Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 24405 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 24405 nr. 2 |
| 1. | LEESWIJZER | 4 |
| 2. | MILIEUBELEID OP HOOFDLIJNEN | 5 |
| 2.1 Ontwikkelingen in het milieubeleid | 5 | |
| 2.2 Voortgang milieubeleid | 7 | |
| 3. | Zelfregulering door doelgroepen en andere overheden | 17 |
| 4. | Taken rijksoverheid | 22 |
| 5. | Samenwerking met andere overheden | 28 |
| 5.1 Rolverdeling, samenwerking en beleidsvrije ruimte | 28 | |
| 5.2 Strategische plannen andere overheden | 30 | |
| 5.3 Gebiedsgericht milieubeleid | 34 | |
| 6. | Internationaal milieubeleid | 36 |
| 7. | Milieubeleid in lange termijn perspectief | 40 |
| 8. | Kosten en financiering van het milieubeleid | 48 |
| 8.1 Inleiding | 48 | |
| 8.2 Kosten van het milieubeleid | 48 | |
| 8.3 Financiering van het milieubeleid | 50 | |
| 8.4 Milieu-uitgaven van overheden | 51 | |
| BIJLAGEN | ||
| 1. | Thema's | 53 |
| 2. | Doelgroepen | 91 |
| 3. | Samenwerking met andere overheden | 129 |
| 4. | Stand van zaken wet- en regelgeving | 131 |
| 5. | Bijdragen aan grote nota's | 133 |
Voor het milieubeleid dient zich een andere fase aan. In toenemende mate komt de uitvoering door anderen centraal te staan. Dit vraagt om een andere invulling van het Milieuprogramma 1996–1999. Daarom heeft dit Milieuprogramma, in tegenstelling tot eerdere jaren, een soberder karakter.
In voorafgaande jaren is in de Milieuprogramma's op hoofdlijnen verantwoording afgelegd over de beleidsinspanningen in het milieubeleid. Daarnaast gaven de Milieuprogramma's tot dusverre een volledige opsomming van de voortgang van acties en beleidsprodukten weer. In een periode waarin het milieubeleid gekenmerkt werd door erkenning en institutionalisering was een dergelijke invulling voor de hand liggend.
Het Milieuprogramma 1996–1999 richt zich op de hoofdlijnen van het milieubeleid. Op selectieve en bondige wijze wordt in circa vijftig pagina's inzicht gegeven in de strategie van de uitvoering, de uitvoeringsresultaten van de overheden en doelgroepen en de milieukwaliteit en emissiereductie per thema. Daarnaast wordt in dit Milieuprogramma een beeld geschetst van de belangrijkste beleidsvelden, de voortgang daarin en de belangrijkste accenten voor de periode 1996–1999. Tevens wordt de uitwerking van de strategielijnen uit het NMP 2 en het lange-termijn- milieubeleid belicht. De visie op het lange-termijn-milieubeleid is een eerste gedachtenvorming over enkele grote maatschappelijke problemen met milieugevolgen, zoals energie, biodiversiteit en ruimte, die na 2010 spelen en waarvoor door het rijk in nauw overleg met alle betrokkenen zonodig nieuw beleid ontwikkeld zal moeten worden.
In de bijlagen bij dit Milieuprogramma wordt de voortgang per thema en per doelgroep beschreven. De voortgang wordt mede geïllustreerd aan de hand van de in het Milieuprogramma gebruikelijke thema-indicatoren en doelgroepindicatoren. De systematiek van deze indicatoren is dit jaar gewijzigd. De belangrijkste inhoudelijke wijziging voor de doelgroepindicatoren is dat niet de stofbijdrage, maar de themabijdrage voor de samenstelling van de doelgroepindicatoren als criterium gebruikt wordt. Een thema wordt in de doelgroepindicator opgenomen als de bijdrage van de doelgroep aan het thema meer dan 10% is.
Naast het Milieuprogramma 1996–1999 verschijnt het Werkdocument NMP 2 1995. Hierin zijn de actiepunten van het NMP 2 opgenomen. Dit Werkdocument bevat per NMP-actie een beknopte beschrijving van de voortgang van de betreffende actie.
Gelijktijdig met dit Milieuprogramma en het Werkdocument verschijnt voor het eerst de Milieubalans 1995 van het RIVM. In de Milieubalans wordt de actuele ontwikkeling van de milieukwaliteit in verband gebracht met het tot dusver gevoerde milieubeleid. De Milieubalans evalueert ook in welke mate maatschappelijke ontwikkelingen positief dan wel negatief hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de milieukwaliteit en de daarmee samenhangende veranderingen in ecosystemen en volksgezondheid.
Net als vorige jaren wordt ook dit jaar in het Milieuprogramma gerapporteerd over de voortgang van A 106, de verbreding van het financieel instrumentarium. Het generieke deel van de rapportage is neergelegd in hoofdstuk 3 (Verbreding instrumentarium). Voor het instrumentarium dat specifiek is voor een thema of doelgroep wordt verwezen naar de betreffende thema- en doelgroepparagrafen.
2. MILIEUBELEID OP HOOFDLIJNEN
2.1 Ontwikkelingen in het milieubeleid
Nederland is met de uitvoering van het milieubeleid op de goede weg. Dit is een van de belangrijkste conclusies van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in haar oordeel over het Nederlandse milieubeleid. De Nederlandse aanpak van het milieubeleid – het hanteren van doelstellingen, thema's en doelgroepen – wordt door de OESO gekenschetst als innovatief en vooruitstrevend. Volgens de OESO vervult Nederland met deze aanpak internationaal een voorbeeldfunctie. Dat een dergelijke aanpak nodig is lijdt geen twijfel. De druk die op het Nederlandse milieu wordt uitgeoefend dwingt Nederland om een consequent milieubeleid te voeren. Het gaat daarbij niet alleen om een louter technische discussie over het percentage emissiereductie. Het gaat om duurzame ontwikkeling en een leefbaar Nederland met een gezonde natuur waar mensen nu en in de toekomst kunnen wonen en werken.
Het realiseren van de milieudoelstellingen vraagt om uitvoering van het beleid dat in het NMP 2 en andere beleidsnota's, onder andere tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (SVV-II), Vervolgnota energiebesparing, Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (VINEX), is vastgelegd. Tegelijkertijd wordt ook duidelijk dat op een aantal terreinen, ten opzichte van de doelstellingen, nog onvoldoende voortgang wordt geboekt, met name bij landbouw en verkeer (de terugdringing van de NOx- en NH3-emissies en belasting nitraat en fosfaat) en dat bij CO2-emissies sprake is van tegenvallende ontwikkelingen. Tot deze conclusie kwam ook de OESO in haar beoordeling van het Nederlandse milieubeleid.
Beoordeling Nederlands milieubeleid door OESO
De sectoren transport en landbouw spelen naar het oordeel van de OESO een speciale rol bij de verdere ontwikkeling van het milieubeleid. Met betrekking tot de transportsector constateert de OESO dat, ondanks voortgang waar het gaat om bijvoorbeeld terugdringing van CO-, lood- en VOS-emissies, de spanning tussen het realiseren van milieudoelen en het streven om de toegangspoort naar Europa te zijn tot op heden nog onopgelost is. De groei van met name het wegverkeer doet de resultaten van het gevoerde beleid deels weer teniet. Bij de verdere besluitvorming over de ontwikkeling van de transportsector moeten de milieu-effecten volgens de OESO daarom in een vroeg stadium worden meegenomen. Ten aanzien van de landbouwsector stelt de OESO dat nationale doelstellingen en internationale verplichtingen niet gerealiseerd kunnen worden zonder te werken aan structurele veranderingen in die sector. Het proces van externe integratie zou naar het oordeel van de OESO op deze terreinen met kracht voortgezet moeten worden om daadwerkelijk tot de realisering van doelstellingen te kunnen komen.
Ook op andere terreinen is een verdere integratie van milieubeleid van belang. De OESO wijst er op dat doelstellingen ten aanzien van de aanwending van de in Nederland juist zo schaarse ruimte tot dusverre ontbreken in de milieuplannen. De OESO acht een verdere integratie van milieu- en ruimtelijke ordeningsbeleid van groot belang om te komen tot een meer duurzame ontwikkeling. Ten aanzien van het milieu- en energiebeleid constateert de OESO dat Nederland een energie-intensieve produktiestructuur kent. De OESO wijst op een dalende CO2-ontwikkeling in 1993, maar merkt op dat onder meer de lage energieprijzen in Nederland vergeleken met veel EU-landen verdere inspanningen vereisen en verdere aandacht vragen.
Op basis van de geboekte resultaten in het milieubeleid kan de fase die gericht was op het institutionaliseren van het milieubeleid (fase 2) worden afgesloten.
Fase 1: De fase van «branden blussen» bij acute milieunoodgevallen en het aanleggen van noodverbanden.
Fase 2: De fase van institutionaliseren van het milieubeleid.
Het NMP 1 heeft deze institutionalisering een grote impuls gegeven. Het NMP 1 betekende een overgang naar een integrale aanpak van milieuproblemen. Door het op de agenda krijgen van milieu en het opzetten van een «bouwwerk» van kwantitatieve milieudoelstellingen, heeft het milieubeleid een evenwichtiger plaats gekregen naast de doelstellingen voor het sociaal-economisch beleid. Ten tijde van het NMP 1 was aan de rijksoverheid een dominante rol toebedeeld bij de implementatie van het milieubeleid. Er was sprake van een sterke planning en een sterke sturing van bovenaf (300 NMP-acties).
Fase 3: De fase van integreren van het milieubeleid in andere sectoren.
Fase 4: De fase waarin zorg voor het milieu norm is geworden.
Met het verschijnen van het eerste Nationaal Milieubeleidsplan ontstond het inzicht dat de opdracht aan de rijksoverheid niet is dat zij het milieuprobleem zelf kan of moet oplossen. De overheid zou de voorwaarden moeten scheppen waaronder milieuwaarden op verantwoorde wijze in het gedrag van individuen en instellingen (inclusief de overheid) kunnen worden geïncorporeerd. In het NMP 2 stond daarom zelfregulering binnen kaders en versterking van de uitvoering door externe integratie centraal (fase 3). De overheid stelt de normen en doelstellingen vast, maar laat waar mogelijk de invulling en fasering (en dus ook de prioriteitsstelling) over aan de uitvoerders en de doelgroepen. Door zelfregulering kunnen de doelgroepen zelf aangeven hoe zij hun taakstelling willen realiseren en op welke wijze zij hun gedrag willen regelen. Ruimte voor prioriteitsstelling past hierbij. Door middel van verslaglegging kunnen de doelgroepen hun inspanningen zichtbaar maken.
Door de verschuiving richting externe integratie ontstaat de behoefte aan een andere verdeling van de bevoegdheden in het milieubeleid. De strategische plannen van de verschillende andere overheden geven duidelijk aan dat de andere overheden een grotere verantwoordelijkheid op zich nemen. De andere overheden wensen en krijgen daarvoor meer beleidsruimte. De rol van de rijksoverheid wordt voor deze milieuproblemen in toenemende mate het faciliteren van de uitvoering van het beleid. In het NMP 2 is daarover aangegeven dat het hierbij gaat om het:
– bieden van heldere taakstellingen en informatie;
– verbeteren van de uitvoeringscondities in de vorm van middelen, technologie en voorzieningen;
– bieden van zekerheid door helderheid in prioriteitsstelling, inzet van instrumentarium op maat, versterking van de integratie en een actieve milieudiplomatie.
Methode Uitvoeringsgericht werken
Ter uitwerking van de Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets is voor VROM de werkmethode Uitvoeringsgericht werken ontwikkeld voor het milieubeleid. Doelen van de werkmethode zijn onder meer rekening houden met de praktijk van de uitvoering en handhaving in alle fasen van het beleidsproces; ontwikkelen van een beter uitvoerbaar en handhaafbaar instrumentarium; meer aandacht schenken aan zelfregulering door doelgroepen.
De rijksoverheid houdt naast het faciliteren van de uitvoering een belangrijke rol bij het stellen van heldere kaders, de handhaving en monitoring, waardoor inzicht ontstaat in de door de doelgroep geleverde inspanningen en de effectiviteit daarvan.
Externe integratie bij de rijksoverheid
De doorlichting van het bestaande beleid en de milieutoets zijn instrumenten die bij de toetsing van de (voortgang van de) externe integratie een belangrijke rol spelen.
A 141 (doorlichting bestaand beleid; motie Boers-Wijnberg)
Alle departementen, met uitzondering van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, hebben een rapportage opgesteld en aangeboden aan de Tweede Kamer waarin de bijdrage van het ingezette instrumentarium aan de bevordering van een duurzame ontwikkeling bij het bestaande beleid in kaart is gebracht. Deze actie beoogde de externe integratie van het milieubeleid te bevorderen. In de evaluatie van de uitvoering van deze actie, die medio 1995 is verschenen, is aangegeven in welke mate deze doelstelling is gerealiseerd.
Milieutoets
In het NMP 2 is aangekondigd dat beleidsvoornemens met belangrijke gevolgen voor het milieu zullen worden voorzien van informatie over die gevolgen. Het instrument milieutoets is daarvoor ontwikkeld. Bij de implementatie van deze toets is nauw aangesloten bij de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) die aan het begin van deze kabinetsperiode is gestart. Onderdeel daarvan vormt het traject van voorgenomen regelgeving, waarbij voor nieuwe regelgeving, naast meer aandacht voor de milieugevolgen, ook expliciet aandacht moet worden geschonken aan de effecten voor het bedrijfsleven en aan de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid. Om deze toetsen praktisch en pragmatisch uit te voeren is een servicepunt opgezet door VROM en EZ dat is gesitueerd bij EZ. Dit servicepunt is in mei 1995 informeel van start gegaan en medio september 1995 geopend. Het doel van het servicepunt is om andere departementen bij te staan bij het in kaart brengen van de milieu- en bedrijfseffecten van voorgenomen beleid, met name van voorgenomen regelgeving.
Steeds meer wegen consumenten en producenten milieubelangen in hun beslissingen mee.
Milieugedrag consumenten
Volgens de milieugedragsmonitor neemt 79% van de Nederlandse consument zijn eigen boodschappentas mee, 22% weigert omwille van het milieu een plastic tasje. Bij de aanschaf koopt 68% geregeld energiezuinige verlichting en koopt 64% geen wasverzachter. Ruim eenderde koopt geen chloorhoudende schoonmaakprodukten. Minder goed scoren onder andere het kopen van biologische groenten en het kopen van ongebleekt schrijfpapier. Van de bevolking staat 49% tamelijk tot zeer positief tegenover het op vrijwillige basis eten van eenderde minder vlees, terwijl 30% een verplichting om eenderde minder vlees te eten als positief zou ervaren. De cijfers over de feitelijke vleesconsumptie steken hier echter schril bij af. (Vijfde milieumeting, Milieugedragsmonitor 4/95)
Als gevolg van de inspanningen van producenten en consumenten nemen de meeste emissies van verschillende stoffen af. De onderstaande samenvatting van de thema-indicatoren illustreert dit.
Figuur 1: Samenvatting thema-indicatoren

Op grond van de thema- en doelgroepindicatoren kan het volgende beeld van de voortgang van het milieubeleid gepresenteerd worden.
Klimaatverandering
De Nederlandse uitstoot van broeikasgassen die onder het klimaatverdrag vallen (CO2, CH4, N2O) is in 1994 gestegen met 12% ten opzichte van 1980. Dit wordt veroorzaakt door de ontwikkeling van de economie, waaronder de lage energieprijzen.
Verzuring
Tussen 1980 en 1994 is de SO2-emissie met 70% afgenomen, de NOx-emissie met 10% en de NH3-emissie met 27%.
Tot 1990 is de reductie voor SO2 voornamelijk toe te schrijven aan maatregelen bij elektriciteitsbedrijven, raffinaderijen en de overige industrie. Door emissie-arme aanwending van mest en het afdekken van mestopslagen daalt vanaf 1992 ook de NH3-emissie. De (geringe) afname van de NOx-emissie vanaf 1988 hangt samen met een reductie van de NOx-emissies door het personenverkeer. De depositiedoelstelling voor het jaar 2000 blijft haalbaar.
Vermesting
De waterbeheerders (rioolwaterzuiveringsinrichtingen (RWZI's)) en de industrie leveren een duidelijke bijdrage aan de vermindering van de fosfor (P) en stikstof (N) belasting van het oppervlaktewater. Ondanks vermindering van de input van P en N in de landbouw leidt het naijlingsfenomeen in de bodem er toe, dat nog geen vermindering van de oppervlaktewater-belasting vanuit de landbouw optreedt.
Verspreiding
Een eenduidig beeld van de fase waarin het thema zich bevindt is door de diversiteit van het thema moeilijk te geven. Door een risico-beoordeling van 55 nieuwe stoffen is het preventieve beleid vorm gegeven. In 1994 was de verspreiding van landbouwbestrijdingsmiddelen met 54% gedaald ten opzichte van 1985. De verspreiding van biociden nam tussen 1985 en 1992 af met naar schatting 41%. De totale milieubelasting door de verspreiding van milieugevaarlijke stoffen is gedaald met 49%.
De grote omzetdaling in bestrijdingsmiddelen is met name toe te schrijven aan de AMvB grondontsmetting. De daling in de bijdrage van prioritaire stoffen wordt veroorzaakt door vermindering van de emissie van cadmium, lood, chroom en vooral kwik naar water en van dioxinen en lood naar lucht.
Verwijdering
Uit met name het ontwerp tweede Tien-jarenprogramma Afval, dat op 5 april 1995 door het Afval Overleg Orgaan werd vastgesteld, blijkt dat:
– het aanbod van te storten en te verbranden afval is afgenomen;
– de inzameling van GFT-afval landelijk is ingevoerd en de knelpunten bij de verwerking van dat afval zijn opgelost;
– de gezamenlijke overheden overeenstemming hebben bereikt over verdergaande gescheiden inzameling van huishoudelijk afval;
– voldoende en goed over Nederland gespreide stortcapaciteit is gerealiseerd;
– de drie overheden gezamenlijk hebben besloten de geplande bouw van een tweetal verbrandingsinstallaties niet door te laten gaan, omdat de beschikbare en in aanbouw zijnde verbrandingscapaciteit voldoende is om het aanbod aan verbrandbaar afval te kunnen verwerken.
Verstoring
Verstoring door geluidhinder is in 1994 met 15% gestegen ten opzichte van 1980. De verstoring als gevolg van stankhinder is in 1994 ten opzichte van 1980 met 5% afgenomen. De totale ervaren hinder is in 1994 ten opzichte van 1993 met 7% afgenomen.
Verdroging
Naar het zich laat aanzien zal de doelstelling, namelijk het terugdringing van het areaal verdroogde bodem met 25% in 2000, vergeleken met het jaar 1985, niet in dat jaar worden gehaald, maar enige jaren later.
Ten aanzien van de omvang van de verzuring zijn nieuwe inzichten ontstaan. Dit geldt ook voor de bijdrage van de luchtvaart aan de CO2-emissies en de verzuring.
Verzuringsonderzoek
Uit het Additioneel Programma Verzuring III (APV-III) blijkt dat de feitelijke depositie van verzurende stoffen iets hoger is dan voorheen werd ingeschat. Dit komt voornamelijk door een hogere depositiesnelheid van SO2, die slechts voor een deel wordt gecompenseerd door een lagere depositiesnelheid van NOx. Dit betekent dat voor het bereiken van de doelstellingen voor 2000 onverminderd zal worden vastgehouden aan het ingezette beleid. Uit APV-III blijkt ten aanzien van de kritische waarde voor de depositie van verzurende stoffen op bos dat bescherming tegen de meest ernstige effecten, waarop de huidige doelstelling voor 2010 is gebaseerd, wordt bereikt bij een hogere depositie dan tot nu toe werd aangenomen.
Bijdrage aan de Luchtverontreiniging door Luchtvaart
Recent is een beter inzicht ontstaan in de bijdrage aan de luchtverontreiniging door de luchtvaart. Op basis van de berekeningsmethode die in het kader van de IMER ten behoeve van de planologische kernbeslissing (PKB) Schiphol en omgeving is gehanteerd, komen de CO2- en NOx-emissies van de aan Schiphol gerelateerde vliegbewegingen in 1990 uit op 3 à 4% van de nationale emissies. Voor een European Renaissance-scenario zullen de emissies van de aan Schiphol gerelateerde vliegbewegingen in 2010 overeenkomen met ongeveer 6,3% van de nationale CO2-emissies en ongeveer 16,4% van de nationale NOx-emissies. Bij het hanteren van andere berekeningsmethoden voor het toerekenen van de emissies aan Nederland kunnen deze cijfers aanzienlijk lager zijn. Indien de in het kader van de nota Luchtverontreiniging en Luchtvaart (LuLu) gebruikte methodiek van het Nederlandse Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR), namelijk alleen emissies boven Nederlands grondgebied, wordt gehanteerd, dan is de bijdrage aan de CO2- en NOx- emissies ongeveer 1% in 1990.
Op grond van de voortgang per thema en doelgroep kunnen een aantal conclusies worden getrokken:
– Voor veruit de meeste stoffen zet de dalende trend in de emissies zich voort;
– Het realiseren van de milieudoelstellingen vraagt om volledige uitvoering van het beleid dat in het NMP 2 en andere beleidsnota's (onder andere SVV-II, Vervolgnota energiebesparing, VINEX) is vastgelegd;
– Ten gevolge van de inspanningen van de gezamenlijke overheden kan bij de regionale en lokale milieuproblemen een grote voortgang worden geboekt. Realisatie van de doelstellingen voor deze milieuproblemen voor de jaren 2000 en 2010 is in technische zin mogelijk. Bij de lokale en regionale thema's wordt belangrijke voortgang geboekt bij het thema verwijdering. Bij de thema's verstoring en verdroging zullen nog belangrijke inspanningen geleverd moeten worden;
– Op een aantal terreinen wordt, ten opzichte van de doelstellingen, nog onvoldoende voortgang geboekt, met name bij landbouw en verkeer (de terugdringing van de NOx- en NH3-emissies en belasting nitraat en fosfaat) terwijl bij terugdringing van CO2-emissies sprake is van tegenvallende ontwikkelingen. Voor deze niet-regionale en -lokale milieuproblemen is een aanpak op nationaal en internationaal niveau vereist. Deze problemen zijn anders van aard. Ze zijn sterker verweven met onze consumptie- en produktiepatronen en de grenzen van techniek zijn eerder in zicht.
In het afvalbeleid wordt belangrijke voortgang geboekt. Zoals uit de indicator blijkt verloopt de uitvoering van het afvalstoffenbeleid zeer succesvol en vrijwel geheel volgens schema. Ook begint de samenwerking tussen de drie overheden in het Afval Overleg Orgaan (AOO) zijn vruchten af te werpen. Op 1 januari 1995 is de Wet belastingen op milieugrondslag in werking getreden. Op grond van deze wet is onder meer een belasting op het storten van afval verschuldigd ter hoogte van f 29,20 per ton afval (exclusief BTW) voor 1995. Deze wet past in het aangekondigde beleidsvoornemen de storttarieven op te trekken tot het niveau van de verbrandingstarieven (Actie AF 2 uit Werkdocument NMP 2). Een standpunt over dit beleidsvoornemen is op 14 maart 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden.
Met het veiligstellen en bevorderen van de afzetmogelijkheden van secundaire grondstoffen kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de realisatie van de preventie- en hergebruikdoelstellingen. Via het programma Afzet Afvalstoffen als Secundaire grondstof (AAS) (Actie AF 6 uit Werkdocument NMP 2) worden knelpunten in en bedreigingen voor de afzet van secundaire materialen gesignaleerd en worden activiteiten geïnitieerd, gestimuleerd, uitgevoerd of gecoördineerd om deze knelpunten en bedreigingen weg te nemen. Dit moet ertoe leiden dat in 1998 een evenwicht is bereikt tussen aanbod en vraag naar secundaire materialen.
Uit het ontwerp Tien-Jarenprogramma Afval 1995–2005 blijkt dat Nederland over voldoende en landelijk goed gespreide stortlokaties beschikt, dat inmiddels voldoende verbrandingsinstallaties in bedrijf dan wel in aanbouw zijn en dat de samenwerking tussen de drie overheden werkelijk van de grond is gekomen. Vooral dit laatste is van belang omdat dit ertoe heeft geleid dat de partijen in het Afval Overleg Orgaan hebben besloten om in situaties waarin het strikt toepassen van het beginsel van regionale zelfvoorziening landelijk gezien tot sub-optimale oplossingen leidt, zoals met name bij de programmering van de benodigde verbrandingscapaciteit het geval is, niet langer van een regionale maar van een landelijke schaal uit te gaan. Een besluit dat er inmiddels toe heeft geleid dat de bouw van twee nieuwe verbrandingsinstallaties niet door gaat.
Om de gewenste overgang van regionale planning naar landelijke afstemming mogelijk te maken zonder dat de regio's met een tekort aan verbrandingscapaciteit grote risico's lopen, hebben partijen afgesproken dat een landelijke sturingsorganisatie zal worden opgericht die sturing zal gaan geven aan de verwerking van niet gecontracteerde, brandbare afvalstromen. Ook zal deze organisatie een rol spelen bij de uitvoering van het stortverbod dat in de loop van het vierde kwartaal 1995 in werking zal treden.
Producentenverantwoordelijkheid in het afvalbeleid
Een voorbeeld van zelfregulering binnen kaders is het uitgangspunt van de producentenverantwoordelijkheid in het afvalbeleid.
Besluit verwijdering batterijen
Op 10 maart 1995 is het Besluit verwijdering batterijen (Staatsblad 1995, 45) in werking getreden. Op grond van dit besluit zijn producenten en importeurs van batterijen en van apparaten waarin batterijen zijn ingebouwd, onder andere verplicht deze batterijen terug te nemen en te verwerken. In mei 1995 is aangegeven op welke wijze zij aan deze verplichtingen zullen voldoen.
Besluit verwijdering personenwagenbanden
Eind april 1995 is het Besluit verwijdering personenwagenbanden in het Staatsblad gepubliceerd (Staatsblad 1995, 248). Het besluit is op 1 september 1995 in werking getreden. Op grond van dit besluit zijn producenten en importeurs van personenwagenbanden verplicht gebruikte personenwagenbanden terug te nemen en verder te verwijderen. Vóór 1 december 1995 moeten zij aan de minister meedelen op welke wijze zij aan deze verplichtingen zullen voldoen.
Wit- en bruingoed
Ten aanzien van wit- en bruingoed is op 31 mei 1995 door de ministers van EZ en VROM een brief gezonden aan producenten en importeurs, waarin zij worden uitgenodigd vóór 1juni 1995 een intentieverklaring af te geven. In deze intentieverklaring zullen zij een tijdschema moeten aangeven om een verwijderingsstructuur voor de betreffende afvalstroom tot stand te brengen.
Kunststoffolies
Ten aanzien van kunststoffolies uit de landbouw is in april 1995 een brief gezonden aan producenten en importeurs, waarin hen wordt gevraagd te reageren op het ontwerp-besluit verwijdering land- en tuinbouwfolies. Op basis van dit besluit zullen producenten en importeurs verplicht worden de folies terug te nemen en te herverwerken.
In het mestakkoord 1993 heeft de doelgroep de doelstellingen van het NMP onderschreven, met uitzondering van delen van het ammoniakbeleid. Over de concretisering van de doelstellingen is discussie ontstaan. Een belangrijke reden is dat de doelgroep vindt dat de doelstellingen niet haalbaar zijn zonder ernstige consequenties voor de sector. Deze discussie heeft ook zijn weerslag op het instrumentarium dat vooral de hoofdlijnen betreft (mestafzet-scenario en mineralenaangifte). Ook is een toenemende spanning merkbaar tussen de detaillering van regelgeving en de wens om juist meer aan de doelgroep over te laten binnen door de overheid gestelde kaders (doel- en normstelling). Eenzelfde spanning wordt geconstateerd tussen het realiseren van de (eind-)normen en de economische mogelijkheden van bedrijven. Alhoewel er nog uiteenlopende opvattingen bestaan over het niveau van duurzaamheid voor de landbouw, zijn in de praktijk allerlei ontwikkelingen gaande, die onduurzaamheid op bedrijfsniveau verminderen.
Op basis van het bovenstaande zal in de Integrale Notitie Mest- en Ammoniakbeleid een bijgestelde aanpak voor het mestbeleid worden voorgesteld. Uitgangspunten zullen daarbij naar verwachting zijn:
– meer nadruk op de haalbaarheid op korte termijn dan op de einddoelstellingen;
– maatregelen gericht op de omvang van de veestapel binnen de gehele sector in plaats van gedetailleerde regelgeving.
Verdergaande Europese normstelling is noodzakelijk om de doelstellingen te bereiken. Gewerkt wordt aan EG-richtlijnen met aangescherpte normen voor luchtverontreiniging voor personen- en vrachtauto's, die rond de eeuwwisseling van kracht moeten worden. In dit kader wordt ook een stapsgewijze verlaging van de geluidsnormen voor vrachtauto's en bussen en luchtverontreinigende emissies van lichte en zware bestelauto's gerealiseerd. Ditzelfde geldt voor de introductie van een vorm van CO2-normstelling voor personenauto's, al dan niet gekoppeld aan een vorm van fiscale stimulering. Nederland zal in samenspraak met andere lidstaten er bij de Commissie op aandringen spoedig met de toegezegde mededeling over CO2 en personenauto's te komen.
Als vervolg op de presentatie van het VNO/NCW-rapport «Nieuwe Hoop voor Morgen 2» wordt samen met de doelgroep, in casu de automobielbranche, gezocht naar mogelijkheden om tot aanvullende duurzame milieu-technologische verbeteringen van het wagenpark te komen.
Prijsbeleid draagt zowel bij aan het afremmen van de vervoersvraag als aan het stimuleren van de produktie en aanschaf van zuinige voertuigen.
Prijsmaatregelen verkeer
– uitgaande van een reële stijging van de openbaar vervoer-tarieven met 1 à 2% per jaar voor de periode tot 2000 wordt een accijnsverhoging voor benzine in de orde van grootte van 20 cent/liter reëel, waarvan 11 cent per 1 januari 1994, gerealiseerd. Een en ander is exclusief aanpassing accijnstarieven aan inflatie; in combinatie hiermee tot 2000 een – met het oog op het marktevenwicht tussen de diverse brandstoffen – Motorrijtuigenbelasting (MRB)-verhoging voor LPG-auto's in de orde van grootte van f 200 – f 250. Het tot het reëel constant houden van benzine en diesel accijns strekkende wetsvoorstel is medio 1995 ingediend;
– op basis van dezelfde veronderstelling inzake de reële tariefstijging bij het openbaar vervoer voor de periode 2000 tot 2010 een verdere verhoging van de accijnzen in de orde van grootte van 40–50 cent/liter (reëel) voor benzine en van 20 cent/liter (reëel) voor diesel, alsmede een MRB-verhoging in de orde van grootte van circa f 450,- voor LPG-auto's;
– invoering van het rekening rijden. De minister van Verkeer en Waterstaat heeft hierover met de brief van 23 juni 1995 «Contouren Invoering Rekening Rijden», inclusief een mogelijk invoeringsschema, de Tweede Kamer geïnformeerd;
– in aanvulling op genoemde normstelling invoering van een budgettair neutrale tariefdifferentiatie in de belasting voor Personenauto's en Motorrijwielen (BPM) en MRB vanaf 1996 (actie VER 11 uit Werkdocument NMP 2).
In het kader van het prijsbeleid voor de aanschaf van voertuigen is de inspanning gericht op het realiseren van een fiscale stimuleringsregeling ter bevordering van de introductie van zuinigere personenauto's in 1997. Definitieve besluitvorming hierover zal plaatsvinden nadat de Hoofdwerkgroep technische herziening Loonbelasting/inkomstenbelasting, op basis van het rapport van de Werkgroep vergroening fiscaal stelsel, daaromtrent advies heeft uitgebracht. Daarnaast worden geen acties ondernomen om te komen tot «schonere» en «stillere» auto's. Ter ondersteuning van de inzet op «zuinig» maakt Nederland zich in Europees verband sterk om de minimum accijnstarieven van motorbrandstoffen substantieel te verhogen. Met ingang van 1 januari 1996 worden de accijnzen voor benzine en diesel geïndexeerd.
Met het huidige beleid komen de taakstellingen voor het goederenvervoer niet binnen bereik. Dit komt door een hogere groei van het aantal vrachtkilometers dan werd aangenomen in het SVV-II. Samen met het vervoerend en verladend bedrijfsleven zoekt de rijksoverheid naar maatregelen om de milieudoelstellingen voor het wegtransport dichterbij te brengen. De maatregelen zijn zowel gericht op de techniek als op de modal split, efficiënter vervoer en rijgedrag. Met koepelorganisaties worden intentieverklaringen opgesteld, waarna met (groepen van) bedrijven meerjarenafspraken worden gemaakt. Inmiddels zijn de eerste resultaten bereikt. Zo hebben de deelnemende organisaties op 8 mei 1995 een gemeenschappelijke verklaring ondertekend. De zes partijen spreken hierin de intentie uit samen de mogelijkheden te scheppen voor de verdere beperking van milieu- en energiebelasting in de transport- en distributiesector. De ondertekening betekent de officiële start van deze samenwerking in de projectorganisatie «TRANSACTIE» (voorheen IMAGO). Daarnaast is medio mei reeds de eerste intentieverklaring getekend. De ondertekenaars, Deltacombinatie, de Vereniging van Zeecontainer Vervoerders en het ministerie van Verkeer en Waterstaat (namens de zes organisaties) hebben de intentie uitgesproken gezamenlijk te onderzoeken welke mogelijkheden binnen de organisaties bestaan om te komen tot milieu- en energiebesparing en te werken aan een meerjarenafspraak.
Over de functie van het goederenvervoer in Nederland en Europa (economisch, ruimtelijk, milieuhygiënisch en maatschappelijk) én over de daarbijbehorende structuur zal verdere gedachtenvorming en discussie plaatsvinden. Naar aanleiding van het Kabinetsbesluit Betuweroute is tevens besloten om binnen twee jaar de Tweede Kamer een «plan van aanpak/flankerend beleid goederenvervoer» aan te bieden.
In de nota Luchtverontreiniging en Luchtvaart is geconstateerd dat de luchtvaart een rol speelt bij de belasting van het mondiale milieu, hetgeen het voeren van een beleid voor deze sector rechtvaardigt. In het voorgenomen beleid wil Nederland een mondiale heffing op kerosine invoeren en levert Nederland een maximale inspanning om deze te realiseren. Hiervoor wordt ondermeer het instrument van de actieve (milieu-) diplomatie ingezet. Ook in ICAO-kader (International Civil Aviation Organization) pleit Nederland voor een heffing op kerosine. Het Kabinet heeft de conclusie van de Europese Raad van Ministers (milieu), dat de ontheffing van indirecte belastingmaatregelen voor de commerciële luchtvaart (zoals kerosine-accijns en BTW) om milieuredenen niet te rechtvaardigen is, onderschreven. Zij is van mening dat heffingen in Europees verband kunnen worden overwogen wanneer deze geen schadelijke gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van Europese luchtvaartmaatschappijen. De groei van de luchtvaartemissies en de wijze waarop deze kunnen worden gecompenseerd worden verder onderzocht. Daarbij gelden twee uitgangspunten: voor deze compensatie moet de meest kosteneffectieve oplossing worden gevonden en ook voor zo'n compensatie geldt het principe «de vervuiler betaalt». Over de resultaten van dit onderzoek wordt in 1997 gerapporteerd.
Mainport Schiphol, aanwijzing ex LVW (1995 2003 2015) (Acties VER 4, VER 5 uit Werkdocument NMP 2)
De PKB Schiphol en de aanwijzingsbesluiten ingevolge de Luchtvaartwet geven de toekomstige ontwikkeling van de luchthaven aan. Daarbij wordt zowel rekening gehouden met de mainportfunctie van Schiphol als met de verbetering van de leefomgeving. In PKB-3a (Kabinetsstandpunt na verwerking moties Tweede Kamer, juni 1995) zijn de volgende beleidskeuzen vastgelegd:
– het kabinet gaat uit van een ontwikkeling van Schiphol naar circa 40 miljoen luchtpassagiers, in elk geval niet meer dan 44 miljoen, alsmede circa 3 miljoen ton vracht met een zelfde marge en tenminste 5 miljoen passagiers per Hoge SnelheidsLijn. Het beleid is er op gericht een verdere groei van de luchtvaart op Schiphol te voorkomen;
– vanwege het streven naar een duurzame ontwikkeling moet verbetering plaatsvinden van de kwaliteit van het leefmilieu. Daartoe mag in de omgeving van Schiphol de situatie vanaf 2003 ten opzichte van 1990 niet verslechteren voor de parameters stank, lokale luchtverontreiniging en externe veiligheid en moet de situatie verbeteren voor luchtvaartgeluid;
– het aantal geluidbelaste woningen in de 35 Ke zone zal afnemen van 15 100 in 1990 naar 10 000 in de periode nadat de vijfde baan in gebruik is genomen. Daarnaast zal het aantal ernstig gehinderden in de 20 Ke contour afnemen van 92 000 (situatie 1990) tot circa 54 000 in de situatie met de vijfde baan en zal het aantal mensen dat slaapverstoring ondervindt binnen de 20 dB(A)-nachtcontour dalen van 134 000 (situatie 1990) naar circa 39 000 in de situatie met de vijfde baan.
De Tweede Kamer is op 14 mei 1995 geïnformeerd over de uitkomsten van Berlijn en over de voortgang ten opzichte van de aanscherping en versterking van het klimaatverdrag. De Kamer is daarbij tevens geïnformeerd over de constatering van het Centraal Planbureau/Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne dat er mogelijk een aanzienlijke toename is van de CO2-emissie in Nederland ten opzichte van de doelstelling. Naar aanleiding van deze constatering hebben doorrekeningen plaats gevonden. De tweede Kamer zal in september geïnformeerd worden over de wijze waarop het kabinet met deze problematiek zal omgaan.
EU-rapportages tonen aan dat de stabilisatiedoelstelling niet bereikt wordt met de huidige instrumenten. Daarom zal aanvullend beleid nodig zijn om de stabilisatiedoelstelling voor CO2 te realiseren. De trend binnen de gemeenschap om de EU-klimaatstrategie te integreren in andere beleidsvelden, is daarbij overigens een positief gegeven. Problemen doen zich onder andere voor bij het instrumentarium (het ontbreken van een Europese energieheffing). In mei heeft de Commissie een gewijzigde ontwerprichtlijn voor een CO2/energieheffing gepresenteerd. Die komt er op neer dat de lidstaten tot 2000 binnen randvoorwaarden een eigen heffing kunnen invoeren. Vanaf 2000 wil de Europese Commissie een EU-heffing hebben. In Nederland is de planning erop gericht in 1996 een heffing op het kleinverbruik van huishoudens en bedrijven in Nederland in te voeren ten behoeve van de CO2-reductiedoelstelling. De opbrengst wordt teruggesluisd (Actie RIJK 32 uit Werkdocument NMP 2).
In de Vervolgnota Klimaatverandering (gepland december 1995) zal de strategie voor het klimaatbeleid voor de lange termijn gepresenteerd worden (Actie RIJK 4 uit Werkdocument NMP 2). Deze nota zal mede de Nederlandse inzet bepalen bij de Europese klimaatstrategie en de onderhandelingen over een protocol in het kader van het Klimaatverdrag.
Op de conferentie in Berlijn is vastgesteld dat de huidige verplichtingen van het Klimaatverdrag niet voldoende zijn om het uiteindelijke doel van het Klimaatverdrag, namelijk stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een veilig niveau, te bereiken. Verder is in een Mandaatbesluit afgesproken dat er onderhandelingen gestart worden om in 1997 tijdens de derde conferentie der partijen te komen tot een protocol onder het Klimaatverdrag met verdergaande verplichtingen voor na 2000. Daarin moeten significante beperkingen en reducties van broeikasgassen afkomstig uit de landen in Oost-Europa en de OESO gezamenlijk, voor de periode na 2000, komen, gebruik makend van zowel nieuwe doelstellingen als van internationaal afgesproken maatregelen die voor alle protocol-partijen gelden. Het protocol zal zich ook moeten richten op het bieden van mogelijkheden aan landen buiten de groep van OESO/Oost-Europa-landen om een duurzame ontwikkeling te bereiken met een lage groei van de uitworp van broeikasgassen. In dat kader kan ook het zogenaamde «Climate Technology Initiative» van OESO en IEA, gericht op de ontwikkeling en toepassing van duurzame technologie een positieve rol spelen.
Op basis van de bereikte situatie is het Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen met name gericht op het maken van een schaalsprong naar brede toepassing van de beginselen van duurzaam bouwen. Via de vier sporen harmoniseren, realiseren, consolideren en prepareren zal het duurzaam bouwen op beleidsmatig, stedebouwkundig en gebouwniveau in de (brede) bouwstroom verder gestalte dienen te krijgen. Daartoe is een (kleine) selectie van strategische speerpunten in het Plan van Aanpak neergelegd.
Strategische speerpunten Duurzaam Bouwen
Harmoniseren
– het opstellen van het nationaal DuBo-pakket
– het instellen van een algemeen informatiepunt
Realiseren
– toepassing van duurzaam bouwen op de VINEX lokaties
– toepassing van duurzaam bouwen in de bestaande voorraad, premieregeling vormgeven
– detailhandel en consumenten stimuleren hun aanbod en vraag op duurzaam bouwen(produkten) te richten
– demonstratieprojecten en voorbeeldfunctie rijksoverheid
Consolideren
– duurzaam bouwen in bestemmingsplannen stimuleren door het uitbrengen van een brochure
– duurzaam bouwen in de bouwregelgeving neerleggen, zowel op bouwprodukt- als gebouwniveau
– fiscalisering met financiële stimulansen voor hoog kwaliteitsniveau duurzaam bouwen
Prepareren
– onderwijs/leerlingbouwplaatsen
– lange-termijn-ontwikkelingsperspectief
– milieumaten
Prioriteitsstelling bodemsanering in relatie tot VINEX
Ten behoeve van bodemsanering in het kader van de woningbouwtaakstelling, voortvloeiend uit de Vierde Nota Extra (VINEX), is in 1994 f 300 miljoen in het FES-fonds voor deze bodemsaneringsprojecten gereserveerd. Inmiddels zijn deze middelen grotendeels door VROM verplicht. Naast deze middelen fourneert VROM gelden uit de reguliere (project en budget) financiering ten behoeve van de VINEX-operatie. De FES-middelen dienen besteed te zijn per eind 1998. De samenhang met woningbouw staat voorop in deze operatie, daarbinnen worden criteria van de Wet bodembescherming gehanteerd.
3. ZELFREGULERING DOOR DOELGROEPEN EN ANDERE OVERHEDEN
Het realiseren van de doelstellingen uit het NMP zal van de verschillende doelgroepen nog verdere inspanningen vragen. Daarbij is het van belang dat een verschuiving plaatsvindt van regulering van bovenaf naar zelfregulering binnen kaders.
Door zelfregulering kunnen de doelgroepen zelf aangeven hoe zij hun taakstelling willen realiseren en op welke wijze zij hun gedrag willen regelen. Ruimte voor prioriteitsstelling past hierbij. Door middel van verslaglegging kunnen de doelgroepen hun inspanningen zichtbaar maken.
Eén van de concepten die momenteel wordt verkend om invulling te kunnen geven aan «zelfregulering binnen kaders» is het concept Milieugebruiksruimte. Dit concept gaat ervan uit dat grenzen aan het milieugebruik dienen te worden vastgesteld op basis van een maatschappelijke afweging van risico's die met dit gebruik samenhangen. Deze risico's hebben een sociale, economische en ecologische component. Binnen deze grenzen die na afweging van genoemde risico's zijn bepaald, kan optimaal gebruik worden gemaakt van economische flexibiliteit bijvoorbeeld door uitruil en compensatie. Op deze wijze kan worden tegemoetgekomen aan zowel economische, sociale als ecologische belangen.
Van groot belang hierbij is dat de vaststelling van de grenzen en van het gebruik van het milieu op het juiste schaalniveau en in overleg met alle gebruikers plaatsvindt. Voor een aantal variabelen (NOx, CO2, biodiversiteit) betreft dit het (inter)nationale schaalniveau; voor een aantal andere (natte natuur, hinder) het lokale of regionale niveau.
Voorts is het van belang te onderkennen dat de milieugebruiksruimte periodiek moet worden herzien, op basis van nieuwe inzichten of waardering van risico's.
Begin 1995 is bij Verkeer en Waterstaat in het kader van de «Implementatiestrategie NMP 2» een verkenning gestart naar de mogelijke betekenis van zelfregulering voor het beleid van Verkeer en Waterstaat.
Zelfregulering en marktwerking
Het verstandig inzetten van regelgeving en het toetsen van bestaande regelgeving op mogelijke verbeteringen staat momenteel sterk in de belangstelling. In 1994 is binnen VROM het Project Strategie Efficiencyverbetering Milieuregelgeving (STEM) van start gegaan. Daarnaast is het Project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) van start gegaan. Dit project wil een nieuwe impuls geven aan deregulering. In het kader van het MDW-project wordt jaarlijks een beperkt aantal onderwerpen ter hand genomen. Voor 1995 zijn tien onderwerpen aangewezen. Een van de tien onderwerpen betreft het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Voor het milieubeleid zijn verder ook de volgende onderwerpen van belang:
– Arbowetgeving;
– Kwaliteit EG-regelgeving;
– Certificering als alternatief voor overheidsregulering.
Het project MDW richt zich niet alleen op bestaande regelgeving maar ook op toekomstige regelgeving. In het Plan van Aanpak MDW (Tweede Kamer 1994–1995, 24 036, nr.1) wordt gesteld dat toekomstige regelgeving drie toetsen moet ondergaan: de bedrijfseffectentoets (waaronder de buitenlandtoets), de wetgevingstoets (uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid) en de milieutoets. In het kader van het MDW-project wordt aan deze toetsen verder vorm gegeven. Tenslotte worden in MDW-kader activiteiten ondernomen om de administratieve lastendruk ten gevolge van regelgeving te verminderen.
Project Strategie Efficiencyverbetering Milieuregelgeving (STEM)
De laatste jaren zijn binnen VROM diverse projecten gestart om de efficiency van de milieuregelgeving te vergroten. Het gaat daarbij in feite om het verbeteren van de verhouding tussen de hoeveelheid regels en het effect daarvan. Om van de lopende acties een beter overzicht te krijgen en om het streven naar efficiënte milieuregelgeving extra impuls te geven is medio 1994 een project Strategie Efficiencyverbetering Milieuregelgeving (STEM) van start gegaan. Dit project zal leiden tot de opstelling van een plan van aanpak inzake de verbetering van de efficiency van de milieuregelgeving. In dit plan zal een visie worden verwoord hoe in de toekomst met het instrument regelgeving zou moeten worden omgegaan. Ook worden concrete acties geïnventariseerd, waarbij het bijvoorbeeld gaat om het schrappen van overbodige regelgeving, het verduidelijken van de inzichtelijkheid van regelgeving, het bieden van meer mogelijkheden van eigen initiatieven van bedrijfsleven binnen kaders, het verbeteren van de handhavingsmogelijkheden, etc. In de tweede helft van 1995 is dit plan van aanpak afgerond. Twee voorbeelden van de acties hebben betrekking op de stoffenregelgeving en de verbetering van de handhavingsmogelijkheden.
