardoor betaalde arbeid en zorgtaken beter gecombineerd kunnen worden.
In de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid zal ik een en ander specifiek bezien in het perspectief van het emancipatieproces, en de hoofdlijnen aangeven van een emancipatiebeleid dat hieraan een verdere impuls geeft.
De Wereldvrouwenconferentie van de Verenigde Naties in Beijing heeft inmiddels plaatsgehad.
Ook in de voorbereiding van deze conferentie was de sociaal-economische positie van vrouwen een belangrijk aandachtspunt.
Maar niet alleen de sociaal-economische positie van vrouwen, ook de waarborging van de mensenrechten van vrouwen, waaronder de seksuele en reproductieve rechten, de bestrijding van seksueel geweld, de positie van vrouwen in bestuursorganen, binnen de overheid en in maatschappelijke organisaties, en de verbinding tussen het emancipatieproces en de ontwikkeling naar een multiculturele samenleving, zijn terreinen waarop een nieuwe aanzet vanuit het emancipatiebeleid nodig is. Daarbij blijft de doorwerking van het emancipatiebeleid in het verdere overheidsbeleid een punt van aanhoudende aandacht.
De internationale vergelijking geeft geen reden om te menen, dat Nederland op emancipatieterrein een gunstige uitzondering vormt.
Het verslag van de Regeringsdelegatie naar de conferentie in Beijing zal u zo spoedig mogelijk worden toegezonden.
Met de uitvoering van het Beleidsprogramma Emancipatie «Met het oog op 1995» is getracht de Nederlandse situatie op een zodanig niveau te brengen, dat in Beijing de doeleinden voor het jaar 2000 binnen bereik zouden kunnen zijn.
Het Beleidsprogramma loopt aan het einde van dit jaar af. De uitvoering ervan zal worden geëvalueerd.
Systematische monitoring van de positie van vrouwen en van de voortgang van het emancipatiebeleid zal één van de hoofdlijnen zijn van het beleid, dat ik u in de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid zal voorleggen.
Om de Koersbepaling ook in financieel opzicht te kunnen uitvoeren, worden in de begroting voor het jaar 1996 en in de meerjarenraming de thans geldende budgetten als uitgangspunt genomen.
De uitwerking van de Koersbepaling krijgt in de loop van 1996 haar beslag. In financieel opzicht zal 1996 hierdoor een overgangsjaar zijn.
Om het inzicht in de begroting zo concreet mogelijk te maken, beschrijf ik in deze nota die onderdelen van het lopende beleid, die in 1996 (en eventueel volgende jaren) nog tot financiële consequenties leiden.
2. Emancipatie-ondersteuningsbeleid
Door het verstrekken van subsidies wordt het emancipatieproces in de samenleving ondersteund en gestimuleerd. Hierdoor wordt ook de invloed ervan op het beleid van de overheid bevorderd.
Op belangrijke beleidsterreinen wordt een – beperkt – aantal organisaties gefinancierd. Daarnaast wordt subsidie verstrekt voor projecten en eenmalige activiteiten.
De subsidiebedragen en -termijnen zijn vermeld in de artikelsgewijze toelichting op het begrotingshoofdstuk Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit betreft de subsidies die worden verstrekt in het kader van de coördinatie van het emancipatiebeleid. Voor de subsidies die de verschillende departementen (mede) ten behoeve van het emancipatiebeleid verstrekken, verwijs ik naar de desbetreffende begrotingshoofdstukken.
In 1996 zal het emancipatie-ondersteuningsbeleid worden herijkt in het licht van de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid.
Deze herijking zal ook het kader bieden voor de besluitvorming over eventuele voortzetting van meerjarige subsidies.
Het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (het IIAV) vervult een centrale rol, in Nederland en internationaal, in de documentatie- en informatievoorziening over de positie van vrouwen. De bibliotheek en het archief, die tot het IIAV behoren, zijn uniek.
De activiteiten van Arachne, Vrouwen Adviesbureau Overheidsbeleid, worden in 1996 geëvalueerd. Daarna zal besluitvorming plaatshebben over een mogelijk vervolg.
3. De projectgroepen voor de drie speerpunten van algemeen emancipatiebeleid
Op 8 maart 1993 zijn drie interdepartementale projectgroepen ingesteld voor de speerpunten van algemeen emancipatiebeleid, zoals benoemd in het Beleidsprogramma «Met het oog op 1995».
Bij brief van 16 juni jl. (SoZa-95-565; DCE/95/362-B) heb ik u de voortgangsrapportages toegezonden van de projectgroepen die voor deze speerpunten zijn ingesteld.