Eén van de (STEM-)projecten ten aanzien waarvan mogelijk veel efficiencywinst is te behalen, betreft de vereenvoudiging van stoffenregelgeving. Doel van dit project is de in de Wet milieugevaarlijke stoffen opgenomen bepalingen over kennisgeving, onderzoek, verpakking en etikettering en veiligheidsinformatiebladen te vereenvoudigen én over te hevelen naar de Wet milieubeheer. Tevens zal een financiële regeling worden opgenomen ten behoeve van de beoordeling van genetisch gemodificeerde organismen en nieuwe stoffen. Dit is in lijn met EU-beleid inzake. Verder wordt een aantal inhoudelijke wijzigingen overwogen, zoals een kaderregeling in plaats van gedetailleerde regeling, vergemakkelijken van de implementatie van Europese voorschriften en vergroting van de efficiency en aansluiting bij EU-voorschriften van de onderzoeksbepalingen.
Voor wat betreft de handhavingsmogelijkheden loopt momenteel (onder de STEM-paraplu) het project Handhavingsinstrumentarium Milieubeleid (HAM). Dit project heeft zowel betrekking op concrete hulpmiddelen om de uitvoering van bestaande handhavingsinstrumenten te verbeteren als op voorzieningen in de sfeer van regelgeving (aanpassing van bestaande wetgeving alsmede ontwikkeling van nieuwe instrumenten). Het gaat om onderwerpen als bestuurlijke boete, verplichte externe doorlichting, regeling milieutoezicht politie, verbetering van de informatie-uitwisseling tussen bestuur en Openbaar Ministerie, transactiebevoegdheid voor opsporingsambtenaren en een algemeen verhaalsrecht in de Wet milieubeheer.
De introductie van de bestuurlijke boete heeft hierbij prioriteit (zie ook kabinetsstandpunt Tweede Kamer 1993/1994 23 400 VI, nr. 48). In verband met de gedifferentieerdheid van de milieuregelgeving zal eerst worden onderzocht welke (soort) bepalingen in aanmerking zouden kunnen komen voor afdoening met een bestuurlijke boete, waarna een regeling kan worden uitgewerkt.
Het maken van keuzes in het milieubeleid – tussen opties, dan wel met fasering als doel – behoeft heldere informatie. Keuzes worden gemaakt op basis van verschillende criteria, zoals draagvlak, uitvoerbaarheid, economische inpasbaarheid en milieurendement. Deze verschillende criteria worden door het bestuur ten opzichte van elkaar gewogen. Voor het criterium milieurendement ofwel de kosteneffectiviteit van de maatregelen in het milieubeleid wordt in toenemende mate aandacht gevraagd. Vanuit doelgroepen en overheden wordt gewezen op de noodzaak keuzes te maken over de wijze waarop de milieu-investeringen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet. De Minister van VROM heeft de Tweede Kamer toegezegd om de mogelijkheden aan te geven van een integrale toepassing van een milieurendementsbenadering op het milieubeleid (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 XI, nr. 33). In de eerste helft van 1996 ontvangt de Kamer een interdepartementale notitie, waarin wordt ingegaan op de begripsbepaling, voorbeelden van de wijze waarop het begrip reeds in het beleid wordt toegepast en waarin wordt aangegeven welke vragen aan de orde zijn bij uitbreiding van de toepassing van het begrip.
In de NMP Begeleidingscommissie industrie is een handreiking geformuleerd voor het stellen van prioriteiten (fasering) door bedrijven en vergunningverlenende overheden. De handreiking is bedoeld als een praktisch hulpmiddel bij het opstellen en beoordelen van bedrijfsmilieuplannen en het aanvragen voor een (revisie)vergunning. De handreiking is met name bedoeld voor situaties waarin het bedrijf, vanwege bedrijfseconomische omstandigheden, in de tijd gefaseerd toegroeit naar een situatie waarin het integraal voldoet aan de stand der techniek. De handreiking is niet bedoeld voor nieuwbouwsituaties omdat bedrijven dan direct integraal aan de stand der techniek zullen voldoen.
Prioriteitsstelling bij de industrie
Het proces van prioriteitsstelling bij de industrie bestaat uit een aantal stappen:
1. groslijst maatregelen
Een groslijst van mogelijke maatregelen wordt gegenereerd voor die milieuproblemen die voor het bedrijf relevant zijn.
2. vaststellen milieubelang maatregelen
Het milieubelang van de maatregelen uit de groslijst wordt bepaald met behulp van een aantal overwegingen. Hierbij horen onder andere het al dan niet voldoen aan wettelijke eisen en de bijdrage aan de realisatie van nationale doelstellingen. Daarnaast bijvoorbeeld de mate waarin een bijdrage wordt geleverd aan de realisatie van de lokale milieukwaliteit tussen het maximaal toelaatbaar en het verwaarloosbaar risico.
3. vaststellen bedrijfsbelang maatregelen
Beoordeeld wordt in welke volgorde het bedrijf de maatregelen uit de groslijst zou willen uitvoeren, bijvoorbeeld vanwege de mogelijke inpassing in een gepland investeringsprogramma.
4. vaststellen volgorde van uitvoering
In een onderhandelingsproces wordt door het bedrijf en de vergunningverlenende overheid synergie gezocht tussen het milieubelang en het bedrijfsbelang bij het bepalen van de volgorde van de te nemen maatregelen. Het gaat hierbij om het gezamenlijk zoeken naar een uitwerking van het ALARA-beginsel (As low as reasonable achievable) uit de Wet milieubeheer.
De huidige maatschappelijke ontwikkelingen geven aanleiding tot een herziening van de wijze waarop de overheid doelgroepen van het beleid aanstuurt om deze aan te zetten tot gedragsverandering. In het NMP 2 spelen de verbreding van het instrumentarium en de eerder genoemde «zelfregulering binnen kaders» een belangrijke rol. Eind 1995 wordt een onderzoek afgerond naar deze mogelijk veranderende sturing in relatie tot het instrumentarium. In dit onderzoek wordt ook aandacht besteed aan de rol van de andere overheden en de mogelijke rol hierbij van de intermediaire organisaties, nutsbedrijven en andere vergelijkbare (belangen)groepen.
Het NMP 2 stelt daarnaast ook dat uitvoering op maat vereist dat de instrumenteninzet is toegespitst op de kenmerken van de doelgroepen. Voor de goed bereikbare doelgroepen is de huidige inzet van instrumenten gericht op regulerende instrumenten en op verbreding van het instrumentarium, om de eigen verantwoordelijkheid van deze doelgroepen te faciliteren en te stimuleren. Hierbij spelen zowel financiële instrumenten als het privaatrecht een rol. Met behulp van financiële instrumenten kunnen actoren worden gestimuleerd bij het milieuvriendelijker maken van hun gedrag. Gedragsaanpassingen bij de moeilijker bereikbare doelgroepen worden gestimuleerd door de inzet van voornamelijk financieel en sociaal instrumentarium en een grotere rol van intermediaire organisaties.
Per 1 januari 1995 is de Wet belastingen op milieugrondslag in werking getreden, waarin zijn opgenomen belastingen op brandstoffen, uranium, het storten van afval en het onttrekken van grondwater. Zoals vastgelegd in het regeerakkoord heeft het kabinet een wetsvoorstel voor een belasting op het kleinverbruik voor energie afgerond. De verwachting is dat deze wet per 1 januari 1996 in werking zal treden.
Voorts heeft een interdepartementale werkgroep deze zomer een notitie afgerond, waarin de mogelijkheden worden verkend voor een verdere verbreding van de belastingen op milieugrondslag. Deze notitie zal ter advisering worden voorgelegd aan de Werkgroep vergroening van het fiscale stelsel. Dit is een werkgroep die is ingesteld door de Staatssecretaris van Financiën. Een eindrapportage van deze commissie wordt voorjaar 1996 verwacht.
In lijn met de motie van de Tweede Kamerleden: Ybema, Van der Vaart, Van Rey, Leerling en Schutte (Tweede Kamer 1992–1993, 22 873, nr. 22) zal Nederland in Europees verband bepleiten milieu-overwegingen mee te laten wegen in de BTW-tariefindeling, zodat het de lidstaten wordt toegestaan het verlaagde BTW-tarief toe te passen op bepaalde milieuvriendelijke en energiebesparende prestaties.
Naar verwachting zal een wettelijke regeling van de milieuverslagplicht in de tweede helft van 1995 bij de Tweede Kamer worden ingediend. Het wetsvoorstel verplicht een nog nader te bepalen groep bedrijven om aan de hand van een jaarlijks milieuverslag verantwoording af te leggen over het gevoerde milieubeleid. Hierdoor worden betrokken bedrijven gestimuleerd om een goed functionerend milieuzorgsysteem op te zetten, waarmee bedrijven invulling kunnen geven aan de eigen verantwoordelijkheid voor het milieu en de milieuprestaties kunnen verbeteren.
Naarmate het bedrijf – binnen bepaalde door de overheid aan te geven kaders – meer ruimte wil hebben voor het invullen van de eigen verantwoordelijkheid en derhalve met het bevoegd gezag overeenkomt dat een vergunning op hoofdlijnen zal worden verleend, is immers meer waarborg nodig voor het verstrekken van toereikende informatie, niet alleen aan de overheid, maar ook rechtstreeks aan het publiek. Het milieuverslag is een goed middel voor overheid en publiek om inzicht te krijgen in hoe de bedrijven met die ruimte omgaan en tot welke milieuprestaties dit leidt.
Informeren publiek
Voor het informeren van het publiek zal de wettelijke regeling zoveel mogelijk vormvrijheid geven aan de bedrijven en daarom beperkte vereisten bevatten. De wet zal op dit punt aansluiten op de reeds bestaande praktijk van milieujaarverslagen en voorts de mogelijkheid bieden om aan te sluiten bij de milieuverklaring die bedrijven, die op vrijwillige basis aan de EMAS-verordening van de EU deelnemen, opstellen.
Rapportage aan overheid
Voor de rapportage aan de overheid kan de kern van de wettelijke regeling bestaan uit de jaarrapportage, die bedrijven nu al uitbrengen over de uitvoering van het Bedrijfsmilieuplan (BMP). Wel is het wenselijk in deze rapportage andere, bestaande rapportages aan overheden zoveel mogelijk onder te brengen om zo de noodzakelijke stroomlijning te bewerkstelligen. Binnen de chemische industrie loopt thans een project dat de mogelijkheden van integratie van diverse rapportages (circa vijftien stuks) onderzoekt. Dit project ziet er veelbelovend uit. In ieder geval is het nodig dat aan diverse rapportages een afgestemde en onderling consistente vraagstelling ten grondslag ligt. Zodoende kan het bedrijf met één meet- en registratiesysteem informatie genereren ten behoeve van diverse rapportages.
Voor wat betreft de bedrijven, waarop de wettelijke regeling van toepassing zou moeten zijn, wordt in eerste aanleg uitgegaan van de bedrijven die via convenanten reeds rapportageverplichtingen zijn aangegaan en waarvoor de provincie vergunningverlenend gezag is, aangevuld met bedrijven die qua milieubelasting daarmee vergelijkbaar zijn zoals aardolieraffinaderijen, elektriciteitscentrales en bepaalde afvalverwerkende bedrijven. Het gaat dan om enige honderden bedrijven. Dit jaar wordt een handreiking voor overheden en bedrijven uitgebracht over de koppeling tussen bedrijfsinterne milieuzorg en de vergunningverlening en de handhaving. Op basis van opgedane ervaringen en proefprojecten wordt hierin aangegeven hoe de koppeling concreet vorm kan krijgen. Ook ontwikkelingen ten aanzien van certificatie van milieuzorgsystemen worden hierin meegenomen.
Doorvertaling van doelstellingen: helderheid en haalbaarheid
Met strategielijn 2 van het NMP 2 «Doorvertaling van de nationale themadoelstellingen» wil het rijk helderheid verschaffen voor zowel doelgroepen als andere overheden (gebiedsgerichte doorvertaling) over de te nemen uitvoeringsbeslissingen.
Sinds het verschijnen van het NMP 2 is duidelijk geworden dat deze helderheid in de vorm van taakstellingen, op verschillende manieren kan worden verschaft:
a. taakstelling ontleend aan (lees: helderheid verschaft door) wettelijke regelgeving en normstelling (bijvoorbeeld Stortverbod Afvalstoffen);
b. taakstelling ontleend aan niet-wettelijke regelgeving en normstelling (bijvoorbeeld Nederlandse Emissierichtlijn);
c. taakstelling ontleend aan vrijwillige afspraken (bijvoorbeeld Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening);
d. taakstelling ontleend aan bindende afspraken vastgelegd als onderhandelingsresultaat in convenanten (het «klassieke» doelgroepenspoor).
Van groot belang bij doorvertaling van doelstellingen is de legitimering ervan. Terecht vragen doelgroepen waarom er van hen een bepaalde bijdrage voor de oplossing van een specifiek milieuprobleem wordt verwacht. Naarmate het milieubeleid vordert en er meer van doelgroepen wordt gevraagd blijkt dat, om emissiereducties op een efficiënte wijze tot stand te kunnen brengen, het niet alleen van belang is welke bijdrage een doelgroep levert aan een milieuprobleem, maar ook welke doelgroep de meest efficiënte bijdrage kan leveren aan de oplossing van het milieuprobleem. Naast het criterium milieurendement of kosteneffectiviteit spelen hierbij ook andere criteria, zoals bijvoorbeeld draagvlak, draagkracht, handhaafbaarheid en concurrentiepositie. Het feit dat de mate waarin deze criteria een rol spelen, kan variëren door de tijd, bijvoorbeeld als gevolg van economische, technologische en/of politiek-maatschappelijke ontwikkelingen, bewijst dat doorvertaling niet statisch is maar vraagt om flexibiliteit. Tegelijkertijd is continuïteit in reeds vastgelegde doelstellingen van groot belang. Een al te frequente herijking van de doelstellingen zal de uitvoering van het milieubeleid belemmeren en de geloofwaardigheid van dat beleid verminderen. De huidige planningscyclus in het milieubeleid biedt voldoende mogelijkheid om zowel de gewenste continuïteit als de noodzakelijke flexibiliteit te garanderen.
Met bovenstaande indeling als uitgangspunt, ontstaat het volgende beeld geldend anno 1995 over doorvertaling*:
| Doorvertaling afgerond | Doorvertaling in voorbereiding | Doorvertaling nog onduidelijk | |
|---|---|---|---|
| Klimaat | CO2, NOx | – CH4 en N2O (diverse doelgroepen) – CO2 (na 2000) – HFK's | |
| Verzuring | Grotendeels (SO2, NOx, NH3) | – Huishoudens (NH3) – Landbouw (VOS) – Overige mobiele bronnen (NOx) | |
| Verspreiding | Deels (prioritaire stoffen, landbouwbestrijdingsmiddelen, radio-actieve stoffen) | Zware metalen (diverse doelgroepen) | – Fijn stof – Radon – Biociden |
| Vermesting | Grotendeels | P en N (landbouw) | |
| Verwijdering | Volledig | ||
| Verdroging | Volledig | ||
| Verstoring | Grotendeels (effectgericht beleid voor wat betreft geluid, externe veiligheid, en deels lokale luchtverontreiniging) | Lokale luchtverontreiniging (deels) Taakstelling luchtvaart | Effectgericht beleid voor wat betreft stank Brongericht beleid Mobiliteits- en prijsbeleid |
* stand van zaken februari 1995.
Uit het overzicht blijkt dat voor een aanzienlijk deel van de doelstellingen de gewenste helderheid is verschaft. Met name voor de thema's verwijdering en verdroging, en voor de doelgroepen afvalverwijderingsbedrijven, drinkwaterbedrijven, industrie en raffinaderijen is het referentiekader voor de te nemen uitvoeringsbeslissingen duidelijk. Voor een ander deel van de doelstellingen is er beleid in voorbereiding om de gewenste helderheid te verschaffen. Dit speelt met name bij de thema's verspreiding (Beleidsstandpunt Zware Metalen) en verstoring (onder andere taakstelling luchtvaart). Voor het resterende deel van doelstellingen is er nog geen beleid in voorbereiding. Wel loopt er in sommige gevallen verkennend onderzoek. Bijvoorbeeld bij klimaat (CH4, N2O, HFK's).
Nota Regionale doorvertaling verstoringsdoelstellingen (Actie AO 1 uit Werkdocument NMP 2)
Verstoring is een milieuthema dat zich vooral voordoet op lokaal en regionaal niveau. Het monitoren van de (nationale) verstoringsdoelstellingen vindt dan ook in nauwe samenspraak met gemeenten en provincies plaats. Indien uit de analyse van de monitoringsresultaten blijkt dat de verstoringsdoelstellingen niet gehaald worden, zal samen met provincies en gemeenten bekeken worden welke maatregelen getroffen dienen te worden om alsnog aan de doelstellingen te voldoen.
Normstelling en doel- en taakstellingen
Normstelling is een belangrijk instrument in het milieubeleid. Door middel van normen kunnen doelstellingen worden vertaald in heldere taakstellingen voor doelgroepen. In de systematiek van normstelling kan onderscheid worden gemaakt tussen:
a. normen op rijksniveau, waar geen mogelijkheid bestaat van afwijking;
b. normen op rijksniveau, met mogelijkheid voor afwijking door middel van bijvoorbeeld een bandbreedte of een ontheffingsprocedure;
c. normen die op provinciaal of gemeentelijk niveau kunnen worden vastgesteld, omdat er geen norm op rijksniveau nodig is.
Op basis van deze indeling zal worden nagegaan in hoeverre het geheel van normen in het milieubeleid bijstelling behoeft. Waar nodig zullen de status van bestaande normen en de reeds aanwezige flexibiliteit in de toepassing van milieunormen nader worden verduidelijkt.
Bij het stellen van prioriteiten is het belangrijk dat de milieu-aspecten op een vergelijkbare wijze worden gepresenteerd. Het doel van weging is verschillende milieuproblemen direct vergelijkbaar te maken door deze onder één noemer te brengen. Een voorbeeld hiervan zijn de in het Milieuprogramma opgenomen indicatoren, waarbij bijvoorbeeld de drie verzurende stoffen SO2, NOx en NH3 worden gepresenteerd op basis van verzuringsequivalenten. Weging tussen de uiteenlopende milieuthema's of met andere maatschappelijke effecten kan niet geobjectiveerd plaatsvinden. Kwantitatieve wegingsmethoden kunnen weliswaar een hulpmiddel zijn bij het op één noemer brengen van uiteenlopende milieu-aspecten, maar kunnen meer kwalitatieve bestuurlijke of politieke afwegingen niet vervangen.
In het algemeen kunnen verschillende doelen worden onderscheiden waarvoor weging wordt toegepast:
a) Prioriteitsstelling
Verschillende milieuproblemen worden samengebracht tot één grootheid om beter een keuze te kunnen maken tussen verschillende maatregelen;
b) Produktenbeleid
In het produktenbeleid kan het gewenst zijn een heldere vergelijking te kunnen maken tussen verschillende alternatieve materiaalmogelijkheden (bijvoorbeeld primair aluminium of roestvrij staal). Hiervoor is het noodzakelijk dat de milieu-effecten van deze materialen vergelijkbaar zijn. Weging is hiervoor noodzakelijk;
c) Milieu en andere belangen
Bij afweging van het milieubelang met andere belangen zoals bijvoorbeeld ruimtelijke ontwikkeling kan het gewenst zijn het milieubelang te kunnen presenteren als een eenduidig cijfer. Weging van verschillende milieu-effecten is hiervoor nodig;
d) Monitoring
Zoals boven aangegeven wordt weging al toegepast in het vormgeven van indicatoren. In dit Milieuprogramma worden verschillende stoffen binnen een thema onderling gewogen op basis van hun relatieve bijdrage aan het thema en onder één noemer gepresenteerd (zie bijlage 1 en 2).
Naar alle waarschijnlijkheid noodzaken de verschillende doelen van weging tot het gebruiken van verschillende methodieken. Het is dan niet mogelijk te komen tot één meest gewenste methodiek van weging van milieuproblemen. Het Ministerie van VROM gaat momenteel na in hoeverre een clustering van in gebruik zijnde wegingsmethodieken mogelijk en wenselijk is.
Denkrichting milieulasten utiliteitsbouw /Paasbrief Inspecteur Milieuhygiëne Rijksgebouwendienst 1995
Beslissingen in het bouwproces zijn in de meeste gevallen economisch van aard. Een mechanisme om in dit economische afwegingsproces de invloed op de kwaliteit van het milieu door met name bouwmaterialen, mobiliteit, energie, water en sloopkosten te verwerken bestaat niet. Hierdoor spelen de aantasting van de winningsplek, vervuiling door transport en lekverliezen bij de bewerking, toepassing, gebruik, verwijdering en verwerking van bouwmaterialen in de beslissingen nauwelijks tot geen rol. Bij de Rijksgebouwendienst wordt geprobeerd om juist de aantasting van het milieu te kwantificeren en als argument te laten meewegen in beslissingen in het bouwproces. Eerste stap hierin is de kwantificering van de milieubelasting van bouwmaterialen, mobiliteit, energie en water en reservering voor sloopkosten. Hiervoor zijn reeds verschillende methodieken beschikbaar.
In de paasbrief 1995 van de Inspecteur Milieuhygiëne voor de Rijksgebouwendienst is de stap gezet naar een financiële vertaling van de milieubelasting. Wanneer deze methodiek voldoende is uitgekristalliseerd, wordt binnen de Rijksgebouwendienst verkend welke rol de verkregen informatie kan spelen in beslissingen in het bouwproces. Onder meer van belang is de verhouding tussen meerinvesteringen en de maatschappelijke (financiële) opbrengsten. De methodiek en ervaringen worden in het kader van de voorbeeldfunctie van de RGD uitgedragen naar de marktpartijen in het bouwproces.
De OESO geeft in haar oordeel over het Nederlandse milieubeleid in overweging om de nu al aanzienlijke handhavingsinspanningen van alle overheidsniveaus te verhogen. Bij de meeste instanties die milieuregels handhaven zal er de komende jaren echter geen groei zijn in het personeelsbestand. De gewenste inspanningsverhoging moet daarom worden bereikt door de efficiency van de bestaande inzet verder te vergroten. Om de effectiviteit en eenduidigheid te bevorderen is het noodzakelijk dat alle betrokken handhavende instanties samenwerken. Zowel in eigen land als op internationaal niveau.
Internationale samenwerking
In 1996 wordt de vierde internationale handhavingsconferentie in Thailand georganiseerd. Nederland bereidt deze conferentie samen met United Nations Environment Programme (UNEP) en Environmental Protection Agency (EPA) voor. Voor het snel geïndustrialiseerde Zuid-oost Azië is het van belang dat milieuwetten op adequaat niveau en op eenduidige wijze worden gehandhaafd. Hiermee wordt ook bereikt dat bestaande economische concurrentieverschillen worden verkleind.
De toezichtstaken van de Inspectie Milieuhygiëne zijn onder te verdelen in eerstelijns- en tweedelijnstoezicht. Bij het eerstelijnstoezicht gaat het om wetten en regelingen waarvoor de minister van VROM verantwoordelijk is. Het tweedelijnstoezicht heeft betrekking op de uitvoering van milieutaken door gemeenten en provincies. In het geval van een vergunning op hoofdlijnen, ondersteund door een goed functionerend milieuzorgsysteem, kan het door deze instanties uitgeoefende toezicht op de naleving zich meer concentreren op hoofdlijnen. Voor het bevoegde gezag kan dit betekenen dat met minder inspanning hetzelfde niveau van handhaving kan worden bereikt. De Inspectie Milieuhygiëne zal er op toezien dat met deze nieuwe instrumenten tenminste dezelfde resultaten worden bereikt als met de traditionele vorm van vergunningverlening en handhaving.
Het eerstelijnstoezicht neemt de komende jaren in intensiteit toe. Dat is onder meer noodzakelijk voor de handhaving van de EVOA-regeling (grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen) en voor nieuwe handhavingstaken die de Inspectie in het kader van de produktregelgeving toegewezen krijgt. De ruimte voor intensivering van het eerstelijnstoezicht kan op meerdere plaatsen worden gerealiseerd.
Aan de verdere verbetering van het instrumentarium voor de handhaving van de milieuregelgeving, zoals deze in gang is gezet met het programma «Verbetering Handhavingsinstrumentarium Milieubeleid (HAM)», zal de nodige aandacht worden gegeven. In het kader van dit programma zal onder meer worden bezien of het, vooruitlopend op een algemene regeling in de Algemene wet bestuursrecht, wenselijk is de Wet milieubeheer uit te brieden met een regeling omtrent de bestuurlijke boete.
Op het gebied van de handhaving van milieuregelgeving zal tevens worden nagegaan of de toedeling van verantwoordelijkheden voor de handhaving, zoals deze thans is geregeld, aanpassing of uitbreiding behoeft. Hierbij worden in ieder geval ook de wettelijke taken en bevoegdheden van de Inspectie voor de Milieuhygiëne betrokken.
Ruimte voor intensivering van het eerstelijnstoezicht
1. Deze kan voor een deel worden gevonden in enige vermindering van het tweedelijnstoezicht. Het blijkt dat gemeenten en provincies milieutaken steeds vaker op adequaat niveau (zullen) uitvoeren. Het is de verwachting dat gemeenten en provincies het adequate niveau voor vergunningverlening en handhaving in de periode tot 1997 daadwerkelijk bereiken. Het tweedelijnstoezicht kan in intensiteit afnemen als ook nog voldaan wordt aan de twee voorwaarden:
* de ambtelijke apparaten zijn in staat de milieutaken blijvend op adequaat niveau uit te voeren;
* er een integraal en gevalideerd monitoringssysteem functioneert dat inzicht geeft in de taakuitvoering door andere overheden.
2. Daarnaast wordt de komende jaren onderzocht of het tweedelijnstoezicht ook nog efficiënter kan worden uitgevoerd. Gedacht kan worden aan certificering en auditing van milieudiensten.
3. De verwachting is ook dat er ruimte voor intensivering van het eerstelijnstoezicht beschikbaar komt indien de activiteiten van de Inspectie Milieuhygiëne worden geconcentreerd in 5 vestigingen.
Gebleken is dat de taken die de Inspectie Milieuhygiëne werkelijk uitvoert en de taken die op basis van verschillende wetten zouden moeten worden uitgevoerd, in de loop der tijd uit elkaar zijn gegroeid. In de komende jaren wordt dit weer in overeenstemming gebracht. De regeling van de taken van de Inspectie in de Wet milieubeheer is hiervan een belangrijk onderdeel.
Monitoring van het milieu is niet nieuw. Al sinds jaar en dag wordt de toestand van het milieu gevolgd door middel van een stelsel van meetnetten. Toch is monitoring van het milieu(beleid) sterk in ontwikkeling. Lag de nadruk in het verleden vooral op het volgen van de toestand van het milieu, thans wordt monitoring steeds meer gericht op het volgen en waar nodig tijdig bijsturen van de uitvoering van het milieubeleid. Centraal in die ontwikkeling staat steeds de vraag of de doelstellingen van het milieubeleid worden gehaald. In het NMP 2 is aangekondigd dat het Rijk in samenspraak met alle betrokken partijen een visie op monitoring zal ontwikkelen. Bij het ontwikkelen van die visie is sprake van een grote groep wederzijds afhankelijke actoren. Een haalbare en uitvoerbare visie op en aanpak van milieubeleidsmonitoring kan daarom alleen in een gezamenlijk en iteratief proces van alle betrokken actoren tot stand komen.
Discussie met andere overheden heeft geleid tot een voorlopig «uitvoeringsprogramma», waarin is verwoord hoe de visie op monitoring opgesteld en vastgesteld kan worden. In een volgende stap wordt de discussie uitgebreid naar de andere departementen en onderzoeksinstituten. Daarbij is er in het proces voor deze partijen uitdrukkelijk ruimte om het resultaat mee vorm te geven. De eindversie van het uitvoeringsprogramma staat derhalve nog niet vast. Het uitvoeringsprogramma richt zich onder meer op het maken van concrete afspraken over het verzamelen, bewerken en presenteren van gegevens. Daarbij is de stap verzamelen samengesteld uit meerdere activiteiten: vergaren, valideren en inzamelen. Deze activiteiten zijn elk verschillend, maar hangen onderling sterk samen doordat gegevens zich in het verzamelproces verplaatsen van de ene naar de andere actor of lokatie. De afspraken over monitoring spitsen zich voor elk van de bovengenoemde stappen toe op de volgende vragen:
WAT? welke (basis)gegevens monitoren, volgens welke definities of omschrijvingen, in welke eenheden uitdrukken, aggregeren tot welke indicatoren;
WIE? wie is verantwoordelijk voor elke bovengenoemde stap; welke andere actoren zijn daarbij betrokken;
HOE? welke (meet)methoden en technieken toepassen; kwaliteitseisen aan bewerkingen, rapportages;
WANNEER? wanneer moeten gegevens beschikbaar zijn; bepalen van de monitoringscyclus en beschouwingsperiode.
Uitgangspunt bij de aanpak is dat het monitoringstelsel voor het milieubeleid zowel ten dienste staat van de informatiebehoeften van het rijk als die van de andere overheden. Het gaat om de samenstelling en het samenspel van de informatiestromen binnen organisaties, tussen organisaties en tussen overheden. De informatiestromen richten zich daarbij ook op het verzamelen, bewerken en presenteren van gegevens voor gebiedsgerichte toepassingen. Een ander uitgangspunt is dat gegevens op een zo laag mogelijk niveau worden gegenereerd. Het streven is dat elke bronhouder de gegevens slechts éénmaal aan het stelsel hoeft te verstrekken. Bewerkte gegevens worden teruggekoppeld naar de bronhouders.
Integrale Milieutaakstelling Industrie (IMT)
Invoering van systematische monitoring per bedrijfstak waarvoor een convenant is afgesloten is wenselijk om vast te kunnen stellen of overeengekomen taakstellingen worden gerealiseerd. Op basis van het programma van eisen voor doelgroepmonitoring zal in 1996 een protocol voor monitoring van de milieubelasting van de doelgroep industrie worden opgesteld.
5. SAMENWERKING MET ANDERE OVERHEDEN
5.1 Rolverdeling, samenwerking en beleidsvrije ruimte
Een heldere rolverdeling tussen de overheden is bij de uitvoering van het milieubeleid gewenst. Duidelijk moet worden welke overheidslaag het voortouw in (verdere) beleidsontwikkeling heeft. De huidige wettelijke taken en bevoegdheden vormen hierbij het uitgangspunt. In overleg met de andere overheden is geconcludeerd dat de beleidsontwikkeling door andere overheden meer kans van slagen heeft als ruimte wordt geboden om prioriteiten te stellen en als in voldoende mate sprake is van deregulering en facilitering door rijk en andere overheden. Deregulering is zowel nodig in de verhouding tussen de overheden als in de verhouding tussen overheden en bedrijven. Ook is gesproken over mogelijke normafwijking, te overwegen als hiermee een (evenredige) milieu-winst kan worden behaald en deze bij voorkeur gecompenseerd wordt binnen het eigen milieucompartiment. Normen op een bepaald terrein (bijvoorbeeld externe veiligheid of geluidhinder) kunnen ontwikkelingen die uit andere overwegingen gewenst zijn (bijvoorbeeld bouwen in de buurt van stations) in de weg staan. Milieuwinst en milieuverlies moeten dan in een open proces en zo veel mogelijk in kwantitatieve termen tegen elkaar worden afgewogen. De voorkeur verdient compensatie in het eigen milieucompartiment. Als dat niet mogelijk is, moet compensatie elders in de milieusector plaatsvinden. In bijzondere gevallen zou compensatie kunnen worden gevonden in maatschappelijke winst buiten het directe terrein van het milieu. De mogelijkheden voor normafwijking moeten via proefprojecten op gelegitimeerde wijze worden verkend (project Stad en Milieu). Daarnaast zal een samenhangend systeem van monitoring moeten worden opgezet, waarmee de milieu-, beleids- en uitvoeringsresultaten kunnen worden gemeten. Hiervoor zijn gemeenschappelijke uitgangspunten en standaards van de verschillende overheden nodig.
Uitgangspunt is, dat milieuproblemen worden opgelost op het niveau waar ze spelen. In het algemeen ligt het voor de hand dat de beleidsbepaling ten aanzien van onderwerpen die op lokaal, provinciaal, landelijk of internationaal niveau spelen op datzelfde niveau plaatsvindt. Voor de uitvoering van het milieubeleid is dit niet altijd eenduidig. In het DUIV-overleg (het reguliere overleg tussen het Directoraat-Generaal Milieubeheer, Unie van Waterschappen, Interprovinciaal Overleg en Vereniging van Nederlandse Gemeenten) zal verder worden gesproken over de rolverdeling bij de uitvoering van het milieubeleid.
Samenwerken bij handhaven
Landelijke handhavingsstructuur
In de Landelijke Coördinatiecommissie Milieuwethandhaving (LCCM) vindt gezamenlijke prioriteitsstelling en afstemming van de programmering plaats. In de provinciale en regionale uitvoeringsprogramma's zal vanaf 1996 de logistiek (aanlevering, transport en verwerking) van gevaarlijk afval, als nieuwe prioriteit uit het landelijke handhavingsprogramma van de LCCM, doorwerking hebben gekregen. De LCCM ontwerpt hiertoe in 1995 een facilitair programma. Voor een effectieve en efficiënte samenwerking op regionaal niveau blijken de Coördinatie- en Informatiepunten (CIP's) onontbeerlijk te zijn. In de Vervolg bijdragenregeling ontwikkeling gemeentelijk milieubeleid (VOGM-regeling) is het ondersteunen van de CIP's (coördinatie- en informatiepunten) door de gemeenten als basistaak aangemerkt.
Zware milieucriminaliteit
Voor de bestrijding van de zware milieucriminaliteit is samenwerking onontbeerlijk. In 1994 heeft het Projectteam aanpak zware milieucriminaliteit 60 zaken gecoördineerd. De meeste daarvan hebben betrekking op afval en bedreigde uitheemse diersoorten. De Tweede Kamer is over de aanpak van de zware milieucriminaliteit inmiddels in een notitie geïnformeerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, 22 343, nr. 18). Gebleken is dat het bij de regiopolitiekorpsen ontbreekt aan voldoende recherchekwaliteit en -capaciteit, mede door de omstandigheid dat er onvoldoende aanbod van (middel)zware milieuzaken is om tot een continue inzet te kunnen komen. Samenwerking tussen de regiokorpsen, interregionale milieu-assistentieteams, kan ook hier een oplossing bieden. Voor het adviseren/assisteren van deze teams bestaat het voornemen een «task-force» op te richten, vergelijkbaar met het Milieubijstandsteam (MBT) van de Inspectie Milieuhygiëne. Het MBT blijkt vanwege de milieuhygiënische, milieujuridische en recherche-technische kennis steeds weer onmisbaar te zijn voor het succesvol afronden van een strafrechtelijk milieu-onderzoek. Met name de recherche-technische kennis zou moeten worden overgedragen naar de «task-force» van de politie.
Prioriteitsstelling en beleidsvrije ruimte
In de tweede helft van 1994 is onderzoek uitgevoerd naar de problematiek ten aanzien van prioriteitsstelling bij de verschillende overheden. Geconcludeerd is dat de beschikbaarheid van een methodiek voor prioriteitsstelling niet het grootste knelpunt is. Belangrijker aandachtspunten zijn de beschikbaarheid van ruimte om prioriteiten te kunnen stellen, de afstemming tussen de prioriteitsstelling van de verschillende overheden en de rolverdeling tussen de overheden.
Het streven naar een compacte stad, waar verschillende functies (wonen, werken, diensten) op een relatief klein oppervlakte worden geconcentreerd, blijkt in de praktijk in een aantal gevallen te worden belemmerd door de milieuregelgeving onder andere voor wat betreft de daarin neergelegde normen met betrekking tot lokale milieukwaliteit. Het project Stad en Milieu zoekt hiervoor oplossingen. Het doel van Stad en Milieu is om een integrale benadering uit te werken die meer beleidsvrijheid biedt om gemeentelijke afwegingen te kunnen maken met het oog op het behalen van maatschappelijke winst en het realiseren van een optimale leefkwaliteit. Milieukwaliteit vormt daar een onderdeel van en moet dus kunnen worden afgewogen tegen andere belangen. Met de zogeheten «Stad en Milieu-benadering» kunnen milieunormen stapsgewijs in een breder maatschappelijk perspectief worden afgewogen. Uitgangspunten hierbij zijn een verbetering van de lokale leefkwaliteit en het neerleggen van de verantwoordelijkheid voor het al dan niet afwijken van normen op het niveau waar de afweging plaatsvindt: op lokaal niveau. Hierbij moeten de wettelijke kaders en in het bijzonder artikel 8.11, derde lid Wet milieubeheer in het oog worden gehouden. Indien definitief zou worden besloten tot het creëren van de bevoegdheid tot het afwijken van bepaalde normen op lokaal niveua, dient hiervoor vanzelfsprekend een adequate wettelijke basis te worden geschapen.
Project Stad en milieu
Een uitgebreide knelpunteninventarisatie leert dat een groot deel van de geïnventariseerde knelpunten oplosbaar is zonder of met een beperkte aanpassing van de milieuregelgeving. Deze mogelijkheden moeten optimaal kunnen worden benut. VROM zal hierbij faciliterend optreden. Tevens worden wijzigingen van regelgeving voorbereid. Daarnaast blijft bij een deel van de knelpunten sprake van een situatie waarbij er, zelfs met het benutten van alle wettelijke ruimte en een optimale afstemming van diverse procedures, tegenstrijdigheden zijn bij de uitvoering van doelstellingen.
Hierbij spelen naast milieu- en ruimtelijke doelen ook economische, sociale en culturele belangen een rol. Om integrale afwegingen bij het realiseren van een optimale kwaliteit van het stedelijke gebied mogelijk te maken is een integrale, gebiedsgerichte benadering uitgewerkt. Deze «Stad en Milieu-benadering» bestaat uit drie stappen: 1. vanaf het begin van planvorming de diverse doelstellingen (waaronder milieu) integraal meenemen;
2. waar milieunormen tot knelpunten leiden optimaal benutten van bestaande ruimte voor flexibiliteit in wet- en regelgeving;
3. als dit onvoldoende is, is afwijking van normen mogelijk, mits dit de totale stedelijke leefkwaliteit ten goede komt. Compensatie maakt hier deel van uit. Aan de keuze om van normen af te wijken ligt een bestemmingsplan ten grondslag. Door deze relatie met de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) wordt aangesloten bij de voordelen van het in ruimtelijk ordeningsbeleid gehanteerde sturingsmodel, waarin een inzichtelijke en openbare afweging van belangen centraal staat en er participatiemogelijkheden zijn voor alle betrokken belangen en belanghebbende partijen.
De benadering is in een aantal gemeentelijk pilot-projecten getoetst op werkbaarheid, mogelijke meerwaarde ten opzichte van de huidige beleidspraktijk en mogelijke risico's. De resultaten hiervan ondersteunen de «Stad en Milieu-benadering». Een en ander wordt thans nader uitgewerkt en vertaald in voorstellen tot beleidswijziging.
Zowel in het stankbeleid als bij de sanering van het industrielawaai zien we een toenemende beleidsvrije ruimte voor andere overheden. Overleg met Tweede Kamer over de Herziene Nota Stankbeleid in maart 1995 heeft geleid tot een aantal bijstellingen van het stankbeleid. In deze aanpassing wordt ruimte gelaten voor een afweging op regionaal en lokaal niveau. Er is niet meer sprake van een landelijke kwantitatieve bovengrens voor stankhinder; het bevoegd bestuursorgaan bepaalt het hinderniveau dat acceptabel wordt geacht. In de Nederlandse Emissierichtlijnen Lucht (NeR) worden voor een zestiental branches maatregelenpakketten vastgelegd. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op branchestudies. Uitgangspunt is dat in de meeste gevallen de maatregelen leiden tot een acceptabel hinderniveau. Het bevoegde bestuursorgaan dient derhalve vast te stellen of de maatregelen leiden tot een acceptabel hinderniveau en kan derhalve gemotiveerd afwijken van de NeR. De NeR zijn een richtsnoer voor de vergunningverlener.
Over deze aanpassingen en de consequenties daarvan voor de korte termijn is in juni 1995 een brief naar provincies, gemeenten en inspecties gestuurd. Ook is met betrokken partijen een inventarisatie uitgevoerd naar bestaande hindermethoden en hun toepasbaarheid in verschillende situaties. De resultaten zullen ook in de NeR worden vastgelegd. Met betrokken partijen is afgesproken dat de bedrijfstakstudies voor 1 januari 1996 zijn afgerond en de maatregelenpakketten zijn neergelegd in bijzondere regelingen van de NeR. Is dit niet het geval dan zullen provincies en gemeenten bij vergunningverlening een eigen koers gaan varen. In de studies wordt ook aandacht besteed aan de bedrijfseffecten van de standaardmaatregelenpakketten.
In april 1996 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het stankbeleid en worden de activiteiten, verricht in het voorafgaande jaar, geëvalueerd.
5.2 Strategische plannen andere overheden
In een aantal strategische plannen hebben de andere overheden hun prioriteiten uitgewerkt op basis van het NMP 2. De Unie van Waterschappen programmeert met Werken aan Kwaliteit de uitvoering van het milieu- en natuurbeleid van de waterschappen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten beschrijft het gemeentelijke milieutakenpakket in het Kaderplan Gemeentelijk Milieubeleid. Het Interprovinciaal Overleg werkt in Samenwerking op maat de interprovinciale prioriteiten uit.
«Werken aan Kwaliteit» (Unie van Waterschappen)
Ter ondersteuning van de uitvoering van het milieu- en natuurbeleid zoals geformuleerd in de Evaluatienota Water, het Nationaal Milieubeleidsplan 2 en het Structuurschema Groene Ruimte heeft de Unie van Waterschappen het plan van aanpak «Werken aan Kwaliteit» opgesteld. Deze inzet is vertaald in een programma met concrete acties voor uitvoering. Daarnaast vormen de invoering van interne milieuzorg bij waterschappen en de vergunningverlening en handhaving als ook de gegevensstandaardisatie en de voorlichting aandachtspunten.
Concrete acties in programma Unie van waterschappen:
– de verdere stimulering van integraal waterbeheer waarbij het accent ligt op de verdrogingsbestrijding en de totstandkoming van ecologische verbindingszones;
– de verwijdering en verwerking van baggerspecie vormt een speerpunt. Het gaat daarbij om het stimuleren van samenwerkingsverbanden tussen waterschappen om te komen tot de realisatie van een verwerkingsdoelstelling voor baggerspecie van 20%;
– de aanpak van de diffuse verontreiniging van het oppervlaktewater en de waterbodems waarbij het terugdringen van de emissie vanuit de landbouw en het verminderen van het gebruik van geïmpregneerd hout als oeverbeschermingsmateriaal centraal staan;
– de optimalisering van de zuivering van afvalwater en het stimuleren van de aanpak van de overstorten.
Kaderplan gemeentelijk milieubeleid (Vereniging van Nederlandse Gemeenten)
Het Kaderplan gemeentelijk milieubeleid biedt handreikingen voor beleid en uitvoering en daagt tegelijkertijd uit tot het zoeken naar creatieve en effectieve oplossingen voor gemeentelijke milieuproblemen en taken. Het gemeentelijke milieubeleid verandert van karakter. In de afgelopen jaren lag de nadruk sterk op de vergunningverlening en handhaving, op kwantiteit en regulering. Steeds meer verschuift de aandacht naar kwaliteit, naar de doorwerking van milieu in andere beleidsvelden, naar het ontwikkelen en uitvoeren van beleid in samenspraak met anderen, naar veel doen met weinig geld. Het Kaderplan gemeentelijk milieubeleid speelt hier op in door te werken met vier rode draden.
De rode draden van het Kaderplan
Kwaliteit
Aandacht voor kwaliteit speelt sterk bij de gemeentelijke vergunningverlening en handhaving, bijvoorbeeld op basis van de verruimde reikwijdte van de Wet milieubeheer. Maar ook het inhoud geven aan gemeentelijke interne milieuzorg en het gemotiveerd en verantwoord omgaan met stedelijke ontwikkeling in relatie tot bodemverontreiniging, de invulling van de gemeentelijke zorgplicht rond riolering en het streven naar integraal beleid zijn voorbeelden van aandacht voor kwaliteit.
Externe integratie
De komende jaren zal de doorwerking van milieubeleid in andere beleidsterreinen als ruimtelijke ordening, bouwen en wonen, verkeer en vervoer, groen en energie, veel aandacht krijgen. De kracht van de externe integratie ligt in het benutten van kansrijke momenten om milieudoelstellingen mee te laten lopen met ontwikkelingen binnen andere beleidsterreinen. Grootschalige woningbouw, maar ook renovatieprojecten, vormen zo'n moment om te komen tot duurzame bouw en duurzame stedelijke ontwikkeling. Bij externe integratie kiezen gemeenten voor een integrale benadering van milieukwaliteit in het landelijk- en het stedelijk gebied, waarbij ze rekening houden met de functies van die gebieden.
Communicatie en draagvlak
Draagvlak, bewustwording en gedragsverandering zijn nodig voor een effectief gemeentelijk milieubeleid. Informatie- en kennisoverdracht, samengevat onder het begrip milieucommunicatie, blijken in de praktijk een belangrijke voorwaarde voor gemeentelijke milieusuccessen. Maar er is meer. In het gemeentelijk milieubeleid verschuift de aandacht van regulering naar communicatie. Doelgroepbeleid, stimulering van bedrijfsinterne milieuzorg, nieuwe werkvormen als gebiedsgericht beleid, het benutten van stimulerende instrumenten bij bijvoorbeeld duurzaam bouwen en het voeren van een milieudialoog tot het opstellen van een Lokale Agenda 21 zijn gericht op een actieve participatie van lokale doelgroepen in het milieubeleid.
Milieurendement
De milieugulden is een schaars goed. Dit betekent aandacht voor het met beperkte middelen bereiken van resultaat. De vraag naar het milieurendement van inspanningen wordt steeds vaker gesteld. Voorbeelden van beleidsterreinen waar de milieurendementsafweging duidelijk op de voorgrond treedt, zijn bodemsanering, het afvalwaterbeheer en de afvalverwijdering.
Bij de keuze van gemeentelijke speerpunten in milieubeleidsplan en – programma stellen gemeenten prioriteiten. Het milieurendement, maatschappelijke en bestuurlijke overwegingen spelen hierbij een belangrijke rol.
Het Kaderplan gemeentelijk milieubeleid is geënt op het maken van keuzes, die recht doen aan lokale omstandigheden en ambities. Milieubeleid is maatwerk. De lokale milieuproblematiek en de gemeentelijke mogelijkheden bepalen lokale speerpunten. In de Vervolg Bijdragenregeling Ontwikkeling Gemeentelijk Milieubeleid (VOGM) is een aantal verplichte speerpunten opgenomen (vergunningverlening, toezicht en handhaving, rioleringsplan, gescheiden inzameling van groente-, fruit- en tuinafval, bodemtoets bij aanvragen om bouwvergunning en gemeentelijke interne milieuzorg). Daarnaast geeft de VOGM nog een aantal gemeentelijke taken weer, waaruit gekozen kan worden. Alle taken komen in het Kaderplan terug. Maar speerpunten in het kader van de VOGM zijn maar het halve verhaal. De VOGM maakt de weg vrij voor een gemeentelijke prioriteitsstelling zonder het gemeentelijk milieutakenpakket te willen minimaliseren. Uit de gemeentelijke praktijk blijken ook verdergaande ambities. Voor de hele breedte van het gemeentelijk milieubeleid beschrijft het Kaderplan trends. Voorbeelden laten zien hoe kansrijk met deze trends kan worden omgegaan en welke ambitieniveaus een gemeente daarin kan kiezen. Daartoe wordt naast de rode draden gebruik gemaakt van de in het Kaderplan gehanteerde indeling van milieubeleid in vier taakgroepen: regulering van milieubeleid, beheerstaken, externe integratie en milieucommunicatie.
«Samenwerking op maat» (InterProvinciaal Overleg)
Voor activiteiten die de provincies gezamenlijk willen uitvoeren is «Samenwerking op maat», het tweede interprovinciale Plan van Aanpak uitvoering milieubeleid, opgesteld. Dit plan is een vervolg op een groot aantal acties dat met het uitbrengen van het eerste NMP in gang is gezet. Inmiddels zijn 60 acties uit het eerste plan van aanpak uitgevoerd. Zo zijn met behulp van de doelgroepaanpak en vergunningverlening afspraken gemaakt over de reductie van industriële emissies. De omvang van afvalstromen richting eindverwerkers is afgenomen. De verwerkingscapaciteit voor afval is toegenomen. Ook zijn de provincies erin geslaagd om nagenoeg alle achterstanden op het gebied van vergunningverlening en handhaving weg te werken. «Samenwerking op maat» is een meerjarenplan en biedt een strategisch kader voor de uitvoering van het interprovinciale milieubeleid voor de jaren 1995–1998. Een verdere concretisering en fasering van uit te voeren acties vindt plaats in jaarlijks op te stellen programma's. In februari 1995 is het meerjarenprogramma 1995–1998 vastgesteld. Gekozen is voor een beknopt meerjarenprogramma. Het programma bevat 25 concrete acties die nog in 1995 tot eerste concrete resultaten leiden. Acties die door de provincies in interprovinciaal verband worden uitgevoerd hebben vooral tot doel de uitvoering van nieuwe acties in de individuele provincies te stimuleren of op gang te brengen. Dit betekent dat acties vaak het karakter hebben van het ontwikkelen van een gezamenlijke aanpak of bijvoorbeeld het opstellen van een handreiking. In die zin zijn de interprovinciale acties faciliterend voor de provinciale uitvoering.
De 25 acties zijn verdeeld over de in Samenwerking op Maat benoemde speerpunten industrie, bodem, afval en gebieden. Daarnaast zijn enkele acties gericht op het verbeteren van de beschikbare instrumenten en het opzetten van monitoring.
Acties in «Samenwerking op maat»
– Het speerpunt industrie is gericht op voortzetting van het doelgroepenbeleid door nog meer nadruk te leggen op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Een reeds gestart experiment in Rijnmond moet antwoord geven op de vraag of verhandelbare emissierechten een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van doelstellingen van milieubeleid.
– Bij afval ligt het accent op het verder optimaliseren van de sturing van afval. Afvalsturing op uitsluitend regionale schaal voldoet niet meer om de bestaande verbrandingscapaciteit optimaal op het afvalaanbod af te stemmen. Daarom verdient het uitgangspunt van regionale zelfvoorziening aanvulling om te komen tot bovenregionale sturing.
– Op het terrein van bodem wordt onderzocht of knelpunten bij de uitvoering van bodemsaneringen kunnen worden opgelost door decentralisatie van bestaande bevoegdheden van het rijk naar de provincies of door het vereenvoudigen van bestaande regels. Andere acties zijn gericht op actief bodembeheer, de financiering van de nazorg van gesloten stortplaatsen en de aanpak van bodemverontreiniging op voormalige gasfabrieksterreinen.
– Provincies nemen de komende jaren het gebiedsgerichte beleid voortvarend ter hand. Dit is bij uitstek een terrein waarop de provincies hun verantwoordelijkheid van integraal en gebiedsgericht regisseur kunnen en willen waarmaken. Een integrale benadering en nauwe samenwerking met gemeenten, waterschappen en andere betrokkenen staan voorop. De Bijdrageregeling gebiedsgericht milieubeleid is hierbij een goed hulpmiddel. De inspanningen in interprovinciaal verband zullen ook gericht worden op het verder verbreden van deze regeling met geldstromen van andere departementen.
– Een aantal acties uit het meerjarenprogramma is gericht op verbetering van de beschikbare instrumenten. Zo zal onder meer worden gewerkt aan harmonisatie van legestarieven tussen provincies.
– Belangrijk is de ontwikkeling van monitoring. In 1995 stemmen alle provincies hun monitoringssysteem af op basis van IPO-project A900. Tevens zijn gesprekken met het RIVM gestart om te beoordelen wat de mogelijkheden zijn van vergaande samenwerking in de vorm van uitwisseling van gegevens. Vanaf 1996 wordt het mogelijk een interprovinciale rapportage op te stellen waarin de milieuresultaten van de gezamenlijke inspanningen zichtbaar worden gemaakt. Dit sluit aan bij de in paragraaf 4 genoemde visie op monitoring.
Met het doorwerken van externe integratie komt ook meer beleidsvormende verantwoordelijkheid bij anderen te liggen en wordt de faciliterende rol van het Rijk en van de andere overheden zelf steeds relevanter. Zij moeten de voorwaarden voor een efficiënte uitvoering scheppen. Daarbij past de oprichting van het Informatiecentrum Milieuvergunningen en de methodiek om de kosteneffectiviteit van maatregelen te bepalen.
Informatiecentrum Milieuvergunningen
Het doel van het infocentrum is te voorzien in de behoefte aan informatie van de andere overheden die op grond van de Wet milieubeheer een integrale afweging moeten maken ten aanzien van vergunningverlening. Gezamenlijk met IPO en VNG zijn inmiddels stappen ondernomen voor de realisatie van één infopunt. Per 1 juli 1995 zullen bestaande bureaus/programma's in het infocentrum worden ondergebracht, zoals het stafbureau Nederlandse EmissieRichtlijnen Lucht (NeR), het programma Koolwaterstoffen 2000 (KWS2000), het bureau Energie in de Milieuvergunning (bEM), de helpdesk van de Facilitaire Organisatie-industrie en het Expertisenetwerk Bodembescherming (ENBB). Nieuwe elementen die ook al per 1 juli 1995 in het infocentrum zullen worden ondergebracht zijn bestuurlijk/juridische informatie op grond van de Wet milieubeheer. Volgens een groeimodel zal het infocentrum verder worden uitgebreid tot informatie over alle milieucompartimenten, die nodig is voor de vergunningverleners om op grond van de Wet milieubeheer die integrale afweging te kunnen maken. Het nieuwe Informatiecentrum Milieuvergunningen wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van NOVEM en Senter en zal worden gehuisvest in Den Haag.
Kosteneffectiviteit
Bij DGM is een systematiek ontwikkeld waarmee op uniforme wijze de kosteneffectiviteit van milieumaatregelen kan worden bepaald. Het toepassingsgebied is vooralsnog beperkt tot luchtverontreiniging door industriële procesinstallaties, maar een bredere toepassing is denkbaar. De primaire doelgroep van de methodiek zijn de vergunningverleners, die het instrument kunnen inzetten bij het maken van keuzes bij individuele vergunningen.
5.3 Gebiedsgericht milieubeleid
Het gebiedenbeleid bevindt zich momenteel in een overgangsfase. De afgelopen jaren is veel energie gestoken in het vormgeven van integratie op het niveau van de strategische planvorming. Na deze fase van planvorming komt het aan op de uitvoering. De integratie wordt meer en meer operationeel gemaakt in concrete activiteiten.
Samen met gemeenten en provincies geeft het Rijk invulling aan het gebiedsgerichte milieubeleid. Op 1 januari 1996 wordt naar verwachting het ontwerp-Bijdragenbesluit Gebiedsgericht Milieubeleid van kracht (Staatscourant 95, 17 mei 1995). Dit ontwerp-Bijdragenbesluit betreft een wijziging van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer. Het ontwerp-Bijdragenbesluit gebiedsgericht milieubeleid heeft als doel om een meer integraal uitgevoerd gebiedsgericht beleid te stimuleren. Het gaat hierbij onder andere om de bodembeschermingsgebieden, de stiltegebieden, de grondwaterbeschermingsbieden en de ROM-gebieden. Daarnaast biedt het besluit mogelijkheden voor een ruimere afweging van middelen die bij gebiedsgerichte projecten worden ingezet. De inhoud van de projecten wordt bepaald door provincies in overleg met hun partners. Op basis van een gezamenlijk overleg van belanghebbende partijen vindt de planvorming en de uitvoering plaats.
Sinds 1991 zijn voor zeven van de elf ROM-gebieden convenanten getekend. Het gaat om de gebieden Rijnmond, Schiphol, Kanaalzone Zeeuwsch-Vlaanderen, Groene Hart, Gelderse Vallei en recent Drenthe en Mergelland. Voor de overige vier ROM-gebieden, IJmeer, Zuid-oost Friesland, De Peel en Midden Brabant, zal naar verwachting binnen een jaar een bestuursovereenkomst over de uitvoering van het Plan van Aanpak worden getekend. In het Groene Hart heeft het opzetten van uitvoeringsgerichte actieplannen voor deelprojecten centraal gestaan. Daarbij waren het verkrijgen van draagvlak op lokaal niveau en de benodigde financiële middelen belangrijke aandachtspunten. Deze deelprojecten, zoals De Venen, Krimpenerwaard en het Bentwoud, zijn vooral gericht op versterking van natuur en recreatie in het Groene Hart. Over de versterking van de «groene» functies in dit gebied worden in het najaar van 1995 een reeks «Groene-Hart-gesprekken» georganiseerd onder het motto: «ruimte, groen en water voor iedereen».
Figuur: Stand van zaken ROM-gebieden
6. INTERNATIONAAL MILIEUBELEID
De versterking van de internationale inspanningen is een van de strategielijnen uit het NMP 2. Daarin is aangegeven dat «Nederland zal bijdragen aan de versterking van het internationale milieubeleid door een actieve milieudiplomatie». Deze diplomatie dient zowel ter ondersteuning van het verwezenlijken van de nationale milieubeleidsdoelstellingen («het Nederlandse belang») als ter onderstreping van onze medeverantwoordelijkheid voor het milieu over de grenzen heen («de Nederlandse verantwoordelijkheid»). Het Nederlands belang speelt internationaal vooral een rol bij de aanpak van een aantal thema's: klimaatverandering (mondiaal), verzuring (Europees-continentaal), verspreiding (met name in en via de grote rivieren en de Noordzee, import van produkten), vermesting (idem), verwijdering (bijvoorbeeld internationaal afvaltransport) en verstoring (externe veiligheid, bijvoorbeeld ongevallen kerncentrales). Voor de meeste van deze onderwerpen zijn er specifieke internationale kaders waarin Nederland deelneemt aan de onderhandelingen.
De Nederlandse verantwoordelijkheid (onder andere erkend door het ondertekenen van de Verklaring van Rio de Janeiro in 1992) houdt in dat Nederland medeverantwoordelijk is voor het bereiken van het mondiale doel «duurzame ontwikkeling». Enerzijds legt de Nederlandse economie een relatief grote druk per hoofd van de bevolking op het mondiale milieu (grondstoffen, energie, emissies enzovoort) en anderzijds beschikt ons land over de financiële middelen en technologieën om andere landen te helpen tot duurzame ontwikkeling te komen.
Behalve de Nederlandse onderhandelaars en diplomaten spelen ook Nederlandse wetenschappers een belangrijke rol in het stimuleren van de totstandkoming van internationale overeenstemming over milieuvraagstukken. Zo wordt op dit moment op het gebied van luchtverontreiniging (verzuring en verspreiding van zware metalen en persistente organische stoffen) getracht de fundamenten te leggen voor de rond 1997 op te stellen protocollen in het kader van het ECE-verdrag over grensoverschrijdende luchtverontreiniging.
In de komende periode zal Nederland (binnen het door NMP 2 gegeven kader) zijn beleid intensiveren voor de volgende onderwerpen:
1. het EU-milieubeleid (accent op het Nederlandse belang);
2. het milieubeleid van Midden- en Oosteuropese landen (accent op de Nederlandse verantwoordelijkheid);
3. de uitvoering en uitwerking van Agenda 21, alsmede Klimaatverdrag en Biodiversiteitsverdrag. Daarbij past de overdracht van kennis en ervaring zoals thans bijvoorbeeld in de samenwerking met de Nederlandse Antillen plaats vindt (accent op de Nederlandse verantwoordelijkheid);
4. externe integratie, vooral met betrekking tot de relaties milieu en energie, milieu en transport en milieu en handel (in gelijke mate belang en verantwoordelijkheid).
Voor wat betreft de herijking van het buitenlands beleid wordt verwezen naar de desbetreffende nota van de regering.
Eind 1995 wordt de evaluatie van de Europese Commissie verwacht over de uitvoering tot nu toe van het vijfde MAP (MilieuActieProgramma 1993–2000). Begin 1996 zal de Raad conclusies trekken over eventuele bijstelling.
Nederland heeft (bij de Europese Commissie en de lidstaten) een notitie met ideeën gepresenteerd over een heldere, coherente structuur van milieuregelgeving op een hoog niveau van bescherming. Hierin passen de IPPC-richtlijn (inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door grote bedrijven), de richtlijn Ecologische kwaliteit water en de richtlijn Luchtkwaliteit. In de Milieuraad van 22/23 juni 1995 zijn de ministers het eens geworden over de tekst van de IPPC-richtlijn. Het doel van de richtlijn is de invoering van een integrale aanpak van milieuvervuiling door grotere bedrijven, met het doel te voorkomen dat problemen worden doorgeschoven van het ene milieucompartiment naar het andere. Via een vergunningensysteem en algemene regels moeten emissies worden voorkomen dan wel tot een minimum worden beperkt. Er is een minimum-niveau afgesproken voor de toepassing van technologie. Verder bevat de richtlijn onder meer bepalingen over de te volgen procedures, de aanvraag, de openbaarheid van besluiten en controleresultaten, en over uitwisseling van technische informatie tussen bevoegde instanties en tussen de lidstaten.
Voor de Nederlandse milieuwetgeving heeft de richtlijn geen ingrijpende consequenties. Slechts op onderdelen is aanpassing nodig van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit. Overigens zal de formele procedure voor de aanneming van de richtlijn nog een aantal maanden in beslag nemen en geldt een implementatietermijn van drie jaar.
In dezelfde vergadering zijn de ministers het eens geworden over de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit (zie het hoofdstuk Verspreiding in de thema-bijlage).
Harmonisatie internationaal milieubeleid industrie(Actie IND 11 uit Werkdocument NMP 2)
Het instrument van doelgroepenbeleid industrie zal een Nederlandse prioriteit zijn bij de inbreng in internationale kaders, in het bijzonder de EU. Inzet daarbij is het tot stand brengen op internationaal niveau van een milieubeleid vergelijkbaar met wat op nationaal niveau in Nederland is geformuleerd. Ten behoeve van de internationale harmonisatie is een vergelijkend onderzoek gestart naar het milieubeleid waarmee produktiebedrijven te maken hebben in een aantal landen. Dit gebeurt op het niveau van doelstellingen, de toe te passen stand der techniek, het instrumentarium en de handhavingspraktijk. Daarbij wordt gekeken naar de thema's verzuring, verspreiding en verwijdering. De vergelijking strekt zich uit tot Duitsland, België/Luxemburg, Engeland, Frankrijk en Italië. Op basis van de resultaten van dit onderzoek, die nog in 1995 beschikbaar zullen komen, zal de internationale harmonisatie verder vorm krijgen.
Nederland zal het Europees Milieu-Agentschap (EMA) de nodige steun geven, onder andere vanuit het centrale aanspreekpunt RIVM en door het detacheren van Nederlandse deskundigen van het RIVM. Het EMA (dat in 1995 goed op gang is gekomen) is onontbeerlijk als basis voor een goed Europees milieubeleid.
In 1996 zal een Intergouvernementele Conferentie (IGC) van de EU-lidstaten plaatsvinden ter evaluatie dan wel herziening van het Verdrag van de Europese Unie. Ook de milieu-aspecten komen daar aan de orde. Er wordt op dit moment gewerkt aan de voorbereiding van de door Nederland in te nemen standpunten.
De implementatie van Europese milieuregelgeving verloopt thans goed. Er is geen noemenswaardige achterstand, terwijl ook voor de implementatie van de recente milieurichtlijnen (verpakkingsafval, verbranding gevaarlijk afval, VOS – fase I) geen problemen worden voorzien. Naast de zorg om de implementatie zal de Nederlandse aandacht blijven uitgaan naar betere handhaafbaarheid en handhaving van Europese milieuregelgeving, onder meer door een actieve rol te vervullen in het Implementatie- en Handhavingsnetwerk van de EU.
Het milieubeleid van Midden- en Oosteuropese landen
In oktober 1995 vindt in Sofia de derde Paneuropese Milieuministersconferentie plaats. Nederland heeft voor projecten in dit kader (via het Project Preparation Committee, een groep bilaterale donoren en internationale financiële instellingen die milieuprojecten in Oost-Europa uitvoeren) inmiddels f 1 miljoen via een trustfunds bij de Wereldbank en Oost-Europabank gealloceerd. De Nederlands-Letse samenwerking waarbij een Nationaal Milieubeleidsplan voor Letland is opgesteld, komt voort uit de vorige conferentie (Luzern). Een soortgelijke activiteit wordt voor Hongarije gestart. Nederland heeft de voorzitter geleverd van de ECE-werkgroep die de Sofia-conferentie, en daarmee het Paneuropees Milieuprogramma voor Europa, voorbereidt, en heeft vooral inbreng geleverd op het terrein van publieke participatie en duurzaam consumeren en produceren.
Door Nederland worden in Oost-Europa proefprojecten inzake joint implementation in het kader van het Klimaatverdrag opgezet.
Er wordt gewerkt aan een prioriteitennotitie voor het Nederlandse milieubeleid met betrekking tot Midden- en Oost-Europa. Bovendien wordt een evaluatie uitgevoerd van de Memoranda of Understanding (MOU's) op milieugebied, waarvan er diverse met landen uit dat deel van Europa zijn gesloten.
De uitvoering en uitwerking van Agenda 21
De Commissie Duurzame Ontwikkeling van de VN (CDO) houdt toezicht op de uitvoering van Agenda 21. In de jongste vergadering (1995) stond de problematiek van de bossen centraal op de agenda. Afgesproken is een Intergovernmental Panel on Forests in te stellen met een vrij omvangrijk mandaat om binnen twee jaar een voorstel uit te werken met betrekking tot alle afspraken die tijdens de UNCED 1992 zijn gemaakt. In de voorbereiding van deze bijeenkomst heeft Nederland door middel van twee workshops met betrekking tot duurzame consumptie in het huishouden en duurzaam landgebruik bijgedragen. Nederland heeft aangeboden om ter voorbereiding van de 1996-sessie een workshop over overdracht van technologie te organiseren. Bovendien heeft Nederland aangeboden om de vergadering ter vaststelling van een UNEP-verdrag over de handel in milieugevaarlijke stoffen te organiseren. De UNEP heeft tenslotte een voorstel van het Verenigd Koninkrijk en Nederland om internationale richtlijnen op te stellen met betrekking tot de veiligheid van biotechnologie, overgenomen. Tijdens de achttiende vergadering van de Beheersraad (mei 1995) bleken er vrij sterke tegenstellingen te bestaan over de koers van het werkprogramma 1996–1997 van UNEP. Veel ontwikkelingslanden leverden kritiek op de geringe geldstroom van de ontwikkelde landen richting UNEP ter oplossing van de grote mondiale milieuproblemen. Er bestond wel een brede consensus tussen «Noord» en «Zuid» over een sterkere inzet van UNEP in de subprogramma's «zeeverontreiniging, zoet water, kustgebieden», «chemicaliënbeheer», «duurzame produktie» en «biodiversiteit».
In de bijzondere relatie met Benin, Bhutan en Costa Rica begint de samenwerking vastere vormen te krijgen. Belangrijke onderwerpen zijn: joint implementation in het kader van het klimaatverdrag, duurzaamheidsindicatoren ten behoeve van rapportages naar de Commissie Duurzame Ontwikkeling van de VN (CDO), handel en milieu, en schone technologie.
Ter versterking van de nationale uitwerking van Agenda 21 door maatschappelijke organisaties is besloten tot samenvoeging van de Nationale Commissie Bewustwording en Voorlichting Ontwikkelingssamenwerking (NCO) en het Platform Duurzame Ontwikkeling (PDO) in de nieuwe Nationale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (NCDO).
Overdracht van kennis en ervaring
De kennis en ervaring die Nederland heeft opgebouwd met het NMP-proces, wordt ter beschikking gesteld aan andere landen, onder andere door detachering van personeel, zoals in de Rijkssamenwerking met de Nederlandse Antillen en door korte missies en werkbezoeken, zoals in het samenwerkingsverband Nederland-Letland en in MoU-verband met Midden- en Oost-Europese landen. Voorts verzorgt DGM het secretariaat van het Internationaal Network of Green Planners, het netwerk van overheidsmedewerkers die verantwoordelijk zijn voor milieubeleids- of duurzame ontwikkelingsplannen. De tweede INGP-bijeenkomst vond in juni 1995 plaats in San Francisco.
De samenwerking met de Nederlandse Antillen richt zich vooral op het beheer van vast afval en afvalwater. Daartoe wordt gezocht naar samenwerkingsverbanden met Nederlandse zuiveringsschappen, milieudiensten, waterleidingbedrijven, reinigingsbedrijven en dergelijke. Het milieubeleid wordt op de Nederlandse Antillen traditioneel decentraal uitgevoerd en houdt in sterke mate verband met de activiteiten van de aardolie-industrie en het toerisme.
Met betrekking tot milieu en handel blijft de regering sterk gecommitteerd aan de bevordering van de wederzijdse versterking en ondersteuning van een op vrijhandel gerichte handels-politiek en een actief milieu- en natuurbeleid in het streven naar de centrale doelstelling van duurzame ontwikkeling. Het hoofduitgangspunt van de regering in de handel- en-milieudiscussie is dat de multilaterale handelsregels, met inachtneming van het open en nondiscriminatoire karakter van het multilaterale handelssysteem, mogelijkheden moeten verschaffen om alle noodzakelijke maatregelen te kunnen nemen om milieukwesties effectief aan te pakken. Overheden moeten het recht en de mogelijkheden hebben om hun nationale milieu op een hoog niveau te kunnen beschermen en om internationaal samen te werken teneinde regionale, grensoverschrijdende en mondiale milieuproblemen effectief te kunnen aanpakken. Daarbij kunnen handelsmaatregelen noodzakelijk zijn, soms als onderdeel van een breder pakket aan instrumenten. Even belangrijk zijn echter strikte disciplines om te garanderen dat deze mogelijkheden niet worden misbruikt voor (groen) protectionisme dan wel onnodige handelsbelemmeringen creëren.
Dit is terug te vinden in het OESO-rapport van handels- en milieudeskundigen dat in mei van dit jaar is besproken in de OESO-ministerraad. Daarnaast wordt er in WTO-kader (World Trade Organisation) naar de relatie tussen de geschillenbeslechting in multilaterale milieuverdragen en die in de WTO gekeken.
Eind 1994 heeft VROM opdracht verleend om een methodologie te ontwikkelen waarmee het traceren van duurzaam geproduceerd hout op de binnenlandse markt gegarandeerd kan worden. Deze methode zal zowel op tropisch als op niet-tropisch hout toepasbaar zijn. Het streven is om vanaf 1996 een operationeel keurmerksysteem te hebben. De met dit project verkregen inzichten zullen worden ingebracht in diverse gremia zoals de EU, de ITHO en de CDO. Nederland heeft eind 1994 voorgesteld om een permanente EU-werkgroep over een certificeringssysteem met betrekking tot duurzaam geproduceerd hout onder leiding van de Europese Commissie in te stellen. Inmiddels is het overleg gestart. Nederland wil daarmee de opzet van een uniform systeem op basis van vrijwilligheid voor alle lidstaten bevorderen.
7. MILIEUBELEID IN LANGE TERMIJN PERSPECTIEF
Succesvolle integratie milieu en economie
Het beleid ten aanzien van de terugdringing van de milieubelasting in Nederland heeft aantoonbaar succes. De emissies van veruit de meeste stoffen nemen minder toe dan de groei van het Bruto Nationaal Produkt. Er is daarmee sprake van een ontkoppeling tussen economische groei en het beslag op het milieu. Bij veruit de meeste stoffen nemen de emissies zelfs in absolute zin af. Zo leert de Milieubalans dat ondanks een groei van het Bruto Binnenlands Produkt (BBP) met 30% en het inkomen met 20% in de periode 1980–1994 de zuurdepositie met 40% en de emissies van bijvoorbeeld SO2 met 69%, NH3 met 26%, NOx met 9%, milieubelasting door verspreiding van gevaarlijke en toxische stoffen met 43%, gestort vast afval met 19% en uitstoot van broeikasgassen (incl. CFK's en halonen) met 24% afgenomen zijn.
Resultaten Milieubalans over de in de periode 1980–1993 reeds gerealiseerde ontkoppeling
* De emissies van de meeste milieubelastende stoffen zijn de afgelopen jaren niet meer evenredig toegenomen met de groei van maatschappelijke activiteiten als mobiliteit, industriële produktie, particuliere consumptie en energiegebruik. Er is een «ontkoppeling» zichtbaar tussen de groei van het voor deze activiteiten representatieve Bruto Binnenlands Produkt (BBP) en de daaruit voortvloeiende milieudruk. De implementatie van milieumaatregelen is een belangrijke factor voor deze «ontkoppeling» geweest.
De voor de milieudruk relevante groei van maatschappelijke activiteiten wordt gekarakteriseerd door een toename van de consumptieve bestedingen die driemaal zo groot is als de toename van de bevolking.
* De «ontkoppeling» is relatief sterk op die terreinen waar maatregelen ingrijpen aan de grondstof- of produktkant (chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's), lood, zwavel) en daar waar de kosten rechtstreeks en zonder veel concurrentie-effecten ten laste kunnen worden gebracht van afnemers cq. vervuilers (defosfatering afvalwater, driewegkatalysator, rookgasreiniging).
* De «ontkoppeling» is relatief zwak of afwezig bij relatief nieuwe beleidsterreinen (bijvoorbeeld verdroging) of wanneer de vereiste maatregelen relatief duur of risicovol zijn ten opzichte van het draagvlak van de sector.
* De tussendoelstellingen (1994/1995) voor de emissie naar lucht van zwaveldioxide (SO2), ammoniak (NH3) en de emissie naar water van fosfor, cadmium en chroom zijn gehaald. De tussendoelstellingen voor hergebruik, verbranden en storten van prioritaire afvalstoffen zijn eveneens gehaald. De doelstellingen voor de vermindering van het gebruik van CFK's en voor de depositie van verzurende stoffen zijn vrijwel gehaald. Niet gehaald zijn de tussendoelstellingen voor emissie van stikstof en overige zware metalen naar water en stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS) en koolstofdioxide (CO2) naar lucht.
* Emissies van een groot aantal stoffen zijn niet alleen ten opzichte van het BBP, maar ook absoluut afgenomen. De absolute afname heeft geleid tot een verbetering van de luchtkwaliteit op leefniveau en van het oppervlaktewater; voor de bodem, het grondwater en de (hogere) atmosfeer is dit (nog) niet het geval.
* De concentraties van de voor de thema's Klimaatverandering en Aantasting Ozonlaag relevante stoffen namen veelal toe. De zure depositie nam af. De voor vermesting relevante concentraties van fosfaat namen af. De concentraties stikstof blijven hoog, zowel in oppervlaktewater als grondwater. Bij het thema Verspreiding namen de concentraties in de lucht en oppervlaktewater veelal af. In de bodem en het grondwater is geen verandering waargenomen.* De milieukwaliteitsnormen voor lucht, water en bodem worden voor een belangrijk aantal stoffen nog steeds overschreden, ondanks een gedeeltelijke daling van de emissies.
* De verbetering van de milieukwaliteit leidt nauwelijks meer tot verdere toename van de levensverwachting van de mens. Milieubeleid is wel van invloed op kwaliteitsaspecten van volksgezondheid. Luchtverontreiniging en geluid, afkomstig van uiteenlopende bronnen, zijn belangrijke oorzaken van nadelige gezondheidsaspecten.
* De milieukwaliteit is nog steeds een belangrijke beperkende factor voor het functioneren van ecosystemen. Naast verzuring, vermesting en verdroging vormen de verkleining en versnippering van gebieden belangrijke oorzaken voor de vermindering van de biodiversiteit.
(Bron: Milieubalans 1995, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne)
De belangrijkste conclusie die uit de Milieubalans te trekken is, is dat een voortgaande economische groei mogelijk is geweest met een gelijktijdige afname van de milieubelasting. Door de inspanningen van de verschillende doelgroepen vindt er feitelijk een «ontkoppeling» plaats tussen economische groei en groei van de milieubelasting. Van de vaak geschetste tegenstelling tussen milieu en economie hoeft bij voortzetting van de genoemde «ontkoppeling» geen sprake te zijn. Milieu en economie zijn dan verenigbaar. Daarin ligt ook een belangrijke opgave voor dit kabinet. In het regeerakkoord wordt immers opgemerkt: «Economie en ecologie moeten samengaan. De uitvoering van het NMP 2 staat daarbij voorop. De discussie over de inrichting van onze economie en de relatie tussen economie en ecologie wordt zo breed gevoerd, dat beslissingen in samenhang worden genomen en daardoor worden begrepen en aanvaard.» Deze discussie is van belang omdat nog niet over de gehele linie een, ten opzichte van de doelstellingen uit het NMP, voldoende «ontkoppeling» tussen economische groei en het beslag op het milieu is gerealiseerd. De gesignaleerde «ontkoppeling» betekent nog niet dat in alle gevallen emissies voldoende snel dalen om de voor bepaalde zichtjaren gestelde milieudoelen te halen. Ook kan bij dalende emissies nog altijd sprake zijn van een verslechtering van de milieukwaliteit doordat per saldo de ophoping van sommige stoffen in bodem, ecosystemen en atmosfeer voortgaat. Dit plaatst het kabinet voor een aantal uitdagingen waarvan hieronder de beleidsagenda wordt geschetst.
Duurzame economische structuren
Ondermeer als gevolg van het open karakter van de Nederlandse economie, de vervlechting met de EU en de geografische ligging, heeft Nederland een relatief sterke positie verworven op activiteiten als raffinaderijen, mainports, transportstromen en intensieve landbouw. Dit brengt een hoge lokale/regionale milieudruk met zich mee. Daarnaast is door deze historisch gegroeide sectorstructuur de bijdrage aan internationale milieuproblemen als klimaatverandering en verzuring groter dan wanneer Nederland een andere sectorstructuur zou hebben. Dit maakt de uitdaging extra groot om hiervoor oplossingsrichtingen te formuleren. Temeer daar de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer, de uitstoot van NOx en het beslag op de voorraden biodiversiteit en ruimte ongunstige trends blijven vertonen. Dit als gevolg van een – zowel nationaal als internationaal – voortgaande hoge economische groei, de ook op lange termijn naar verwachting relatief lage energie- en grondstofprijzen, en een voortzetting van de bevolkingsgroei. Vandaar dat onderzoek uitgevoerd wordt om de Nederlandse mogelijkheden te verkennen naar duurzame economische structuren, ook in het licht van de lange-termijn-economisch en sociale risico's van een ongewijzigd beleid. De Nederlandse economische structuur brengt immers ook economische risico's met zich mee. Bepaalde activiteiten staan ook, los van de milieuproblemen, onder druk. De landbouw is hiervan een voorbeeld, maar ook het wegvervoer in verband met de congestie. Daarom moet de ontwikkeling van de economische structuur die gepaard gaat met een hogere toegevoegde waarde, hoge werkgelegenheid én een verminderde druk op het milieu, worden gestimuleerd.
Er zijn nog veel win-win-situaties denkbaar. Bijvoorbeeld de ontwikkelingen van technologieën die behalve minder emissies, vaak ook een beter produkt en betere arbeidsomstandigheden betekenen. Voorbeeldprojecten hebben ruimschoots aangetoond dat afvalpreventie en milieugerichte produktontwikkeling ook bedrijfseconomisch kunnen lonen. Ook zijn er kansen door export van milieu-technologie, en door een groeiende vraag op de wereldmarkt voor milieuvriendelijke produkten. Het vinden en benutten van de kansen die de integratie van milieu en economie biedt, is een zoekproces. Bij dit zoekproces komen keuzes mogelijk scherper in beeld. Gemakkelijke antwoorden in de sfeer van «die sector moet weg uit Nederland, of voor die activiteit is geen plaats», vormen geen daadwerkelijke oplossing voor de problemen. Daarom vindt onderzoek plaats naar duurzame economische structuren. Dit onderzoek moet het inzicht vergroten in de mogelijke synergieën en knelpunten die zich op de lange termijn voor de Nederlandse economie kunnen voordoen ten gevolge van het realiseren van een duurzame ontwikkeling en de daarbij behorende verhouding van ecologische, economische en sociale doelstellingen. Over de resultaten van deze studie zal de Tweede Kamer eind 1995 worden ingelicht. Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling, Cairo 5–13 september 1994
Naast economische factoren, consumptie- en produktiepatronen en technische ontwikkelingen vormt bevolkingsgroei een noodzakelijke voorwaarde om werkelijke «human and social development» mogelijk te maken. Op basis van de resultaten van de conferentie over bevolking en ontwikkeling in Cairo zal Nederland zowel nationaal als internationaal het nodige moeten doen. Vanuit het milieubeleid zal in internationale fora invulling worden gegeven aan de bijzondere verantwoordelijkheid die geïndustrialiseerde landen hebben op het terrein van duurzame produktie- en consumptiepatronen. De voor Nederland relevante actiepunten zijn in lijn met de in Agenda 21 geformuleerde actiepunten. Deze actiepunten zijn beleidspraktijk en geven geen aanleiding om aanvullende activiteiten te ondernemen.
Naar een verdergaande integratie van milieu en economie
Voor een groot aantal emissies is de ontkoppeling tussen economische groei en het beslag op het milieu reeds gerealiseerd. Om milieu en economie ook op lange termijn verenigbaar te houden is het nodig om mondiaal een afname van de emissies van broeikasgassen in de atmosfeer te realiseren en de uitstoot van NOx en het beslag op de voorraden ruimte en biodiversiteit te verminderen. Om ook na het jaar 2000 over de gehele linie een ontkoppeling tussen economische groei en het beslag op het milieu te realiseren is het nodig om:
– een lange-termijn pro-actief energie- en klimaatbeleid te formuleren dat rekening houdt met de volle omvang van de risico's van klimaatverandering en uitputting van fossiele energie in hun onderlinge samenhang. Het beleid gericht op verkleining van deze risico's wordt de komende jaren ook in mondiaal verband verder vorm geven. Daartoe is een actieve milieudiplomatie van belang. Ten behoeve van de geloofwaardige en effectieve milieudiplomatie is een duidelijke eigen inspanning gericht op een verdere verhoging van de energie-efficiëntie, het waar mogelijk beperken van het energiegebruik en de overgang op duurzame energie nodig. Het ontwikkelen en ervaring opdoen met «nieuwe» instrumenten als een energieheffing en joint implementation past hierbij;
– het beheer van grondstoffen als een belangrijk onderdeel van duurzame ontwikkeling vorm te geven. Uitputting van grondstoffen behoeft aandacht naast de reeds vastgelegde meer milieu-hygiënische aspecten van duurzame ontwikkeling, mede vanwege de industriële ontwikkelingen in de derde wereld. Energie, ruimte en biodiversiteit zijn in dit verband cruciale voorraden voor huidige en toekomstige behoeftenvoorziening. Voorraadbeheer
Het gebruik van een voorraad staat nooit op zich. Altijd zijn er, bedoeld of onbedoeld, andere voorraden bij betrokken. Het blijkt dat energie, biodiversiteit en ruimte een sleutelrol vervullen bij het gebruik van een voorraad. Met andere woorden: deze «sleutelvoorraden» zijn essentieel voor de beschikbaarheid van alle andere voorraden.
Energie is essentieel voor het winnen en hergebruiken van alle minerale grondstoffen en elementen. Daarnaast is energie onmisbaar voor het verbeteren van de kwaliteit van bodem, water en lucht.
Biodiversiteit is essentieel voor het instandhouden van de zogenaamde «life-support»-functie (afbraak, regeneratie, zuurstofproduktie, etc.). Het behoud van biodiversiteit is ook essentieel voor het instandhouden van de (natuurlijke) groei van vernieuwbare voorraden als hout en vis en de intrinsieke waarde van de natuur. In Rio de Janeiro heeft Nederland, samen met 168 andere landen het Verdrag tot behoud van Biologische Diversiteit ondertekend. Om te voldoen aan de bepalingen uit dit Verdrag is aanvullend op de bestaande beleidsplannen uit het natuur-, milieu-, ruimtelijke ordenings-, en waterbeleid, een Strategisch Plan van Aanpak opgesteld (SPA-BDV). Dit plan wordt spoedig naar de Tweede Kamer gestuurd.
Ruimte is van belang voor de beschikbaarheid van alle andere voorraden waarbij zowel de kwantiteit als de kwaliteit een rol speelt.
Een beslag op de sleutelvoorraden brengt zekere risico's met zich mee. Na analyse van deze risico's kan een maatschappelijke risicobeoordeling plaatsvinden. Afhankelijk van de uitkomst hiervan kan het nodig zijn criteria te ontwikkelen die het gebruik van de sleutelvoorraden normeren. Bij de uitwerking van dit spoor wordt aansluiting gezocht bij bestaand beleid. Voor energie bij het energie- en klimaatbeleid en voor biodiversiteit bij de uitwerking van het biodiversiteitsverdrag. Voor ruimte wordt gestreefd naar een verdere integratie van milieubeleid en ruimtelijke ordeningsbeleid.
Het vorm geven van het hier bovengenoemde beleid vraagt om een bestuurlijke inspanning op nationaal en internationaal niveau. Bij de invulling van dit duurzame ontwikkelingsbeleid is een afweging nodig van ecologische, sociale en economische risico's. Het is daarbij van belang dat de noodzaak van een minder scheve mondiale verdeling, de belangen van andere generaties, en de sociale risico's goed tot hun recht komen bij deze afweging. De met duurzaamheid samenhangende vraagstukken van werkgelegenheid, armoedebestrijding, sociale ongelijkheid, migratie, bevolkingsgroei en emancipatie kunnen daardoor beter tot hun recht komen. De kans op consensus over het milieubeleid wordt vergroot als de verschillende maatschappelijke partijen hun risico-percepties ten aanzien van het milieu verhelderen en bespreekbaar maken. In dit keuzeproces op weg naar duurzame ontwikkeling spelen behalve de doelstellingen en instrumenten ook de achterliggende risico-percepties een belangrijke rol. WRR-rapport «Duurzame risico's»
De Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid formuleert als centrale gedachte dat bij de invulling van duurzame ontwikkeling ecologische, sociale- en economische risico's en onzekerheden tegen elkaar moeten worden afgewogen. De kern van het streven naar duurzame ontwikkeling bestaat volgens de WRR daarom uit een politiek keuzeproces waarin de afweging van deze onzekerheden een rol speelt. De perceptie en de bereidheid tot acceptatie van de verschillende risico's bepaalt naar de mening van de raad de uiteindelijke keuzes. De raad werkt deze risico-percepties uit met behulp van de verschillende handelingsperspectieven. Deze handelingsperspectieven worden bepaald door twee aspecten: de inschatting van de veerkracht van het milieu, en de inschatting van de mate waarin veranderingen van consumptiepatronen en produktieprocessen maatschappelijkhaalbaar en wenselijk worden geacht.
Duurzame produktie en consumptie
Centraal in het realiseren van de «ontkoppeling» tussen economische groei en het beslag op het milieu staat het bevorderen van duurzame produktieprocessen en consumptiepatronen. In het NMP 2 zijn hierover een tweetal strategielijnen opgenomen:
– bij het duurzamer maken van produktieprocessen zullen integraal ketenbeheer en technologie een sleutelrol vervullen en zal onderzocht worden welk nieuw instrumentarium kan worden ontwikkeld;
– een maatschappelijke discussie over duurzamer consumptiepatronen zal worden bevorderd.
Integraal ketenbeheer houdt in dat producenten en consumenten in hun besluitvorming rekening houden met alle milieu-effecten van hun handelen: «milieu-inclusief»- denken en handelen. Daartoe zullen hulpmiddelen worden opgesteld, zoals methodes voor weging van milieu-effecten, de bepaling van «prioritaire» ketens en het bepalen van de aard en de omvang van de belangrijkste emissies daaruit naar het milieu. Gezocht wordt naar mogelijkheden om de samenwerking te bevorderen tussen ondernemingen die deel uitmaken van produktieketens. Verdere implementatie van de integrale ketenbenadering zal in de planperiode vooral via het produktenbeleid en het afvalstoffenbeleid worden nagestreefd.
Voor de praktische toepassing van ketenbeheer door bedrijven is een handreiking «milieugericht ketenbeheer door bedrijven» ontwikkeld. Deze handreiking geeft een algemene methodiek, waarmee bedrijven de mogelijkheden en de uitvoering van ketenbeheer stap voor stap kunnen beoordelen. Aangezien ketenbeheer in de praktijk vooralsnog moeizaam van de grond komt, is medio 1995 het programma «Integraal Ketenbeheer voor en door Bedrijven» (IKB) gestart. Doel van dit éénjarig programma is het proefondervindelijk vergroten van het inzicht in de slaag- en faalfactoren van de toepassing van integraal ketenbeheer door bedrijven. Op basis van de ervaringen die met dit door NOVEM uit te voeren programma worden opgedaan, zal de toepassing van ketenbeheer praktisch hanteerbaar en toepasbaar worden gemaakt voor bedrijven.
Rol van technologieMilieutechnologie kan op de (middel)lange termijn nog veel bijdragen aan de oplossing van milieuproblemen. Mogelijke technologische doorbraken
Er komt bijvoorbeeld zicht op:
* auto's met een extreem laag energiegebruik (de 1:35 auto is bedrijfsklaar; er wordt gewerkt naar auto's die 1:100 rijden)
* waterstof als energiedrager voor aandrijving
* nieuwe accuceltechnologie (voor elektrische geluidsarme auto's zonder diffuse verspreiding van chemische stoffen)
* zonneceltechnologie met ook in Nederland met zijn grote dakoppervlakte ruime toepassingsmogelijkheden
* methanol brandstofcellen voor vrachtauto's (zonder NOx-uitstoot)
* verbeterde elektronische communicatiesystemen met een transportremmend effect
* nieuwe spoorwegtechnologie (snelle en comfortabele treinen die op alle europese afstanden met het vliegtuig kunnen concurreren)
* nieuwe boortechnologie, waardoor het mogelijk wordt ondergrondse transportinfrastructuur te ontwikkelen
* nieuwe ondergrondse buistechnologie voor containertransport.
Milieutechnologie, waartoe ook technologie ter besparing van energie kan worden gerekend, heeft in het technologiebeleid een vooraanstaande plaats. Met milieutechnologie kan een substantiële bijdrage geleverd worden aan het reduceren van emissies zowel bij produktieprocessen, door de keten gemeten, als in het gebruik en de recycling van de produkten. Daarnaast kan milieutechnologie ook grote economische baten hebben, bijvoorbeeld in de vorm van produkten en/of kennis die geëxporteerd kunnen worden. Kortom, milieutechnologie als «de schone motor van de economie».
Uit zowel het oogpunt van milieurendement als van verbetering van de internationale concurrentiepositie van het bedrijfsleven zal stimulering van milieutechnologie vooral gericht zijn op:
* samenwerking tussen bedrijven onderling en bedrijven en kennisinfrastructuur, en
* versterking van de kennispositie in Nederland op het terrein van milieutechnologie. Programma «EET»
Ten behoeve van de versterking van de driehoek economie-ecologie-technologie wordt door OCenW en EZ gezamenlijk een programma «EET» opgesteld. Het programma is gericht op de ontwikkeling en toepassing van een aantal kansrijke technologische richtingen met een hoog milieurendement en marktpotentieel. Het programma wordt in 1995 vorm gegeven en zal begin 1996 starten.
Dit programma is als speerpunt in de Nota «Kennis in Beweging» opgenomen. In het kader van de besteding van de middelen cluster III beleidsintensiveringen is er voor het programma 45 miljoen gulden structureel vrijgemaakt.
Van belang bij de ontkoppeling tussen economische groei en milieubeslag is dat de milieu-effecten in de prijzen van goederen en diensten worden verrekend. Deze internalisering van de milieukosten kan met vele instrumenten worden bereikt. Met name de financiële instrumenten sluiten aan bij de werking van de markt. Deze instrumenten bieden dan ook voordelen in de verdeling van de milieu-inspanningen ten opzichte van andere instrumenten. Een voorbeeld is de belastingheffing op milieugrondslag. Een beperking voor de toepassing van dit soort fiscale maatregelen is dat zij naar hun aard vooral een generieke en globale werking hebben. Door op die manier milieukosten op te nemen in de prijsvorming van goederen en diensten, gaat de factor milieu op langere termijn een meer evenwichtige rol spelen in het economisch proces. Daarmee wordt de factor milieu ook van grotere invloed op het gedrag van producenten en consumenten. Fiscale instrumenten kunnen bovendien zo worden vorm gegeven dat zij bijdragen aan een verschuiving van de lasten op arbeid naar milieu.
Het produktenbeleid streeft er naar te komen tot een situatie waarin marktpartijen – producenten, handel en consumenten – voortdurend proberen de milieubelasting van produkten te verminderen. Op dit moment wordt onderzocht in hoeverre een wijziging in de uitvoering van het produktenbeleid tot hetzelfde beoogde resultaat zou kunnen leiden. De oorspronkelijke uitvoering is in belangrijke mate gebaseerd op een systeem van informatie per produkt over een aantal verschillende milieu-aspecten, gericht op de consument, met de mogelijkheid om indien zelfregulering niet voldoende blijkt te werken, deze informatie verplicht te stellen. Twee elementen hebben geleid tot een hernieuwde beschouwing:
1. De oorspronkelijk beoogde uitvoering werkt, direct of indirect, via de consument. De consument zou op basis van een complex van milieu-informatie zelf tot de meest milieuvriendelijke keuze moeten komen. Door de uitgebreide informatie wordt de consument «belast» met een verantwoordelijkheid, terwijl de verantwoordelijkheid in eerste instantie vooral op de producent zou moeten rusten. Mogelijkerwijs kan hierbij een systeem van normgetallen voor een produktinformatiesysteem een rol spelen.
2. Onzeker is of het huidige systeem tot stand kan komen via een proces van zelfregulering. Een aanpak waarbij kan worden afgezien van de dreiging met wetgeving verdient een sterke voorkeur.