Zoals vermeld, zullen de projectgroepen hun werkzaamheden op 8 maart 1996 afronden met de aanbieding van hun eindrapporten.
In aansluiting op mijn eerdere brief vermeld ik thans nog het volgende met betrekking tot deze speerpunten.
3.1. Vergroting van de deelname van vrouwen aan politieke en maatschappelijke besluitvorming
3.1.1. De werkzaamheden van de projectgroep Vrouwen in Besluitvorming
De projectgroep richt zich in deze laatste fase vooral op personen en instanties, die direct verantwoordelijk zijn voor het benoemingenbeleid van maatschappelijke organisaties. Dezer dagen wordt, samen met het ministerie van Economische Zaken, een publieksuitgave uitgebracht van een onderzoek naar de positie van vrouwen in de besturen van sociaal-economische organisaties. De projectgroep werkt nauw samen met Toplink, de databank voor deskundige vrouwen die in april jl. van start is gegaan.
De projectgroep draagt haar kennis en ervaring over aan provincies en gemeenten. Zij gaat hiervoor een samenwerkingsverband aan met de V.N.G., de regionale vrouwenemancipatiebureaus en het netwerk van emancipatie-ambtenaren bij grote gemeenten.
3.1.2. Adviesaanvraag aan de Emancipatieraad
De projectgroep Vrouwen in Besluitvorming stemt haar werkzaamheden af met de projectgroep Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur van het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Deze laatste voert de maatregelen uit, die werden aangekondigd in het kabinetsstandpunt inzake «Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur» (Kamerstuk 22 777, nr. 1) van 1992, dat door het huidige kabinet is overgenomen.
De minister van Binnenlandse Zaken heeft op 17 juli jl. aan de Emancipatieraad gevraagd dit project te evalueren en advies uit te brengen over de vraag of, op basis van de te verwachten resultaten, vervolgbeleid noodzakelijk zal zijn en, zo ja, in welke vorm en op welke specifieke terreinen.
Aan de Emancipatieraad is gevraagd, de follow-up van de projectgroep Vrouwen in Besluitvorming in zijn advies te betrekken en het advies dit najaar uit te brengen.
Achterliggende vraag is, of – ondanks de behaalde resultaten – op sommige terreinen niet een zekere stagnatie optreedt, en hoe daarop dan adequaat kan worden ingespeeld.
3.1.3. Herziening adviesstelsel
Bij de vormgeving van de nieuwe externe adviesstructuur houdt het kabinet vast aan het streven naar een evenredige man/ vrouw-samenstelling van de nieuw in te stellen adviesorganen.
Ook is het kabinet van oordeel, dat emancipatie-advisering een reguliere taak is van elk adviesorgaan en dat daarom zowel in de adviesorganen zelf als in hun bureaus emancipatiedeskundigheid aanwezig dient te zijn. Ten aanzien van het voorstel van de Emancipatieraad om de integratie van emancipatie-advisering in de reguliere advisering (voor een overgangsperiode) te ondersteunen via een apart «Expertcentrum Emancipatie» wacht het kabinet het nader advies af, dat de raad in oktober 1995 zal uitbrengen.
3.2. Herverdeling van onbetaalde arbeid en, in samenhang daarmee, vergroting van de zorgverantwoordelijkheid van mannen
3.2.1. De werkzaamheden van de projectgroep
De projectgroep heeft goede resultaten geboekt met het inzichtelijk maken van de problematiek en het stimuleren van de maatschappelijke discussie over de herverdeling van de onbetaalde zorgarbeid.
In deze laatste fase richt de projectgroep zich op:
– het intensiveren van de samenwerking tussen overheid, sociale partners en maatschappelijke organisaties op landelijk, regionaal en lokaal niveau;
– verbreding van de maatschappelijke discussie, met name in de richting van de lokale overheden en regionale en lokale maatschappelijke organisaties;
– interdepartementale samenwerking inzake (deelaspecten van) de herverdeling van de onbetaalde zorgarbeid.
Inzet is te komen tot voorstellen voor vervolgbeleid en een eventuele rangorde daarin.
De «VrouwenAlliantie voor economische zelfstandigheid en her-verdeling van de arbeid» is vertegenwoordigd in de projectgroep. Zij ontplooit diverse activiteiten op onderzoeks- en voorlichtingsgebied, die aansluiten op de werkzaamheden van de projectgroep of daar een vervolg op zijn.