De discussie concentreert zich op de vraag hoe consumenten een vorm van praktisch hanteerbare milieu-informatie over produkten kunnen meenemen in hun aankoopbeslissingen. Voorts speelt de vraag tot hoever kan worden aangesloten bij de wijze waarop ondernemingen zelf gewend zijn aan kwaliteitszorg te werken. Naar verwachting zal eind 1995 hierover een beslissing worden genomen. Enkele voorbeelden van produktinnovaties
* Vanaf 1 januari 1995 zijn alle nieuwe koelkasten en diepvriezers voorzien van een energielabel. Het label geeft met een lettercode aan hoe zuinig een apparaat is. A of B apparaten (A is zuinig, G is zeer energieverslindend) zijn 25–45% zuiniger ten opzichte van G-apparaten. Dat scheelt 60 gulden op de energierekening. Bovendien geven energiebedrijven een premie van 50 gulden op elke nieuwe energiezuinige koelkast
* Rank Xerox werkt volgens het life-time concept, zowel in de materialenketen als in de logistieke keten. Dit concept richt zich op het perfectioneren van ketenbeheer. In de logistieke keten wordt het oude produkt, bijvoorbeeld een kopieermachine, teruggenomen voor hergebruik. De oude machines – ook van de concurrent – worden in een speciale ontmantelingsfabriek uit elkaar gehaald, gereinigd en geschikt gemaakt voor inzet in de produktie. Een gevolg van de invoering van het life-time concept is dat alle produkten zo worden ontworpen, dat er zoveel mogelijk onderdelen kunnen worden hergebruikt.
* Ahrend heeft in zijn nieuwe ontwerp voor een bureaustoel het milieu meegenomen. Dat leverde een aanzienlijke vermindering op van het afvalvolume en grondstofgebruik. Daarnaast is de uitstoot van broeikasgassen met 37% gereduceerd en de verzurende uitworp met 20%. De verwachte milieukosten namen af van f 11,– naar f 4,50 per stoel.
* De bloemenveilingen hebben vanaf maart 1994 nieuwe plantentrays geïntroduceerd. Deze trays zijn tot stand gekomen op basis van milieugerichte produktontwikkeling. De innovatie leidde tot de ontwikkeling van een serie nieuwe eenmalig en meermalig te gebruiken trays, die in veel opzichten beter zijn dan de oude. De nieuwe trays zijn gemaakt van polypropyleen, kleiner en lichter dan de oude trays. Dit leidt tot minder gebruik van grondstoffen. Door meer gebruik te maken van deze meermalig te gebruiken trays kan veel afval verminderd worden. Bovendien is bij het ontwerp al rekening gehouden met het einde van de levenscyclus: de nieuwe tray is 100% recyclebaar.
* Een groep Nederlandse bedrijven ontwikkelde twee polyester produkten, waaronder spoilers voor vrachtwagen. Daarbij werd spectaculaire milieuwinst behaald. Het gewicht van het produktieafval daalde met 92%, de cyclustijd per produkt verminderde van 30 naar 6 minuten, de procesenergie ging omlaag met ruim 90% en – niet onbelangrijk – de kosten per produkt werd per eenheid met 70% teruggebracht.
* Bij het bedrijf Ucosam, fabrikant van kunststofsanitair, worden te vervangen badkuipen en overige sanitaire attributen teruggenomen en verwerkt tot onderdelen van nieuwe badkuipen.
In meer algemene zin vraagt duurzame ontwikkeling van elk individu een bezinning op het eigen gedrag en de behoeften die daaraan ten grondslag liggen. Daarom is het stimuleren van duurzame consumptieprocessen van belang. De overheid kan duurzaam consumeren niet dwingend voorschrijven of afdwingen. Wel kan zij de discussie stimuleren door een beeld te schetsen van duurzame consumptiepatronen. Denkbaar is dat het gezamenlijk gebruiken van een aantal voorzieningen, het hergebruiken van goederen en het verschuiven in het consumptiepatroon van materiële goederen naar diensten (meer reparatie in plaats van algehele vervanging), een belangrijke bijdrage kan leveren aan vermindering van ons energie- en grondstoffengebruik en aan onze milieubelasting. Energie-extensieve leefstijlen
Naast een efficiëntere produktie en het bevorderen van duurzame energiebronnen is een belangrijke vraag hoe consumenten hun energiegebruik kunnen terugdringen. Naast de besparing op het «directe gebruik» (de energie die nodig is voor verwarming, verlichting en dergelijke) zijn er met name ook mogelijkheden voor besparingen op de energie die nodig is voor het maken van produkten en het leveren van diensten. Met dat oogmerk, het verminderen van het zogenaamde «indirecte energieverbruik», hebben consumenten verschillende mogelijkheden om hun gulden zo energiezuinig mogelijk te besteden:
– diensten ofwel arbeid kopen (bijvoorbeeld uit eten gaan, kapper of thuishulp, handgemaakte produkten);
– goederen efficiënter benutten (bijvoorbeeld schoenen verzolen, bank opnieuw laten bekleden);
– vervanging van energie-intensieve produkten door gelijksoortige energie-extensieve produkten (bijv. geïmporteerde/ingevroren groente vervangen door verse Nederlandse groente van de koude grond).
Consumenten met een «energie-extensieve leefstijl», lijkt een interessante optie. Wat nog zal moeten blijken is hoe dit in de praktijk voor diverse huishoudens uitwerkt. De verwachting is echter dat energiezuinig consumeren een aantrekkelijk alternatief vormt. Een verschuiving in het bestedingenpatroon van goederen naar diensten kan als aantrekkelijk worden ervaren. Aan autogebruik, vliegvakanties en bijvoorbeeld vlees zal dan mogelijk minder besteed gaan worden.
8. KOSTEN EN FINANCIERING VAN HET MILIEUBELEID
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de kosten en de financiering van het milieubeleid voor de jaren 1996–1999. Bij de kostenramingen is gebruik gemaakt van een door het Centraal Planbureau samengesteld middellange-termijnscenario. Door het hanteren van een middellange-termijnscenario wordt voor de tijdsperiode van de ramingen optimaal gebruik gemaakt van de meest recente inzichten in de ontwikkeling van de economische variabelen.
Sinds vorig jaar worden de milieukostenberekeningen uitgevoerd door het RIVM. De milieumaatregelen worden geïntegreerd in het emissiemodel van het RIVM. Hierdoor kunnen zowel de kosten als de effecten van maatregelen worden berekend. Bij deze integratie worden de kosten en de implementatiesnelheid van de bestaande milieumaatregelen op basis van de huidige inzichten aangepast. Ook is hierbij gebruik gemaakt van specifiek onderzoek uitgevoerd door onder andere het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI).
De gepresenteerde raming wordt vergeleken met de raming uit het Milieuprogramma 1995–1998. De verschillenanalyse heeft met name betrekking op de raming voor het jaar 1996.
8.2 Kosten van het milieubeleid
Deze paragraaf geeft inzicht in de kosten van het milieubeleid verdeeld naar thema's en naar bedrijfstakken. In zijn totaliteit komen de kostenramingen iets lager uit ten opzichte van het vorige Milieuprogramma. In deze paragraaf wordt een aantal van de belangrijkste redenen aangegeven.
Tabel 8.1 geeft een overzicht van de milieukosten naar thema's. De kosten voor verdroging bestaan uit maatregelen voor de gebiedsgerichte bestrijding van verdroging (GEBEVE) en onderzoekskosten naar mogelijkheden om de verdrogingsproblematiek te verminderen.
Ten opzichte van de kostenramingen in het vorig Milieuprogramma zijn een aantal van de belangrijkste verschillen te verklaren doordat:
– de milieukostenramingen voor het thema verzuring lager uitkomen. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de vertraging van SO2-maatregelen in de industrie en het achterblijven van investeringen in emissie-arme stallen;
– de milieukosten voor het thema vermesting naar boven bijgesteld zijn. Dit komt onder andere door de hogere kosten voor mesttransport en een naar boven bijgestelde raming van de milieukosten van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's) op het gebied van vermesting;
– de ramingen voor het thema verspreiding lager uitkomen. De milieukostenraming op het gebied van verspreiding van stoffen naar water is onder andere neerwaarts bijgesteld op basis van een onderzoek van het RIZA;
– de kosten van verstoring voor 1996 lager uitkomen als gevolg van vertraging in de implementatiesnelheid van verscheidene maatregelen. Voor de jaren daarna komen de kosten juist hoger uit door opname van de maatregelen voor geluidssanering ten behoeve van Schiphol en de Betuwelijn.
Tabel 8.1 Jaarlijkse milieukosten naar thema (mln gld)
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | |
|---|---|---|---|---|
| Klimaatverandering | 398 | 455 | 466 | 472 |
| – Ozonlaag aantastende stoffen | 131 | 139 | 146 | 152 |
| – Internationale Milieuprojecten | 266 | 316 | 320 | 320 |
| Verzuring | 1 705 | 1 864 | 2 037 | 2 161 |
| Vermesting | 829 | 809 | 835 | 848 |
| Verspreiding | 4 592 | 4 862 | 5 119 | 5 346 |
| Verwijdering | 7 555 | 8 027 | 8 566 | 8 743 |
| Verstoring | 1 009 | 1 152 | 1 187 | 1 212 |
| Verdroging | 83 | 83 | 83 | 83 |
| Instrumentarium | 767 | 827 | 887 | 900 |
| Uitvoering/handhaving en overige uitgaven | 1 320 | 1 314 | 1 306 | 1 307 |
| Energiebesparing en duurzame energie1 | 116 | 109 | 133 | 165 |
| Totaal | 18 374 | 19 502 | 20 619 | 21 237 |
1 In de tabel zijn alleen de milieukosten van energiebesparing en duurzame energie bestaande uit onderzoek en kosten als gevolg van onrendabele investeringen opgenomen.
Tabel 8.2 geeft een overzicht van de milieukosten naar bedrijfstak2. De kosten van een milieu-maatregel zijn toegerekend aan de bedrijfstak die de maatregel uitvoert en waar de effecten van de maatregel zich voordoen.
Tabel 8.2 Jaarlijkse milieukosten naar bedrijfstak (mln gld)
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | |
|---|---|---|---|---|
| Landbouw | 1 030 | 1 105 | 1 179 | 1 251 |
| Delfstoffenwinning | 199 | 204 | 205 | 205 |
| Industrie | 3 605 | 3 876 | 4 120 | 4 350 |
| Openbaar nut | 749 | 746 | 746 | 733 |
| Bouwnijverheid | 616 | 626 | 635 | 644 |
| Handel en diensten | 1 084 | 1 178 | 1 253 | 1 325 |
| Transport | 768 | 812 | 861 | 906 |
| Huishoudens | 1 254 | 1 355 | 1 492 | 1 626 |
| Overheid | 9 069 | 9 600 | 10 128 | 10 197 |
| Totaal | 18 374 | 19 502 | 20 619 | 21 237 |
Hieronder wordt een aantal van de belangrijkste verschuivingen naar bedrijfstak ten opzichte van het vorig Milieuprogramma aangegeven.
De milieukosten in de landbouw komen lager uit dan de vorige raming. De milieukosten voor mesttransport komen fors hoger uit. Daarentegen blijft de implementatiesnelheid van de investeringen in emissie-arme stallen achter bij de eerdere verwachtingen. Op basis van een onderzoek van het LEI zijn ook de milieukosten voortvloeiend uit het Meerjarenplan Gewasbescherming neerwaarts bijgesteld.
De milieukosten voor de bedrijfstak industrie komen lager uit dan de ramingen in het Milieuprogramma 1995–1998. De investeringen in NOx-maatregelen in de chemische industrie blijven achter bij de verwachting. Ditzelfde geldt voor SO2-maatregelen.
Tevens is een aantal maatregelen op het gebied van NH3 in de voedings- en genotmiddelenindustrie niet getroffen. Wel lopen de kosten voor het tegengaan van verspreiding van prioritaire stoffen naar het compartiment lucht aanzienlijk op; met name in de voedings- en genotmiddelen-, textiel-, grafische- en metaalindustrie.
De kosten van investering om water-emissies te voorkomen komen op basis van een RIZA-onderzoek beduidend lager uit.
Op basis van door het Energiecentrum Nederland (ECN) aangeleverde gegevens blijkt dat de capaciteitsbenutting van de Sep-moderne centrale op kolen beduidend minder is dan verwacht. Hierdoor vallen de milieukosten lager uit.
De verkopen van nieuwe vrachtwagens worden in 1996 lager geraamd. De milieukosten, bestaande uit de kosten van voorzieningen aan de motor en het voertuig om die schoner en stiller te maken, vallen daardoor navenant lager uit. Daarnaast loopt de vervanging van oude vliegtuigen door stillere vliegtuigen vertraging op.
8.3 Financiering van het milieubeleid
In tabel 8.3 staat de verdeling van de totale bestemmingsheffingen en subsidies over de bedrijfstakken voor het jaar 1996. De derde kolom laat het saldo van deze overdrachten zien. Een positief saldo houdt in dat de desbetreffende bedrijfstak meer bestemmingsheffingen betaalt dan subsidies ontvangt. Dit «saldo overdrachten» verklaart het verschil tussen de milieukosten (tabel 8.2) en de milieulasten (tabel 8.5) van een bedrijfstak.
Tabel 8.3 Bestemmingsheffingen en subsidies in 1996 naar bedrijfstak
| Betaalde Bestemmingsheffingen (1) | Ontvangen Subsidies (2) | Saldo Overdrachten (1–2) | |
|---|---|---|---|
| Landbouw | 78 | 166 | – 88 |
| Delfstoffenwinning | 6 | 1 | 5 |
| Industrie | 429 | 82 | 347 |
| Openbaar nut | 13 | 0 | 13 |
| Bouwnijverheid | 159 | 7 | 152 |
| Handel en diensten | 612 | 144 | 468 |
| Transport | 140 | 62 | 78 |
| Huishoudens | 4 080 | 7 | 4 073 |
| Overheid | – 5 517 | – 469 | – 5 048 |
| Totaal | 0 | 0 | 0 |
Naast de verdeling van de overdrachten is ook de absolute omvang van de heffingen van belang. Deze zijn in onderstaande tabel weergegeven. De optelsom van de bestemmingsheffingen uit tabel 8.4 is hoger dan de bestemmingsheffingen die de overheid ontvangt in tabel 8.3. Dit effect treedt op omdat ook tussen overheden overdrachten plaatsvinden. Deze vallen door de aggregatie in tabel 8.3 tegen elkaar weg.
Tabel 8.4 Bestemmingsheffingen overheden (mln gld)
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | |
|---|---|---|---|---|
| Reinigingsrechten | 2 280 | 2 523 | 2 813 | 2 944 |
| Rioolrechten | 1 023 | 1 104 | 1 190 | 1 255 |
| WVO-regionaal | 1 806 | 1 897 | 1 978 | 2 024 |
| WVO-rijk | 110 | 102 | 94 | 94 |
| Landbouwheffingen | 29 | 53 | 63 | 63 |
| Heffingen luchtvaartlawaai | 27 | 28 | 29 | 34 |
| Leges vergunningverlening | 75 | 78 | 80 | 80 |
| Totaal | 5 350 | 5 785 | 6 247 | 6 494 |
In tabel 8.5 wordt een overzicht gegeven van de milieulasten per bedrijfstak.
Deze tabel ontstaat door de milieukosten van tabel 8.2 met het saldo van de overdrachten uit tabel 8.3 te sommeren.
De milieukostentabel 8.2 laat zien hoeveel de maatregelen, uitgevoerd door de bedrijfstakken kosten. De milieulastentabel 8.5 laat zien wie de kosten van de milieumaatregelen financiert.
Tabel 8.5 Jaarlijkse lasten per bedrijfstak (mln gld)
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | |
|---|---|---|---|---|
| Landbouw | 942 | 1 034 | 1 116 | 1 192 |
| Delfstoffenwinning | 204 | 209 | 211 | 211 |
| Industrie | 3 952 | 4 246 | 4 510 | 4 750 |
| Openbaar nut | 762 | 768 | 773 | 764 |
| Bouwnijverheid | 768 | 792 | 799 | 791 |
| Handel en diensten | 1 552 | 1 683 | 1 799 | 1 892 |
| Transport | 846 | 899 | 956 | 1 011 |
| Huishoudens | 5 327 | 5 747 | 6 235 | 6 560 |
| Overheid | 4 021 | 4 124 | 4 220 | 4 066 |
| Totaal | 18 374 | 19 502 | 20 619 | 21 237 |
8.4 Milieu-uitgaven van overheden
De onderstaande tabel specificeert de milieu-uitgaven van het Rijk verdeeld over de verschillende departementen.
Tabel 8.6 Milieu-uitgaven en fiscale faciliteiten rijk (mln gld)
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | |
|---|---|---|---|---|
| VROM | 1 223 | 1 222 | 1 227 | 1 073 |
| LNV | 160 | 176 | 178 | 174 |
| V&W | 457 | 454 | 469 | 439 |
| EZ | 295 | 283 | 278 | 282 |
| BUZA1 | 335 | 385 | 389 | 389 |
| Overige uitgaven Rijk | 202 | 180 | 187 | 195 |
| Fiscale faciliteiten | 85 | 90 | 90 | 90 |
| Totaal rijk | 2 757 | 2 790 | 2 818 | 2 642 |
1 Exclusief Landenprogramma's; aangezien deze projecten naast een milieudimensie ook andere dimensies beogen, kan deze begrotingspost niet tot de milieu-uitgaven worden gerekend.
De uitgaven van de departementen hebben vooral betrekking op de volgende beleidsterreinen:
– VROM: bodemsanering, overdrachten aan andere overheden en eigen apparaatskosten vormen de belangrijkste uitgaven. Ten opzichte van de vorige begroting dalen de uitgaven voor onderzoek en eigen apparaatskosten, terwijl de uitgave voor bijvoorbeeld bodemsanering wordt verhoogd.
– LNV: de milieu-uitgaven zijn lager geraamd dan bij de vorige begroting. Vooral de subsidiëring van milieu-investeringen in de landbouwsector loopt in 1996 terug. In de jaren hierna stijgen deze uitgaven fors terwijl daarentegen de uitgaven voor mestverwerking fors dalen.
– V&W: de uitgaven in 1996 zijn vergelijkbaar met de vorige begroting. Voor de latere jaren stijgen de uitgaven ten opzichte van de ramingen van vorig jaar, hetgeen wordt veroorzaakt door de uitgaven voor het herstel van het natuurlijk verloop van rivieren. Belangrijke uitgavenposten zijn de uitvoering van het waterkwaliteitsbeheer en de sanering van geluidshinder.
– EZ: de milieu-uitgaven van EZ zijn voor de jaren 1996–1999 met ruim een derde verminderd ten opzichte van de vorige begroting. Deze daling vindt zijn oorzaak voornamelijk in de afname van energiesubsidies en een vermindering van de uitgaven voor energie-onderzoek. Deze posten blijven echter de belangrijkste uitgavencategorieën.
– BUZA: Milieu-uitgaven op het gebied van bilaterale en multilaterale samenwerking.
– Overig Rijk: de milieu-uitgaven van de ministeries van Defensie en Binnenlandse Zaken en Justitie zijn ten opzichte van de vorige begroting vooral in de jaren vanaf 1997 gedaald. Dit komt met name door de verminderde uitgaven voor bodemsanering bij Defensie.
– Fiscale faciliteiten: De VaMil-regeling biedt mogelijkheden voor vrije afschrijvingen van investeringen in milieu-vriendelijke bedrijfsmiddelen die voorkomen op de VaMil-lijst.
In tabel 8.7 zijn de milieukosten van de andere overheden opgenomen. Voor een belangrijk deel worden deze kosten gefinancierd door huishoudens en bedrijven via de reinigings-, riool- en waterzuiveringsheffing.
Tabel 8.7 Milieukosten andere overheden (mln gld)
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | |
|---|---|---|---|---|
| Provincies1 | 372 | 388 | 457 | 319 |
| Waterkwaliteitsbeheerders2 | 1 942 | 2 017 | 2 120 | 2 171 |
| Gemeenten en gemeenschappelijke regelingen | 4 451 | 4 755 | 5 117 | 5 294 |
| Totaal | 6 765 | 7 160 | 7 694 | 7 784 |
1 Inclusief kosten voor bodemsanering die door het Rijk worden gefinancierd.
2 Waterkwaliteitsbeheerders bestaan uit de Waterschappen met inbegrip van de provincies en gemeenten met een waterkwaliteitstaak.
De belangrijkste uitgaven van de andere overheden bestaan uit:
– Provincies: Bodemsanering en apparaatskosten;
– Waterkwaliteitsbeheerders: Transport en de zuivering van afvalwater door de RWZI's;
– Gemeenten: Vervanging, beheer en onderhoud van de rioleringen (1178 miljoen) en het inzamelen en verwerken van afval (2200 miljoen).
THEMA'S
| 1. | Klimaatverandering | 54 |
| 2. | Verzuring | 59 |
| 3. | Vermesting | 62 |
| 4. | Verspreiding | 65 |
| 5. | Verwijdering | 73 |
| 6. | Verstoring | 78 |
| 7. | Verdroging | 83 |
| 8. | Verspilling | 85 |
| 9. | Gebiedsgericht beleid | 87 |
Bij lijn 1 zijn de indirecte effecten van CFK's en halonen, die de broeikaswerking aanzienlijk afzwakken, weggelaten; de bijdrage van CFK's en halonen is dus uitsluitend gebaseerd op de directe broeikaswerking, hetgeen als theoretisch maximum kan worden beschouwd. CFK's en halonen zijn op zich broeikasgassen, maar dragen door het afbreken van ozon (ook een broeikasgas) in de stratosfeer indirect bij aan afkoeling van de atmosfeer. De indirecte effecten zijn nog onvoldoende bekend. Niet uitgesloten moet worden dat de afkoelende werking van de indirecte effecten ongeveer even groot is als de directe broeikaswerking van CFK's. Lijn 2 geeft de situatie weer waarin de indirecte effecten van CFK's de directe effecten van CFK's en halonen als het ware opheffen.
In 1980 bedroeg de Nederlandse bijdrage aan het broeikaseffect circa 315 Mton CO2-equivalenten (lijn 1). In 1994 was dit afgenomen tot circa 239 Mton CO2-equivalenten (afname met 24%). De afname komt geheel voor rekening van CFK's en halonen (daling met 94%). Omdat dit jaar gebruik wordt gemaakt van verbeterde, in 1994 door het IPCC vastgestelde, Global Warming Potential-factoren wijkt de indicator enigszins af van die van vorig jaar. De trend is niet gewijzigd.
De Nederlandse uitstoot van de broeikasgassen CO2, CH4 en N2O (waarvoor Nederland verplichtingen is aangegaan in het Klimaatverdrag) is in 1994 gestegen met 12% ten opzichte van 1980 (zie lijn 2). Tussen 1980 en 1994 is de Nederlandse uitstoot van CO2 gestegen met 10%, van CH4 met 7% en de uitstoot van N2O is toegenomen met 35%. De oorzaak van de gestegen uitstoot ligt in de ontwikkeling van de economie, waaronder de lage energieprijzen. Na een lichte daling van de CO2-emissie in 1993 neemt deze in 1994 weer toe van 185 miljoen ton naar 188,5 miljoen ton. De verminderde emissie door de toename van de import van elektriciteit, de gewijzigde brandstofinzet en onder meer energiebesparing wordt teniet gedaan door de sterke economische groei.
Indicator aantasting van de ozonlaag
Door een daling in het gebruik van (H)CFK's en halonen voor alle toepassingen is de Nederlandse bijdrage van ozonlaagaantastende stoffen tussen 1980 en 1994 met 93% afgenomen. De daling in 1994 (1211 ozon-aantastingsequivalenten (Oeq)) ten opzichte van 1993 (2703 Oeq) wordt voornamelijk veroorzaakt door een sterke afname van het gebruik van CFK's in kunststofschuimen en oplos- en reinigingsmiddelen. Het gebruik van CFK's en halonen in Nederland moest in 1994 tot 531 Oeq zijn gereduceerd. Deze doelstelling is niet gehaald; met name doordat bij toepassing van CFK's in koelsystemen en kunststofschuimen de realisatie achterblijft bij de doelstelling.
Nederland heeft aan een aantal verplichtingen in het klimaatverdrag voldaan. Zo zijn de Nederlandse bijdragen in vorige jaren geheel en tijdig betaald. De bijdrage voor 1995 zal ook geheel worden voldaan.
In 1994 is gerapporteerd over de Nederlandse vorderingen. Door Nederland zijn proefprojecten (FACE-projecten en twee projecten in Hongarije) gestart om de mogelijkheden voor samenwerking bij de uitvoering van verdergaande verdragsverplichtingen te onderzoeken («joint implementation»). Kennis over joint implementation wordt vanuit Nederland verspreid via internationale conferenties en het Engelstalige tijdschrift Joint Implementation Quarterly.
De Nederlandse inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen hebben ook een bijdrage geleverd aan de gezamenlijke EU-stabilisatieverplichting ten aanzien van CO2. Op nationaal niveau ontwikkelt het bureau Energie in de Milieuvergunning (bEM) informatiebladen voor energiebesparing. Een standpunt over energie in AMvB's op grond van de Wet milieubeheer is in de maak. De EU heeft in maart 1995 in voorlopige vorm conform het Klimaatverdrag de stand van zaken omtrent het klimaatbeleid gerapporteerd. Eind 1995 zal het definitieve rapport gereed zijn.
Voortgang uitvoering en toekomstige ontwikkelingen
Versterking en aanscherping Klimaatverdrag
Internationaal zit het klimaatbeleid, wat betreft de eerste stap van reductie van broeikasgassen, in de uitvoeringsfase. Tijdens de Eerste Conferentie der Partijen in Berlijn is vastgesteld dat een vrij groot aantal geïndustrialiseerde landen hun doelstellingen mogelijk niet halen.
Tevens is vastgesteld dat de huidige verplichtingen van het Klimaatverdrag niet voldoende zijn om het uiteindelijke doel van het Klimaatverdrag, namelijk stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een veilig niveau, te bereiken. Ten aanzien van de periode na 2000 zit het klimaatbeleid internationaal gezien eigenlijk nog in een verkennende en analyserende fase.
Tijdens de conferentie in Berlijn bleek al wel een groeiende consensus over de ernst van het probleem te bestaan. Verder is in een Mandaatbesluit afgesproken dat er onderhandelingen gestart worden om in 1997 tijdens de derde conferentie der partijen te komen tot een protocol onder het Klimaatverdrag met verdergaande verplichtingen voor na 2000. Daarin moeten significante beperkingen en reducties komen van broeikasgassen afkomstig uit de landen in Oost-Europa en de OESO gezamenlijk, voor de periode na 2000, gebruikmakend van zowel nieuwe doelstellingen als van internationaal afgesproken maatregelen die voor alle protocol-partijen gelden. Het protocol zal zich ook moeten richten op het bieden van mogelijkheden aan landen buiten de groep van OESO/Oost-Europa-landen om een duurzame ontwikkeling te bereiken met een lage groei van de uitworp van broeikasgassen. Het tweede rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), eind 1995, zal meer duidelijkheid geven over het probleem, de gevolgen en mogelijke oplossingen. In dat kader kan ook het zogenaamde «Climate Technology Initiative» van OESO en IEA, gericht op de ontwikkeling en toepassing van duurzame technologie een positieve rol spelen.
De Tweede Kamer is op 14 mei 1995 geïnformeerd over de uitkomsten van Berlijn en over de voortgang ten opzichte van de aanscherping en versterking van het klimaatverdrag. De Kamer is daarbij tevens geïnformeerd over de constatering van het CPB/RIVM dat er mogelijk een aanzienlijke toename is van de CO2-emissie in Nederland ten opzichte van de doelstelling. Naar aanleiding van de CPB/RIVM constatering hebben doorrekeningen plaats gevonden. De Kamer zal in september geïnformeerd worden over de wijze waarop het kabinet met deze problematiek zal omgaan.
De regering kondigde in de brief naar aanleiding van «Berlijn» aan in EU-verband in de dialoog met de meest geïndustrialiseerde ontwikkelingslanden en de OPEC-landen in de toekomst meer aandacht te besteden aan oplossingen voor het klimaatvraagstuk, rekening houdend met elkaars economische positie (bijvoorbeeld nadere invulling van de speciale positie van de olie-exporterende landen zoals voorzien in het Klimaatverdrag). Er zou nader onderzocht moeten worden welke vorm dit kan krijgen.
Nederland heeft in Berlijn geld ter ondersteuning toegezegd, ondermeer voor de organisatie van een workshop waarin samenwerking met en betrokkenheid van het internationale bedrijfsleven centraal staat.
Regulerende energieheffing/EU-heffing
EU-rapportages tonen aan dat de stabilisatiedoelstelling niet bereikt wordt met de huidige instrumenten. Daarom zal aanvullend beleid nodig zijn om de stabilisatiedoelstelling voor CO2 te realiseren. De trend binnen de gemeenschap om de EU-klimaatstrategie te integreren in andere beleidsvelden, is daarbij overigens een positief gegeven. Problemen doen zich onder andere voor bij het instrumentarium (het ontbreken van een Europese energieheffing). In mei heeft de Commissie een gewijzigde ontwerprichtlijn voor een CO2/energieheffing gepresenteerd. Die komt er op neer dat de lidstaten tot 2000 binnen randvoorwaarden een eigen heffing kunnen invoeren. Vanaf 2000 wil de Commissie een EU-heffing hebben.
In Nederland is de planning erop gericht in 1996 een heffing op het kleinverbruik van huishoudens en bedrijven in Nederland in te voeren ten behoeve van de CO2-reductiedoelstelling. De opbrengst wordt teruggesluisd (Actie RIJK 32 uit Werkdocument NMP 2).
Overige ontwikkelingen in het kader van het Klimaatverdrag
In Berlijn is besloten tot een officiële JI-proeffase. Deze proeffase loopt tot 2000. Voor het realiseren van de stabilisatiedoelstelling uit het Klimaatverdrag zal dan ook niet gecrediteerd worden, conform de internationale afspraken. Voor een compleet beeld van de Nederlandse inspanningen met het oog op de toekomstige internationale discussie over Joint Implementation zal de Nederlandse regering een duidelijk systeem van gescheiden boekhouding opzetten, waarbij geregistreerd wordt welke emissiereducties gerealiseerd zijn zowel via Joint Implementation alsook via maatregelen in Nederland. In Oost-Europa en ontwikkelingslanden worden in dat kader door Nederland proefprojecten opgezet om met Joint Implementation ervaring op te doen. Met die ervaringen kunnen criteria worden opgesteld. Met name wordt gekeken naar monitoring, financiering, rapportage, technologie, capacity building en de eventuele gevolgen. Doel is uiteindelijk dat een land met projecten in het buitenland voor een deel kan voldoen aan verplichtingen ten aanzien van emissiebeperking en -reductie. Nederland bepleit in dat verband voor gescheiden boekhoudingen: nationale emissiereducties en internationale emissiereducties.
Medio 1995 heeft Nederland, na een discussieronde met sectoren en milieubeweging, het regeringsstandpunt Joint Implementation geformuleerd. Daarin staat hoe Nederland met JI verder gaat.
Nederland heeft in het kader van het Klimaatverdrag gepleit voor terughoudendheid bij het gebruik van HFK's en PFK's als vervangers van ozonaantastende stoffen als CFK's. Dat moet dan wel zonder de geleidelijke uitbanning van CFK's volgens het «Montréal Protocol» in gevaar te brengen. Te denken valt aan «good housekeeping», zo veel mogelijk in gesloten systemen, voorkómen en bevorderen van alternatieven. Nederland stelt voor daarover internationale afspraken te maken, bij voorkeur in een protocol onder het Klimaatverdrag. Ter fundering van haar positie heeft Nederland het RIVM een achtergronddocument laten vervaardigen, mede gebaseerd op informatie van het internationale bedrijfsleven (Actie IND 10 uit Werkdocument NMP 2).
Een ander probleem is de toenemende uitstoot van broeikasgassen door het internationale vlieg- en scheepvaartverkeer, waarover nog geen afspraken zijn gemaakt. In EU-kader heeft Nederland voorgesteld een EU-kerosineheffing in te voeren. Ook in ICAO-kader (International Civil Aviotion Organization) zal Nederland daarvoor pleiten. In de Nota Luchtvaart en Luchtverontreiniging (Zie bijlage 2, paragraaf 6: Verkeer en vervoer) is de eerste aanzet voor verder beleid gegeven.
Strategie voor klimaatbeleid en CO2-reductie na 2000
In de Vervolgnota Klimaatverandering (gepland december 1995) zal de strategie voor het klimaatbeleid voor de lange termijn gepresenteerd worden (Actie RIJK 4 uit Werkdocument NMP 2). Deze nota zal mede de Nederlandse inzet bepalen bij de Europese klimaatstrategie en de onderhandelingen over een protocol in het kader van het Klimaatverdrag.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– Uitgifte CO2-certificaten voor bosaanleg: bedrijven kunnen bijvoorbeeld CO2-certificaten ontvangen voor de CO2-hoeveelheden die met door hen betaalde bossenuitbreiding wordt vastgelegd (Actie RIJK 33 uit Werkdocument NMP 2) (1996)
– Vervolgnota Klimaatverandering (Actie RIJK 4 uit Werkdocument NMP 2) (eind 1995)
– Programma van maatregelen N2O (Actie RIJK 5 uit Werkdocument NMP 2). Tevens zal hierbij gekeken worden naar additionele reductiemogelijkheden voor methaan
– Plan van Aanpak energiebesparing Bouw (energiebesparing)
– Nederlands standpunt ten behoeve van het Klimaatverdrag over de aanpak emissies van internationale lucht- en zeevaart (internationale bunkers) en hoe de organen van het Klimaatverdrag daarin samen kunnen werken met ICAO en IMO (International Maritime Organization).
– De inwerkingtreding van een regulerende heffing op energie (januari 1996)
– Evaluatie van de circulaire «Omgaan met energieverbruik en meerjarenafspraken bij de milieuvergunning»
– Bezien of energiebesparing in AMvB's op grond van de Wet milieubeheer kan worden meegenomen
– Protocol onder het Klimaatverdrag (1997)
– CO2 convenant SEP (1996) (zie ook paragraaf 4, bijlage doelgroepen: Energiesector)
– Technologieprogramma reductie broeikasgasemissies
– EU Klimaatstrategie (1996), inclusief andere broeikasgassen en bossen
BASISGEGEVENS
Beschrijving thema
Probleem gericht op
– aantasting van de ozonlaag door emissies van chloorfluorkoolwaterstoffen ((H)CFK's), tetrachloorkoolstof, 1.1.1.trichloorethaan en halonen;
– broeikaseffect veroorzaakt door uitstoot van kooldioxide, methaan, distikstofoxide en water, alsmede stoffen die bijdragen aan de ozonproduktie in de troposfeer (stikstofoxyden, koolmonoxyde en vluchtige organische stoffen). Vervangers van (H)CFK's zoals fluorkoolwaterstoffen en perfluorkoolwaterstoffen, die ondermeer bij de aluminiumproduktie vrijkomen, hebben ook een broeikaseffect (HFK's, PFK's, SF6)
Aanpak/benadering
Het beleid ten aanzien van klimaatverandering is mondiaal gericht op het verkleinen van de risico's van klimaatverandering. Nederland is partij bij het Klimaatverdrag en is voorstander van het aanscherpen van de verplichtingen in dit verdrag. Op grond van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de resultaten van «Berlijn» zal in de Vervolgnota Klimaatverandering (eind 1995) een strategie voor de lange termijn worden gepresenteerd. Realisatie van de EU-stabilisatiedoelstelling voor CO2 zal door Nederland worden nagestreefd, onder meer door aan te blijven dringen op het ontwikkelen van een Gemeenschappelijk financieel instrument, herijking van de nationale programma's en het benutten van lopende en potentiële EU-regelgeving.
Het beleid en de Nederlandse inzet om nationaal en internationaal gebruik en produktie van ozonlaagaantastende stoffen terug te dringen, wordt voortgezet.
De indicator geeft de emissie door Nederlandse bronnen van zuurvormende stoffen weer. De belangrijkste daarvan zijn zwaveldioxyde (SO2), stikstofoxyden (NOx) en ammoniak (NH3).
Tussen 1980 en 1994 is de SO2-emissie met 70% afgenomen, de NOx-emissie met 10%. De emissie van NH3 is in de periode 1980–1994 afgenomen met 27%. De totale milieubelasting door de emissie van verzurende stoffen is in 1994 ten opzichte van 1980 gedaald met circa 37%. Ten opzichte van 1993 is de totale emissie in 1994 met ongeveer 8% gedaald.
Tot 1990 is de reductie voor SO2 voornamelijk toe te schrijven aan maatregelen bij elektriciteitsbedrijven en raffinaderijen. Door emissie-arme mestaanwending en het afdekken van mestopslagen daalt vanaf 1992 de NH3-emissie. In 1994 neemt de NH3-emissie verder af als gevolg van een uitbreiding van de verplichting tot emissie-arm aanwenden van mest. De (geringe) afname van de NOx-emissie vanaf 1988, ondanks de toename van het aantal afgelegde voertuigkilometers, is bereikt door maatregelen door de elektriciteitscentrales en vermindering van de emissie per kilometer, vooral voor personenverkeer.
De hoeveelheid zuurvormende componenten die op de bodem terecht komt, wordt uitgedrukt als depositie in verzuringsequivalenten (Zeq) per hectare per jaar. De gegevens zijn opgenomen zoals geactualiseerd in het Additioneel Programma Verzuring (APV-III). In 1980 bedroeg de depositie ongeveer 7200 verzuringsequivalenten per hectare, in 1993 was dit 4300 Zeq. Deze depositie is zowel van buitenlandse als van binnenlandse bronnen afkomstig. In 1993 was de buitenlandse bijdrage aan de totale depositie 43%.
De totale milieubelasting door de depositie van verzurende stoffen is in 1993 ten opzichte van 1980 gedaald met circa 41%. Ten opzichte van 1992 is de totale depositie in 1993 gelijk gebleven.
Door verdere implementatie van maatregelen zoals het emissie-arm aanwenden van mest, is met name de ammoniak-emissie in de afgelopen periode verder teruggedrongen. Deze reductie van ammoniakemissies uit dierlijke mest blijft overigens achter bij de verwachting. Uit het Additioneel Programma Verzuring III blijkt dat de feitelijke depositie van verzurende stoffen iets hoger is dan voorheen werd ingeschat. Dit komt voornamelijk door een hogere depositiesnelheid van SO2, die slechts voor een deel wordt gecompenseerd door een lagere depositiesnelheid van NOx. Dit betekent dat voor het bereiken van de doelstellingen voor 2000 onverminderd zal worden vastgehouden aan het ingezette beleid.
Uit APV-III blijkt ten aanzien van de kritische waarde voor de depositie van verzurende stoffen op bos dat bescherming tegen de meest ernstige effecten, waarop de huidige doelstelling voor 2010 is gebaseerd, wordt bereikt bij een hogere depositie dan tot nu toe werd aangenomen.
Het eindrapport van APV-III en het bijbehorende «expert judgement ammoniak» (Ammoniak: de Feiten) zijn op 11 mei 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden.
Uit APV-III blijkt dat onverminderd moet worden vastgehouden aan het ingezette beleid voor het bereiken van de tussendoelstelling voor 2000 voor alle verzurende stoffen. Ten aanzien van ammoniak wordt het beleid gepresenteerd in de Integrale Notitie Mest- en Ammoniakbeleid (Zie ook bijlage 2, paragraaf 1: Landbouw).
Beslissingen over eventuele aanpassing van de doel- en taakstellingen voor 2010 voor de emissies bij de verschillende doelgroepen op grond van de nieuwe inzichten uit APV-III, zullen rond 1997/1998 aan de orde komen. Dan zijn meer gegevens beschikbaar over de feitelijke voortgang bij de reducties voor 2000 en over de internationale afspraken in VN-ECE-kader (Economic Commission for Europe).
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Derde fase NH3-beleid: zie bijlage 2, paragraaf 2: landbouw.
Het VN-ECE protocol inzake de verdere reductie van zwavelemissies (Tractatenblad 1994, nr. 237) is op 30 mei 1995 voor Nederland geratificeerd. Het protocol is nog niet in werking. Over de strategie-ontwikkeling voor het Tweede NOx-protocol is een voortgangsrapportage opgesteld in VN-ECE-kader.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– NOx-protocol VN-ECE
– Wijziging EG-richtlijn grote stookinstallaties
Grote delen van het verzuringsbeleid zijn terug te vinden bij de doelgroepen: bijvoorbeeld Landbouw, Verkeer en vervoer. Zie de desbetreffende paragrafen in hoofdstuk 2.
BASISGEGEVENS
Beschrijving thema
Verzuring is het gevolg van verontreiniging van de lucht met stoffen, waaruit zuren of ozon worden gevormd. Het verzuringsbeleid richt zich op vermindering van de uitstoot van zwaveldioxyde (SO2), stikstofoxyden (NOx), ammoniak (NH3) en vluchtige organische stoffen (VOS).
Aanpak/benadering
Om de uitvoering op de rails te houden en maatschappelijk aanvaardbaar te laten zijn, is de aanpak gericht op:
– communiceren over/presenteren van het probleem en de noodzaak van voortgaande aanpak;
– overleg met betrokken actoren over specifieke problemen;
– stimuleren van maatregelen en regelgeving in het buitenland;
– inzetten van maatregelen op basis van de stand der techniek; maar ook openstaan voor alternatieven.
De thema-indicator geeft alleen de in Nederland zelf veroorzaakte belasting weer en is gebaseerd op de emissie van fosfor (P) en stikstof (N). De belasting van het milieu door de Nederlandse uitstoot van vermestende stoffen is in de periode tussen 1980 en 1994 met 17% gedaald. De emissie van fosfor is tussen 1980 en 1994 gedaald met 24% als gevolg van de afname van fosfaten in afvalwater en baggerspecie en – sinds 1990 – door het afnemend gebruik van dierlijke mest en kunstmest. De emissie van stikstof is in dezelfde periode met 1% afgenomen, met name door afname van de emissie door kunstmest.
Uitvoeringsresultaten zijn gerelateerd aan verschillende doelstellingen.
Emissiedoelstellingen gelden voor waterbeheerders (RWZI's), industrie en landbouw. Waterbeheerders moeten ten aanzien van het effluent van RWZI's voldoen aan een verwijderingspercentage van 75% P (fosfor) in 1995 en een verwijderingspercentage van 75% N in 1998. De waterbeheerders (RWZI's) en de industrie leveren een duidelijke bijdrage aan de vermindering van de P en N (stikstof) belasting van het oppervlaktewater. In 1994 bedroegen de percentages 61% voor P en 54% voor N.
Voor de kunstmestindustrie is een Wvo-vergunning (Wet verontreiniging oppervlaktewateren) afgegeven tot 2000. De lozing is inmiddels met meer dan 50% teruggebracht. Er loopt een onderzoek naar volledige sanering in 2000.
Voor de emissiereductie vanuit de landbouw is het uitgangspunt evenwichtsbemesting. Tot nu toe is er nauwelijks verandering in de hoeveelheid P en N die vanuit de landbouw in het oppervlaktewater komt. Ondanks dat de input van P en N in de landbouw vermindert (zie doelgroep indicator) leidt het naijlingsfenomeen in de bodem ertoe, dat nog geen vermindering van de oppervlaktewater-belasting vanuit de landbouw optreedt.
Emissiedoelstellingen zijn geformuleerd voor oppervlaktewater. In het NAP/RAP is de doelstelling 50% reductie voor N en P in 1995 (ten opzichte van 1985). In het NMP zijn reductiedoelstellingen voor 2000 opgenomen van 70% voor N en 75% voor P, beide ten opzichte van 1985. Op basis van een risico-analyse is in het NMP 2 voor de Noordzee een einddoelstelling geformuleerd van 75% reductie voor N en P, beide ten opzichte van 1985. De 50% reductie voor P naar het oppervlaktewater wordt naar verwachting in 1995 gehaald. De N-belasting zal in 1995 met circa 25% verminderd zijn (doel = 50%).
In de toevoer van Rijn en Maas is een duidelijke afname van P te zien, de toevoer van N is weinig veranderd. De atmosferische depositie van N is tussen 1985 en 1992 iets verminderd. De bijdrage van de diffuse belasting vanuit de landbouw van P en N blijft onverminderd hoog. Milieukwaliteitsdoelstellingen oppervlaktewater. Voor fosfaat geldt een grenswaarde van 0.15 mg/l P als jaargemiddelde voor alle zoete oppervlaktewater. Voor stikstof geldt een grenswaarde van 2.2 mg/l als zomerhalfjaargemiddelde voor stagnante eutrofiëringsgevoelige zoete wateren.
De grenswaarde voor P wordt in 80% van de Nederlandse oppervlaktewateren overschreden, de grenswaarde voor N wordt in 85–90% van de Nederlandse oppervlaktewateren overschreden.
Milieukwaliteitsdoelstellingen grondwater. Voor fosfaat geldt een streefwaarde van 0.4–3.0 mg/l P (zandgebieden-klei/veengebieden). Voor stikstof geldt een streefwaarde van 11.3 mg/l N te bereiken in 2000, overeenkomend met 50 mg/l NO3 (EG-Nitraatrichtlijn). Voor de langere termijn is een streefwaarde van 5.6 mg/l geformuleerd.
De streefwaarde van 11.3 mg/l N (EG-Nitraatrichtlijn) wordt bij 35% van de landbouwgronden overschreden.
Op het land leidt te hoge concentratie van nutriënten in het milieu tot achteruitgang van natuurwaarden door verlies van voedselarme ecosystemen. In het water is sprake van ernstige algengroei, kroosvorming en ontregeling van ecosystemen in het water.
Mede hierdoor worden milieugebruiksfuncties bedreigd, zoals de kwaliteit van het zwemwater in de zomer van 1994.
Naast het directe effect van bemesting speelt daarbij ook de uitspoeling van landbouwgronden een rol (naijling).
In het kader van de Watersysteemverkenningen (voortraject van de vierde Nota Waterhuishouding) worden voor een aantal niveaus van acceptabele verliezen (opties) de consequenties voor de Nederlandse oppervlaktewateren doorgerekend.
Naar verwachting zullen de acceptabele verliezen voor P en N, die landelijk zullen gelden, niet voldoende zijn om de belasting naar het milieu voldoende te verminderen. Aanvullende gebiedsgerichte maatregelen zullen noodzakelijk zijn.
Om de milieukundig acceptabele verliezen voor P en N te kunnen afleiden is door het RIVM onderzoek gedaan naar de relatie tussen oppervlaktewater- en grondwaterkwaliteitsdoelstellingen.
Het huidige normstellingskader voor P en N blijkt niet goed toepasbaar op sloten in landbouwgebieden. Daarom is gestart met een actie om de normstelling van oppervlaktewater in landbouwgebieden aan te passen. Hierbij wordt samengewerkt tussen RIVM, RIZA en STOWA.
De EG-Nitraatrichtlijn is in 1991 aanvaard. Met de nitraatrichtlijn wordt beoogd het grondwater en oppervlaktewater te beschermen tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Er doen zich problemen voor bij de implementatieverplichting van een stikstofgebruiksnorm vanwege de grote gevolgen voor de veehouderij. In de Integrale Notitie, waarin het mestbeleid wordt herijkt, worden de beleidsimplicaties van de richtlijn aangegeven.