Bij de versterking van het maatschappelijk draagvlak voor de herverdeling van de onbetaalde arbeid speelt de VrouwenAlliantie een belangrijke rol.
3.2.3. De Commissie Toekomstscenario's
De Commissie Toekomstscenario's Onbetaalde Arbeid, die op verzoek van de projectgroep vier toekomstscenario's uitwerkt, zal mij dit najaar haar eindrapport aanbieden.
Ik ben voornemens om over dit rapport advies te vragen aan de Emancipatieraad, de Sociaal-Economische Raad, de Raad voor het Jeugdbeleid en de Nationale Raad voor de Volksgezondheid.
De projectgroep houdt, in november van dit jaar, een congres over het rapport.
3.3. Doorbreking van beeldvorming in termen van mannelijkheid en vrouwelijkheid
3.3.1. De werkzaamheden van de projectgroep
De projectgroep richt zich in deze laatste fase op de verspreiding van de kennis en inzichten, die zij heeft verworven door gesprekken met deskundigen en door wetenschappelijk onderzoek.
Daarnaast concentreert zij zich op de concretisering van deze kennis en inzichten in praktisch bruikbare instrumenten.
Er is opdracht gegeven voor de vervaardiging van een eerste deel van een praktische gids voor de media, in nauwe samenwerking met de beoogde gebruikers. Deze gids als geheel zal kostendekkend worden uitgegeven.
In februari 1996 houdt de projectgroep een conferentie, waarop het praktische gebruik van de beeldvormings-analyse centraal zal staan.
3.3.1. Emancipatie-effectrapportages
Met de Emancipatie-effectrapportage (EER) kunnen beleidsvoornemens die primair op andere doelstellingen zijn gericht, tevoren systematisch worden getoetst op hun effecten voor de positie van vrouwen.
Het ministerie van OC&W heeft een experimentele EER uitgevoerd. De rapportage bleek in korte tijd, met behulp van externe deskundigen, te kunnen worden opgesteld. OC&W streeft er naar om de EER tot een standaard beleidsinstrument te maken, dat intern kan worden uitgevoerd.
Ook op een aantal andere ministeries wordt gewerkt aan invoering van de EER. Bovendien blijkt er belangstelling te bestaan bij provincies en gemeenten.
3.3.2. Bureau Beeldvorming m/v bij de NOS
De belangstelling voor het onderwerp beeldvorming groeit, nationaal zowel als internationaal. Naast interesse voor de – meer fundamentele – analyse van de verborgen machtswerking van het sekse-onderscheid, betreft dit de directe beeldvorming in de media.
Met name in de internationale discussie klinkt een sterke roep om overheidsmaatregelen, die de stereotype beeldvorming over vrouwen (en mannen) door de media aan banden moeten leggen.
Nederland stelt zich op het standpunt, dat overheidsmaatregelen in strijd zijn met de vrijheid van de media en, bovendien, niet effectief.
Het is juister en effectiever om activiteiten te ondersteunen, die worden gedragen door de media zelf en gericht zijn op productverbetering door meer met de werkelijkheid corresponderende beelden van vrouwen en mannen te tonen.
Het Bureau Beeldvorming m/v bij de NOS verricht al enige jaren op dit terrein succesvol pionierswerk. De belangstelling en waardering voor het bureau groeien, ook internationaal. «Uitbanning van stereotype beeldvorming in de media» zal één van de inhoudelijke prioriteitsthema's voor 1996 zijn van de Commission on the Status of Women van de V.N.
Vanwege het Bureau Beeldvorming m/v heeft deze Commissie ons land uitgenodigd om als expert deel te nemen aan haar Expert Group Meeting ter voorbereiding van dit thema.
4. Internationaal emancipatiebeleid
4.1. Follow up VN-Wereldvrouwenconferentie, Beijing
De resultaten van de conferentie zullen in het Nederlandse beleid na 1995 worden verwerkt.
In december a.s. organiseert Spanje, als voorzitter van de Europese Unie, een informele raad van emancipatieministers, waar de nationale en internationale follow-up van de conferentie in Beijing ter bespreking staat.
Ook de Raad van Europa, de OESO en de Verenigde Naties zelf zullen aandacht geven aan de follow-up van de Wereldvrouwenconferentie. Nederland zal zich actief in deze fora opstellen.
In het verband van de Verenigde Naties is vooral de «mainstreaming» van het emancipatiebeleid binnen het VN-systeem aan de orde. In de Nederlandse aandacht hiervoor neemt het mensenrechtenbeleid een bijzondere positie in.