De EG-Richtlijn Stedelijk Afvalwater is in 1991 aanvaard. Met de richtlijn wordt beoogd het oppervlaktewater te beschermen tegen nadelige invloed van lozingen van stedelijk afvalwater. De implementatie van de richtlijn zal in het 4e kwartaal 1995 zijn beslag krijgen.
Op de Rijn-Ministersconferentie in 1994 is een tussenbalans opgemaakt van het Rijnactieprogramma (RAP). Het programma is in 1987 gestart met als doel 50% reductie van de emissies van 50 prioritaire stoffen. Voor de meeste stoffen is dit al in 1992 gehaald. De door de Internationale Rijncommissie (IRC) afgesproken kwaliteitsdoelstellingen zijn in 1993 voor de meeste stoffen bereikt. Er blijven nog enkele knelpunten, waaronder fosfaten en stikstofverbindingen. De IRC heeft opdracht gekregen na te gaan hoe de knelpunten in de laatste fase van het RAP (1995–2000) kunnen worden opgelost.
Men is het eens geworden over de grondslagen van een nieuw ecologisch gericht Rijnverdrag. Er wordt naar gestreefd, dit verdrag in 1997 gereed te hebben.
Op de Noordzeeministersconferentie (1995) is de balans opgemaakt van het Noordzee-Actieplan (NAP). Alle landen, met uitzondering van Engeland, hebben nationale actieplannen opgesteld. De doelstelling voor nutriënten was een reductie van emissies van 50% in 1995 ten opzichte van 1985. Voor fosfor wordt 50% reductie gehaald, behalve voor Frankrijk waar het reductiepercentage circa 25% bedraagt. Voor de Noordzeestaten ligt de reductie van stikstof tussen 20 en 30%. De ministers hebben zich echter opnieuw verplicht tot het realiseren van de eerder afgesproken doelstellingen. Met het oog hierop zal de uitvoering van maatregelen worden versterkt, met name in het kader van de EG-richtlijnen voor stedelijk afvalwater en de nitraatverliezen in de landbouw. Ook aan de atmosferische depositie van ammoniak en stikstofoxiden zal grotere aandacht worden gegeven. De ministers hebben geconcludeerd dat ook via de atmosfeer een aanzienlijke bijdrage wordt geleverd aan de stikstofbelasting van de Noordzee. Vastgesteld is dat de aanpak van de nutriëntenproblematiek verder geïntegreerd moet worden in andere beleidsterreinen, waarbij met name het landbouw- en transportbeleid zijn genoemd. De Europese Unie (EU) en de Economische Commissie voor Europa (VN-ECE) zijn uitgenodigd om de doelstellingen van het Noordzeebeleid te integreren in de daarvoor in aanmerking komende beleidsprogramma's.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
– Operationaliseren van BMK (Bijzondere Milieu-Kwaliteit) voor P en N voor voedselarme ecosystemen op het land en in het water. Dit gebeurt door een CIW/CUWVO-werkgroep (Coördinatie-commissie Uitvoering Wet verontreiniging oppervlaktewater). Differentiëren van oppervlaktewater kwaliteitsnormen naar watertype is in een aantal provincies reeds praktijk.
– Het toetsen van de methodiek van gedifferentieerde normen voor oppervlaktewater in regionale voorbeeldprojecten.
– Inzet van gebiedsgericht instrumentarium voor lokaliseren en afgrenzen van probleemgebieden, waarvoor aanvullende gebiedsgerichte maatregelen noodzakelijk zijn.
– Aanwenden van de bijdrageregeling gebiedsgericht milieubeleid voor stimulering gebiedsgerichte maatregelen in het kader van vermesting.
– Afstemming van de aanpak van verdroging en vermesting in gevallen van samenloop.
– Gebiedsgerichte aanpak fosfaatverzadigde gronden.
– Integrale milieutaakstelling regionaal specificeren tot integrale regionale plannen.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– Nota met evaluatie milieurendement gebiedsgerichte maatregelen vermesting in bodembeschermingsgebieden (1996)
– Leidraad gebiedsgerichte normstelling (1997)
– Convenant met de landbouwsector
– Regionale convenanten
BASISGEGEVENS
Beschrijving thema
Overmatige belasting van het milieu met fosfor (P) en stikstof (N) veroorzaakt ontregeling van ecologische processen en beïnvloedt milieugebruiksfuncties negatief.
Aanpak/benadering
– herstellen van de balans tussen aan- en afvoer fosfor en stikstof in 2000 op landbouwgronden;
– de belasting van oppervlaktewater met vermestende stoffen terugbrengen door vermindering van de emissies uit huishoudens, industrie en landbouw;
– aandacht voor specifieke gebieden.
In de indicator zijn verdisconteerd de verkoopcijfers voor bestrijdingsmiddelen alsmede de emissies van prioritaire stoffen en radio-actieve stoffen, alle gewogen naar toxiciteit en verblijftijd in het milieu. De indicator geeft, evenals voorgaande jaren, een geflatteerd beeld, doordat de samenstellende deelindicatoren niet volgens de zelfde systematiek zijn opgebouwd. Als gevolg van het ontbreken van gegevens van prioritaire stoffen over de periode 1980–1984 en van bestrijdingsmiddelen voor de jaren 1980–1983 is het niet mogelijk de indicator vanaf 1980 te presenteren.
Ten opzichte van 1985 is de verspreiding van landbouwbestrijdingsmiddelen in 1994 met 54% afgenomen. De verspreiding van biociden daalde tussen 1985 en 1992 met ongeveer 41%. De grote omzetdaling in bestrijdingsmiddelen is met name toe te schrijven aan de AMvB grondontsmetting. Het beeld wordt geflatteerd door de toenemende import van biociden (geschat 20 tot 30%), waarover echter meer informatie ontbreekt.
Tussen 1985 en 1993 daalden de gewogen emissies van prioritaire stoffen met circa 30%. Deze daling wordt veroorzaakt door vermindering van de emissie van cadmium, chroom, lood en vooral kwik naar water en van dioxinen en lood naar lucht.
De verspreiding van radio-actieve stoffen kende in 1994 een geschatte toename van 10% ten opzichte van 1980 ten gevolge van radonemissies door toename van de woningbouw en het kolenverbruik door elektriciteitscentrales.
In 1994 zijn er overeenkomstig de EU-regelgeving 55 nieuwe stoffen beoordeeld in verband met de informatieverplichting voorafgaand aan het in de EU in de handel brengen. Daarnaast worden ook stoffen beoordeeld die in andere EU-lidstaten zijn kennisgegeven. Van 2 stoffen, kennisgegeven in een andere EU-lidstaat, leidde de resultaten uit de risicobeoordeling tot een vrijwillige terugtrekking van de EU-markt, omdat de geschatte emissies van de betreffende stoffen het maximaal toelaatbare risiconiveau overschrijden. Voor één in Nederland kennisgegeven stof, die eveneens volgens de risicobeoordeling aanleiding geeft tot overschrijding van het maximale risiconiveau, zijn stappen ondernomen om op adequate wijze de emissies alsnog tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen. Terugblikkend over ruim 10 jaar ervaring met kennisgevingen van nieuwe stoffen in de EU blijkt dat de resultaten uit de risicobeoordeling hebben geleid tot een vrijwillige terugtrekking van circa 30 stoffen over een totaal van circa 1500 nieuwe stoffen, dat wil zeggen de risicobeoordeling blijkt een preventieve uitwerking te hebben.
Voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) is er eveneens een stijgende tendens in de vergunningverlening voor introductie van ggo's in het milieu en voor ingeperkt gebruik.
Op 1 september 1995 is de implementatie van de Uniforme Beginselen (EU) voor de beoordeling van de actieve stoffen in de bestrijdingsmiddelen van kracht geworden. Vooruitlopend daarop zijn op 1-2-1995 de criteria voor uitspoeling naar grondwater, persistentie en toxiciteit voor waterorganismen reeds in werking getreden (AMvB Bestrijdingsmiddelenwet). Voor alle toegelaten landbouwbestrijdingsmiddelen is voor het jaar 2000 planmatige herbeoordeling voorzien, voor een deel gekoppeld aan de EU herbeoordeling.
Doel van het verspreidingsbeleid is het realiseren van de grenswaarden en bij het ontbreken daarvan een concentratie-risiconiveau dat in 2000 het maximaal toelaatbaar risiconiveau niet overschrijdt. Op de lange termijn wordt met toepassing van het ALARA-principe (As Low As Reasonably Achievable) gestreefd naar de streefwaarden of het verwaarloosbaar risiconiveau.
Het thema verspreiding is zeer omvangrijk. Daardoor is het moeilijk een helder beeld te geven van de fase waarin het thema zich bevindt. Uit de schets van de uitvoeringsresultaten blijkt dat het preventief deel (beoordeling vooraf) van het thema zich volledig in de fase van uitvoering bevindt. Begin 1994 is bij de herziening van de prioritaire stoffenlijst een beeld geschetst, waaruit blijkt dat het zwaartepunt ligt in de implementatiefase. Voor de bestaande stoffen vindt een verschuiving plaats van nationaal naar internationaal beleid (EU, OESO). Internationaal bevindt het thema zich voor een belangrijk deel nog in de probleemerkenningsfase.
Dit jaar is de doorvertaling van het beleid van het NMP 2 op provinciaal niveau verder opgepakt en zijn er gezamenlijke projecten ten behoeve van de uitwerking gestart, die het komend jaar meer zicht bieden op de mogelijke uitwerking van het thema op provinciaal niveau.
Uit de voorlichtingscampagne die gehouden is voor de andere overheden over het asbestbeleid, zijn knelpunten naar voren gekomen. Deze worden momenteel nader onderzocht en zullen later dit jaar leiden tot bijstelling van de regelgeving.
Nog dit jaar zal de evaluatie van de regelgeving voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) worden afgerond, waarna eventueel bijstelling volgt.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
In 1996 zal worden voorgesteld hoe normen voor van nature voorkomende stoffen zoals bijvoorbeeld metalen kunnen worden gesteld, ingegeven door het feit dat normen nu in sommige gevallen onder de natuurlijk voorkomende achtergrondconcentratie liggen en daarom niet haalbaar zijn. In 1995 worden voorstellen voor Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR's) en Verwaarloosbaar Risico (VR's) voor circa 150 gebruikte en «oudere» bestrijdingsmiddelen door het RIVM opgeleverd.
Komend jaar zal ook geëvalueerd worden of de tot nu toe afgeleide MTR's/VR's voor het ecosysteem voor bodem, water en lucht ook voldoende bescherming bieden voor de mens.
In verschillende compartimenten worden de grenswaarden en soms de maximaal toelaatbare risiconiveaus overschreden. Om te voorkomen dat door bepaalde maatregelen dit probleem wordt verschoven van het ene naar het andere metaal en omdat voor een deel dezelfde doelgroep en/of bedrijfstak verantwoordelijk is voor de aanpak van de (diffuse) emissies en omdat het weinig zin heeft slechts een deel van de probleemstoffen uit een afvalstroom te verwijderen en doordat bij een meer fundamentele benadering ook duurzamere oplossingen in beeld komen, is de Tweede Kamer toegezegd dat er een beleidsstandpunt wordt opgesteld (1996) om maximale afstemming te bevorderen.
Gewerkt wordt aan concrete invulling van speerpunten van het beleid gericht op het terugdringen van de milieubelasting met zware metalen uit de bouw, uit meststoffen en uit afvalstoffen, door antifouling en door depositie. Het zwaartepunt ligt bij het geleidelijk invoeren van alternatieven, wanneer vervanging tot hoge maatschappelijke kosten leidt.
Daarnaast wordt gewerkt aan het terugdringen van de belasting uit andere diffuse bronnen die eenvoudig te elimineren zijn: onder andere via het cadmiumbeleid (ontheffingen, convenant bier- en frisdrankindustrie) en beleid gericht op het terugdringen van gebruik van kwik en lood.
Essentiële toepassingen van kwik worden geregeld in het op te stellen Kwik-besluit Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms). Het aan de Kamer toegezegde Beleidsstandpunt zware metalen zal worden geïntegreerd met het Actieprogramma Zware Metalen in produkten. In het op te stellen beleidsdocument zullen de reeds getroffen en de te treffen maatregelen voor produkten tot 2000 worden opgenomen.
Belangrijk blijft de inzet in internationale gremia als EU, OESO, OSPARCOM (Oslose/Parijse Commissie), Europese Commissie voor Europa (VN-ECE) en de Internationale Rijncommissie (IRC).
De Gezondheidsraad zal naar verwachting in september 1995 advies uitbrengen over fijn stof. Uit nieuwe wetenschappelijke informatie blijkt dat de gezondheidsrisico's van fijn stof groot zijn. Herziening van de regeling voor wintersmog is in verband daarmee waarschijnlijk gewenst. Met het oog daarop zal begin 1996 een voorlopig beleidsstandpunt over fijn stof/wintersmog worden uitgebracht. Voor 1997 is een definitief beleidsstandpunt over fijn stof/wintersmog voorzien. Hierin zullen de dan beschikbare resultaten van het op dit moment lopende onderzoek ten aanzien van fijn stof en wintersmog verwerkt worden.
– PAK (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen)
Januari 1995 is het ontwerp-besluit PAK-houdende coatings (waaronder twee componenten coatings) voorgepubliceerd. Het Besluit regelt dat het toepassen en voorhanden hebben van deze coatings vanaf medio 1997 verboden is.
Taakstellingen doelgroepen prioritaire stoffen
In het NMP 2 zijn voor de prioritaire stoffen reductiepercentages aangegeven die gelden voor alle doelgroepen. Door betere methoden en gegevensvoorziening wordt het mogelijk per doelgroep en zelfs per bedrijfstak meer gespecificeerd en beter onderbouwd een emissiereductiepercentage per prioritaire stof vast te stellen.
Gewerkt wordt aan een onderbouwde tabel waarin per doelgroep taakstellingen voor iedere prioritaire stof voor de korte en lange termijn worden vastgesteld. Deze moet daarna doorwerken in de afspraken die met de diverse doelgroepen zijn of worden gemaakt.
Vereenvoudiging van stoffenregelgeving
Eén van de Strategie Efficiencyverbetering Milieuregelgeving-projecten waarmee mogelijk veel efficiencywinst is te behalen, is de vereenvoudiging van stoffenregelgeving. Doel van dit project is de in de Wet milieugevaarlijke stoffen opgenomen bepalingen over kennisgeving, onderzoek, verpakking en etikettering en veiligheidsinformatiebladen te vereenvoudigen èn over te hevelen naar de Wet milieubeheer. Tevens zal een financiële regeling worden opgenomen ten behoeve van de beoordeling van ggo's en nieuwe stoffen; dit is in lijn met het EU-beleid inzake. Verder wordt een aantal inhoudelijke wijzigingen overwogen, zoals een kaderregeling in plaats van gedetailleerde regeling, vergemakkelijken van de implementatie van Europese voorschriften en vergroting van de efficiency en aansluiting bij EU-voorschriften van de onderzoeksbepalingen.
Implementatie Nota Omgaan met Risico's van Straling
De implementatie van het in de nota's Omgaan met Risico's van Straling (ORS) en de vervolgnotitie ORS geformuleerde beleid heeft plaatsgevonden door het opstellen van een ontwerp-wijziging Besluit stralenbescherming Kernenergiewet (BsK) en de nota Radonbeleid. Beide zijn in 1994 in de Kamer besproken.
De komende tijd wordt aandacht besteed aan de volgende acties:
– de uitwerking van een extra criterium voor de beperking van de gevolgen van ongelukken met nucleaire installaties met name voor wat betreft het buiten gebruik raken van grotere oppervlakten;
– implementatie van ORS door een aanpassing van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (Bkse);
– doorvoeren van wijziging BsK op basis van adviezen van de Raad van State, de Europese Commissie over de ontwerp-wijziging;
– de voorbereiding van de nota Uitvoering Radonbeleid;
– implementatie van het ORS-beleid in nieuwe Kernenergiewet-vergunningen voor zover dit mogelijk is binnen de bestaande juridische kaders.
Gebleken is dat de radiumconcentratie in de bodem aanzienlijk verhoogd kan zijn. Hierdoor kunnen radonconcentraties in woningen verhoogd zijn. Onderzoek moet inzicht geven in de actuele radonconcentraties in recent gebouwde woningen en moet aantonen of de relatie tussen radium in de bodem en radon in de woning ook werkelijk bestaat. In de Nota Uitvoering Radonbeleid wordt vermeld hoe, door wie en wanneer het in het Beleidsstandpunt Radon geformuleerde reductiebeleid uitgevoerd moet worden.
– De VN-ECE heeft besloten voor zware metalen en persistente organische verbindingen protocollen op te stellen om een emissiereductie te bevorderen. Deze positieve beslissing was mede mogelijk door het opstellen van een Position Paper door Nederland en door 8 andere landen mede ingediend. De protocollen zijn inmiddels in concept gereed. In november 1995 wordt besloten over de wijze waarop de onderhandelingen over de protocollen wordt vorm gegeven (Actie RIJK 51 uit Werkdocument NMP 2).
– Nederland heeft voor het houtverduurzamingsmiddel creosoot een beroep gedaan op de Europeesrechtelijke uitzonderingsclausule om te bewerkstelligen dat het nationaal reeds bereikte beschermingsniveau, dat verder gaat dan op basis van Europese harmonisatie is overeengekomen, kan blijven gehandhaafd. Nederland zal zich ook in de toekomst blijven inzetten voor een hoog beschermingsniveau. Door toetreding tot de EU van Zweden, Oostenrijk en Finland is het aantal EU-lidstaten met een verdergaand stoffenbeleid vergroot. Mogelijk wordt de EU-richtlijn voor cadmium aangescherpt naar Nederlands voorbeeld.
– Tijdens de Milieuraad in juni 1995 is in de EU overeenstemming bereikt over gemeenschappelijk Europees beleid voor prioritaire stoffen: de Kaderrichtlijn luchtkwaliteit. Europese normstelling op basis van deze richtlijn is in de komende jaren gepland voor 13 stoffen waaronder herziening van de bestaande EG-richtlijnen voor luchtkwaliteit voor zwaveldioxide, en zwevende deeltjes, stikstofdioxide en lood. De richtlijn voorziet tevens in bepalingen over de controle van de luchtkwaliteit, het treffen van maatregelen om aan Europese normstelling te voldoen, het informeren van de bevolking over de hoogte van concentraties van luchtverontreinigende stoffen. Bij de voorbereiding van de richtlijn in op initiatief van Nederland uitvoering gesproken over :
1) het opnemen van richtwaarden voor de luchtkwaliteit als lange termijndoelstelling naast grenswaarden en alarmwaarden;
2) het opnemen van het stand-stillbeginsel;
3) een regeling voor grensoverschrijdende luchtverontreiniging;
4) meetstrategieën.
In de huidige richtlijn zijn het standstill-beginsel en een artikel over grensoverschrijdende luchtverontreiniging opgenomen. De meerderheid van de overlegpartners wees het opnemen van richtwaarden in de richtlijn af. Wel is in verband met de speciale problemen voor ozon de mogelijkheid geschapen richtwaarden voor die stof vast te stellen. Wat betreft de meetstrategie is voor een deel aan Nederlandse verlangens tegemoetgekomen: het gebruik van berekeningsmodellen is in bredere mate toegestaan.
De richtlijn moet binnen 18 maanden in de Nederlandse wetgeving worden geïmplementeerd. Bezien wordt in hoeverre de Wet milieubeheer aanpassing behoeft.
Volgens de richtlijn moet de Europese Commissie vóór 1 januari 1997 voorstellen bij de Raad indienen voor dochterrichtlijnen voor de volgende stoffen: SO2, zwevende deeltjes, zwarte rook, NO2 en lood; voor ozon uiterlijk maart 1998.
Voor benzeen, koolstofmonoxide, PAK, cadmium, kwik, arseen en nikkel moeten vóór 1 januari 2000 voorstellen door de Commissie worden ingediend. De voorstellen worden in overleg met en met de hulp van de lidstaten opgesteld.
Ook de dochterrichtlijnen dienen in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd te worden.
– Het in Nederland ontwikkelde beslissingsondersteunende Uniform Beoordelingssysteem Stoffen (UBS) wordt voor nieuwe en bestaande stoffen momenteel gemodificeerd tot een voorstel voor een EU beoordelingssysteem en moet in 1996 gereed zijn. Dit Europese UBS wordt afgestemd op de «Technical Guidance Documents» voor de risicobeoordeling van betreffende stoffen die onder leiding van Nederland in 1995 moeten worden afgerond. Voor landbouwbestrijdingsmiddelen en biociden wordt het UBS op nationaal niveau verder ontwikkeld en afgestemd op de Europese en nationale wet- en regelgeving.
– In OESO-kader zal tijdens de komende Joint Meeting voorstellen voor een Council Act of Action Plan on Lead worden besproken. Voor cadmium zal eenzelfde procedure worden gevolgd.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– Beleidsstandpunt zware metalen (1996)
– Meerjarenplan Hygiëne en Materiaalbescherming (1996)
– Evaluatie Meerjarenplan Gewasbescherming (1996)
– EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit (1996)
– beleidsnotitie fijn stof (1996)
– beleidsstandpunt fluoriden (1995)
– brief naar Tweede Kamer met aanbieding MTR's/VR's voor bodem, water en lucht (herziening MILBOWA stoffen en circa 70 overige stoffen; 1996)
– notitie aan de Tweede Kamer met MTR's/VR's (en mkd's) voor circa 150 bestrijdingsmiddelen (1996)
– Herziening Cadmium besluit Wms (1996)
– beleidsnotitie chloor (1995)
– Europees beoordelingssysteem stoffen (1996)
– nationaal uitgebreid en EU-afgestemd risicobeoordelingssysteem stoffen (1996)
– Technical Guidance Documents voor de risicobeoordeling van nieuwe en bestaande stoffen (1995)
– Inbouw van de Wms (met uitzondering van enkele AMvB's) in de Wet Milieubeheer
– wijziging BsK (1995)
– Nota Uitvoering Radonbeleid
– implementatie van ORS door aanpassing Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (Bkse)
Bodembescherming en bodemsanering
Sterke groei aantal deelnemende bedrijven BSB-operatie in 1994
Het aantal bedrijven dat deelneemt aan de BSB-operatie is in 1994 gestegen van 400 bedrijven eind 1993 naar circa 4000 bedrijven per 31 december 1994. Dit staat in de voortgangsrapportage over 1994 van de Stuurgroep BSB (bodemsanering van in gebruik zijnde bedrijfsterreinen). Door regionale BSB-stichtingen zijn 4500 bedrijven rechtstreeks benaderd voor het doen van een eerste onderzoek naar mogelijke bodemverontreiniging. Daarnaast hebben zich circa 2000 bedrijven vrijwillig aangemeld. Bij de BSB-stichtingen zijn in 1994 voorts ruim 1200 bodemonderzoeken overlegd door bedrijven. De Stuurgroep raamt het totale aantal bedrijven dat in 1994 activiteiten heeft verricht ten behoeve van vrijwillig bodemonderzoek of -sanering op circa 6000. De daarmee gemoeide financiële inspanning van het bedrijfsleven in 1994 wordt geschat op circa 240 miljoen gulden.
Het bodembeleid wordt op dit moment ingebed in maatschappelijke processen. Op het gebied van de bodembescherming betekent dat een accentverschuiving van dwingende regelgeving naar richtlijnen ter ondersteuning van de uitvoering en vergunningverlening. Voor wat betreft de bodemsanering is met de inwerkingtreding van de saneringsparagraaf in de Wet bodembescherming (Wbb) een belangrijke stap gezet. Provincies en grote gemeenten hebben als bevoegde gezag een centrale rol gekregen. De uitvoering door het bevoegde gezag zal in de komende jaren verder ondersteund worden met een aantal kaderstellende regelingen en besluiten.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Momenteel wordt gewerkt aan een notitie over decentralisatie van de bodemsanering, die aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Thans vindt overleg plaats met de partners over wat een wenselijke en haalbare taakverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten is.
Aanvullende wettelijke regeling sanering waterbodems (Actie AO 11 uit Werkdocument NMP 2)
In aanvulling op de saneringsregeling in de Wet bodembescherming bestaat behoefte aan een specifieke regeling voor de sanering van de waterbodems, waarin met name voor de waterkwaliteitsbeheerders een belangrijke plaats wordt ingeruimd. Daarom wordt gewerkt aan het realiseren van instrumentarium voor waterkwaliteitsbeheerders, provincies en rijk in de vorm van een wetsontwerp ter wijziging van de saneringsregeling van de Wet bodembescherming. Tevens wordt de financiering geregeld conform het regeringsstandpunt over het rapport van de Commissie Onderzoek Financieringsstelsel Waterbeheer. Dit wetsontwerp treedt naar verwachting op 1 januari 1997 in werking.
Verbetering milieurendement bodemsanering
In de saneringsparagraaf Wet bodembescherming staan drie criteria centraal: noodzaak, urgentie en resultaat van de sanering. Ter voorbereiding van de uitvoeringsregelingen Wet bodembescherming gericht op het resultaat van sanering, wordt in overleg met betrokkenen gezocht naar mogelijkheden voor optimale uitvoering van de bodemsanering. Hierin zullen met name de aanbevelingen van de werkgroep Bodemsanering (Welschen) worden betrokken.
Besluit streef, - interventiewaarden en urgentie (Actie RIJK 43 uit Werkdocument NMP 2)
Op grond van artikel 36 van de Wet bodembescherming moet bij AMvB bepaald worden in welke gevallen er sprake is van ernstige verontreiniging. Ook moet er een regeling zijn om de urgentie van de sanering in een bepaalde situatie te bepalen. Op basis van artikel 38–2 van de Wet bodembescherming moeten regels gesteld worden om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van behoud en herstel van de functionele eigenschappen van de bodem als saneringsdoel. Voor de bepaling van streef- en interventiewaarden wordt in 1996 een AMvB opgesteld. De AMvB urgentie zal eerst na evaluatie van het huidige interimbeleid, zoals vastgelegd in de circulaire inwerkingtreding, worden voorbereid.
BSB-operatie en aanpak voormalige gasfabriekterreinen (Acties RIJK 43, RIJK 12 uit Werkdocument NMP 2)
De BSB-operatie (bedrijfsterreinen in gebruik) is belangrijk bij het stimuleren van vrijwillige saneringen. Per provincie zijn stichtingen actief die op gestructureerde wijze de inventariserende bodemonderzoeken stimuleren. Over de voortgang van deze operatie wordt jaarlijks aan de Tweede Kamer gerapporteerd. Het IPO heeft het voortouw bij het maken van afspraken met de energiebedrijven om de sanering van voormalige gasfabrieksterreinen tot stand te brengen. In 1996 wordt in een kabinetsstandpunt een overzicht gegeven van de totale financiële problematiek rond de bodemsanering.
Bodemsanering in relatie tot bodemsaneringsclaim «cluster III regeerakkoord»
In het regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over extra gelden voor bodemsanering en enkele andere beleidsterreinen. Hiervan is een bedrag van structureel f 100 miljoen per jaar vrijgemaakt voor extra uitgaven op het gebied van de bodemsanering. Deze gelden worden gebruikt voor het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen op lokaties die op financiële of technisch-organisatorische gronden niet direct kunnen worden aangepakt, en voor die gevallen die ernstige maatschappelijke knelpunten veroorzaken.
Prioriteitsstelling bodemsanering in relatie tot VINEX
Ten behoeve van bodemsanering in het kader van de woningbouwtaakstelling, voortvloeiend uit de Vierde Nota Extra (VINEX), is in 1994 f 300 miljoen in het FES-fonds voor deze bodemsaneringsprojecten gereserveerd. Inmiddels zijn deze middelen grotendeels door VROM verplicht. Naast deze middelen fourneert VROM gelden uit de reguliere (project en budget) financiering ten behoeve van de VINEX-operatie. De FES-middelen dienen besteed te zijn per eind 1998. De samenhang met woningbouw staat voorop in deze operatie, daarbinnen worden de criteria van de Wet bodembescherming gehanteerd.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
preventief beleid:
– herziening Besluit opslaan in ondergrondse tanks (BOOT)
– aanvulling Stortbesluit
– Nederlandse Richtlijnen Bodembeschermende voorzieningen
– aanvulling Ministeriële uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit
– evaluatie Besluit opslaan in ondergrondse tanks, Stortbesluit en Lozingenbesluit
normstelling:
– besluit streef,- interventiewaarden en urgentie (1997)
saneringsbeleid:
– besluit Lokatiespecifieke omstandigheden
– Ministeriële regeling Saneringsonderzoek
– Ministeriële regeling Isoleren, Beheersen en Controleren
– wetsontwerp sanering waterbodems (1997)
– wetsvoorstel vervreemding
– evaluatie saneringsregeling Wet bodembescherming (1998)
– kabinetsstandpunt financiering bodemsanering (1996)
BASISGEGEVENS
Beschrijving thema
Het thema richt zich op het voorkomen en het verminderen van risico's voor mens en milieu door alle stoffen, inclusief radio-actieve stoffen en bestrijdingsmiddelen, die bij produktie, gebruik en verwijdering in het milieu komen met uitzondering van specifieke stoffen waarvoor in andere thema's beleid wordt geformuleerd.
Aanpak/benadering
– Preventieve aanpak door beoordeling voor introductie in economie en milieu bij nieuwe stoffen, nieuwe bestrijdingsmiddelen en genetisch gemodificeerde organismen (ggo's);
– Preventieve aanpak door het nemen van brongerichte maatregelen;
– Aansturing van het brongerichte beleid vanuit de milieukwaliteit op basis van risicogrenzen en grens- en streefwaarden.
De indicator geeft de totale hoeveelheid jaarlijks gestort vast afval weer, uitgezonderd baggerspecie, dierlijke mest, fosforzuurgips en verontreinigde grond.
Ten opzichte van 1980 was in 1994 de hoeveelheid gestort vast afval met 29% afgenomen.
Ten opzichte van 1993 valt een afname te constateren van 11,7 naar 9,9 verwijderingsequivalenten. Deze afname is met name het gevolg van een toename van de hoeveelheid apart ingezameld en gecomposteerd GFT-afval, een afname van de hoeveelheid gestort bouw- en sloopafval en een sterke afname van de hoeveelheid door bedrijven in eigen beheer gestort afval.
* Besluit verwijdering batterijen
Op 10 maart 1995 is het Besluit verwijdering batterijen (Staatsblad 1995, 45) in werking getreden. Op grond van dit besluit zijn producenten en importeurs van batterijen en van apparaten waarin batterijen zijn ingebouwd, onder andere verplicht deze batterijen terug te nemen en te verwerken. In mei 1995 is aangegeven op welke wijze zij aan deze verplichtingen zullen voldoen.
* Besluit verwijdering personenwagenbanden
Eind april 1995 is het Besluit verwijdering personenwagenbanden in het Staatsblad gepubliceerd (Staatsblad 1995, 248). Het besluit is op 1 september 1995 in werking getreden. Op grond van dit besluit zijn producenten en importeurs van personenwagenbanden verplicht gebruikte personenwagenbanden terug te nemen en verder te verwijderen. Vóór 1 december 1995 moeten zij aan de minister meedelen op welke wijze zij aan deze verplichtingen zullen voldoen.
* Besluit stortverbod afvalstoffen
In juni 1995 is het Besluit stortverbod afvalstoffen in het Staatsblad gepubliceerd.
Invalshoek van het besluit is een verbod op het storten van herbruikbaar of verbrandbaar afval. Van dit besluit zal een stimulans uitgaan om afvalstoffen te hergebruiken of te verbranden. Het gaat om 32 categorieën afvalstoffen, afkomstig van zowel huishoudens als bedrijven. Belangrijke categorieën zijn huishoudelijk- en bedrijfsafval, reinigbare grond en bouw-en sloopafval. In werking treding van het Besluit was oorspronkelijk voorzien in de loop van 1997. Inmiddels is echter gebleken dat het aanbod aan verbrandbaar afval afneemt en dat in de loop van 1997 de beschikbare verbrandingscapaciteit nagenoeg voldoende zal zijn om het totale aanbod te kunnen verwerken.
* Belasting op storten afvalstoffen
Op 1 januari 1995 is de Wet belastingen op milieugrondslag in werking getreden. Op grond van deze wet is onder meer een belasting op het storten van afval verschuldigd ter hoogte van f 29,20 per ton afval, excl. btw, voor 1995. Deze wet past in het aangekondigde beleidsvoornemen de storttarieven op te trekken tot het niveau van de verbrandingstarieven (Actie AF 2 uit Werkdocument NMP 2). Een standpunt over dit beleidsvoornemen is op 14 maart 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden.
* Afronding en overdracht aan provincies van meldingenregistratie gevaarlijk afval
Met het in werking treden van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer (hoofdstuk afvalstoffen) per 1 januari 1994 zijn de provincies verantwoordelijk voor de registratie van meldingen van ontvangsten en afgiften van gevaarlijke afvalstoffen. Voorafgaande aan de overdracht van deze taken is een nieuw meldingenregistratiesysteem ontwikkeld, dat sinds begin 1994 door het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (de instantie die voor de provincies de meldingen registreert) wordt gebruikt. De overdracht van taken moet nog worden afgerond. Deze overdracht vindt plaats via het provinciefonds met ingang van 1 januari 1996. Voor de doelgroep (de afvalverwijderingsbedrijven) heeft de decentralisatie nauwelijks gevolgen, omdat de registratie blijft gebeuren door een landelijke centrale instantie (het LMA) dat de opvolger is van het Bureau Meldingen Wet chemische afvalstoffen.
Zoals uit de indicator blijkt verloopt de uitvoering van het afvalstoffenbeleid zeer succesvol en vrijwel geheel volgens schema. Ook begint de samenwerking tussen de drie overheden in het Afval Overleg Orgaan (AOO) zijn vruchten af te werpen. Uit met name het ontwerp-tweede- Tien-Jarenprogramma Afval, dat op 5 april 1995 door het AOO werd vastgesteld, blijkt namelijk dat
– het aanbod van te storten en te verbranden afval is afgenomen;
– de inzameling van GFT-afval landelijk is ingevoerd en de knelpunten bij de verwerking van dat afval zijn opgelost;
– de gezamenlijke overheden overeenstemming hebben bereikt over verdergaande gescheiden inzameling van huishoudelijk afval;
– voldoende en goed over Nederland gespreide stortcapaciteit is gerealiseerd;
– de drie overheden gezamenlijk hebben besloten de geplande bouw van een tweetal verbrandingsinstallaties niet door te laten gaan omdat de beschikbare en in aanbouw zijnde verbrandingscapaciteit voldoende is om het aanbod aan verbrandbaar afval te kunnen verwerken.
De verwachting is gerechtvaardigd, dat bij bestendiging hiervan de gestelde doelstellingen zullen worden gehaald. Voor wat de externe integratie betreft kan worden opgemerkt, dat veel van de hierboven vermelde uitvoeringsresultaten co-produkties zijn van de betrokken overheden. Zo is het Tien-Jarenprogramma een co-produktie van Rijk, Provincie en Gemeente en de tussentijdse wijziging van het meerjarenplan verwijdering gevaarlijk afvalstoffen van IPO en Rijk. De externe integratie naar de doelgroepen wordt mede vorm gegeven door het hanteren van het uitgangspunt van de producentenverantwoordelijkheid. Ook in de eerder genoemde AMvB's autobanden en batterijen is dit beginsel gehanteerd. Deze AMvB's kunnen gekarakteriseerd worden als zelfregulering binnen kaders.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Het bevorderen en veiligstellen van de afzetmogelijkheden voor secundaire grondstoffen (Actie AF 6 uit Werkdocument NMP 2)
Met het veiligstellen en bevorderen van de afzetmogelijkheden van secundaire grondstoffen kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de realisatie van de preventie- en hergebruikdoelstellingen. Via het programma Afzet Afvalstoffen als Secundaire grondstof (AAS) (Actie AF 6 uit Werkdocument NMP 2) worden knelpunten in en bedreigingen voor de afzet van secundaire materialen gesignaleerd en worden activiteiten geïnitieerd, gestimuleerd, uitgevoerd of gecoördineerd om deze knelpunten en bedreigingen weg te nemen. Dit moet ertoe leiden dat in 1998 een evenwicht is bereikt tussen aanbod en vraag naar secundaire materialen.
Het programma heeft onder andere gevolgen voor de doelgroep bouw, die in toenemende mate bereid zal moeten zijn om primaire materialen in te ruilen voor secundaire materialen. Daarnaast heeft het programma gevolgen voor de doelgroepen die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van secundaire materialen. Via kwaliteitsborging en certificering zullen zij de betrouwbaarheid van de secundaire materialen moeten verhogen.
Een nadere afbakening van het begrip afvalstof en secundaire grondstof
In voorbereiding is een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 1.1, elfde lid, Wet milieubeheer. Met het oog op het bevorderen van produkt- of materiaalhergebruik zullen stoffen, preparaten of andere produkten worden aangewezen, waarbij onder bepaalde voorwaarden geen sprake is van het zich ontdoen van een afvalstof. Beoogd tijdstip van totstandkoming: 1997.
Het optimaliseren en intensiveren van gescheiden inzamelsystemen
Op 5 april 1995 is het ADC-deelprogramma gescheiden inzameling van droge componenten door het AOO vastgesteld. In dit deelprogramma zijn de resultaten vastgelegd van het onderzoek naar de mogelijkheden van de gescheiden inzameling van ondermeer papier, glas, textiel en van metalen en kunststoffen uit huishoudelijk afval.
Voor de doelgroep (de gemeenten) heeft dit programma gevolgen voor de frequentie en de organisatie van de gescheiden inzameling. In het programma wordt voorgesteld de inzameling van papier/karton, glas en textiel te optimaliseren door:
– het papier/karton eens per vier weken huis aan huis in te zamelen;
– het glas door middel van de glasbak te blijven inzamelen doch het aantal glasbakken sterk uit te breiden;
– het textiel eens per kwartaal huis aan huis in te zamelen en daarnaast textiel containers te plaatsen;
– blik en kunststof facultatief in te zamelen.
In de loop van 1995 zullen ook de deelprogramma's gescheiden inzameling van huishoudelijk KCA en de gescheiden inzameling van KWD-afval door het AOO worden vastgesteld.
Implementatie van EU-regelgeving in nationale wetgeving, zoals ten aanzien van storten, verpakkingen en lijsten van gevaarlijke stoffen
– ontwerp-Richtlijn storten: met deze richtlijn wordt beoogd de milieu-eisen aan stortplaatsen binnen Europa te harmoniseren.
– EU-lijst van gevaarlijke afvalstoffen: deze lijst heeft tot doel een geharmoniseerde minimum-lijst vast te stellen met wat binnen Europa onder gevaarlijke afvalstoffen verstaan moet worden. In Nederland is deze lijst via het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen en een ministeriële regeling geïmplementeerd.
– Richtlijn verpakkingen: met deze richtlijn wordt beoogd de hoeveelheid verpakkingen en verpakkingsafval te verminderen en het ontstane verpakkingsafval zoveel mogelijk te hergebruiken. Een wettelijke regeling ter implementatie van deze richtlijn wordt voorbereid.
Het effectueren van het uitgangspunt van de producentenverantwoordelijkheid voor afvalstoffen, zoals wit- en bruingoed en kunststoffolies uit de landbouw. (Actie RIJK 17 uit Werkdocument NMP 2)
– Ten aanzien van wit- en bruingoed is op 31 mei 1995 door de ministers van EZ en VROM een brief gezonden aan producenten en importeurs, waarin zij worden uitgenodigd vóór 1 juni 1995 een intentieverklaring af te geven. In deze intentieverklaring zullen zij een tijdschema moeten aangeven om een verwijderingsstructuur voor de betreffende afvalstroom tot stand te brengen.
– Ten aanzien van kunststoffolies uit de landbouw is in april 1995 een brief gezonden aan producenten en importeurs, waarin hen wordt gevraagd te reageren op het bijgevoegde ontwerp-besluit verwijdering land- en tuinbouwfolies. Op basis van dit besluit zullen producenten en importeurs verplicht worden de folies terug te nemen en te herverwerken.
Het tot stand brengen van een landelijke sturing van verbrandbaar (huishoudelijk- en bedrijfs)afval
Uit het ontwerp Tien-Jarenprogramma afval 1995–2005 blijkt dat Nederland over voldoende en landelijk goed gespreide stortlokaties beschikt, dat inmiddels voldoende verbrandingsinstallaties in bedrijf dan wel in aanbouw zijn en dat de samenwerking tussen de drie overheden werkelijk van de grond is gekomen. Vooral dit laatste is van belang omdat dit ertoe heeft geleid dat de partijen in het Afval Overleg Orgaan hebben besloten om in situaties waarin het strikt toepassen van het beginsel van regionale zelfvoorziening landelijk gezien tot sub-optimale oplossingen leidt, zoals met name bij de programmering van de benodigde verbrandingscapaciteit het geval is, niet langer van een regionale maar van een landelijke schaal uit te gaan. Een besluit dat er inmiddels toe heeft geleid dat de bouw van twee nieuwe verbrandingsinstallaties niet door gaat.
Om de gewenste overgang van regionale planning naar landelijke afstemming mogelijk te maken zonder dat de regio's met een tekort aan verbrandingscapaciteit grote risico's lopen, hebben partijen afgesproken dat een landelijke sturingsorganisatie zal worden opgericht die sturing zal gaan geven aan de verwerking van niet gecontracteerde, brandbare afvalstromen. Ook zal deze organisatie een rol spelen bij de uitvoering van het stortverbod dat in de loop van het vierde kwartaal 1995 in werking zal treden.
De uitvoering van het actieprogramma afvalpreventie bij bedrijfsmatige activiteiten. (Actie RIJK 19 uit Werkdocument NMP 2)
Doel van het programma is het ontwikkelen en toepassen van instrumenten, die afvalpreventie door bedrijven stimuleren. Vijf van de in totaal 16 projecten zijn volledig afgerond.
Voor de verdere implementatie van afvalpreventie van industrieel afval is ervoor gekozen om aan te sluiten bij het doelgroepenoverleg industrie en het vermijden van een aparte programmering op dit werkterrein.
De uit te voeren activiteiten van het projectenprogramma zijn in drie categorieën te onderscheiden:
1. het afronden van lopende projecten in de loop van 1995;
2. activiteiten die voortvloeien uit de inmiddels afgeronde projecten;
3. het starten van de nog resterende projecten uit het programma.
Eind 1995 zal de derde voortgangsrapportage verschijnen. Volgens planning is medio 1996 de eindrapportage van het actieprogramma gereed. Deze eindrapportage zal een uitvoeringsstrategie en een concreet actieplan gericht op de verdere stimulering van afvalpreventie bevatten.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– Tweede Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen (eind 1996)
– In werkingtreding AMvB Stortverbod Afvalstoffen (eind 1995)
– Sturingsorganisatie verbrandbaar afval (eind 1995)
– Besluit afvalstoffen-grondstoffen (1997)
– Implementatie afvalscheiding droge componenten (1995)
– Wettelijke regeling Verpakkingen (1995)
– Afzetdocumenten (1995)
– Implementatieplan bouw- en sloopafval (1995)
– AMvB kunststoffolies (1996)
BASISGEGEVENS
Beschrijving thema
Het thema verwijdering richt zich op het volledig beheersen van de keten grondstof– proces–produkt–afval door het voorkomen van het ontstaan van afval en het lekvrij verwijderen van onvermijdbaar afval. Onder lekvrij verwijderen wordt zowel hergebruik verstaan als het milieu-hygiënisch verantwoord (thermisch verwerken, storten) eindverwijderen.
Aanpak/benadering
– de belangrijkste doelgroepen voor het thema verwijdering zijn consumenten, industrie, bouw, afvalverwijderingsbedrijven en afvalwaterzuiveringsinstallaties;
– uitgangspunten van het afvalstoffenbeleid:
* de verantwoordelijkheid van de producent voor zijn produkt in het afvalstadium
* de vervuiler betaalt
* preventie aan de bron
* het sluiten van (materiaal)kringlopen;
– van belang is voldoende verwijderingscapaciteit (afvalverwerkingsbedrijven);
– de aanpak van preventie en hergebruik richt zich in de komende periode op het uitvoeren van de vastgestelde plannen en het zonodig verder tot stand brengen van daarmee verband houdende wet- en regelgeving;
– het vormgeven van flankerende maatregelen:
* effectueren stortverboden
* verhogen storttarieven
* bevorderen afzet secundaire grondstoffen
* ontwikkelen technologie;
– centrale thema's bij het beleid zijn de verdere invulling van de producentverantwoordelijkheid voor produkten in het afvalstadium en het verkrijgen van structurele aandacht voor afvalpreventie, met name bij bedrijfsmatige activiteiten;
– het beleid richt zich in internationaal verband op de verdere verankering van de Nederlandse beleidslijnen.
In de indicator is het percentage Nederlanders weergegeven dat hinder ondervindt van stank of geluid. Verstoring door geluidhinder is in 1994 met 15% gestegen ten opzichte van 1980. Ten opzichte van 1993 is in 1994 de verstoring door geluidhinder met 4% afgenomen. De verstoring als gevolg van stankhinder is ten opzichte van 1980 in 1994 afgenomen met 5%. Ten opzichte van 1993 is de verstoring door stankhinder met 14% afgenomen. De totale ervaren hinder is in 1994 ten opzichte van 1993 met 7% afgenomen.
| Industrielawaai | |||||||
| t/m 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | 1997 | totaal | |
| saneringsprogramma's | 46 | 29 | 29 | 125 | 125 | 80 | 434 |
| 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | 1997 | totaal | |
| aantal woningen | 4 100 | 2 900 | 2 700 | 20 000 | 20 000 | 30 000 | 79 700 |
De regelgeving ten aanzien van de sanering industrielawaai heeft een aantal belangrijke wijzigingen ondergaan. Het opstellen van een saneringsprogramma is volledig overgelaten aan de provincies. De provincies zullen eenmaal per jaar (uiterlijk in juni 1996 voor het eerst) via het IPO rapporteren over de voortgang van de saneringsoperatie. De beperkte uitvoeringstaken op rijksniveau zijn uitbesteed.
Verkeerslawaai (geschat aantal gesaneerde- en te saneren woningen)
| 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|---|
| Wegverkeerslawaai | 6 250 | 10 150 | 8 100 | 8 375 |
| – Verkeersmaatregelen | 1 200 | 2 900 | 1 950 | 3 675 |
| – Afscherming | 550 | 3 500 | 2 500 | 2 900 |
| – Gevelmaatregelen | 4 500 | 3 750 | 3 650 | 1 800 |
| Railverkeerslawaai | 500 | 750 | 1 150 | 1 400 |
| – Afscherming | 500 | 350 | 750 | pm |
| – Gevelmaatregelen | 0 | 400 | 400 | pm |
| Luchtvaartlawaai als gevolg van buitenlandse vliegvelden | 85 | 118 | 0 | 0 |
| – Gevelmaatregelen | 85 | 108 | 0 | 0 |
Toelichting tabellen: De cijfers hebben betrekking op het geschatte aantal woningen, dat in een jaar met inzet van de bij dat jaar behorende kasmiddelen wordt gesaneerd. De cijfers voor weg- en railverkeerslawaai zijn indicatief. Pas nadat saneringsprojecten definitief zijn afgerond en afgerekend zijn, is exact bekend hoeveel woningen zijn gesaneerd voor het bestede bedrag. Daarnaast zal uiterlijk in 1998 door middel van een inventarisatie bij de gemeenten/samenwerkingsverbanden duidelijk worden wat de omvang van de saneringsoperatie is. Met deze inventarisatie is in 1995 een aanvang gemaakt.
Door het aanpassen van de zone is de sanering van Luchtvaartlawaai in Noord- en Midden Limburg afgerond.
In 1994 zijn de gemeenten gestart met een inventarisatie van de nog te saneren woningen in het kader van rail- en wegverkeerslawaai. De resultaten van deze inventarisatie zijn bepalend bij de toekenning van budgetten aan gemeenten voor gevelisolatie-maatregelen. Voorts zullen aan de hand van de inventarisatiegegevens betere begrotingsramingen voor de komende jaren worden gemaakt. Mogelijk kan op basis van deze gegevens gekomen worden tot budgetafspraken lump-sum. Het Binnenlandse Zaken Grote-Steden-project wordt op dit punt dan ook ondersteund.
Het verstoringsbeleid richt zich op een aantal sectoren zoals geluid, stank, externe veiligheid en lokale luchtverontreiniging. De meeste sectoren zitten in de uitvoeringsfase. In nauwe samenwerking met andere overheden wordt gewerkt aan de verbetering van het uitvoeringsproces. Dit gebeurt door verbetering van de onderlinge afstemming van het beleid voor de verschillende milieucomponenten binnen het thema en door versterking van de afstemming met andere beleidsterreinen, zoals de ruimtelijke ordening en het verkeers- en vervoersbeleid. Dit komt tot uitdrukking in projecten als Integrale milieuzonering, Stedelijke luchtkwaliteit, Stad en Milieu en Regionale doorvertaling verstoringsdoelstellingen.
Zo blijkt ten aanzien van lokale luchtverontreiniging dat bij uitvoering van de besluiten luchtkwaliteit in bepaalde gevallen onduidelijkheid te bestaan over toepassing van het instrumentarium. Door gezamenlijke projecten met andere overheden wordt getracht duidelijkheid te creëren. Een voorbeeld is de voorbereiding van het beleidsstandpunt complexe situaties luchtkwaliteit. Ook zijn bij de uitvoering lacunes in het beleid en het instrumentarium gesignaleerd. In gezamenlijk overleg worden ook op die terreinen beleidsstandpunten voorbereid. Bijvoorbeeld over benzeen in parkeergarages en over kleine bronnen.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Nota Regionale doorvertaling verstoringsdoelstellingen (Actie AO 1 uit Werkdocument NMP 2)
Verstoring is een milieuthema dat zich vooral voordoet op lokaal en regionaal niveau. Het monitoren van de (nationale) verstoringsdoelstellingen vindt dan ook in nauwe samenspraak met gemeenten en provincies plaats. Indien uit de analyse van de monitoringsresultaten blijkt dat de verstoringsdoelstellingen niet gehaald worden, zal samen met provincies en gemeenten bekeken worden welke maatregelen getroffen dienen te worden om alsnog aan de doelstellingen te voldoen. Met de provincies is over deze aanpak overeenstemming bereikt. Met de VNG vindt nog overleg plaats. De VNG wil alleen meewerken aan de monitoring van nationale doelstellingen. Ten aanzien van het formuleren van regionale doelstellingen stelt de VNG zich enigszins terughoudend op. De VNG ziet graag meer ruimte voor afweging op lokaal niveau. De wijze waarop dit ingevuld kan worden is nog onderwerp van discussie tussen rijk en gemeenten.
Integrale Milieuzonering (IMZ) (Actie RIJK 20 uit Werkdocument NMP 2)
In 1995 heeft overleg plaatsgevonden met de betrokken partijen (IPO, VNG, BMRO) over de ontwikkeling van een IMZ-regeling. Hierbij is door de vertegenwoordigende organisaties de voorkeur uitgesproken voor een handreiking IMZ in plaats van een wettelijke regeling. Dit om het verschil in aanpak van de diverse knelpunten en de eigen provinciale en gemeentelijke verantwoordelijkheid beter tot zijn recht te laten komen. In IPO-verband is dan ook een werkgroep ingesteld voor de ontwikkeling van een handreiking voor een goede ruimtelijke en milieuhygiënische inpassing van grote industrieterreinen. Nog in 1995 wordt gestart met de eind-evaluatie van de IMZ-proefprojecten.
AMvB Kwaliteitseisen Externe veiligheid voor inrichtingen (Actie RIJK 38 uit Werkdocument NMP 2)
Het beleid inzake externe veiligheid krijgt een wettelijke basis. In de concept-AMvB, voorzien eerste helft 1996, zal voor het maximaal toelaatbare individueel risico voor stationaire inrichtingen een grenswaarde worden geformuleerd in de zin van hoofdstuk 5 Wet milieubeheer. Voor het groepsrisico zal worden volstaan met een richtwaarde. Deze normen werken niet alleen door op het gebied van vergunningverlening, maar ook op het terrein van de ruimtelijke ordening via bestemmingsplannen en voorbereidingsbesluiten. Inmiddels is onderzoek verricht dat een bijdrage levert aan de evaluatie van het risicobeleid voor inrichtingen ter voorbereiding van de AMvB. Het gaat hier ondermeer om een overzicht van het gebruik van risicocriteria in Nederland vergeleken met het buitenland, onderzoek naar de mogelijkheden om tot standaardisatie van risico-analyses te komen en inventariserend onderzoek naar de risico's van ammoniak-koelinstallaties. Voor het toepassingsbereik van de AMvB is ook van belang de wijze waarop in de nog vast te stellen herziening van de Seveso-richtlijn een risicovol bedrijf gedefinieerd wordt.
Beleidsnotitie Normstelling vervoer gevaarlijke stoffen (Actie VER 8 uit Werkdocument NMP 2)
Onder verantwoordelijkheid van het rijk vindt met de doelgroepen overleg plaats over de mogelijkheden en consequenties van risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor alle vormen van vervoer vinden onderzoeken en overleg plaats over de wijze waarop risico-analyses dienen te worden uitgevoerd. Het gaat hierbij om standaardisatie binnen rekenmethodes en afspraken over het verkrijgen van gegevens over het vervoer. Een brief met voorstellen voor risiconormen wordt na de zomer van 1995 naar de Tweede kamer gestuurd. In de komende jaren zal vaker besluitvorming over lokatie-specifieke situaties moeten plaatsvinden. Inmiddels wordt bij het vervoer voor gevaarlijke stoffen meer en meer gebruik gemaakt van risico-analyse als besluitvormingsondersteunend instrument. Voorbeelden zijn de Betuweroute, de Kop van Zuid in Rotterdam en de omleidingsroute voor de Drechttunnel. Het Havenplan 2010 staat voor de komende periode op de agenda.
Overleg met de Tweede Kamer over de Herziene Nota Stankbeleid in maart 1995 heeft geleid tot een aantal bijstellingen van het stankbeleid. In deze aanpassing wordt ruimte gelaten voor een afweging op regionaal en lokaal niveau. Er is niet meer sprake van een landelijke kwantitatieve bovengrens voor stankhinder; het bevoegd bestuursorgaan bepaalt het hinderniveau dat acceptabel wordt geacht. In de Nederlandse Emissierichtlijnen Lucht (NeR) worden voor een zestiental branches maatregelenpakketten vastgelegd. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op branchestudies. Uitgangspunt is dat in de meeste gevallen de maatregelen leiden tot een acceptabel hinderniveau. Het bevoegde bestuursorgaan dient derhalve vast te stellen of de maatregelen leiden tot een acceptabel hinderniveau en kan derhalve gemotiveerd afwijken van de NeR. De NeR zijn een richtsnoer voor de vergunningverlener. Over deze aanpassingen en de consequenties daarvan voor de korte termijn is in juni 1995 een brief naar provincies, gemeenten en inspecties gestuurd. Ook is met betrokken partijen een inventarisatie uitgevoerd naar bestaande hindermethoden en hun toepasbaarheid in verschillende situaties. De resultaten zullen ook in de NeR worden vastgelegd. Met betrokken partijen is afgesproken dat de bedrijfstakstudies voor 1 januari 1996 zijn afgerond en de maatregelenpakketten zijn neergelegd in bijzondere regelingen van de NeR. Is dit niet het geval dan zullen provincies en gemeenten bij vergunningverlening een eigen koers gaan varen. In de studies wordt ook aandacht besteed aan de bedrijfseffecten van de standaardmaatregelenpakketten.
In april 1996 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het stankbeleid en worden de activiteiten, verricht in het voorafgaande jaar, geëvalueerd.
Tezamen met IPO en VNG wordt gewerkt aan (verdere) ontwikkeling van beleid, instrumentarium en handreikingen (Actie AO 3 uit Werkdocument NMP 2: Plan van aanpak luchtverontreiniging in steden ) waardoor de andere overheden beter in staat zijn zodanig beleid te voeren dat NMP doelstellingen met betrekking tot de luchtkwaliteit in steden gerealiseerd worden (in 2000). Wettelijke eisen voor NO2, benzeen, zwarte rook en doelstellingen voor fijn stof en PAK (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) worden in steden in aanzienlijke mate overschreden. Een groot deel van de Nederlandse bevolking woont in steden. Inspanningen ten aanzien van stedelijke luchtkwaliteit zullen aanzienlijke effecten opleveren in termen van bescherming van de gezondheid van de mens. In mei 1995 is de «Wegwijzer verkeerssituaties» (handreiking voorkomen en beëindigen overschrijding luchtkwaliteitsnormen in steden) afgerond.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– nota aan de Tweede Kamer over de stand van zaken verstoringsdoelstellingen (1996)
– eindevaluatie proefprojecten Integrale Milieuzonering (1995)
– handreiking cumulatie van verstorende milieubelastingen (IMZ) (1995)
– aangepaste regelgeving in verband met bestuursovereenkomst IPO-VROM inzake sanering industrielawaai in werking (1996)
– aangepaste regelgeving railverkeerslawaai in werking (1996)
– aangepaste regelgeving wegverkeerslawaai (1995)
– een beleidsnotitie met voorstellen voor risiconormen naar de Tweede Kamer (medio 1995)
– AMvB externe veiligheid gereed (1996)
– herziening Seveso-richtlijn van kracht (1996)
– EG-richtlijn beperking emissies van verontreinigde deeltjes door dieselmotoren gereed (1996)
– beleidsstandpunt benzeen parkeergarages (1995)
– beleidsstandpunt complexe situaties luchtkwaliteit (1995)
– beleidsstandpunt stank door verkeer (1995)
– evaluatie uitvoering stankbeleid (1996)
BASISGEGEVENS
Beschrijving thema
Het thema houdt zich met name bezig met geluid, stank, externe veiligheid en lokale luchtverontreiniging ten behoeve van een goede milieukwaliteit van de directe woon- en leefomgeving.
Aanpak/benadering
De milieubelasting in het thema verstoring kan leiden tot gezondheidseffecten leiden of tot effecten op de beleving van de woon- en leefomgeving. Een goede lokale milieukwaliteit levert een belangrijke bijdrage aan de gezondheid van de burger en de kwaliteit van de leefomgeving. Een verbetering van de lokale milieukwaliteit wordt bewerkstelligd door:
– versterken van de uitvoering van het beleid voor de verschillende sectoren binnen het thema, onder andere door decentralisatie, stroomlijning van de regelgeving en verbeteren van de programmering van de uitvoering;
– versterken van de geïntegreerde aanpak van de verstoringsproblematiek, door voor het thema als geheel:
* de aard en omvang van de problematiek duidelijk in beeld te brengen
* de monitoring van de ontwikkelingen in relatie tot de doelstellingen te verbeteren
* instrumentarium beter toe te spitsen op mogelijkheden van een geïntegreerde aanpak van de milieuproblematiek op regionale en lokale schaal.
Een indicator voor verdroging is nog in ontwikkeling. De meetmethode voor het vaststellen van de mate van verdroging wordt uitgewerkt in het kader van het Nationaal Onderzoekprogramma Verdroging in samenwerking met terreinbeheerders, waterschappen en andere betrokkenen.
In 1994 zijn circa 40 proefprojecten verdroging in voorbereiding of in uitvoering gekomen op grond van de REGIWA-subsidieregeling (Regeling regionaal integraal waterbeheer). Deze stimuleringsregeling voor proefprojecten verdroging en voor andere onderwerpen op het gebied van integraal waterbeheer is nu beëindigd. Met ingang van 1-1-1995 is een tijdelijke bijdrageregeling voor gebiedsgerichte bestrijding verdroging van kracht geworden (GEBEVE-regeling; 24 miljoen per jaar; van 1995 t/m 1998).
Bij de bestrijding van verdroging ligt de nadruk op een gebiedsgerichte aanpak, waarbij provincies coördineren en waterschappen een actieve rol spelen. Provinciale plannen voor de aanpak van verdroging zijn inmiddels in verschillende vormen gereed of zullen in de komende maanden gereed komen. Als alle provinciale plannen voor de aanpak van verdroging gereed zijn, zal op nationale schaal een evaluatie worden uitgevoerd. Ook in het kader van de landinrichting komt de aanpak van verdroging op gang. Naar het zich laat aanzien zal de doelstelling, namelijk terugdringing van het areaal verdroogde bodem met 25% in 2000, vergeleken met het jaar 1985, niet in dat jaar worden gehaald, maar enige jaren later.
Op basis van provinciale gegevens is in 1994 een inventarisatie uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het oppervlak verdroogde gebieden met als hoofdfunctie natuur totaal 305 000 hectare beslaat. Het oppervlak verdroogde gebieden met als nevenfunctie natuur beslaat in totaal 255 000 hectare. De betreffende gebieden zijn in de Voortgangsrapportage Integraal Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden 1994 in kaart gebracht. In de Evaluatienota Water is gesteld dat deze kaart als toetssteen zal dienen voor de voortgang bij het terugdringen van de verdroging.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Aanpak bestuurlijke problematiek
Bestuurlijke besluitvorming over knelpunten in het verdrogingsbeleid wordt voorbereid evenals afspraken tussen doelgroepen en betrokken overheden over de realisatie van de beleidsdoelstelling voor 2000. Daartoe staan in 1995/1996 een aantal activiteiten op stapel. Een standpunt wordt voorbereid met mogelijke oplossingen voor bestuurlijke problemen bij ondermeer de «vernatting» van cultuurgronden. Ook wordt een voorstel uitgewerkt om de bestuurlijke betrokkenheid te verbeteren bij ondermeer de stimulering van gebiedsgerichte maatregelen voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (Actie AO 6 uit Werkdocument NMP 2). De herziening van bestemmingsplannen buitengebied wordt gestimuleerd met een bijdrageregeling (2 miljoen/jaar in 5 jaar t/m 1996). Dit is van belang om de verdrogingsproblematiek het hoofd te bieden.
Om vanuit veranderingen in het ruimtegebruik tot meer structurele, duurzame, oplossingen te komen, mede met het oog op de verdrogingsproblematiek, wordt het onderzoek- en planvormings-project ruimte, water, milieu uitgevoerd. Daarbij zijn ook de gebiedsgerichte uitwerkingen gericht op de doorwerking van de koersen uit het ruimtelijke ontwikkelingsbeleid (proefgebieden koersbepaling en voorbeeldplannen) in relatie tot verdroging van belang. Met uitvoering van proefprojecten milieukwaliteit in natuurgebieden (Actie AO 5 uit Werkdocument NMP 2), waarbij verdroging aan de orde is in relatie tot vermesting en verzuring, wordt inzicht verkregen in de eisen waaraan de milieukwaliteit, inclusief de waterhuishoudkundige condities, in natuurgebieden moet voldoen. Met uitvoering van het nationaal onderzoekprogramma verdroging wordt kennis verkregen die in de komende jaren van belang is voor planvorming en uitvoering van projecten. Met het oog op grensoverschrijdende invloeden wordt een analyse van de grondwatersituatie in grensoverschrijdende beïnvloedingsgebieden uitgevoerd.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– trendindicator verdroging in relatie tot kaart verdroogde gebieden met een natuurfunctie
– afronding opstellen gebiedsvisies in verband met vergroting van areaal kwetsbare natuurdoeltypen
– instrumentarium waarmee de bijdrage van de verschillende oorzaken aan de verlaging van de grondwaterstand kan worden berekend
– evaluatie GEBEVE-regeling ter voorbereiding van de vierde Nota Waterhuishouding
– evaluatie nationaal onderzoek programma verdroging
– evaluatie van het beleid voor waterbesparing
BASISGEGEVENS
Beschrijving thema
– Terugdringen van het areaal verdroogde bodem door gezamenlijke inspanning rijk, provincies, waterschappen, terreinbeheerders en de doelgroepen landbouw, drinkwaterbedrijven, industrie en consumenten.
Aanpak/benadering
– Provincies sturen en coördineren de gebiedsgerichte aanpak van verdroging;
– Bestuurlijke besluitvorming over knelpunten in verdrogingsbeleid en afspraken tussen doelgroepen en betrokken overheden over realisatie beleidsdoelstelling 2000;
– Landinrichtingsprojecten leveren een bijdrage een de bestrijding van verdroging;
– Waterschappen spelen een actieve rol bij de bestrijding van verdroging ondermeer voor het opzetten en uitvoeren van herstelprojecten.
In volgende milieuprogramma's zullen, ter onderbouwing van de verspillingsproblematiek, enkele indicatoren voor voorraadgebruik worden gepresenteerd.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
In het eerste NMP is het thema verspilling geïntroduceerd als uitwerking van duurzame ontwikkeling. Het thema is langs twee sporen uitgewerkt: terugkoppeling bij de bron en voorraadbeheer. Met terugkoppeling wordt beoogd de milieu-effecten van het handelen zichtbaar te maken, zodat in een zo vroeg mogelijk stadium aandacht kan worden besteed aan het sluiten van kringlopen, zuinig omgaan met energie en het bevorderen van de kwaliteit van produkten en processen.
Het doel van voorraadbeheer is aan te geven welke omvang en kwaliteit van voorraden nodig is om het milieu duurzaam te kunnen overdragen aan volgende generaties. Een voorraad is een natuurlijke bron die nu of in de toekomst een maatschappelijke functie (inclusief natuur) vervult of kan vervullen.
Consumptie en produktie leggen beslag op sleutelvoorraden. Consumptie-activiteiten met een groot beslag op deze voorraden (zowel binnen als buiten Nederland) zijn: wonen (energie en ruimte), voeding (vleesruimte buitenland) en mobiliteit (energie). Voor deze activiteiten kunnen, op basis van het «no-regret» uitgangspunt, taakstellingen worden ontwikkeld. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaand beleid, waaronder het produktenbeleid en het verstedelijkingsbeleid (herziening PKB VINEX).
Het gebruik van een voorraad staat nooit op zich. Altijd zijn er, bedoeld of onbedoeld, andere voorraden bij betrokken. Het blijkt dat energie, biodiversiteit en ruimte een sleutelrol vervullen bij het gebruik van een voorraad. Met andere woorden: deze «sleutelvoorraden» zijn essentieel voor de beschikbaarheid van alle andere voorraden.
Energie is essentieel voor het winnen en hergebruiken van alle minerale grondstoffen en elementen. Daarnaast is energie onmisbaar voor het verbeteren van de kwaliteit van bodem, water en lucht.
Biodiversiteit is essentieel voor het instandhouden van de zogenaamde «life-support»-functie (afbraak, regeneratie, zuurstofproduktie, etc.). Behoud van biodiversiteit is ook essentieel voor het instandhouden van de (natuurlijke) groei van vernieuwbare voorraden als hout en vis en de intrinsieke waarde van de natuur.
Ruimte is van belang voor de beschikbaarheid van alle andere voorraden waarbij zowel de kwantiteit als de kwaliteit een rol speelt.
Een beslag op de sleutelvoorraden brengt zekere risico's met zich mee. Na analyse van deze risico's kan een maatschappelijke risicobeoordeling plaatsvinden.
Afhankelijk van de uitkomst hiervan kan het nodig zijn criteria te ontwikkelen die het gebruik van de sleutelvoorraden normeren. Daarbij kan gedacht worden aan:
– Energie: criteria voor het gebruik van fossiele energie in relatie tot de gewenste overschakeling naar het gebruik van duurzame energiebronnen. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om de vraag hoeveel fossiele energie nog beschikbaar is, maar veel meer om de vraag wanneer en onder welke omstandigheden, tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, de overschakeling gemaakt kan worden;
– Biodiversiteit: gebiedsbescherming (Ecologische Hoofdstructuur), eventueel aangevuld met kwaliteitsdoelen buiten de Ecologische Hoofdstructuur; en criteria voor het «Nederlandse» beslag op biodiversiteit in het buitenland;
– Ruimte: functie- of gebiedsspecifieke geschiktheidscriteria in Nederland en criteria voor het «Nederlandse» beslag op ruimte in het buitenland. In principe is in Nederland alle ruimte in gebruik en is hiervoor een beheerssystematiek ontwikkeld, zodat de aanvulling vanuit voorraadbeheer in Nederland vooral het beheer gericht op het behoud van ruimte met voldoende functionele kwaliteit van de ruimte betreft en het efficiënt benutten van die ruimte (dubbel grondgebruik, benutten van de derde dimensie, verdichten en verdunnen).
Bij de uitwerking van dit spoor wordt aansluiting gezocht bij bestaand beleid. Voor energie bij het klimaatbeleid en voor biodiversiteit bij de uitwerking van het biodiversiteitsverdrag. Voor ruimte wordt gestreefd naar een verdere integratie van milieubeleid en ruimtelijke ordeningsbeleid.
Beleidsprogramma biodiversiteit 1994–1998
Biodiversiteit is één van de sleutelvoorraden, maar raakt ook nauw aan het gebiedsgericht beleid en aan thema's als klimaatverandering, verzuring, vermesting en verdroging. In Rio de Janeiro heeft Nederland, samen met 168 andere landen het Verdrag tot behoud van Biologische Diversiteit ondertekend. Om te voldoen aan de bepalingen uit dit Verdrag is aanvullend op de bestaande beleidsplannen uit het natuur-, milieu-, ruimtelijke ordenings-, en waterbeleid, een Strategisch Plan van Aanpak opgesteld (SPA-BDV). Dit plan wordt spoedig naar de Tweede Kamer gestuurd. Het bevat een dertigtal concrete acties waarbij VROM voor de helft de (mede-)verantwoordelijkheid heeft. Voor VROM zijn in het SPA-BDV de volgende taakvelden opgenomen:
1. Het scheppen van voorwaarden voor het natuurbeleid en het ondersteunen van het natuurbeleid, met name vanuit de thema's verzuring, vermesting en verdroging en het gebiedsgericht beleid.
2. Het realiseren van het behoud van het draagvermogen van het milieu; biodiversiteit staat aan de basis van dit draagvermogen.
3. Het analyseren en tegengaan van de invloed van Nederland op de mondiale biodiversiteit.
4. Het ondersteunen en stimuleren van initiatieven vanuit de maatschappij en participatie van de bevolking bij het behoud van biodiversiteit.
In het kader van actiepunt RIJK 13 uit het Werkdocument NMP 2 wordt een beleidsstandpunt voorbereid, waarin aangegeven wordt welke eisen het behoud van biodiversiteit stelt aan de kwaliteit, kwantiteit en ruimtelijke aspecten van bodem, water en lucht. Gezien de brede doelstelling en definitie van biodiversiteit in het Verdrag, en omdat het gaat om aanvullingen op het bestaande natuurgericht milieubeleid, zal dit beleidsstandpunt zich met name richten op de lagere levensvormen en genetische variatie en op de gebieden buiten de Ecologische Hoofdstructuur.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
Verspilling
– Risico-analyse sleutelvoorraden
– Indicatoren voor verspilling (1996/1997)
– Criteria voor het omgaan met voorraden in produktie- en consumptie
– Criteria sleutelvoorraden in MER herziening PKB VINEX (1995)
– Criteria voor verspilling in produktenbeleid (1995/1996).
Biodiversiteit
– Beleidsstandpunt inzake de eisen die het behoud van biodiversiteit stelt aan de kwaliteit, kwantiteit en ruimtelijke aspecten van bodem, water en lucht (1997).
BASISGEGEVENS
Beschrijving thema
Een efficiënt gebruik van voorraden in consumptie- en produktieprocessen en het veiligstellen van voorraden vormen de kern van het thema verspilling.
Aanpak
De aanpak van verspilling loopt via twee sporen: voorraadbeheer voor de lange termijn en terugkoppeling bij de bron voor de korte termijn. Het lange-termijnspoor richt zich op het operationaliseren van een duurzaam voorraadbeheer. Dit is gebaseerd op een risico-analyse van de beschikbaarheid van sleutelvoorraden en op een maatschappelijke afweging wat betreft de acceptatie van deze risico's. Het korte-termijnspoor is gericht op het tegengaan van onnodig beslag op natuurlijke hulpbronnen bij produktie enconsumptie. Voor beide sporen geldt dat zoveel mogelijk aansluiting gezocht wordt bij bestaand beleid.
Het gebiedenbeleid bevindt zich momenteel in een overgangsfase. De afgelopen jaren is veel energie gestoken in het vormgeven van integratie op het niveau van de strategische planvorming. Na deze fase van planvorming komt het aan op de uitvoering. De integratie wordt meer en meer operationeel gemaakt door concrete activiteiten. De verschillende vormen van gebiedenbeleid en de vaak ingewikkelde procedures die hiermee samenhangen blijken belangrijke knelpunten te zijn in de verdere uitvoering van het gebiedenbeleid. De inzet richt zich momenteel met name op deze knelpunten.
Op 1 januari 1996 wordt naar verwachting het ontwerp Bijdragenbesluit Gebiedsgericht Milieubeleid (Staatscourant 95, 17 mei 1995) van kracht. Dit ontwerp-Bijdragenbesluit betreft een wijziging van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer. Het ontwerp-Bijdragenbesluit gebiedsgericht milieubeleid heeft als doel om een meer integraal uitgevoerd gebiedsgericht beleid te stimuleren: het gaat daarbij onder andere om bodembeschermingsgebieden, de stiltegebieden, de grondwaterbeschermingsbieden en de ROM-gebieden. Daarnaast biedt het besluit mogelijkheden voor een ruimere afweging van middelen die bij gebiedsgerichte projecten worden ingezet. De inhoud van de projecten wordt bepaald door provincies in overleg met hun partners. Op basis van een gezamenlijk overleg van belanghebbende partijen vindt de planvorming en de uitvoering plaats.
Gezamenlijk met de provincies is het grondwaterbeschermingsbeleid geëvalueerd. Nog in 1995 ontvangt de Tweede Kamer hierover een brief met de beleidsconclusies en een actieprogramma.
In maart 1995 verscheen «De kunst van het stimuleren», de voortgangsrapportage van de uitvoering van de Bijdragenregeling bodembeschermingsgebieden in 1993 en 1994. Deze regeling voorziet vooral in extra beschermingsbeleid ten aanzien van bodemlozingen, mineralenemissies, gebruik bestrijdingsmiddelen en door projecten tot herstel van de bodem en behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. Op het provinciale uitvoeringsniveau leidt deze regeling tot een toenemende samenhang tussen het milieu- en het natuurbeleid. Het stimuleringsbeleid werpt zijn vruchten af, wat ook blijkt uit de eigen bijdragen van andere overheden en doelgroepen, die de stimuleringsgelden genereren.
Rijksbijdragen bodembeschermingsgebieden en eigen bijdragen van derden
| 1992 | 1993 | |||
|---|---|---|---|---|
| Mƒ | (%) | Mƒ | (%) | |
| Bijdrage rijk | 12,6 | (56) | 18,7 | (40) |
| Bijdrage derden | 10,0 | (44) | 28,8 | (60) |
Door alle provincies zijn milieubeschermingsgebieden aangewezen. In het algemeen zijn deze ook opgenomen in Provinciale Milieubeleidsplannen en Provinciale milieuverordeningen. In het provinciale beleid ten aanzien van milieubeschermingsgebieden is een overgang van een sectorale naar een integrale aanpak zichtbaar. Waar sommige gebieden in opzet voortkomen uit de sectorale opzet van het gebiedsgerichte milieubeleid (stiltegebieden, bodembeschermingsgebieden etc.), is in andere gebieden de inzet al meer integraal.
Naast VROM voert een aantal andere departementen beleid gericht op gebiedsgerichte beleidsvorming en uitvoering. De samenhang in het beleid van deze departementen wordt meer inzichtelijk gemaakt; met name op een tweetal hoofdpunten:
– in beeld brengen van de ruimtelijke samenhang van de verschillende categorieën gebieden zoals deze worden gehanteerd door met name LNV, V&W en VROM. LNV voert beleid voor Waardevolle Cultuur Landschappen (WCL's) uit, in analogie met de ROM-aanpak; V&W doet gebiedsgericht verdrogingsbeleid;
– het op elkaar afstemmen van het gebiedsgerichte instrumentarium van LNV, V&W en VROM.
Stand van zaken ROM-gebieden (Actie AO 9 uit Werkdocument NMP 2)
Sinds 1991 zijn voor zeven van de elf ROM-gebieden convenanten getekend. Het gaat om de gebieden Rijnmond, Schiphol, Kanaalzone Zeeuwsch-Vlaanderen, Groene Hart, Gelderse Vallei en recent Drenthe en Mergelland. Uit de eerste ervaringen met de uitvoering van deze ROM-projecten komt naar voren dat een samenhangende realisatie van het Plan van aanpak vraagt om instandhouding van een projectorganisatie, die zich richt op de gecoördineerde inzet van middelen, voortgangsbewaking, monitoring, etc. Over de resultaten die in de uitvoeringsfase van de ROM-projecten zijn geboekt, wordt in 1997 aan de Tweede Kamer gerapporteerd.
In het Groene Hart heeft het opzetten van uitvoeringsgerichte actieplannen voor deelprojecten centraal gestaan. Daarbij waren het verkrijgen van draagvlak op lokaal niveau en de benodigde financiële middelen belangrijke aandachtspunten. Deze deelprojecten, zoals De Venen, Krimpenerwaard en het Bentwoud, zijn vooral gericht op versterking van natuur en recreatie in het Groene Hart. Over de versterking van de «groene» functies in dit gebied worden in het najaar van 1995 een reeks «Groene-Hart-gesprekken» georganiseerd onder het motto: «ruimte, groen en water voor iedereen». Op 18 september 1995 heeft de ondertekening van het convenant voor de uitvoering van het Plan van aanpak Drenthe plaats gevonden. Het rijk financiert een aanzienlijk deel van het Plan van aanpak (circa f 13 miljoen). In dit plan staan herstel en ontwikkeling van natuurwaarden, optimalisering van de drinkwaterfunctie van de Drentse Aa en een op deze kritische functies afgestemde duurzame landbouw centraal.
Op 4 juli 1995 is het uitvoeringsconvenant over het Plan van aanpak voor Mergelland getekend. In dit Plan van aanpak gaat het primair om de realisatie van een duurzame landbouw in Mergelland met een duidelijke vermindering van de nitraatbelasting. Belangrijk zijn verder de versnelde totstandkoming van de Ecologische Hoofdstructuur, verbetering van het waterbeheer en het benutten van de recreatieve mogelijkheden in het gebied.
Ook voor de overige ROM-gebieden zal naar verwachting binnen een jaar een bestuursovereenkomst over de uitvoering van het Plan van aanpak kunnen worden getekend. In of aan het IJmeer gaat het in de toekomst om uiteenlopende functies, zoals de VINEX-lokatie IJburg (voorheen Amsterdam Nieuw-Oost), railontsluiting, baggerdepot, vuilstort en natuurontwikkeling. Medio 1995 is het Plan van aanpak voor dit gebied gereed gekomen. Aandachtspunten voor het Plan van aanpak zijn de inrichting van Amsterdam IJburg, de monitoring en de besluitvorming over de baggerspecieberging. De provincie heeft inmiddels besloten dat er geen vuilstortlokatie in het IJmeer komt.
Het Plan van aanpak voor Zuidoost Friesland is eind 1995 gereed. Veel aandacht is geschonken aan een gebiedsgerichte uitwerking van het ammoniakbeleid, mede in relatie tot de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur in dit gebied. De mogelijkheden voor een op Zuidoost Friesland toegesneden toepassing van de Interimwet ammoniak en veehouderij worden hierbij beproefd. Op deze wijze wordt een duurzame en economisch gezonde landbouw nagestreefd.
Voor de ROM-gebieden De Peel en Midden-Brabant, die een gezamenlijk planvormingstraject doorlopen in het kader van de Nadere Uitwerking Brabant-Limburg, wordt een gezamenlijk Plan van aanpak opgesteld waarin een duurzame economische landbouw centraal staat. Belangrijke thema's zijn de oplossing van de mest- en ammoniakproblematiek, waterbeheer gericht op voorkoming van verdroging en verbetering van natuur- en landschapswaarden. Uitvoeringsprojecten om dit te realiseren worden opgesteld en uitgewerkt in samenspraak met doelgroepen vanuit natuur, landbouw en recreatie.
Overige geïntegreerde gebiedsgerichte projecten
Provincies en gemeenten zijn ook op eigen initiatief met geïntegreerde gebiedsgerichte projecten van start gegaan. Voor een deel worden deze financieel ondersteund door VROM. Het project in Noordoost Twente, een gebied dat een unieke combinatie van natuur-, landschappelijke, agrarische en recreatieve functies kent, heeft geleid tot een verbeterd contact tussen overheden onderling en met doelgroepen en draagt zodoende bij aan duurzame ontwikkeling in deze regio.
In opdracht van de ministers van LNV en VROM ontwikkelde een interdepartementale werkgroep een voorstel voor de aanpak van een actief beleid voor plattelandsvernieuwing. De werkgroep beveelt drie strategische uitgangspunten aan, te weten: ruimte voor regio's, verschillen toelaten en samenhang tot stand brengen. Inhoudelijk is gekozen voor de thema's bestuurlijke vernieuwing en sociaal-economische versterking. Bij de uitvoering zullen de provincies een centrale rol spelen. De agenda voor plattelandsvernieuwing zal dan ook verder vorm moeten krijgen in nauw overleg met de provincies.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– Plan van aanpak en uitvoeringsconvenant De Peel en Midden-Brabant (1996)
– Uitvoeringsconvenant IJmeer (1996)
– Plan van aanpak en uitvoeringsconvenant Zuidoost Friesland (1996)
– evaluatie uitvoering ROM-projecten (1997)
BASISGEGEVENS
Verschillende gebieden in Nederland hebben te maken met een opeenstapeling van milieuproblemen en/of zijn extra gevoelig voor milieuverontreiniging. Met gebiedsgericht milieubeleid wordt hierop ingespeeld door, aanvullend op het thema- en doelgroepenbeleid, per gebied extra maatregelen te treffen om de gewenste milieukwaliteit (versneld) te bereiken. Naast milieuproblemen kunnen andere (bestuurlijke) problemen in een gebied aanleiding zijn voor gebiedsgericht beleid. De milieuproblematiek en andere knelpunten op regionaal niveau, worden aangepakt via geïntegreerde gebiedsgerichte projecten. Het rijk stimuleert deze geïntegreerde gebiedsgerichte aanpak onder meer via de ROM-gebieden, waardevolle cultuurlandschappen en de milieubeschermingsgebieden (Wet milieubeheer). In de projecten wordt gestreefd naar maatwerk, netwerksturing vanuit alle betrokken beleidsterreinen en overheidslagen, uitvoeringsgerichtheid en een zo grootmogelijk draagvlak. Vooral voor de werkwijze in geïntegreerde gebiedsgerichte projecten bestaat grote belangstelling.
De algemene beleidsontwikkeling in het gebiedsgericht milieubeleid is geschetst in het Actieplan gebiedsgericht milieubeleid (1990), en meer recent ook in het Structuurschema Groene Ruimte en NMP 2. De beleidsontwikkeling richt zich op:
– integratie van gebiedsgerichte instrumenten (inhoudelijk en procedureel);
– vereenvoudiging van het stelsel gebiedscategorieën;
– het verbeteren van de informatievoorziening;
– bestuurlijke en organisatorische aspecten.
Het scheppen van geschikte condities voor de uitvoering van gebiedsgericht beleid wordt steeds belangrijker, nu een groot aantal gebiedsgerichte projecten in de fase van uitvoering komt.
DOELGROEPEN
| 1. | Landbouw | 92 |
| 2. | Industrie en overige bedrijfstakken | 95 |
| 3. | Raffinaderijen | 100 |
| 4. | Energiesector | 102 |
| 5. | Detailhandel | 105 |
| 6. | Verkeer en Vervoer | 108 |
| 7. | Consumenten | 113 |
| 8. | Bouw | 117 |
| 9. | Afvalverwerkingsbedrijven | 121 |
| 10. | Drinkwaterbedrijven | 123 |
| 11. | Riolering en waterzuiveringsinstallaties | 126 |
De doelgroepindicator landbouw laat de ontwikkeling zien van emissies van verzuring (NH3), van vermesting (P en N), van verspreiding (bestrijdingsmiddelen) en distikstofoxyde en methaan (verandering van klimaat).
Naast de milieubelasting is ook een maat voor de economische activiteit van de doelgroep (produktiewaarde) opgenomen. Voor de doelgroep landbouw geldt in het bijzonder dat het moeilijk is conclusies te trekken uit de relatie tussen de ontwikkeling in de milieubelasting en de ontwikkeling van de produktiewaarde.
De totale belasting van verzurende stoffen is in de periode 1980–1994 sterk afgenomen. Oorzaak is de sterke afname van de emissie van ammoniak met 26%.
De totale belasting van vermestende stoffen is sinds 1980 met 10 % afgenomen. De afname wordt voornamelijk veroorzaakt door een reductie van de belasting met P, zowel door dierlijke mest als kunstmest. De afname van het gebruik van N-kunstmest wordt nagenoeg teniet gedaan door een toename van N-belasting door dierlijke mest. De omzet van landbouwbestrijdingsmiddelen is in 1994 ten opzichte van 1984 met 44% gedaald.
* In 1993 is 5,4 miljoen kg minder mest geproduceerd door de deelnemers aan het Mineralen Aanvoer Registratiesysteem (miar). Dit is 5% van de totale fosfaatproduktie in varkens- en kippenmest op bedrijven met een fosfaatproduktie groter dan 125 kg per hectare. Miar is een vrijwillige aanvulling op de mestboekhouding. De ruim 9000 deelnemers besparen hierdoor 5,16 miljoen gulden op de overschotheffing en de mestafzetkosten.
* De stichting Groen Label is door overheden en bedrijfsleven in 1993 opgericht. Zij heeft ten doel toepassing en ontwikkeling van emissie-arme stalsystemen te stimuleren. Daartoe beoordeelt zij en kent zij het zogenaamde Groene Label toe. Eind 1993 waren 12 systemen als zodanig erkend. Uit navraag blijkt dat er nu 25 systemen het groene label hebben gekregen.
* Minister de Boer trekt f 3,3 miljoen uit voor de verplaatsing van veehouderijen uit de omgeving van natuurgebieden in Overijssel. Voor de verplaatsing is een convenant afgesloten tussen de provincie, landbouw, gemeenten, rijk, natuur- en milieuorganisaties. Het convenant maakt het mogelijk de uitbreiding van boerenbedrijven te compenseren met het verminderen van de verzuring elders in de provincie.
In de uitvoering staat het overleg met het landbouwbedrijfsleven en het maatschappelijk veld centraal met als doel consensus en draagvlak te krijgen voor de doel- en normstelling en het daarbij behorende instrumentarium. Verder wordt gestreefd naar hanteerbare, meetbare en controleerbare kaders waarbinnen individuele boeren invulling kunnen geven aan hun eigen verantwoordelijkheid. Belangrijk is ook dat het tempo van realisatie van de doelstellingen ruimte laat voor kosteneffectieve oplossingen.
In het mestakkoord 1993 heeft de doelgroep de doelstellingen van het NMP onderschreven, met uitzondering van delen van het ammoniakbeleid. Gezocht wordt nog naar mogelijkheden om het ammoniak- en het natuurbeleid meer te integreren. Over de concretisering van de doelstellingen is discussie ontstaan. Een belangrijke reden is dat de doelgroep vindt dat de doelstellingen niet haalbaar zijn zonder ernstige consequenties voor de sector. Deze discussie heeft ook zijn weerslag op het instrumentarium dat vooral de hoofdlijnen betreft (mestafzet scenario en mineralenaangifte). Ook is een toenemende spanning merkbaar tussen de detaillering van regelgeving en de wens om juist meer aan de doelgroep over te laten binnen door de overheid gestelde kaders (doel- en normstelling). Eenzelfde spanning wordt geconstateerd tussen het realiseren van de (eind-)normen en de economische mogelijkheden van bedrijven. Alhoewel er nog uiteenlopende opvattingen bestaan over het niveau van duurzaamheid voor de landbouw, zijn in de praktijk allerlei ontwikkelingen gaande, die onduurzaamheid op bedrijfsniveau verminderen.
Op basis van het bovenstaande zal in de Integrale Notitie een bijgestelde aanpak voor het mestbeleid worden voorgesteld. Uitgangspunten zullen daarbij naar verwachting zijn:
– meer nadruk op de haalbaarheid op korte termijn dan op de einddoelstellingen;
– maatregelen gericht op de omvang van de veestapel binnen de gehele sector in plaats van gedetailleerde regelgeving.
Doelgroepen hebben de doelstellingen uit het NMP onderschreven en de gemeenschappelijke uitvoering is vastgelegd in het Meerjarenplan Gewasbescherming (MJP-G). Hoofddoelstelling is de vermindering van de structurele afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen. De vermindering van de afhankelijkheid en emissies van chemische bestrijdingsmiddelen is nog niet goed van de grond gekomen. In 1995 wordt geëvalueerd in hoeverre de gestelde doelen zijn gerealiseerd. Worden doelstellingen niet gehaald dan zullen aanvullende maatregelen worden genomen.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Op het terrein van verzuring/vermesting werken overheid en bedrijfsleven samen verder aan de uitvoering van de Notitie mest- en ammoniakbeleid Derde Fase (NDF). Daarbij gaat het, naar verwachting ook na het verschijnen van de Integrale Notitie voor het mest- en ammoniakbeleid, met name om de volgende maatregelen:
Regulering afzet via mestafzetscenario (MAS)
Het MAS is een boekhoudsysteem van dierlijke meststromen in individuele bedrijven, gekoppeld aan een heffingensysteem waarmee niet-verantwoorde afzet van fosfaat in dierlijke mest wordt tegengegaan.
Mineralenaangifte als reguleringsinstrument
Het is mogelijk dat met name voor intensieve veehouderijbedrijven in plaats van het MAS gekozen wordt voor regulering via een mineralenafgifte gebaseerd op een mineralenboekhouding. Dit leidt tot naleving van verliesnormen voor fosfaat en stikstof uit dierlijke mest, overige organische meststoffen en kunstmest. Daarbij heeft de ondernemer een grotere vrijheid wat betreft de inzet van middelen in zijn specifieke bedrijfssituatie. Evenwichtsbemesting kan overigens alleen gerealiseerd worden als het landelijke mestoverschot wordt weggewerkt.
Verliesnormen voor stikstof en fosfaat
Voor stikstof en fosfaat zijn milieukwaliteitsdoelstellingen vastgesteld voor grond- en oppervlaktewater. Voorzien is dat in het kader van de Integrale Notitie besluitvorming zal plaatsvinden over verliesnormen voor 2000 en over de aanpak om tot eindverliesnormen te komen.
Implementatie van de EG-richtlijn ter bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen
Uitgangspunt is dat met het ingezette mineralenbeleid aan de doelstelling van de richtlijn wordt voldaan. De voortgang wordt geëvalueerd.
Realisatie van 50% (2000) en 70% (2005) reductie van ammoniakemissie uit stallen in de intensieve veehouderij (via AMvB huisvesting intensieve veehouderij waarin voorschriften voor stallen en ammoniakemissienormen per dierplaats zijn opgenomen).
Een aantal zaken in het internationale landbouw-milieubeleid is de komende tijd actueel: de totstandkoming van de Biocidenrichtlijn; verdere invulling en implementatie van de Uniform Principes; harmonisatie van het modelinstrumentarium in het kader van OESO pesticide registration; samenwerking met Duitsland en België in NH3-problematiek; trekkende rol van Nederland in het Europees debat over verbreding van het EU- bestrijdingsmiddelenbeleid; trekkende rol van Nederland in integratie en verbreding van het EU landbouw-milieu-instrumentarium.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– Integrale Notitie voor mest- en ammoniakbeleid
– Wetsvoorstel mestafzetscenario en invoering mineralenaangifte veehouderij (1 januari 1996).
– Vaststelling verliesnormen voor fosfaat en stikstof voor 2000 (1995)
– AMvB huisvesting intensieve veehouderij (1 januari 1998)
– Evaluatie Interimwet Ammoniak en Veehouderij (1996)
– Evaluatie eerste fase uitvoering MJP-G (medio 1996)
– Realisatie art. 8.40 Wm AMvB's agrarische sector
– Realisatie herziene versie van AMvB tuinbouwbedrijven bedekte teelt
– Convenant IMT/Implementatieplan glastuinbouw en bollensector (bedrijfsmilieuplannen)
– totstandkoming Biocidenrichtlijn
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
- landbouwbedrijven
- toeleverende en verwerkende industrie
- overige landbouwinstellingen: landbouworganisaties, produktschappen, coöperaties, regionale groepen, vakbonden, dienstverlening (bancaire wereld), landbouwonderzoeks- en onderwijsinstellingen, producenten en handelaren in mest en bestrijdingsmiddelen.
2. INDUSTRIE EN OVERIGE BEDRIJFSTAKKEN
Indicator Industrie en overige bedrijfstakken
Deze doelgroepindicator is opgebouwd uit de emissies van CO2 (klimaatverandering) en (H)CFK's en halonen (aantasting ozonlaag), zwaveldioxyde (SO2) en stikstofoxyde (NOx) (verzuring), fosfor en stikstof (vermesting), storten, lozen en/of verbranden van bedrijfsafval (eindverwijdering) en prioritaire stoffen (verspreiding). Daarnaast levert de industrie een bijdrage aan het thema verstoring, in het bijzonder stankhinder.
Naast de milieubelasting is ook een maat voor de economische activiteit van de doelgroep, de produktiewaarde, opgenomen.
De CO2-emissie is tussen 1980 en 1994 met 9% toegenomen. Een afname valt te constateren bij de volgende emissies:
– de produktie van CFK's en halonen is sterk afgenomen, waardoor de bijdrage aan het thema aantasting van de ozonlaag met 91% is verminderd;
– ook de emissies van verzurende stoffen, in het bijzonder NOx en SO2, zijn sterk afgenomen: in 1994 50% ten opzichte van 1980. Dit komt onder meer door procesgeïntegreerde maatregelen bij enkele belangrijke emittenten en door het effectueren van het «Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties» (BEES);
– de emissie van prioritaire stoffen is tussen 1985 en 1993 met 60% afgenomen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een sterke reductie van emissies van cadmium, koper, benzo(a)pyreen en fijn stof naar lucht en van cadmium, lood en zink naar water;
– de hoeveelheid gestort, geloosd en verbrand afval neemt sinds 1991 sterk af. Van 6,7 Mton in 1980 en 5,8 Mton in 1990 naar 4,3 Mton in 1994;
– de verstoring door stank- en geluidhinder is in de periode 1989 – 1993 nagenoeg gelijk gebleven. In 1994 kan een sterke daling worden geconstateerd van de hinder door stank. In 1993 ondervond 16% van de bevolking stankhinder door de industrie, in 1994 was dit gedaald tot 11%.