De 40e zitting van de Commission on the Status of Women (CSW) heeft de volgende inhoudelijke thema's met prioriteit op de agenda gezet:
— het uitbannen van stereotype beeldvorming in de media;
— de zorg voor kinderen en afhankelijken, inclusief het delen van verantwoordelijkheden tussen mannen en vrouwen
— vredesopvoeding.
Op Europees niveau zullen nieuwe initiatieven worden gestimuleerd c.q. ontwikkeld, mede ter voorbereiding van het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie in 1997, die inmiddels ter hand is genomen.
Het werkprogramma van de Raad van Europa voorziet wat emancipatie betreft voor het jaar 1996 in activiteiten met betrekking tot: vrije keuze aangaande voortplanting en leefvormen; gedwongen prostitutie en vrouwenhandel; migrantenvrouwen en vrouwen uit minderheden.
De ondersteuning door de Raad van Europa aan de landen van Centraal en Oost-Europa over de opzet van een emancipatiebeleid zal zich in 1996 concentreren op de NGO's in die landen.
4.3. Voorlichting en ondersteuning
De vrouwenbeweging is zeer betrokken geweest bij de voorbereiding van de Wereldvrouwenconferentie in Beijing. Zij is ook met een aanzienlijke vertegenwoordiging aanwezig geweest op het Forum. Om brede maatschappelijke betrokkenheid bij de follow-up van de conferentie te stimuleren zal het slotdocument in het Nederlands worden vertaald en uitgegeven.
Women's Exchange Programme International (WEPI) verleent ondersteuning bij emancipatie-activiteiten die gericht zijn op internationale samenwerking, lobbyvorming en beleidsbeïnvloeding.
Over de werkzaamheden in de periode 1992–1995 zal binnenkort worden gerapporteerd.
Ook na 1995 zullen er belangrijke taken zijn te vervullen, onder meer de follow-up van de Wereldvrouwenconferentie in diverse VN-instellingen en het uitbrengen van het (tweede) schaduwrapport van de Nederlandse NGO's over de implementatie in Nederland van het VN-vrouwenverdrag.
5.1. De arbeidsparticipatie van vrouwen in 1994
Na jaren van gestage groei is het percentage vrouwen met een betaalde baan van 12 uur of meer per week in 1994 op hetzelfde niveau gebleven als in 1993, te weten 42%.
Ook het werkloosheidspercentage van vrouwen is in 1994 op hetzelfde niveau gebleven, 11%. De werkloosheid van vrouwen blijft hiermee aanzienlijk hoger dan die van mannen (7%).
De werkloosheid onder allochtone vrouwen (21%) komt fors uit boven die van autochtone vrouwen (10%). (Bron: CBS-Enquête Beroepsbevolking 1994)
Met betrekking tot de emancipatie-speerpunten van S.Z.W. zijn een aantal specifieke activiteiten ondernomen in het kader van de coördinatie van het emancipatiebeleid.
5.2.1. De verbetering van de arbeidsmarktpositie van allochtone vrouwen
Het VeM-bureau voor werkgelegenheid voor vrouwen uit minderheidsgroepen ondersteunt werkgevers en sociale partners gezamenlijk bij het bevorderen van de instroom en doorstroom van allochtone vrouwen in enkele sectoren.
In de periode 1991–1994 zijn meer dan duizend allochtone vrouwen, mede door de werkzaamheden van het VeM-bureau, ingestroomd in reguliere banen.
Het bureau zal tot en met 1997 nog een jaarlijks aflopende financiële ondersteuning ontvangen. Met ingang van 1998 zal het volledig zelfstandig zijn.
5.2.2. Het doorbreken van de vertikale en horizontale beroepenscheiding
a. Gelijke kansen in arbeidsorganisaties
De oriëntatie op mogelijkheden om bedrijven nieuwe stimulansen te geven is afgerond. In de Nota Koersbepaling Emancipatiebeleid zullen nieuwe initiatieven worden aangekondigd.
Het I.T.S. voert een onderzoek uit naar de ontwikkelingen in de posities van vrouwen die managementsfuncties vervullen in de zorg- en welzijnssector.
In februari 1995 heb ik u, samen met de ministers van Economische Zaken en van O.C.& W., het Actieplan Vrouwen en Techniek aangeboden. Het doel van dit actieplan is om in de periode 1994–1998 het aandeel van vrouwen in technische beroepen te laten groeien van 8% tot 10,5%.