* Per november 1994 is een groot aantal convenanten tussen overheid en bedrijfsleven reeds afgesloten:
– convenanten ter beperking van emissies: 11. Het grootste aantal deelnemende bedrijven is te vinden in de metalelectro (12 500), de grafische industrie (3400) en de houtverduurzamingsindustrie (1242)
– convenanten energiebesparing: 31, waarvan 8 intentieverklaringen
– produktconvenanten: 19, waarvan de meeste al voor 1990 werden afgesloten
* Er is sprake van een verdubbeling van het aantal milieujaarverslagen in de industrie. Ongeveer 225 industriële bedrijven in Nederland zijn van plan om over 1994 een milieujaarverslag te publiceren, dubbel zo veel als in 1993. Dit blijkt uit een onderzoek onder 300 produktiebedrijven. De meeste bedrijven zeggen het verslag te gebruiken om vooral de in- en externe communicatie te verbeteren. Verder geldt dat voor 43% van de bedrijven een milieuzorgsysteem een van de belangrijkste doelstellingen in het milieubeleid is.
* Eerste bedrijf dat koppeling maakt tussen milieuzorgsysteem en milieu-vergunning. Unimills in Zwijndrecht heeft als eerste bedrijf in Zuid-Holland een milieuvergunning gekregen die gekoppeld is aan een bedrijfsmilieuzorgsysteem. In de vergunning zelf staan bijna alleen nog maar doelvoorschriften.
Het doelgroepenbeleid voor de industrie en bedrijfsinterne milieuzorg stelt de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en de integrale uitvoering van het milieubeleid centraal. De aanpak slaat aan bij betrokkenen. Wel betekent dit een andere wijze van werken voor zowel bedrijven als vergunningverlenende overheden. Hier is duidelijk sprake van een leerproces, dat stap voor stap verloopt en dat nog volop gaande is. De diverse overheden geven constructief invulling aan hun verantwoordelijkheden bij het doelgroepenbeleid en de stimulering van bedrijfsinterne milieuzorg. Beide onderwerpen hebben een prominente plaats gekregen in het tweede IPO Plan van Aanpak uitvoering milieubeleid, het Kaderplan gemeentelijk milieubeleid van de VNG en in het Plan van Aanpak van de UvW.
In de NMP Begeleidingscommissie industrie is een notitie vastgesteld waarin aangegeven is hoe in het doelgroepenoverleg de afstemming plaats zal vinden tussen nieuw milieubeleid en de reeds gemaakte afspraken in convenanten. Dat betreft ondermeer informatie over milieubeleid dat buiten de kaders van het convenant valt. Met deze notitie is invulling gegeven aan actiepunt IND 4 uit het Werkdocument NMP 2.
Afgesproken is dat partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van convenanten elkaar informeren over ontwikkelingen die van belang zijn voor de uitvoering van de convenanten. Hierdoor kunnen partijen een betere beoordeling maken van de «omgeving» waarin de convenanten moeten worden uitgevoerd en kunnen zij beter rekening houden met de ontwikkelingen in deze omgeving.
Voor wat betreft bedrijfsinterne milieuzorg is de EMAS-verordening van de EU operationeel geworden. Daarbij is tevens de certificatie van milieuzorgsystemen op basis van de Britse standaard BS 7750 ter hand genomen. In mei 1995 is de Stichting Coördinatie Certificatie Milieuzorgsystemen opgericht door betrokkenen (bedrijfsleven, vergunningverlenende overheden). Daarin zijn uitvoerende taken in het kader van de EMAS verordening dan wel BS 7750 ondergebracht. Inmiddels zijn 5 instellingen erkend door de Raad voor de Certificatie voor certificatiewerkzaamheden op basis van BS 7750. Circa 30 bedrijven bezitten reeds een certificaat.
De Nederlandse emissie Richtlijnen (NeR) werden verder uitgebreid met een aantal bijzondere regelingen die de stand der techniek beschrijven voor diverse bedrijfstakken. De NeR vormt de basis voor vergunningverlening. Voortgang werd geboekt met de voorbereiding van verdergaande aanscherping van het Besluit Emissie Eisen Stookinstallaties (BEES), dat een belangrijke bijdrage moet leveren aan het realiseren van de NOx-doelstellingen. Op het gebied van ondersteuning uitvoering van de NOx-reductie in de procesindustrie werd slechts zeer beperkte vooruitgang geboekt. Reducties van emissies van koolwaterstoffen werden conform de afspraken van het programma KWS2000 gerealiseerd. Een nieuwe impuls is nodig om terugval te voorkomen.
Vanaf 1 januari 1995 is er een voorlichtingscampagne gestart voor gemeentelijke vergunningverleners over het programma KWS2000. Het doel van deze, één jaar durende, campagne is de gemeentelijke vergunningverleners informatie te geven over de KWS2000-maatregelen die bedrijven kunnen treffen. Deze informatie kan worden gebruikt bij het opstellen van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer.
De uitvoering van afspraken die met industriesectoren zijn gemaakt, is in volle gang. Voor de afzonderlijke bedrijfstakken kan in het kort het volgende worden gemeld.
1. Houtverduurzamingsindustrie.
In 1992 is een werkprogramma voor milieumaatregelen voor de houtverduurzamingsindustrie opgesteld en verzonden aan de betrokken overheden. Dit werkprogramma betreft 38 bedrijven en heeft een looptijd tot 1995. Voor uiterlijk 1 oktober 1992 moesten de bedrijven op eigen initiatief Bedrijfsmilieuplannen opstellen voor de uitvoering van milieumaatregelen. De uitvoering van het werkprogramma wordt in het kader van het Landelijk Produkt Industrie 1994 van de Inspectie Milieuhygiëne geëvalueerd. Daarbij zal worden nagegaan hoeveel bedrijven inderdaad dergelijke plannen hebben opgesteld en of de inhoud overeenkomt met hetgeen in het werkprogramma is opgenomen.
2. Basismetaalindustrie.
In 1993 hebben bedrijven uit deze sector bedrijfsmilieuplannen (BMP's) ingediend, die nu in uitvoering zijn. Activiteiten zijn gestart om tot een handreiking te komen voor detweede cyclus bedrijfsmilieuplannen. De handreiking zal aangeven welke maatregelen nodig zijn om de doelstellingen voor 2000 binnen bereik te brengen.
3. Grafische industrie.
De VNG en branche-organisaties hebben actie ondernomen om de betrokkenheid van individuele bedrijven bij de uitvoering van het convenant te vergroten. Momenteel wordt onderzoek uitgevoerd naar de geboekte voortgang bij de implementatie van maatregelen.
4. Chemische industrie.
De afronding van de meeste bedrijfsmilieuplannen (BMP's) heeft begin 1995 plaatsgevonden. In het tweede kwartaal van 1995 is de sommatie van de BMP's vergeleken met de Integrale Milieutaakstelling (IMT) voor de chemische industrie. Najaar 1995 wordtgerapporteerd over de voortgang in 1994 en 1995. Over het onderzoek naar de mogelijkheden voor stroomlijning van verslagverplichtingen van bedrijven wordt in 1995 een rapport uitgebracht. Hierin worden voorstellen gedaan om op basis van het verslag overde uitvoering van het BMP een stroomlijning met andere verslagverplichtingen tot stand te brengen. Voor de rapportage over 1994 is reeds de KWS 2000-monitoring opgenomen in het BMP-verslag.
5. Zuivelindustrie.
Het convenant met de zuivelindustrie is op 6 juli 1994 getekend. Het opstellen van bedrijfsmilieuplannen is in volle gang.
6. Metalelectro-industrie.
Op 19 april 1995 is de intentieverklaring voor de metaal-elektrotechnische industrie ondertekend. Partijen zijn inmiddels gestart met het opstellen van het werkboek met mogelijke milieumaatregelen voor de sector.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Integrale Milieutaakstelling (IMT)
Invoering systematische monitoring per bedrijfstak waarvoor een convenant is afgesloten om vast te kunnen stellen of overeengekomen taakstellingen worden gerealiseerd. Op basis van het programma van eisen voor doelgroepmonitoring zal in 1996 een protocol voor monitoring van de milieubelasting van de doelgroep industrie worden opgesteld.
Harmonisatie internationaal milieubeleid industrie (Actie IND 11 uit Werkdocument NMP 2)
Het instrument van doelgroepenbeleid industrie zal een Nederlandse prioriteit zijn bij de inbreng in internationale kaders, in het bijzonder de EU. Inzet daarbij is het tot stand brengen op internationaal niveau van een milieubeleid vergelijkbaar met wat op nationaal niveau is geformuleerd.
Door de EU is een door Nederland geïnitieerd initiatief overgenomen om in aansluiting op de IPPC-richtlijn te komen tot beschrijvingen van de stand der techniek (BAT = Best Available techniques), waarmee internationale harmonisatie op dit vlak wordt gestimuleerd.
Ten behoeve van de internationale harmonisatie is een vergelijkend onderzoek gestart naar het milieubeleid waarmee bedrijven in een aantal landen te maken hebben. Dit gebeurt op het niveau van doelstellingen, de toe te passen stand der techniek, het instrumentarium en de handhavingspraktijk. Daarbij wordt gekeken naar de thema's verzuring, verspreiding en verwijdering. De vergelijking strekt zich uit tot Duitsland, België/Luxemburg, Engeland, Frankrijk en Italië. Op basis van de resultaten van dit onderzoek, die nog in 1995 beschikbaar zullen komen, zal de internationale harmonisatie verder vorm krijgen.
Koppeling bedrijfsinterne milieuzorg en vergunningverlening en handhaving
Dit jaar wordt een handreiking uitgebracht over de koppeling tussen bedrijfsinterne milieuzorg en de vergunningverlening en de handhaving. Op basis van opgedane ervaringen en proefprojecten wordt hierin aangegeven hoe de koppeling concreet vorm kan krijgen. Ook ontwikkelingen ten aanzien van certificatie van milieuzorgsystemen wordt hierin meegenomen.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– intentieverklaring papier- en kartonindustrie (1995)
– intentieverklaring textiel- en tapijtindustrie (1995)
– intentieverklaring baksteen- en dakpannenindustrie (1996)
– intentieverklaring rubber- en kunststofverwerkende-industrie (1996)
– intentieverklaring beton- en cementwarenindustrie (1996)
– diverse handreikingen met betrekking tot de uitvoering van het doelgroepenbeleid (1996/1997)
– monitoringsprotocol industrie (1996)
– notitie stroomlijning rapportageverplichtingen (1996)
– workshop ketenbeheer en milieuzorg (1995)
– vervolgnota combizorg (1996)
– implementatie EMAS verordening (1995)
– certificatieschema milieuzorgsystemen (1995)
– wettelijke verplichting milieuverslag (1997)
– milieudoorlichting (1997)
– aanpassing Wet Ondernemingsraden (1995)
– handreiking relatie milieuzorg vergunning verlening en handhaving (1995)
– flankerend beleid betrokkenheid andere overheden (1998)
– kabinetsstandpunt naar aanleiding van de evaluatie milieuzorg '96 (1997)
– kabinetsstandpunt werknemersbetrokkenheid (1996)
– bijzondere regelingen NeR (1995–1998)
– gestandaardiseerde maatregelen ter bestrijding van stank voor 15 bedrijfstakken (1995)
– besluit emissie eisen stookinstallaties (BEES) (1996)
– programma koolwaterstoffen-2000 (1995–1998)
– EURO-BAT beschrijvingen (1995–1998)
De planning van de nog af te sluiten convenanten is hieronder aangegeven.
Papier- en kartonindustrie zomer 1995
Textiel- en tapijtindustrie zomer 1995
Vleesindustrie 1996
Rubber- en kunststof 1996
Baksteen- en dakpan 1996
Beton- en cementwaren 1996
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep:
De doelgroep omvat de gehele bedrijfstak industrie (met uitzondering van raffinaderijen)
Aanpak/benadering:
Kerngedachten zijn: – milieuproblemen worden het best in overleg met het bedrijfsleven opgelost;
– het doelgroepenoverleg draagt bij aan een consistent milieubeleid en vergroot de zekerheid voor individuele bedrijven;
– de overheid is verantwoordelijk voor het formuleren van milieudoelstellingen;
– de doelgroep is verantwoordelijk voor het realiseren van de taakstellingen.
In hoofdlijnen volgt de uitvoering van het milieubeleid voor de industrie de volgende stappen:
– het formuleren van de emissiereductiedoelstellingen;
– het selecteren van de bedrijfstakken;
– het opstellen van een intentieverklaring, met daarin de Integrale Milieutaakstelling (IMT) voor de bedrijfstak;
– het starten van een publiciteitscampagne;
– het opstellen van een implementatieplan of een bedrijfsmilieuplan ter uitwerking van de IMT;
- het uitwerken en toepassen van de maatregelen.
Monitoring:
– de betrokken bedrijven rapporteren over de feitelijke milieubelasting;
– de getotaliseerde rapportages per bedrijfstak geven inzicht in de realisatie van de IMT;
– de wijze waarop monitoring plaatsvindt wordt vastgelegd in de convenanten;
– de rapportages van bedrijven worden afgestemd op andere milieurapportages van bedrijven, waarbij de monitoringsrapportage zo veel mogelijk wordt geïntegreerd in de regeling van het milieuverslag (voor zover van toepassing).
De emissies van CO2 (klimaatverandering) en zwaveldioxyde (SO2) (verzuring) bepalen de indicator. Als economische parameteris de doorzet van ruwe olie (en olieprodukten) opgenomen.
Produktiegroei en de toegenomen vraag naar lichtere produkten en milieumaatregelen leiden tot additionele en veelal energie-intensievere processen. Hierdoor is de emissie van CO2 tussen 1980 en 1994 met 19% toegenomen. Door investeringen in nieuwe raffinageprocessen en aanscherping van vergunningen en nationale emissienormen daalden de SO2-emissies ten opzichte van 1980 met 52% tot 61,6 kiloton in 1994.
In december 1994 is in Brussel de Stage I richtlijn aangenomen. De richtlijn heeft tot doel emissies bij de opslag en belading van benzine te reduceren. Ook is deze richtlijn een belangrijke ondersteuning van het KWS 2000-programma. Met de industrie is afgesproken dat de voorzieningen, te weten dampretourinstallaties, die in de richtlijn worden voorgeschreven al op 1 januari 1998 zijn geïnstalleerd.
Met de sector is overeenstemming bereikt over de NOx-taakstelling voor 2000 en over een richtinggevend emissieniveau in 2010. In 2000 zal op grond van de ontwikkelingen die zich dan hebben voorgedaan een beslissing over de concrete invulling van de taakstelling in 2010 worden genomen.
Onderzoek heeft uitgewezen dat de concentraties van cadmium in ruwe olie zodanig laag zijn dat de emissies van cadmium bij de verwerking van ruwe olie verwaarloosbaar zijn. Het onderzoek heeft ook duidelijkheid verschaft over de concentraties van andere zware metalen in ruwe olie. Deze informatie, plus die uit emissiemetingen bij raffinaderijen, moet eind 1995 leiden tot een beleidsstandpunt inzake emissietaakstelling zware metalen bij de sector.
Aan drie raffinaderijen is in 1994 een herziene vergunning verleend, en voor drie andere raffinaderijen zal dat voor medio 1996 gebeuren. Nadruk ligt daarbij op de uitvoering van eerder geformuleerd beleid. Prioriteit heeft het nader invullen van afspraken over de NOx-taakstelling voor 2000. Als onderdeel daarvan zal aan bedrijven meer flexibiliteit worden gegeven voor kosteneffectieve oplossingen om de NOx-taakstelling te realiseren.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Integrale Milieutaakstelling (IMT) (Actie RAF 1 uit Werkdocument NMP 2)
De IMT bevat doelstellingen voor CO2/energie-efficiencyverbetering, SO2, NOx, VOS, olielozingen en emissies naar water van andere stoffen. Een tijdlang is met de sector overleg gevoerd over een intentieverklaring om afspraken vast te leggen over de integrale aanpak van de milieutaakstelling, zoals opgenomen in de IMT. Inmiddels is in goed overleg met de sector besloten af te zien van een intentieverklaring. De raffinaderijen hebben wel toegezegd BMP's op te zullen stellen waarbij de uitvoering van de 2000-taakstellingen uit de IMT ter hand wordt genomen.
Het streven is de komende jaren gericht op het realiseren van een situatie waarin:
– alle raffinaderijen voorzien zijn van een herziene vergunning Wet milieubeheer;
– bedrijfsmilieuplannen worden gerealiseerd die geaccordeerd zijn door het bevoegd gezag;
– uitvoering KWS 2000-programma, realisering dampretoursystemen, stankproblematiek in belangrijke mate wordt aangepakt;
– bij alle raffinaderijen milieuzorgsystemen ingevoerd en operationeel zijn.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– Invulling 5e fase SO2 normstelling na 2004 (Actie RAF 2 uit Werkdocument NMP 2) (1996/1997)
– Invulling NOx-normen na 2000 (1999)
– In EU-verband overeenstemming over geïntegreerde aanpak raffinaderijen en daarbij behorende normstellingen voor de belangrijke emissies naar lucht en water
– Meerjarenafspraak energiebesparing, zomer 1995
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
5 raffinaderijen op 6 lokaties. De milieuproblemen worden grotendeels veroorzaakt door hoeveelheid en samenstelling van de verbruikte brandstoffen, en daarnaast door de aanvoer en opslag van grondstoffen en produkten.
Aanpak/benadering
– verbetering uitvoeringsstructuur door integrale milieutaakstelling en bedrijfsmilieuplannen;
– verbreding monitoring;
– vergroten van zekerheid voor de sector door:
* Nederlandse milieu-eisen vergelijkbaar met internationale milieu-eisen en inspanningen te richten op aanscherping normen in EU-kader,
* in EU-verband een geïntegreerde benadering van de doelgroep te benadrukken,
* aandacht voor stankproblematiek, waterbodemverontreiniging en invullen kennislacunes feitelijke emissies zware metalen en PAK.
Uitgangspunt doelgroepbenadering: elk bedrijf kan binnen zekere grenzen in het eigen bedrijfsmilieuplan keuze maken over de wijze waarop de milieuproblemen in het bedrijf opgelost moeten worden en prioriteiten stellen voor de gewenste sanering.
Indicator Elektriciteitproducerende bedrijven
In de indicator zijn de emissies door de elektriciteitsproduktiebedrijven van CO2, zwaveldioxyde (SO2) en stikstofoxyde (NOx) en radio-actieve straling, die vrijkomen bij gebruik van kolen en gas, opgenomen. Naast de milieubelasting is ook een maat voor de economische activiteit van de doelgroep, de elektriciteitsproduktie, opgenomen.
Door de gestegen elektriciteitsproduktie (6% in de periode 1980–1994) is tussen 1980 en 1994 de emissie van CO2 met 10% toegenomen. Sinds 1980 is de NOx-emissie met 32% gedaald. De SO2-emissie is door vergaande rookgasontzwaveling sinds 1980 met 92% afgenomen. De afname van NOx- en SO2-emissie is het resultaat van een aantal technische maatregelen als uitvloeisel van het Besluit Emissie Eisen Stookinstallaties en het convenant met de Sep.
De hoeveelheid straling door radio-actieve stoffen is sinds 1980 meer dan verdrievoudigd. Deze toename is geschat op basis van de toename in het kolen- en gasverbruik die het gevolg is van de toegenomen elektriciteitsbehoefte. De toename komt geheel voor rekening van de toename in het kolengebruik. Hierbij dient te worden aangetekend dat uit berekeningen blijkt dat de risico's verbonden aan de straling door radio-actieve stoffen in de praktijk op een verwaarloosbaar niveau liggen.
* Medio 1995 is de voortgangsrapportage over de uitvoering van het Milieu-actieplan (MAP) van de energiedistributiebedrijven beschikbaar gekomen. Daarin zijn nadere gegevens over de marktpenetratie van HR-ketels, spaarlampen en de ontwikkeling met betrekking tot warmtekracht opgenomen.
* Uitvoering verzuringsconvenant Samenwerkende Elektriciteitsproducenten (Sep):
– plaatsing NOx-arme branders in de Clauscentrale (1994)
– in bedrijf stelling Selectieve Catalytische Reductie (SCR) in de Gelderlandcentrale (1994)
– start bouw SCR Amercentrale (1994, in bedrijf telling 1996).
* Op 1 februari 1995 is in Gouda een mijlpaal bereikt voor de toepassing van zonne-energie: de plaatsing van de tienduizendste zonneboiler in Nederland. Sinds 1990 is de afzet gestegen van enkele honderden naar enkele duizenden. De Nationale ZonneboilerCampagne heeft hier zeker aan bijgedragen. Het streven om in 2010 de 300 000ste zonneboiler te kunnen installeren heeft geleid tot een Nationaal Onderzoeksprogramma, de ondersteuning van techniek- en marktontwikkeling (5 miljoen beschikbaar) en een subsidieprogramma (8 miljoen beschikbaar). De zonneboiler is hierdoor de afgelopen jaren 15–20% in prijs gedaald. Voor heel Nederland heeft dit geresulteerd in een gasbesparing van 60 000 m3 in 9 jaar. NOVEM verwacht dat dit getal snel zal stijgen.
* De windturbines die in 1994 in gebruik zijn genomen hebben een totaal vermogen van ongeveer 75 Megawatt (MW). Dit is aanzienlijk meer dan het geplaatste vermogen in de afgelopen jaren. In 1993 bedroeg dit 20 MW en in de jaren daarvoor was dit maximaal 35 MW.
* Door het invoeren van stadsverwarming in Amsterdam Zuid-Oost kan 37 miljoen kubieke meter gas worden bespaard. Dit levert een vermindering van luchtemissies op van 65 ton stikstofoxide en 95 000 ton kooldioxide. Bovendien wordt thermische vervuiling vermeden. Door het stadverwarmingsnet rechtstreeks te koppelen aan de elektriciteitscentrale kan een rendementsstijging worden behaald van 52 naar 87%. Het hele stadsverwarmingsplan moet in 1998 worden opgeleverd.
In de uitvoering is een centrale rol weggelegd voor convenanten, eventueel ondersteund door regelgeving. Daarin zijn de wederzijdse verplichtingen van het rijk en de energiesector vastgelegd. In het kader van het tweede Milieu-actieplan (MAP 1994–1997) worden inspanningen verricht op het gebied van energiebesparing in de gebouwde omgeving (isolatie, verlichting, verwarming), uitbouw van warmte/krachtvermogen en duurzame energiebronnen, de tuinbouwsector en kleine en middelgrote industrieën.
Het MAP 2 gaf aan dat de besparingen aan de verbruikerskant ten opzichte van de prognose in het NMP 2 en de Vervolgnota Energiebesparing nog onvoldoende zijn. Mogelijk is er sprake van iets hoger uitvallende besparingen bij het onderdeel na-isolatie als gevolg van autonome ontwikkelingen. Hierover vindt nog overleg plaats.
De bezuinigingen op de energiebudgetten hebben tot grote bezwaren geleid bij de nutsbedrijven. In de door de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer gezonden brief over het energiebesparingsbeleid is aangegeven op welke wijze de weggevallen energiebudgetten zullen worden gecompenseerd door ander beleid. De energiebedrijven blijven wel bezwaar houden, maar handhaven vooralsnog hun MAP-inspanningen.
In 1994 is het verzuringsconvenant met de elektriciteitssector geëvalueerd. De daarbij getrokken (positieve) conclusies zijn aan de Tweede Kamer toegezonden. In 1996 wordt opnieuw over de uitvoering van het convenant gerapporteerd.
Momenteel worden er studies uitgevoerd naar het mogelijk perspectief voor brede toepassing van CO2-verwijdering in Nederland.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Ook na uitvoering van de moratoriumafspraken zal de verdere implementatie van WarmteKrachtkoppeling (WKK) vanwege de milieuvoordelen hoge prioriteit houden. Bij nieuw WKK-vermogen zal meer dan tot nu toe moeten worden gestreefd naar een optimale verhouding tussen de produktie van warmte en kracht. Ook de exergiebenadering kan een bijdrage leveren aan een milieuvriendelijke inrichting van de energievoorziening.
In de energiesector voltrekken zich belangrijke ontwikkelingen die ook van invloed kunnen zijn op de uitvoering van het milieubeleid. De trend naar schaalvergroting zet door en mogelijk zijn er rond de eeuwwisseling nog maar enkele grote (groepen van) energiedistributiebedrijven (10 jaar geleden nog circa 150). In de centrale energieproduktiesector had zich al eerder een sterke concentratie voltrokken. Daarnaast valt in de laatste jaren een sterke groei van decentrale energieproduktie waar te nemen. Andere tendensen zijn die van een steeds grotere commercialisatie, gericht op meer ondernemerschap en een sterkere oriëntatie op de eindverbruiker, spreiding en uitbreiding van het takenpakket (toetreding tot nieuwe markten buiten de energiebedrijfskolom, bijvoorbeeld in de afvalsector en de telecommunicatie), en niet in het minst mogelijke verdere internationalisering in de vorm van toenemende grensoverschrijdende activiteiten. Deze internationalisering kan betekenen dat buitenlandse bedrijven in Nederland energie gaan produceren en distribueren.
Deze ontwikkelingen hebben mede hun weerslag op de in gang zijnde evaluatie van de Elektriciteitswet. Thans valt nog niet aan te geven welk effect al deze ontwikkelingen tezamen zullen hebben op de verhoudingen binnen de energiesector.
De vraag is welke gevolgen een en ander zal kunnen hebben voor de uitvoering van het milieubeleid. Daarbij komen vragen aan de orde wie de aanspreekpartners zijn voor het maken van convenanten (organisaties als Sep en EnergieNed, individuele bedrijven), alsmede hoe buitenlandse energiebedrijven, zo deze in ons land energie gaan produceren en/of distribueren, moeten worden benaderd. De huidige benadering waarbij convenanten worden aangevuld met actuele regelgeving lijkt hierin te kunnen voorzien. Overigens is er à priori geen reden om aan te nemen dat van de optredende wijzigingen in de energiesector een negatieve invloed op de milieu-inspanningen zal uitgaan.
Het genoemde streven van energiebedrijven naar uitbreiding van het takenpakket buiten de energiebedrijfskolom kan tot activiteiten leiden die een positieve invloed hebben op de realisering van het milieubeleid. Een breed scala aan activiteiten is denkbaar. Daarbij liggen activiteiten in een «nutsachtige» omgeving voor de hand, waarbij ervan uit moet worden gegaan dat de nieuwe activiteiten (tenminste) kostendekkend zijn.
– uitvoering verzuringsconvenant
– uitvoering MAP 2 (Actie ENER 2 uit Werkdocument NMP 2)
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– een vervolg op het bestaande verzuringsconvenant (met de Sep) voor de periode na 2000;
– afspraken over vorm en inhoud van de milieu-activiteiten van de energieproduktiesector (hervatting en afronding besprekingen over CO2-convenant voor de periode tot 2010, (Actie ENER 3 uit Werkdocument NMP 2) en van de energiedistributiebedrijven (het huidige Milieu-actie Plan-2 loopt tot 1997). Mogelijk worden de afspraken met de sectoren geïntegreerd tot één geheel.
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
– elektriciteitsproduktiebedrijven
– energiedistributiebedrijven (intermediair tussen producent en consument)
– de N.V. Sep
– de N.V. Nederlandse Gasunie
– grote industriële bedrijven met warmtekrachtvermogen
– fabrikanten en leveranciers van energieconversieapparaten
Overleg met de doelgroep is gaande over de manier waarop de inspanningen en vorderingen op milieugebied zichtbaar kunnen worden gemaakt.
* De Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen is april 1995 gestart met de actie «winkelwijs». Het doel van de actie is het samen met kleine groepjes plattelandsvrouwen naar de supermarkt in de omgeving gaan, om aan de hand van een checklist te bekijken hoe winkels omgaan met duurzaamheid. Vervolgens worden de winkeliers aan de tand gevoeld over ecoprodukten, energie, verpakkingen, winkelinrichting en afvalbeleid. Na een dergelijk onderzoek ontvangt elke winkelier een lijst met aanbevelingen voor verbeteringen.
* De «Retourette» heeft de aandacht getrokken van de Roteb (de gemeentelijke afvalverwerking in Rotterdam). Dit milieustation op moderne basis is geboren uit noodzaak. nadelen van de flessen-inname in de winkel zijn zo groot en de kosten rijzen zo de pan uit dat men naarstig naar iets anders op zoek was. Het retourneren van verpakkingen en afval wordt nu niet alleen leuker gemaakt, maar ook makkelijker. De kosten voor dit project hoeven niet te stijgen; de manuren op de fust-afdeling vallen nu immers weg. In juni 1995 is de «Retourette» geopend.
De detailhandel is op twee manieren betrokken bij de uitvoering van het milieubeleid. De detailhandel wordt aangesproken als het gaat om milieuzorg. Daarbij gaat het om de milieubelasting van de directe bedrijfsvoering zoals energie of afval. Eind 1994 zijn zes milieuzorgprojecten afgerond. De projecten zijn door het Hoofdbedrijfsschap detailhandel (HBD) met medefinanciering van het rijk uitgevoerd. Doel van de milieuzorgprojecten was zicht te krijgen op mogelijkheden van branches om tot vermindering van de milieubelasting van de eigen bedrijfsuitvoering te komen. Er zijn 4 branche-projecten en twee lokatie-projecten, op het niveau van winkelcentra, uitgevoerd. Gebleken is dat de mogelijkheden afhankelijk zijn van de soort branche. Voor de doe-het-zelf sector bijvoorbeeld gelden andere milieu-aspecten dan voor de aardappel-, groente- en fruitbranche. Op basis van de ervaringen is door het HBD een implementatieplan opgesteld met als doel de verkregen informatie beschikbaar te maken en breed uit te dragen. In mei 1995 is de uitvoering van dit plan officieel van start gegaan met een groots opgezette bijeenkomst waaraan vele detaillisten hebben deelgenomen.
Het implementatieplan heeft een looptijd van ongeveer drie jaar en legt de nadruk op een branchegerichte aanpak. Daarnaast zijn er enkele actiepunten die voor de branches gezamenlijk gelden, zoals bijvoorbeeld voorlichting aan het winkelpersoneel. Dit gebeurt in samenwerking met de vakbonden.
In het kader van het produktenbeleid wordt de detailhandel aangesproken als intermediair tussen producent en consument. Om assortimentsverbetering bij grootwinkelbedrijven te stimuleren is het PRIMA-project gestart (Project Introductie Milieuvriendelijk Assortiment). De eerste fase is in 1994 afgerond. De resultaten laten zien dat de invloed van winkelbedrijven op het milieuvriendelijk ontwerpen van produkten gering is. Maar door bijvoorbeeld andere leveranciers in te schakelen is het toch mogelijk om tot een milieuvriendelijker produktassortiment te komen. Begin 1995 is gestart met de tweede fase. Daarin wordt geprobeerd nauwkeuriger vast te stellen wat beperkingen en kansen zijn voor het grootwinkelbedrijf bij het beïnvloeden van de milieuvriendelijkheid van haar assortiment. Deze fase loopt tot begin 1996.
De marktpositie van de kleinere ketens verschilt met die van grootwinkelbedrijven. Nader onderzoek naar de mogelijkheden voor assortimentsverbetering bij de kleinere detailhandel is medio 1995 van start gegaan en zal in 1996 worden afgerond.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
De uitvoering van het implementatieplan voor milieuzorg. De nadruk ligt op uitvoering door de doelgroep zelf, met een ondersteunende rol voor het rijk.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
Vanaf begin 1996 zal, als de resultaten van PRIMA 2 daar aanleiding voor geven een derde fase gestart worden. Daarin worden de ervaringen van de eerste fasen van het PRIMA-project toegankelijk gemaakt voor andere grootwinkelbedrijven. In 1996 en 1997 zal ook het implementatieplan milieuzorg onder verantwoordelijkheid van het HBD maar met medebetrokkenheid van het rijk verder uitgevoerd worden.
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
– de sector vervult een intermediaire rol tussen producent en consument; de sector is zeer divers van samenstelling. Zowel grootwinkelbedrijven, veelal met diverse winkelketens en internationaal opererend, vallen hieronder als ook de zelfstandige detaillist met een speciaalzaak;
– de groothandel vormt een schakel tussen de producent in Nederland of het buitenland en de detailhandel.
Aanpak/benadering
– De sector wordt benaderd in nauwe samenwerking met het Hoofdbedrijfsschap detailhandel (HBD). In het doelgroepoverleg waarin naast de betrokken departementen en het HBD ook enkele detailhandelsorganisaties deelnemen, wordt het milieubeleid voor de sector besproken en worden nadere afspraken gemaakt;
– De HBD stimuleert milieuzorgprojecten en draagt – in overleg met de detailhandelsorganisaties – zorg voor het opstellen van een implementatieplan om de aandacht te vestigen op resultaten van de projecten;
– In het project Introductie Milieuvriendelijk Assortiment worden in samenwerking met grootwinkelbedrijven de mogelijkheden bekeken om het produktassortiment in milieuvriendelijke richting bij te stellen;
– De groothandel kent een gedragscode duurzame ontwikkeling;
– Ondersteuning wordt gegeven aan voorlichtingsprogramma's van de detailhandel gericht op de consument en op milieuzorg.
De doelgroepindicator is opgebouwd uit de emissies voor CO2 (klimaatverandering), stikstofoxyden (NOx) (verzuring) en geluid- en stankhinder (verstoring).
Als economische parameter is de totale hoeveelheid voertuigkilometers opgenomen. Het totaal aantal voertuigkilometers (personen- en vrachtvervoer) is in 1994 ten opzichte van 1980 met 48% toegenomen.
De emissie van CO2 is tussen 1980 en 1994 met 37% gestegen. Oorzaak hiervan is onder andere de toename van het aantal afgelegde voertuigkilometers en de trend naar de aanschaf van zwaardere personen- en vrachtauto's. Mogelijk speelt snelheidsgedrag een rol.
De NOx-emissie is, na een stijging tot 1988, inmiddels gedaald tot onder het niveau van 1980 (van 344 kiloton in 1980 tot 331 kiloton in 1994), ondanks een groei van het aantal afgelegde voertuigkilometers. Dit komt door de verscherping van de normstelling voor uitlaatgasemissies. Na 1991 is het aantal voertuigen met een geregelde driewegkatalysator toegenomen en zijn de SELA- en MiBu-regelingen bij vrachtauto's van kracht geworden (schoon- en lawaai-arm). Sinds 1991 is er een kleine daling van het aantal mensen dat door stank en/of geluid gehinderd wordt.
Steeds meer vervoersmaatschappijen kiezen voor milieuvriendelijker vervoer. De Brabantse Busonderneming (BBA) gaat met 18 nieuwe LPG-bussen het openbaar vervoer in Den Bosch bedienen. Het bedrijf wil in 2000 alleen nog maar met dergelijke voertuigen rijden. De uitlaatgassen van LPG-bussen stoten maximaal 10 procent van de NOx-norm van de Europese Unie, die in 1996 ingaat, uit.
Meer dan de helft van de autobezitters tankt bewust. Volgens het Europees Bureau voor de Statistiek (Eurostat) reden in 1993 53,5% van de auto's in de Europese Unie op ongelode benzine tegenover 47,1% in het jaar daarvoor. In 1986 lag het gebruik van «groene» benzine nog onder de 1 %. Duitsland is met 89% de koploper, Nederland volgt, samen met Denemarken met 83%.
De ontwikkeling van de automobiliteit en het goederenwegvervoer vergen voortdurende aandacht. Dit komt vooral door de toenemende congestie en onveiligheid en een onvoldoende afname van de emissies. De aanpak van deze problemen loopt langs verschillende sporen. Via het spoor van de techniek, van de beheersing van de groei van de automobiliteit en van de beïnvloeding van het rijgedrag van automobilisten. Deze aanpak is voorwaarde voor het beheersbaar houden van de milieubelasting, maar ook van het ruimteprobleem van de mobiliteit. Daarnaast is voortgaande externe integratie, in samenhang met verdere decentralisatie van de beleidsuitvoering een belangrijke voorwaarde voor succes. Ook aan alternatieven voor het individuele autogebruik wordt permanent gewerkt zoals verkeers- en vervoersmanagement, beter openbaar vervoer en meer fietsvoorzieningen. Bij de ontwikkeling van nieuwe infrastructuur zal in een vroeg stadium en vanuit een integraal afwegingskader een beoordeling op nut en noodzaak tot stand moeten komen.
Voor de langere termijn komen de volgende accenten in beeld. Voor het personenverkeer zal vanuit een duurzaamheidsconcept verder nagedacht worden over toekomstige transportsystemen en -systematieken, in samenhang met de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Ook over de functie van het goederenvervoer in Nederland en Europa (economisch, ruimtelijk, milieuhygiënisch en maatschappelijk) én over de daarbij behorende structuur zal verdere gedachtenvorming en discussie plaatsvinden. Naar aanleiding van het Kabinetsbesluit Betuweroute is tevens besloten om binnen twee jaar de Tweede Kamer een «plan van aanpak/flankerend beleid goederenvervoer» aan te bieden.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Bronbeleid voertuigen: normstelling (Actie VER 12 uit Werkdocument NMP 2)
Verdergaande Europese normstelling is noodzakelijk om de doelstellingen te bereiken. Gewerkt wordt aan EG-richtlijnen met aangescherpte normen voor luchtverontreiniging voor personen- en vrachtauto's die rond de eeuwwisseling van kracht moeten worden. In dit kader wordt ook stapsgewijze aanscherping van de geluidsnormen voor vrachtauto's en bussen en van de normen voor luchtverontreinigende emissies van lichte en zware bestelauto's gerealiseerd. Nederland maakt zich ook sterk voor de introductie van een vorm van CO2-normstelling voor personenauto's, al dan niet gekoppeld aan een vorm van fiscale stimulering. Nederland zal in samenspraak met andere lidstaten er bij de Commissie op aandringen spoedig met de toegezegde mededeling over CO2 en personenauto's te komen.
Als vervolg op de presentatie van het VNO/NCW-rapport «Nieuwe Hoop voor Morgen 2» wordt samen met de doelgroep in casu de automobielbranche en de ondernemersorganisaties gezocht naar mogelijkheden om tot aanvullende duurzame milieu-technologische verbeteringen van het wagenpark te komen.
Bronbeleid verkeer: fiscale stimulering (Actie VER 11 uit Werkdocument NMP 2)
Prijsbeleid draagt in zijn verschillende verschijningsvormen zowel bij aan het afremmen van de vervoersvraag als aan het stimuleren van de produktie en aanschaf van zuinige voertuigen.
In het kader van het prijsbeleid terzake van de aanschaf van voertuigen is de inspanning gericht op het realiseren van een fiscale stimuleringsregeling ter bevordering van de introductie van zuiniger personenauto's in 1997. Definitieve besluitvorming hierover zal plaatsvinden nadat de Hoofdwerkgroep technische herziening Loonbelasting/inkomstenbelasting, op basis van het rapport van de werkgroep vergroening fiscaal stelsel, daaromtrent advies heeft uitgebracht. Daarnaast worden geen acties ondernomen om te komen tot «schonere» en «stillere» auto's. Ter ondersteuning van de inzet op «zuinig» maakt Nederland zich in Europees verband sterk om de minimum accijnstarieven van motorbrandstoffen substantieel te verhogen. Met ingang van 1 januari 1996 worden de accijnzen voor benzine en diesel geïndexeerd.
Afhankelijk van de uitkomsten van een haalbaarheidsstudie naar produktinformatie over milieukenmerken van nieuwe auto's wordt in 1996 gestart met de opzet van een informatiesysteem.
Nota Luchtverontreiniging en luchtvaart (Acties VER 1, VER 4, VER 5 uit Werkdocument NMP 2)
Op 7 juni 1995 is de in het Plan van Aanpak Schiphol en Omgeving en het NMP 2 aangekondigde beleidsnota Luchtverontreiniging en Luchtvaart aan de Tweede Kamer gezonden. De nota gaat in op de mondiale en grensoverschrijdende aspecten van de luchtverontreiniging door de luchtvaart.
De internationale luchtvaartsector heeft de laatste jaren actief meegewerkt aan het reduceren van luchtverontreinigende emissies. Zo zijn belangrijke resultaten bereikt op het gebied van de emissieregulering, hetgeen een positieve invloed heeft gehad op de ontwikkeling van zuiniger en schonere vliegtuigmotoren. De bereikte emissiereductie per passagierskilometer is echter niet voldoende om de emissiegroei als gevolg van de toename van het verkeersvolume te compenseren.
Het Kabinet acht de groei van de emissies van de internationale luchtvaart zorgwekkend omdat deze het draagvermogen van het milieu ten behoeve van een duurzame ontwikkeling aantast. Het Kabinet wil deze groei daarom zoveel mogelijk tegengaan en zal daartoe het in deze nota beschreven beleid uitvoeren. Vanwege het internationale karakter van de luchtvaartsector vormt een internationale aanpak uitgangspunt van het beleid.
Project IMAGO: initiatief milieu-actie goederenvervoer (Actie VER 1 uit Werkdocument NMP 2)
Met het huidige beleid komen de taakstellingen voor het goederenvervoer niet binnen bereik. Dit komt door een hogere groei van het aantal vrachtkilometers dan werd aangenomen in het tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (SVV-II). Samen met het vervoerend en verladend bedrijfsleven zoekt de overheid naar maatregelen om de milieudoelstellingen voor het wegtransport dichterbij te brengen. De maatregelen zijn zowel gericht op de techniek als op de modal split, efficiënter vervoer en rijgedrag. Met koepelorganisaties worden intentieverklaringen opgesteld, waarna met (groepen van) bedrijven meerjarenafspraken worden gemaakt.
Inmiddels zijn de eerste resultaten bereikt. Zo hebben de deelnemende organisaties op 8 mei 1995 een gemeenschappelijke verklaring ondertekend. De zes partijen spreken hierin de intentie uit samen de mogelijkheden te scheppen voor de verdere beperking van milieu- en energiebelasting in de transport- en distributiesector. De ondertekening betekent de officiële start van deze samenwerking in de projectorganisatie «TRANSACTIE» (voorheen IMAGO). Daarnaast is medio mei reeds de eerste intentieverklaring getekend. De ondertekenaars, Deltacombinatie, de Vereniging van Zeecontainer Vervoerders en het ministerie van Verkeer en Waterstaat (namens de zes organisaties) hebben de intentie uitgesproken gezamenlijk te onderzoeken welke mogelijkheden binnen de organisaties bestaan om te komen tot milieu- en energiebesparing en te werken aan een meerjarenafspraak.
«Naar een lokaal en regionaal verkeersmilieubeleid» (Actie AO 2 uit Werkdocument NMP 2)
De uitwerking van het 25 januari 1995 gesloten akkoord op hoofdlijnen tussen Rijk, IPO en VNG over decentralisatie van verkeer en vervoer in de niet-BoN-gebieden brengt substantiële wijzigingen voor het verkeers- en vervoersbeleid met zich mee. Dit heeft zijn weerslag gehad op de inhoud van de concept Uitvoeringsnotitie «Naar een lokaal en regionaal verkeersmilieubeleid». De oorspronkelijk concept-Uitvoeringsnotitie haakte sterk aan bij de sturingsmethodiek van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W), zoals vastgelegd in de V&W-beleidsnotitie Vervoerregio's. Door plantoetsing te koppelen aan de toekenning financiële bijdragen zijn de verkeersmilieudoelstellingen van NMP/SVV-II in deze methodiek ingebed. Inmiddels is echter besloten van de koppeling tussen plantoetsing en financiële bijdrage af te zien.
Bovengenoemde afspraken maken een herbezinning noodzakelijk over de wijze waarop de doorwerking van doelstellingen van NMP en SVV-II in de plannen van de andere overheden gerealiseerd kunnen worden. Dit betekent dat de in NMP 2 aangekondigde Uitvoeringsnotitie niet in 1995 naar de Kamer zal gaan.
Mainport Schiphol, aanwijzing ex LVW (1995 2003 2015) (Acties VER 4, VER 5 uit Werkdocument NMP 2)
De PKB Schiphol en de aanwijzingsbesluiten ingevolge de Luchtvaartwet geven de toekomstige ontwikkeling van de luchthaven aan. Daarbij wordt zowel rekening gehouden met de mainportfunctie van Schiphol als met de verbetering van de leefomgeving. In PKB-3a (Kabinetsstandpunt na verwerking moties Tweede Kamer, juni 1995) zijn de volgende beleidskeuzen vastgelegd:
– het kabinet gaat uit van een ontwikkeling van Schiphol naar circa 40 miljoen luchtpassagiers, in elk geval niet meer dan 44 miljoen, alsmede circa 3 miljoen ton vracht met een zelfde marge en tenminste 5 miljoen passagiers per Hoge Snelheidslijn. Het beleid is er op gericht een verdere groei van de luchtvaart op Schiphol te voorkomen;
– vanwege het streven naar een duurzame ontwikkeling moet verbetering plaatsvinden van de kwaliteit van het leefmilieu. Daartoe mag in de omgeving van Schiphol de situatie vanaf 2003 ten opzichte van 1990 niet verslechteren voor de parameters stank, lokale luchtverontreiniging en externe veiligheid en moet de situatie verbeteren voor luchtvaartgeluid;
– het aantal geluidbelaste woningen in de 35 Ke zone zal afnemen van 15 100 in 1990 naar 10 000 in de periode nadat de vijfde baan in gebruik is genomen. Daarnaast zal het aantal ernstig gehinderden in de 20 Ke contour afnemen van 92 000 (situatie 1990) tot circa 54 000 in de situatie met de vijfde baan en zal het aantal mensen dat slaapverstoring ondervindt binnen de 20 dB(A)-nachtcontour dalen van 134 000 (situatie 1990) naar circa 39 000 in de situatie met de vijfde baan.
In de formatie van het huidige kabinet is aanleg van de Betuweroute, zoals besloten door de Kamer door middel van de vaststelling van een Project-PKB, onderwerp van discussie geweest. De afspraak is gemaakt om de noodzaak tot en de wijze van uitvoering te laten heroverwegen door een onafhankelijke Commissie. Medio 1994 heeft de Commissie Heroverweging Betuweroute (Commissie Hermans) gerapporteerd. Conclusies van de commissie: aanleggen (ongefaseerd), een groot aantal kleine knelpunten verbeteren met het oog op een bredere bestuurlijke acceptatie, afwegen van een vijftal grotere knelpunten, én – niet onbelangrijk voor het milieubeleid – dat aanleg «een belangrijk deel van haar zin zou verliezen, wanneer er geen flankerend beleid ten aanzien van het wegvervoer gevoerd wordt».