Van 1995 tot en met 1998 worden vijf nieuwe acties uitgevoerd, waarvan twee door de D.C.E. Voor de actie «Bedrijven leren van Bedrijven» wordt nog dit jaar een uitvoeringsmodel uitgewerkt. De uitvoering gaat, verwacht ik, eind 1995 van start.
Voor de actie «Van pioniers naar kritische massa» wordt, tot en met 1997, financiële ondersteuning gegeven voor een informatiepunt voor netwerken van vrouwen met een technische beroep.
Samen met de ministeries van E.Z. en O.C. &W. wordt een procescoördinatie opgezet voor de uitvoering van het gehele actieplan.
5.3. Instituut Vrouw en Arbeid
Op het terrein van vrouwen, arbeid en inkomen is het Instituut Vrouw en Arbeid (IVA) het expertisecentrum.
Het IVA richt zich vooral op de flexibilisering van werktijden, de verbetering van de kwaliteit van de functies die vrouwen vervullen, en het verdwijnen van de inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen.
In 1995 zijn projecten ondernomen in verband met de herinrichting van de Algemene Bijstandswet; in verband met de nieuwe Arbeidstijdenwet; en met betrekking tot de gevolgen van de deregulering voor vrouwelijke werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt.
Behalve voor deze activiteiten ontvangt het IVA tot mei 1996 subsidie voor een project Vrouw en pensioen.
Van februari tot en met juli 1995 heeft het IVA een subsidie ontvangen ten behoeve van een tijdelijk meldpunt Reparatie van vrouwenpensioenen, naar aanleiding van uitspraken van het Europese Hof over het recht van deelname van vrouwen aan pensioenregelingen vanaf 8 april 1976.
Meer dan 13 000 vrouwen en 2500 eerstelijnsorganisaties hebben van het meldpunt informatie gevraagd en ontvangen.
6. Sociaal en cultureel beleid
Het beleid met betrekking tot beeldvorming, seksueel geweld, en jongeren, heeft geleid tot de behoefte aan inzicht in mannelijkheid als «sociale constructie» en maatschappelijke norm. Dit najaar zal een onderzoeksopdracht worden verstrekt. De uitkomsten zullen in 1996 worden gebruikt bij de besluitvorming over de verdere vormgeving van deze beleidsonderdelen.
Aan het eind van dit jaar zal ik, samen met de ministers van Verkeer en Waterstaat en V.R.O.M., besluiten over een gezamenlijk project om het mobiliteits-, milieu- en emancipatiebeleid op elkaar af te stemmen.
Uit een inventarisatie van onderzoeken op deze terreinen zal eerst moeten blijken of de omvang van de gesignaleerde problemen een dergelijk project rechtvaardigt.
De ministeries van V.R.O.M. en S.Z.W. (D.C.E.) hebben subsidie verstrekt aan een project van de vrouwenemancipatiebureaus en het Landelijk Milieu Overleg op ditzelfde vlak.
Doel van dit project is, concrete oplossingen te formuleren voor praktische vervoersproblemen, rekening houdend met veranderende leefstijlen en de behoefte om het milieu niet onnodig te belasten. Het ministerie van V.& W. zal aan het eind van dit jaar besluiten over een eventuele financiële bijdrage in 1996.
Aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam is een verkennend onderzoek opgedragen naar de implementatie van artikel 12 (betreffende het recht op gezondheidszorg en zorg bij zwangerschap, bevalling en de daarop volgende periode) van het VN-Vrouwenverdrag. Aan het onderzoek wordt meegewerkt door het Nationaal Centrum voor de Geestelijke Volksgezondheid in Utrecht en de Rijksuniversiteit Limburg.
Dit najaar zal het onderzoek worden opgeleverd.
6.2. Preventie en bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes
Nagegaan zal worden hoe hier nieuwe impulsen kunnen worden gegeven. Het voornemen is om hiertoe, samen met de desbetreffende ministeries en met betrokken organisaties in het veld, een aantal deskundigenbijeenkomsten te houden.
Het doel dat hierbij voor ogen staat, is de verankering van de opvang van en hulpverlening aan slachtoffers en van de aanpak van daders, in het werk van de reguliere instellingen.
Het voorlichtingsproject Preventie van seksueel geweld wordt in 1996 afgerond. Daarmee is in het beleid een eerste stap gezet in de richting van het voorkómen van dit geweld.
Met de ministeries, die in de campagne samenwerken, en met externe deskundigen zal worden nagegaan, welke verdere stappen kunnen worden gezet.
Een dit jaar gestart project in Rotterdam, dat wordt uitgevoerd door de GGD, samen met de Rutgers Stichting en het Landelijk Centrum GVO, draagt bij aan een multicultureel karakter van vervolgbeleid.
Nog dit jaar start een onderzoek naar «scenario's», min of meer vaste gedragspatronen in de intieme omgang, die wellicht gemakkelijk kunnen ontsporen tot seksueel geweld. Verwacht wordt, dat dit onderzoek aanknopingspunten biedt voor de verdere ontwikkeling van preventiebeleid.
Het Overlegkader Jongeren en Emancipatie (OJE), waaraan jongeren van diverse jongerenorganisaties deelnemen, is sinds 1994 een aantal malen op informele basis bijeengeweest.
In overleg met de OJE-deelnemers zal worden gezocht naar een duidelijker, meer op resultaat gerichte en in de tijd afgebakende vorm.
7. Bestrijding van seksediscriminatie
De wetgeving ter bestrijding van seksediscriminatie wacht voor haar afronding nog op de aanpassing van de vierde EG-richtlijn, inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de aanvullende sociale zekerheid.
Dit voorjaar heeft de Europese Commissie een ontwerp van een nieuwe richtlijn gepubliceerd. Zodra de nieuwe richtlijn van kracht is, zal worden voortgegaan met aanpassing van de Nederlandse wetgeving.
In de goedkeuringswet voor het Internationaal Verdrag tegen Discriminatie van Vrouwen (IVDV) is neergelegd, dat elke vier jaar en wel steeds één jaar voor de volgende rapportage aan het Verdragscomité (CEDAW), aan het parlement «een werkelijk overzicht van de stand van zaken met betrekking tot de gelijke behandeling van vrouwen op alle denkbare terreinen» wordt gezonden.
De Tweede Kamer werd bij brief van 3 maart 1994 (Kamerstukken II, 18 950/R 1281, nr. 14) geïnformeerd over de vorm die het vorige kabinet aan deze rapportage wilde geven.
De volgende Koninkrijksrapportage wordt vermoedelijk pas in 1997 door het CEDAW ingewacht. Van deze gelegenheid maak ik gebruik om te onderzoeken of de rapportage niet beter in handen kan worden gegeven van een onafhankelijke regiegroep.
Ik hoop de Kamers hierover binnen afzienbare tijd te berichten.
Over de voortgang wordt u, in het kader van de gecombineerde coördinatie van het minderheden- en het emancipatiebeleid, gerapporteerd in het Jaaroverzicht Minderhedenbeleid 1996, dat u heden door de minister van Binnenlandse Zaken is toegezonden.
In par. 4.2.1. is het VeM-bureau voor werkgelegenheid voor vrouwen uit minderheidsgroepen reeds vermeld.
In 1994 is, voor een periode van drie jaar, subsidie verstrekt aan het project AISA. In dit project ontwikkelen 13 verschillende landelijke organisaties van minderheden gezamenlijk een vernieuwde visie op de emancipatie van allochtone vrouwen.
Uiterlijk per 1996 zal het project overgaan van de Landelijke Federatie van Welzijnsorganisaties van Surinamers naar de nieuwe landelijke Stichting Nederlands Expertisecentrum Multi-etnische Samenleving (NEM). In de organisatie van de NEM wordt een aparte eenheid voor emancipatie opgenomen.
Het project heeft een groot netwerk ontwikkeld en diverse publicaties opgeleverd. Ook is een waardevolle bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de nieuwe koers voor het emancipatiebeleid.
Het project Informatievoorziening zwarte en migrantenvrouwen, dat is aangehaakt bij het IIAV, loopt in 1995 af.
Bij de uitwerking van de Koersbepaling zal gebruik worden gemaakt van de inzichten uit vrouwenstudies-onderzoek.
De termijn van de subsidieverstrekking, samen met OC&W, aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor de ontwikkeling en integratie van vrouwenstudies en emancipatie-onderzoek in NWO, loopt in 1995 af.
Met het oog hierop is overleg geopend met NWO.
De start, dit najaar, van een Europees Expertisecentrum Vrouwenstudies wordt voorbereid. Dit centrum beoogt een bijdrage te leveren aan de verspreiding van resultaten uit vrouwenstudies-onderzoek. Het centrum wil, op Europees niveau, een intermediaire functie vervullen tussen vrouwenstudies en beleid.
Aan het ministerie van OC&W, de Europese Unie en de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid is om financiële bijdragen verzocht. Hierover is overleg gaande.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24406-1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.