In het Kabinetsstandpunt van april 1995 is opgenomen dat, samen met de buurlanden, binnen twee jaar een Plan van Aanpak voor zo'n flankerend beleid wordt opgesteld en dat er 820 miljoen gulden extra ter beschikking gesteld wordt voor de kleine verbeteringen en voor een tunnel onder de Giessen. De Tweede Kamer heeft daar een tunnel onder het Pannerdensch Kanaal aan toegevoegd. De al voorliggende project-PKB wordt in de komende tijd ten behoeve van de tunnels partieel herzien en verder uitgewerkt in een (Ontwerp-) Tracébesluit. Bij de aanpassingen in het tracé gaat het met name om landschapswaarden en om bestuurlijke acceptatie.
Naar verwachting zal het Plan van Aanpak Goederenvervoer een belangrijke impuls geven aan de inspanningen om de groei van de milieubelasting vanwege het wegvervoer te beperken.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– vaststelling in hoeverre emissiereductie in de binnenvaart haalbaar is (uiterlijk 1998);
– formulering taakstelling overige mobiele bronnen (uiterlijk 1998);
– meting roetgehalte uitlaatgassen bij APK (uiterlijk 1996);
– bijdragebesluit laagzwavelige dieselolie 1996 (1995);
– tariefdifferentiatie naar milieukenmerk «zuinig» in de Belasting voor Personenauto's en Motorrijwielen (BPM) (1996);
– wijziging Saneringsregeling wegverkeerslawaai in breder inzetbare regeling (1996);
– EU-besluit tot vaststelling Euro-3-norm voor vrachtauto's met ingang van 1999/2000 (1996);
– EU-besluit aanscherping verzurende en andere emissies personenauto's;
– implementatie richtlijn eerste normstelling tractoren en mobiele bronnen (1996/1997).
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
– Gebruikers van vervoermiddelen (personen- en goederenvervoer, lucht- en scheepvaart, overige mobiele bronnen)
– Producenten en importeurs van vervoermiddelen
Aanpak/benadering
De hoofdlijnen van het verkeers- en vervoerbeleid zijn: aanpak van emissies bij de bron, geleiden van de mobiliteit, verbeteren van alternatieven voor de auto, beïnvloeden koop- en rijgedrag, bieden van selectieve bereikbaarheid en versterking van de beleidsinstrumenten als communicatie, bestuurlijke samenwerking, financiering, handhaving en onderzoek.
De indicator wordt bepaald door de belangrijkste milieubelastende stoffen van de doelgroep. Deze hebben betrekking op de thema's verandering van klimaat (CO2), vermesting, eindverwijdering (de totale hoeveelheid geproduceerd afval die wordt gestort, geloosd of verbrand) en verspreiding (prioritaire stoffen). Naast de milieubelasting is ook een maat voor de economische activiteit van de doelgroep, de consumptieve bestedingen, opgenomen.
De bijdrage van de consumenten aan het thema klimaatverandering, waarin zowel de emissies door gebruik van woningen als van het privéverkeer zijn opgenomen, is tussen 1980 en 1994 met 3% afgenomen. Hoewel de CO2-emissie door het privé-wegverkeer is toegenomen, zorgde een efficiënter energiegebruik voor ruimteverwarming ervoor dat per saldo de CO2-emissie afnam. De hoeveelheid geproduceerd huishoudelijk afval is sinds 1980 met 40% gestegen. Oorzaak hiervan is de groei van de bevolking en de toegenomen afvalproduktie per hoofd van de bevolking. De trend in produktie van afval volgt daarmee de trend in de consumptieve bestedingen, die sinds 1980 met 25% zijn gestegen. Van de totale hoeveelheid geproduceerd afval wordt relatief steeds minder gestort of verbrand. De daling is toe te schrijven aan de toegenomen gescheiden inzameling van huishoudelijk afval.
De verspreiding van prioritaire stoffen is in de periode 1985–1993 nagenoeg gelijk gebleven De belasting van het milieu met vermestende stoffen is in de periode 1985–1993 met 28% afgenomen. Deze afname komt voor rekening van een vermindering van de emissie van fosfaat naar het milieu. De emissie van stikstof blijft nagenoeg gelijk.
Volgens de milieugedragsmonitor neemt 79% van de Nederlandse consument zijn eigen boodschappentas mee, 22% weigert omwille van het milieu een plastic tasje. Bij de aanschaf koopt 68% geregeld energiezuinige verlichting en koopt 64% geen wasverzachter. Ruim eenderde koopt geen chloorhoudende schoonmaakprodukten. Minder goed scoren het afzien van het eten van vlees, het kopen van biologische groenten en het kopen van ongebleekt schrijfpapier. (Vijfde milieumeting, milieugedragmonitor 4/95)
De Persoonlijke MilieuTest, een vragenlijst aan de hand waarvan de consument zijn eigen milieubelasting kan berekenen en vergelijken met een gemiddelde, is na de proefversie in 1994 op enkele punten verbeterd en aangevuld. De verbeterde versie is in januari 1995 wederom gepubliceerd door de Consumentenbond.
Dit jaar is definitief vorm gegeven aan het in het NMP 2 aangekondigde overleg van overheden, intermediaire- en sector organisaties en het toeristisch bedrijfsleven, om beleidsactiviteiten nader op elkaar af te stemmen. Dit zogenoemde Coördinatieoverleg Milieu en Toerisme/Recreatie functioneert onder voorzitterschap van de ANWB.
Verder is in juli 1995 een studie afgerond naar de milieubelasting veroorzaakt door consumenten tijdens toeristische en recreatieve activiteiten. Eind 1995 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de inzet van de rijksoverheid op het gebied van milieu en toerisme en recreatie (Actie RIJK 2 uit Werkdocument NMP 2).
Mede ten behoeve van de ontwikkeling van een integrale visie binnen Nederland over de relatie tussen toerisme/recreatie en milieu/natuur participeert VROM in de Initiatiefgroep Milieu en Toerisme/Recreatie. Deze initiatiefgroep, waaraan wordt deelgenomen door sectororganisaties en overheden, voert in 1995 het Communicatieproject Milieu en Toerisme uit. Dit project is onder meer gericht op geven van voorlichting over «Goede voorbeelden» op het gebied van duurzaam binnenlands toerisme/recreatie en het uitwisselen van kennis en ervaringen middels workshops en een nationaal «ontmoetingshuis».
In samenwerking met de ministeries van LNV en EZ is in juni van dit jaar een symposium georganiseerd over Uitgaand toerisme en het natuurlijk milieu. Het symposium past in een traject om met sectororganisaties, bedrijfsleven en overheden te komen tot een (gedrags)code over de Nederlandse mogelijkheden om de natuur- en milieubelasting als gevolg van uitgaand toerisme te beperken.
De maatschappelijke interesse in het onderwerp duurzaam consumeren is sterk toegenomen. Dit blijkt uit de vele initiatieven die in 1994 en 1995 door diverse organisaties zijn genomen om het onderwerp aan de orde te stellen. Genoemd kunnen worden de studiedag «Duurzaam zullen we leven» die het Landelijk Milieuoverleg (LMO) op 13 december 1994 organiseerde, waarin mogelijkheden en kansen voor een meer duurzame leefstijl met de deelnemers werden besproken. Deze dag werd mede mogelijk gemaakt door bijdragen van de ministeries van VROM en Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het slotmanifest wordt onder andere aangedrongen op een ecologisering van het belastingstelsel, het vergroten van het aanbod van milieuvriendelijke produkten, het stimuleren van milieuvriendelijke dienstverlening en het stimuleren van flexibeler arbeidspatronen.
Ook in het debat «Het EcoTeam Voorbij» van het Platform voor Duurzame Ontwikkeling op 10 april 1995 kwam met name de ontwikkeling van nieuwe vormen van dienstverlening, die het milieu sparen en aantrekkelijk zijn voor de individuele consument, naar voren als aantrekkelijk beleidsperspectief. Belangrijke voorwaarde is wel, zo bleek tijdens het debat, een verschuiving van arbeidskosten naar milieukosten. Daarnaast blijkt in de samenleving een grote behoefte te bestaan aan objectieve en betrouwbare informatie over milieuaspecten van goederen en diensten.
Ook het Humanistisch Verbond heeft zich bezonnen op consumptiemotieven. Op 9 mei 1995 werd een boek en een videoproduktie over dit thema gepresenteerd onder de titel «Verslavend lekker en nooit genoeg».
Het vraagstuk van duurzame consumptie staat, na een aanvankelijke aarzelende houding na de milieuconferentie in 1991 in Rio de Janeiro, inmiddels ook hoog op de agenda van relevante internationale organisaties, zoals de OESO en de Verenigde Naties. Nederland heeft hierbij een actieve rol gespeeld door intensieve samenwerking met het Noorse milieuministerie (Noorwegen is de internationale voortrekker op dit gebied) en door het organiseren van een VN-workshop in Zeist in februari 1995 over «Facilities for a Sustainable Household». Tijdens de workshop in Zeist is geconcludeerd dat huishoudens een sleutelrol vervullen in het bereiken van duurzame ontwikkeling. Voor het bereiken van daadwerkelijke gedragsverandering bij huishoudens ligt er echter ook een belangrijke verantwoordelijkheid voor andere doelgroepen, zoals bedrijfsleven en overheden. Deze moeten er immers voor zorgen dat er voldoende, aantrekkelijke en toegankelijke voorzieningen, produkten en diensten worden aangeboden. Alleen dan kan de consument een meer duurzaam leefpatroon doorvoeren zonder daarvoor onevenredig in te leveren op de kwaliteit van het bestaan. Als belangrijke prikkel voor gedragsverandering, waarvoor alleen overheden verantwoordelijk (kunnen) zijn, is gewezen op de ecologisering van het belastingstelsel.
De resultaten van deze workshop zijn grotendeels overgenomen op een ministersconferentie over duurzame consumptie in Oslo (februari 1995). De conclusies van Oslo en Zeist zijn in april 1995 overgenomen door de commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CDO) van de Verenigde Naties en vormen onderdeel van het internationale programma van activiteiten op dit gebied. De Nederlandse inbreng was in hoofdlijnen gericht op het onder de aandacht brengen van het belang van een ecologisering van het belastingstelsel en het aan de consument aanbieden van een goede «milieuinfrastructuur» (produkten, diensten en voorzieningen). Een gecombineerde ad-hoc groep over Financiën en Consumptiepatronen zal voor de volgende vergadering van de CDO in 1996 verslag uitbrengen van de nadere bevindingen.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Uit het boven genoemde in gang zijnde maatschappelijke debat over duurzaam consumeren komen verschillende aandachtspunten naar voren die bouwstenen opleveren voor het te voeren beleid.
In de notitie hierover die dit najaar aan het parlement wordt aangeboden wordt nader op dit onderwerp ingegaan. Het consumentgericht milieubeleid heeft als prioriteiten de ecologisering van het belastingstelsel, voortzetting van het produktenbeleid en de ontwikkeling van milieugericht dienstenbeleid.
Voor maatregelen die in het kader van de regulerende energieheffing de consument raken, wordt verwezen naar de paragraaf Klimaatverandering in de thema-bijlage.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– nota duurzaam consumeren (1996/1997)
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
De consument is niet een eenduidig te beschrijven doelgroep. Het is een verzamelnaam voor individuen die uit zeer verschillende geledingen, met elk verschillende kenmerken voor wat betreft milieubelasting bestaat. De moderne consument is ook als individu niet meer in één hokje te plaatsen maar wisselt zowel tussen de verschillende gedragssegmenten, zoals vrije tijd, werknemer, als binnen elk segment tussen zeer verschillende soorten gedrag, de ene keer milieubewust, de andere keer juist milieuvervuilend. De rol van de consument is daarmee echter niet minder belangrijk. Zo speelt de consument een essentiële rol in het milieubeleid als vragende partij aan het eind van de produktie-consumptieketen.Daardoor kan de consument invloed uitoefenen op de uitvoering van het milieubeleid bij andere doelgroepen.
Aanpak/benadering
– De consument wordt zowel direct door de overheid benaderd als via derden. Een groot deel van de overheidsinspanningen is gericht op het stimuleren van intermediairen om in hun contacten met consumenten het element milieu een nadrukkelijke plaats te geven. Daarbij kan zowel gedacht worden aan specifieke consumentenorganisaties als de Consumentenbond en vrouwenorganisaties als aan detailhandel en producenten;
– De algemene aanpak is gericht op het verlagen van drempels voor meer milieuverantwoord gedrag, het stimuleren van het aanbod van milieuvriendelijker produkten door onder andere betrouwbare en objectieve produktinformatie en door het stimuleren van relevante voorzieningen en diensten;
– Generieke instrumenten zoals voorlichting, financiering en voorzieningen worden ingezet om het milieubeleid te verinnerlijken en te implementeren;
– Het doelgroepoverleg Consumenten met de algemene consumentenorganisaties zal worden geherstructureerd en wordt uitgebreid met organisaties die zich op specifieke onderwerpen richten (wonen, vrije tijdsbesteding, verkeer);
– De mogelijkheden voor meer duurzame leefstijlen worden onderzocht, onder andere door het nauwlettend volgen en waar nodig initiëren van maatschappelijke discussies over dit onderwerp of relevante deelonderwerpen;
– Internationale contacten worden geïntensiveerd onder andere om Nederlandse ideeën en beleidsvoornemens uit te dragen, zodat voor maatregelen die het meest effect sorteren indien zij internationaal worden genomen een groter draagvlak kan ontstaan.
In de indicator zijn alle belangrijke emissies van het bouwproces, door de bouwnijverheid en de bouwinstallatiebedrijven opgenomen. Naast de milieubelasting is ook een maat voor de economische activiteit van de doelgroep, de bruto investeringen in woningen, gebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, opgenomen.
Het gebruik van CFK-11 is in de periode 1980–1994 met 95% afgenomen. Dit is het resultaat van de uitwerking van het CFK-programma.
De hoeveelheid bouw- en sloopafval dat voor eindverwerking (met name storten en verbranden) wordt aangeboden bedroeg in 1985 nog 6,2 miljoen ton, in 1994 nog slechts 1,6 miljoen ton. Deze afname wordt veroorzaakt door een sterke toename van het hergebruik en nuttig toepassen van bouw- en sloopafval.
* Van de VOGM-gemeenten kiest 62% voor het formuleren en uitvoeren van beleid op het gebied van duurzaam bouwen. De taak energiebesparing (die veel overeenkomsten vertoont met Duurzaam Bouwen) wordt zelfs door 72% van de gemeenten gekozen.
* Provincie en branche-organisaties zetten samen een plan voor afvalpreventie voor bouwbedrijven op. In Overijssel is in samenwerking met Heidemij Advies en 8 bouwbedrijven een afval-energie- en emissie-preventieproject uitgevoerd. Bij de aangesloten bedrijven is een afvalreductie van 25–65% bij nieuwbouw en 30–50% bij renovatie gerealiseerd.
* In de zomer van 1995 is de herziene versie van «Rijkshuisvesting en milieu» gepubliceerd. Deze brochure geeft aan hoe milieu in het rijkshuisvestingsproces wordt
meegenomen. De brochure laat zien dat veel milieu-inzichten die niet zijn geformaliseerd in regelgeving reeds in de bouwstroom van de Rijksgebouwendienst (Rgd) geïmplementeerd worden dus breed toepasbaar zijn in de utiliteitsbouw.
* Door levensduurverlenging van gebouwen en hergebruik van bestaande gebouwen is grote milieuwinst te realiseren in de utiliteitsbouw, waar de afschrijvingstermijn relatief laag is. Voorbeelden van hergebruik van bestaande panden door de Rgd zijn:
– huisvesting rechtbank Maastricht in voormalig Annadal ziekenhuis;
– volledige herontwikkeling Transitorium nabij het Centraal Station in Den Haag voor huisvesting van ministerie van VWS;
– herhuisvesting Rijksacademie voor Beeldende Kunst in Amsterdam in de Oude Cavalleriekazerne.
* In de wijk Nieuwland in Amersfoort verschijnen tussen 1994 en 1999 vijfduizend duurzaam gebouwde woningen. Daarvan zijn er nu een kleine tweeduizend in ontwikkeling, in vier projecten van 500 woningen. Dertig tot veertig procent van de woningen vallen in de sociale huurklasse en in de sociale koopklasse. Voor elk plan moet de aannemer en de architect een lijst overleggen, waarin hij aangeeft hoe de eisen worden gerealiseerd. Naast Amersfoort zijn ook in andere gemeenten vergevorderde plannen voor grootschalige duurzaam gebouwde wijken. Voorbeelden daarvan zijn Utrecht (Leidsche Rijn) en Zwolle.
* De vraag naar duurzame bouwprodukten zet ook de markt aan tot innovaties. Zo werd op de Internationale Bouwbeurs '95 een nieuwe dakpan geïntroduceerd die volledig gemaakt is uit gerecycled materiaal. Voor de produktie van de nieuwe dakpan wordt gebruik gemaakt van onder andere betongranulaat (gemaakt uit restprodukten van betonnen dakpannen) en oude gebroken keramische dakpannen.
* De gemeente Middelburg stimuleert particulieren die een woning willen bouwen in de nieuw geplande wijk Veersepoort tot duurzaam bouwen, door middel van een premie van maximaal drieduizend gulden per woning. Kopers die voor de premie in aanmerking willen komen moeten voldoen aan een pakket met voorwaarden. Als de regeling aanslaat wil de gemeente bekijken of ook projectontwikkelaars en woningcorporaties in aanmerking kunnen komen voor een stimuleringsbijdrage.
Voortgang uitvoeringsproces en externe integratie
Na de evaluatie van BMB'95 zal duidelijk worden in welke mate de bouw aan het realiseren van de taakstellingen heeft bijgedragen. De aanpak via het Milieuberaad Bouw (MBB) geeft de mogelijkheid om «bouwbreed» met de bij het milieubeleid betrokken actoren te overleggen. De projectgroepenstructuur binnen het Mileuberaad Bouw leveren concrete projecten en activiteiten op die bijdragen aan de beleidsrealisatie. Ook in het Plan van Aanpak DUBO wordt onderschreven dat deze overleg- en projectstructuur goede perspectieven heeft.
De rijkshuisvesting is een instrument om overheidsbeleid op aanpalende beleidsterreinen te versterken. De Rijksgebouwendienst integreert milieu-aspecten in de eigen taakuitoefening. Dit kan een uitstralingseffect hebben op andere sectoren in de maatschappij, zeker omdat het rijk veel concrete projecten voor de rijkshuisvesting samen met andere overheden en marktpartijen realiseert.
– De Beleidsverklaring Milieutaakstellingen Bouw (BMB) 1995 is breed door de Bouw onderschreven. In 1995 is gestart met de evaluatie van de uitvoering. Op grond hiervan kan actualisatie in 1996 plaatsvinden. In het kader van het Milieuberaad Bouw (MBB) zijn meerdere projecten uitgevoerd. Concrete resultaten zijn het milieumatenrapport, de aansluitende milieuzorg in de bouw en waterbesparende voorzieningen.
– Door overleg in MBB-kader van de projectgroep Bouwstoffenbesluit zullen het Bouwstoffenbesluit en de Ministeriële Regeling eind 1995 worden gepubliceerd.
– In opdracht van VROM/DGM is in 1995 het «Basisdocument voor Kwaliteitsverklaringen in verband met het Bouwstoffenbesluit» van de Stichting Bouwkwaliteit beschikbaar gekomen. Daarmee kan de uitvoering via kwaliteitsverklaringen gefaciliteerd worden.
– Er is meegewerkt aan de totstandkoming van het Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen.
– Voor de verdere ontwikkeling van het bouwproduktenbeleid is onderzoek gestart naar de «factoren bij bouwproduktenkeuze». Dit geeft tevens inhoud aan het integraal ketenbeheer.
– Voor de VINEX is bereikt dat in de uitvoeringscontracten de uitwerking van het duurzaam bouwen door betrokkenen zal plaatsvinden.
– Tenslotte is in 1995 het Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen (DUBO) opgesteld.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Op basis van de bereikte situatie is het Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen met name gericht op het maken van een schaalsprong naar brede toepassing van de beginselen van duurzaam bouwen. Via de vier sporen harmoniseren, realiseren, consolideren en prepareren zal het duurzaam bouwen op beleidsmatig, stedebouwkundig en gebouwniveau in de (brede) bouwstroom verder gestalte dienen te krijgen. Daartoe is een (kleine) selectie van strategische speerpunten in het Plan van Aanpak neergelegd. In het Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen zijn diverse prioritaire maatregelen opgenomen.
Strategische speerpunten Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen
Harmoniseren
– het opstellen van het nationaal DuBo pakket
– het instellen van een algemeen informatiepunt
Realiseren
– toepassing van duurzaam bouwen op de VINEX lokaties
– toepassing van duurzaam bouwen in de bestaande voorraad, premieregeling vormgeven
– detailhandel en consumenten stimuleren hun aanbod en vraag op duurzaam bouwen (produkten) te richten
– demonstratieprojecten en voorbeeldfunctie rijksoverheid
Consolideren
– duurzaam bouwen in bestemmingsplannen stimuleren door uitbrengen van een brochure
– duurzaam bouwen in de bouwregelgeving neerleggen, zowel op bouwprodukt- als gebouwniveau
– fiscalisering met financiële stimulansen voor hoog kwaliteitsniveau duurzaam bouwen.
Prepareren
– onderwijs/leerlingbouwplaatsen
– lange termijn ontwikkelingsperspectief
– milieumaten
Versterking instrumentarium DUBO-beleid
– een monitoringsysteem om na te gaan of de taakstellingen voor de doelgroep Bouw uit de BMB'95 worden bereikt
– een wetgevingstraject waarin de ontwikkeling van DUBO-regelgeving centraal staat (aanpassing van Wet milieubeheer in verband met Bouwstoffen- en Bouwbesluit (in relatie tot ook Woningwet); naast specifieke stimulering in de woning- en utiliteitsbouw om duurzaam bouwen in Nederland te realiseren.
Op 30 mei 1995 is in het Staatsblad de wijziging van het Bouwbesluit inzake de energieprestatie van woningen en overige gebouwen gepubliceerd. De wijziging treedt op 15 december 1995 in werking en moet het mogelijk maken het energiegebruik als gevolg van wonen en verblijven te verminderen en zo bij te dragen aan de energiebesparingsdoelstelling. Het geven van deze voorschriften leidt tot geïntegreerd ontwerpen waarbij nu ook rekening wordt gehouden met passieve zonne-energie en energiegebruik ten gevolge van warmte-overdracht en van bepaalde gebouwgebonden installaties.
Milieugrondslag in de Woningwet
Momenteel wordt een voorstel tot wijziging van de Woningwet voorbereid waardoor in het Bouwbesluit uit oogpunt van milieu technische voorschriften kunnen worden gegeven.
Energie Efficiency Programma Rijkshuisvesting
In december 1991 is de Rijksgebouwendienst samen met de verschillende ministeries van start gegaan met het Energie-efficiencyprogramma Rijkshuisvesting (EER). Met dit tien jaar durende programma wil het rijk 17% energiebesparing bewerkstelligen in de bestaande rijkshuisvestingsvoorraad. Daarnaast zijn voor nieuwe rijksgebouwen in 1992 energieprestatienormen ingevoerd met als doel nog eens 3% energie-efficiencyverbetering in 2000 te realiseren. De totaaldoelstelling voor rijksgebouwen is daarmee 20%, bovenop de 23% besparing die reeds bij eerdere programma's is bereikt ten opzichte van het gebruik in 1977. Daarover zal in de tweede helft van oktober 1995 aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd. In 1995 vindt een bijsturings tussenevaluatie plaats.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– bestekmodule duurzaam bouwen (Actie BOU 1 uit Werkdocument NMP 2) (1996)
– nota uitvoering radonbeleid (1996)
– aanschrijvingsbevoegdheid voor het treffen van energiebesparende voorzieningen in bestaande gebouwen in Woningwet
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
De doelgroep bouw bestaat uit opdrachtgevers, ontwerpers en (technische) adviseurs, uitvoerders, toeleveranciers van bouwprodukten, installateurs, afbouwers en slopers.
Aanpak/benadering
– het beleid richt zich op nieuwbouw en op bestaande bouw (onderhoud, renovatie, reconstructie en herbestemming) en omvat alle procesfasen, in de GWW-sector (grond-, weg- en waterbouw), in de woning- en in de utiliteitsbouw;
– het beleid is gericht op realisatie van integraal ketenbeheer, energie-extensivering en kwaliteitsbevordering;
– de uitvoering van de taakstellingen, zoals opgenomen in de Beleidsverklaring Milieutaakstellingen Bouw 1995 (BMB '95), gebeurt in het kader van het doelgroepoverleg bouw in het Milieuberaad Bouw (MBB);
– voor implementatie van het beleid wordt ook het wet- en regelgevingsinstrument benut: de milieu- en bouwregelgeving, ruimtelijke ordeningswetgeving en andere wetgeving;
– er vinden onderzoeken, praktijkexperimenten, monitoring en voorlichting plaats;
– grondstoffen en bouwmaterialenprodukten:
* het Implementatieplan Bouwstoffenbeleid schetst het bouwstoffenbeleid en dient ook als afstemming tussen verschillende rijksactiviteiten
* het streven is erop gericht om via een heffing een zuinig gebruik van primaire grondstoffen alsook de toepassing van secundaire grondstoffen te bevorderen;– realisatie bouwproduktie:
* duurzaam bouwen: er wordt naar gestreefd dat gemeenten en marktpartijen een hoge kwaliteit in milieu-, ruimtelijke en volkshuisvestingsopzicht realiseren op zogenaamde duurzame VINEX-lokatie-ontwikkeling. Ook wordt energiebesparing op nieuwbouwlokaties gestimuleerd evenals hogere geluidsisolatie tussen nieuwe woningen.
* beheer en onderhoud: het streven is erop gericht dat gemeenten in 1996 de mogelijkheid hebben om energiebesparende voorzieningen in bestaande gebouwen te treffen.
* sloop, verwijdering en hergebruik: na inwerkingtreding van het stortverbod afvalstoffen kunnen gecertificeerde bedrijven uitsluitend niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval laten storten. Daarnaast wordt gestreefd naar maximaal hergebruik van oud-asfalt en scheiding aan de bron;– op grond van EG-richtlijnen worden programma's opgesteld over energiecertificatie van gebouwen en energie-audits in energie-intensieve ondernemingen. Daarnaast is een onderzoeksprogramma gestart waardoor bouwbedrijven subsidie kunnen krijgen voor research en development voor energiebesparing in gebouwen.
Stortbesluit bodembescherming voor bestaande stortplaatsen
Het Stortbesluit bodembescherming is per 1 maart 1993 in werking getreden. Het grootste deel van dit besluit bevat instructies aan het bevoegd gezag welke voorwaarden in vergunningen voor het storten van afvalstoffen opgenomen moeten worden. Het bevoegd gezag had tot 1 maart 1995 de tijd de voorwaarden op te nemen in de vergunningen voor stortplaatsen die na 1 maart 1995 in exploitatie blijven. Een eerste inventarisatie geeft aan dat alle stortplaatsen voor of omstreeks deze datum hieraan voldoen.
Stand van zaken dioxine-uitstoot AVI's en Besluit luchtemissie afvalverbranding
Voor de verbranding van afvalstoffen in afvalverbrandingsinstallaties is in het Besluit luchtemissies afvalverbranding (Bla) als emissie-eis voor dioxine een grenswaarde van 0,1 ng I-TEQ/m3 vastgesteld. Overeenkomstig Bla, artikel 3, tweede lid mag het bevoegd gezag afwijken van de norm van 0,1 ng I-TEQ/m3 (tot maximaal 0,4 ng I-TEQ/m3). Met uitzondering van Gevudo en Avira voldoen alle verbrandingsinstallaties, die nu in voorbereiding of bedrijf zijn, aan de dioxinegrenswaarde, zoals deze gesteld is in het Besluit luchtemissies afvalverbranding (Bla).
Voor de verbrandingsactiviteiten van Gevudo is een gedoog-beschikking afgegeven. Deze loopt af op 31 december 1996.
Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben besloten één van de drie AVI's (lijn 2) van Avira, waarvan de dioxine-uitstoot te hoog is, tijdelijk uit bedrijf te nemen. Avira moet kunnen aantonen, dat de uitstoot onder de grenswaarde kan worden teruggebracht.
Algemeen kan worden gesteld dat de realisatie van de verwijderingsstructuur zoals aangegeven in het Meerjarenplan Verwijdering Gevaarlijke Afvalstoffen en het Tienjarenprogramma-Afval op schema ligt. Nieuwe aanbodprognoses van afval leiden naar verwachting tot het niet realiseren van geprogrammeerde verbrandingscapaciteit (Draaitrommeloven 10 voor gevaarlijk afval en AVI Maasbracht en uitbreiding AVIRA voor huishoudelijk- en bedrijfsafval). In enkele andere gevallen veroorzaken beroepsprocedures vertraging (CBE voor afgewerkte olie).
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Europese richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen
De implementatie van deze EU-richtlijn zal weinig veranderen aan de nationale wetgeving, met uitzondering van de regelgeving over de acceptatie van te storten afvalstoffen in relatie tot typen stortplaatsen. Dit aspect zal drie jaar nadat de richtlijn is aangenomen worden uitgewerkt.
EG-richtlijn voor het verbranden van gevaarlijk afval
Via deze maatregel wordt de doelgroep gehouden aan algemeen geldende regelgeving voor emissies.
De EG-richtlijn voorziet ook in regelgeving voor het bijstoken van gevaarlijk afval. Voor 21-12-1996 moet de EG-richtlijn in de Nederlandse wetgeving zijn geïmplementeerd.
Het Besluit stortverbod afvalstoffen (Actie AF 5 uit Werkdocument NMP 2)
Het besluit stortverbod afvalstoffen betekent dat de doelgroep, zowel overheden als bedrijfsleven, er rekening mee moet houden dat het storten van bepaalde categorieën afvalstoffen niet meer is toegestaan. Voor afzonderlijk ingezamelde of afgegeven afvalstoffen, verbrandbaar huishoudelijk en bedrijfsafval en een aantal bulkstromen treedt het verbod in 1995/1996 in werking.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– besluit afvalstoffen-grondstoffen (1997)
– aanpassing Stortbesluit in verband met nazorg van stortplaatsen die in bedrijf zijn (1996)
– nazorg «gesloten stortplaatsen» (tweede fase Leemtewet); (1997)
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
Organisaties die beleidsmatig en/of bedrijfsmatig betrokken zijn bij de verwijdering van afvalstoffen.
Aanpak/benadering
– de aanpak bij afvalverwijderingsbedrijven richt zich op twee sporen:
1. invoering van interne milieuzorgsystemen
2. afspraken maken over maatregelen (voorzieningen) die een bijdrage leveren aan de doelstellingen van het thema verwijdering (preventie en hergebruik);
– planning verwijderingscapaciteit vastleggen in voortschrijdende programma's (Tienjarenprogamma Afval en Meerjarenplan Verwijdering Gevaarlijke Afvalstoffen);
– reductie en kwaliteitsverbetering van reststoffen die bij verbranding vrijkomen ter bevordering inzet als grondstof in de bouw zoals is vastgelegd in het implementatieplan AVI-reststoffen;
– internationaal: implementeren EG-regelgeving (richtlijnen verbranden gevaarlijk afval en storten, Europese afvalstoffenlijst).
In de periode 1994–1995 is de rolverdeling tussen rijksoverheid, provincies, VEWIN en waterleidingbedrijven aan discussie onderhevig. Bij laatstgenoemde groep is een verdergaande schaalvergroting en verbreding van milieutaken inzet van beleid. Indien (het kabinet en) het parlement akkoord gaat met de regeringsbeslissing over het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening, is de consequentie daarvan dat de bedrijven in toenemende mate als zelfstandige, invloedrijke actoren gaan opereren. De rol van de VEWIN verschuift daarbij dan van een sturende naar een meer faciliterende richting. Dan zal ook de rolverdeling tussen de overheden veranderen. De huidige wetgeving vormt hiervoor onvoldoende basis.
De milieudoelstellingen voor de bedrijfstak van de openbare watervoorziening zijn primair vastgelegd in het NMP, de Evaluatienota Water en het Beleidsplan Drink-en Industriewatervoorziening (BDIV) en het VEWIN Milieuplan. De doelstellingen zijn tot nu toe veelal niet gekwantificeerd, maar sturen aan op een inspanningsverplichting. Dit blijkt ook uit de onderstaande uitvoeringsresultaten over de periode 1994–1995. Niettemin gaat het om produkten die een belangrijke (tussen)stap zijn voor het slagen van het milieubeleid in deze sector.
* Eind 1994 is het Milieuverslag van de VEWIN over 1993 uitgebracht. Dit verslag kan worden gezien als een monitoring-verslag over de voortgang van de milieuinspanningen. Het verslag heeft een belangrijke functie in het opsporen van mogelijke belemmeringen/problemen bij de uitvoering van het milieubeleid.
* De VEWIN heeft het Handboek Kwaliteitszorg uitgebracht. Dit is van belang voor het milieubeleid omdat de bedrijfstak één integraal systeem voor kwaliteits-en milieuzorg wil invoeren. Inmiddels is ook een werkboek ter implementatie van het Handboek Kwaliteitszorg op de werkvloer uitgebracht.
* De bedrijfstak heeft de Reststoffenunie opgericht. Dit is een belangrijke organisatorische stap op weg naar een gezamenlijke, verantwoorde aanpak van de slib- en reststoffenproblematiek. Dit is van belang gelet op ondermeer de doelstelling uit het NMP 2 dat de huidige voorraad slib voor 1997 moet zijn verwijderd.
* Om de inrichting en het beheer van wingebieden te verbeteren zijn de volgende produkten gerealiseerd. Er heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de activiteiten van de bedrijven op het gebied van ecologisch beheer. Op basis hiervan is een aantal voorbeeldprojecten gestart. Verder is onderzoek uitgevoerd naar normstelling op het gebied van milieuvriendelijke landbouw en zijn proefprojecten gestart, gericht op toepassing van stimuleringsinstrumenten. Tenslotte wordt in het duingebied hard gewerkt aan herinrichting en optimalisatie van het beheer, gericht op herstel en ontwikkeling van specifieke natuurwaarden.
* Ook op het gebied van de verdrogingsproblematiek zijn vorderingen gemaakt. Hoewel het vooral gaat om nader onderzoek en beleidsformulering is er ook een aantal concrete produkten. Zo zijn er concrete afspraken gemaakt tussen betrokkenen over de bijdrage die afzonderlijke waterleidingbedrijven moeten leveren ter bestrijding van lokale verdrogingsproblemen (bijvoorbeeld in de Peel, waar is afgesproken dat de grondwaterwinning daar geleidelijk zal worden teruggebracht en dat het waterleidingbedrijf zal meebetalen aan het watertoevoerplan).
* De provincie Overijssel heeft een eind gemaakt aan het winnen van drinkwater uit de ondergrond. De verdroging van natuurgebieden vormt met name in Twente een groot probleem. Hoewel het zuiveren van oppervlaktewater aanzienlijk duurder is, dan het
oppompen van grondwater, heeft de provincie nu gekozen voor het afgeven van de laatste vergunning voor grondwaterwinning. Voor de periode 1995–1997 is 3x 24 miljoen gulden uitgetrokken voor de bestrijding van de verdroging met waterhuishoudkundige maatregelen in prioritaire gebieden.
Aangezien de landbouw in veel gevallen baat heeft bij een lage waterstand, wordt er nog maar zelden gekozen voor het stopzetten van waterwinning uit de ondergrond.
* Onderzoek naar toepassing waterbesparende apparatuur door VEWIN is onlangs afgerond. Daaruit blijkt dat waterbesparende toiletten in vrijwel alle nieuwbouwwoningen worden geplaatst, bovendien in driekwart van de bestaande woningen. Douchekoppen komen op de tweede plaats en worden gevolgd door het beperken van leidingverlies en doorstroombegrenzers. De waterbesparing zoals die nu wordt gerealiseerd zijn als volgt: 95% voor waterbesparende toiletten, 36% voor douchekoppen, 19% voor doorstroombegrenzers en 20% voor beperking leidingverlies.
* Tijdens de actie «Pottenkijker» is in opdracht van de Overijsselse waterleidingbedrijven WMO, Cogas en WOT en met inschakeling van 60 000 scholieren in 48 000 woningen een waterbesparende voorziening in het toilet aangebracht (door 110 VNI-installateurs). Gemiddeld wordt door deze aanpassing per gezin (3 personen) een waterbesparing bereikt van ca. 18 000 liter (ter waarde van ca. f 35,-) per jaar. Dit is ca. 12% van het totale drinkwaterverbruik van een gezin. VROM heeft het project financieel ondersteund.
* De VEWIN, koepel van alle drinkwaterleidingbedrijven in Nederland, is gestart met een proefproject grondwater. Naar aanleiding van de door het Centrum Milieukunde Leiden ontwikkelde milieumeetlat voor bestrijdingsmiddelen wordt in twee grondwaterbeschermingsgebieden gewerkt met een resultaatbeloning. Circa 30 agrarische bedrijven in Overijssel, Drenthe en Gelderland doen mee aan dit project. Zij ontvangen bij een verminderd gebruik van de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen een bonus.
* Veel milieu-innovaties die Heineken achter de rug heeft, hebben met waterbesparing te maken. Ten eerste zijn alle vloeren van en gootsystemen in het bedrijf vloeistofdicht uitgevoerd. Er zijn speciale waterafvoersystemen aangelegd voor hemelwater en bedrijfsafvalwater. Hemelwater wordt via het riool geloosd en het bedrijfsafvalwater wordt naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie afgevoerd. Verder is het spoelen van flessen en kratten aangepast. Bovendien wordt tijdens het pasteuriseerproces gebruik gemaakt van computers waarbij de benodigde hoeveelheid water precies kan worden bepaald. Per liter bier werd aanvankelijk 12 liter water gebruikt tijdens het gehele brouwproces. Nu is dat nog maar 6 liter.
De doelgroep heeft de opdracht om meer als milieubedrijf te gaan opereren serieus opgepakt. Het op eigen initiatief opstellen van een eigen Milieuplan en het uitbrengen van Milieuverslagen zijn daar voorbeelden van. Bij de uitvoering van haar milieutaken onderscheidt de bedrijfstak vier samenhangende peilers, te weten:
– een gebiedsgerichte integrale aanpak van het waterbeheer (met name ter bestrijding van de verdroging);
– de bescherming van de bronnen voor de drinkwatervoorziening;
– de invoering van kwaliteits-en milieuzorgsystemen;
– de besparing van drinkwatergebruik door kleine en grote afnemers.
De vorderingen die hier worden geboekt worden tweejaarlijks gemeld en geanalyseerd in een milieuverslag. Uit het laatste milieuverslag (eind 1994) blijkt dat alle bedrijven aandacht besteden aan de genoemde onderwerpen. Het accent ligt daarbij vooral op nader onderzoek en beleidsformulering. Op het gebied van concrete uitvoering is de voortgang, afgezien van een aantal punten nog matig te noemen. Belemmerende factoren zijn onder meer het feit dat het Milieuplan geen bindende taakstelling heeft, geringere kennis en technische en financiële middelen bij met name kleinere bedrijven, fysieke belemmeringen ten gevolge van de kwaliteit van de bronnen en vertraging als gevolg van nog ontbrekende kennis. In het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening wordt nader ingegaan op de visie/aanpak van het rijk terzake.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
Een nieuwe wettelijke regeling voor de openbare watervoorziening
Teneinde de drinkwatervoorziening binnen de inmiddels ingezette veranderende omgeving (onder andere de al genoemde veranderende rolverdeling tussen actoren, maar ook de, deels internationale, ontwikkelingen in nutssectoren gericht op marktwerking, commercialisatie en diversificatie) duurzaam veilig te stellen wordt een nieuwe wettelijke regeling voor de openbare watervoorziening voorbereid (planning 1998).
Bewaking voortgang van de uitvoering via monitoring
De toezichthoudende en beleidsevaluerende rol van het rijk op het gebied van de openbare watervoorziening zal een zwaarder accent krijgen. Teneinde deze taak goed te kunnen invullen zal het rijk het initiatief nemen om te komen tot een goed werkende monitoringsystematiek. Doel hiervan is de bewaking van de voortgang van de uitvoering van het drinkwaterbeleid, met als bedoeling het beleid en het functioneren van de openbare drinkwatervoorziening periodiek te evalueren en zonodig bij te stellen.
Concrete maatregelen op het gebied van de NMP-thema's verdroging/verspreiding/verspilling/verwijdering zijn opgenomen in de in 1995 uitgebrachte regeringsbeslissing over het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening. Naar verwachting zal het BDIV eind 1995 vigerend beleid worden.
Maatregelen Beleidsplan Drink- en industriewatervoorziening op hoofdlijnen
verspreiding:
– reductie milieu-effecten door leidingmaterialen via conditionering van drinkwater voor 1997
– reductie milieu-effecten «hard water» een samenwerkingsproject met wasmiddelenfabrikanten, rijk en waterleidingbedrijven
– versnelde vervanging van loden leidingen en onderzoek naar milieubelasting koperen leidingen
– herziening EG-richtlijn over de kwaliteit van drinkwater
– introductie Europees certificaat voor materialen en chemicaliën die worden gebruikt in de drinkwatervoorziening.
verwijdering:
– milieuverantwoorde verwijdering van reststoffen waaronder drinkwaterslib voor 1997 verdroging:
– stabilisatie grondwaterwinning tot een «richtplafond» op landelijk niveau
– optimalisatie van de grondwaterwinning door waterleidingbedrijven door
* het overnemen van industriële grondwaterwinning door waterleidingbedrijven
* optimale verweving van natuur en drinkwaterwinning
* medefinanciering van wateraanvoerplannen
* reallocatie van winningen en compensatie door middel van kunstmatige infiltratie
– acties voor waterbesparing (invoering watertariefsysteem, invoering bemetering en stimulering van toepassing van waterbesparende voorzieningen bij nieuwbouw en renovatie
– stimuleren van regionale proefnemingen met het financieel waterspoor, waarbij de prijs van drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering wordt geïntegreerd tot één tarief per m3 drinkwatergebruik
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– nieuwe Drinkwaterwet ter vervanging van de Waterleidingwet (1998)
– herziene EG-Drinkwaterrichtlijn (1996)
– implementatie herziene EG-Drinkwaterrichtlijn (1998)
– regulerende instrumenten (bestuursovereenkomsten /convenanten openbare drinkwatervoorziening (1996–1998)
– jaarlijkse rapportage drinkwaterkwaliteit aan Tweede Kamer
– eerste integrale rapportage EG-waterrichtlijnen 1993–1995 (1996)
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
– waterleidingbedrijven (openbare watervoorziening); koepelorganisatie VEWIN
Aanpak/benadering
– duurzame veiligstelling van de openbare watervoorzieningen;
– bescherming en beheer van de bronnen door stimulering van grondwatervriendelijke landbouw, ecologisch beheer van grondwaterbeschermingsgebieden en het aanspreken van vervuilers (externe milieuzorg);
– monitoring en signalering van veranderingen in de milieukwaliteit;
– beperking milieubelasting van de drinkwaterproduktie (onder andere via het bedrijfsinterne kwaliteits- en milieuzorgsysteem en het VEWIN Milieuplan en -verslag);
– intermediair naar consumenten en industrie waar de eigenlijke waterbesparingen plaats moeten vinden;
– via het aanbieden van kaders en randvoorwaarden door het Rijk de doelgroep de mogelijkheid bieden aan de beleidsuitvoering zelf invulling te geven;
– met betrokkenen/belanghebbenden een draagvlak te vinden voor het geformuleerde beleid en de rolverdeling bij de uitvoering;
– het samen met de bedrijfstak toetsen van de feitelijke beleidsuitvoering.
11. RIOLERINGS- EN WATERZUIVERINGSINSTALLATIES
* De implementatie van de wettelijk verplichte fosfaatverwijdering op de afvalwaterzuiveringsinrichtingen (AWZI's) loopt goed. De eindrapportage van de Coördinatiecommissie Uitvoering Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (CUWVO) medio 1995 toont aan dat de doelstelling (50% emissiereductie) binnen de termijn en de geraamde kosten is gehaald.
* In 1994 zijn twee grote verbrandingsinstallaties voor zuiveringsslib in Dordrecht en Apeldoorn in gebruik genomen.
* Wet afvalwater aangenomen. Inwerkingtreding (wacht op gereedkomen diverse AMvB's Wm 8.40): 1995
* Provinciale aanwijzingsbevoegdheid voor gemeentelijke rioleringsplannen aangenomen door Tweede Kamer. Inwerkingtreding: 1995
* Proefevaluatie Gemeentelijke rioleringsplannen: 1995
* Verdere uitbouw Leidraad Riolering
* Verkenningen nota's water
Met de wettelijke invoering van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) werd gestreefd naar een planmatige aanpak van het gemeentelijk rioleringsbeleid en -beheer. De totstandkoming van deze plannen loopt in de praktijk langzamer dan verwacht. Op 1 januari '95 had circa 15% van de gemeenten een GRP vastgesteld. Naar verwachting zal dit percentage eind 1995 zijn opgelopen tot 70 à 80 %. Het beschikbaar zijn van middelen, het verzamelen van informatie en het overleg met andere overheden lijken belangrijke redenen voor de vertraging. De lopende proef-evaluatie van de Gemeentelijke Rioleringsplannen zal hierover meer duidelijkheid geven. De wettelijke verankering van de gemeentelijke zorgplicht en planverplichting voor riolering hebben er zeker toe bijgedragen dat met name de bestuurlijke aandacht voor riolering is toegenomen. Naast de nutsfunctie van het afvalwatersysteem is nu de milieufunctie duidelijker in beeld gebracht. De uitgevoerde en uit te voeren maatregelen zullen zeker leiden tot een kwaliteitsverbetering van het oppervlaktewater binnen het stedelijk gebied. In het landelijk gebied worden de problemen met het afvalwater nu goed in kaart gebracht. Het saneren van ongezuiverde lozingen vergt grote investeringen van ofwel de gemeente ofwel de producent van het afvalwater. In het GRP wordt het beleid hiervoor vastgelegd. Het lijkt er op dat gemeenten bereid zijn grote financiële inspanningen te doen om de rioleringsgraad in Nederland nog verder te verhogen. In verband met het geringe aantal vastgestelde plannen is de evaluatie een jaar uitgesteld.
De aanbeveling in de Notitie Riolering om in nieuwbouwsituaties een emissie-arme rioolstelsel aan te leggen, wordt in het algemeen goed overgenomen. Lokale optimalisaties vinden plaats waarbij een lage emissie vanuit de riolering steeds centraal staat.
De implementatie van de wettelijk verplichte stikstofverwijdering op AWZI's loopt redelijk. Het draagvlak voor deze maatregel stond enigszins onder druk door milieurendementsdiscussies en de emissiereductie vanuit andere bronnen (landbouw). Planologische problemen bij enkele grote installaties zijn er debet aan dat de einddatum voor de volledige implementatie met enkele jaren zal worden overschreden. Desondanks zal het doel (50% emissiereductie per eind 1998) tot op enkele procenten worden gehaald binnen de oorspronkelijk geraamde kosten.
Met het verwerken van zuiveringsslib worden goede vorderingen gemaakt. Steeds meer installaties voor het verbranden, thermisch drogen of composteren van het zuiveringsslib komen in de operationele fase. Door deze ontwikkeling is het mogelijk geworden in het binnenkort van kracht wordende Besluit stortverbod afvalstoffen een verbod op te nemen voor het storten van slib, afkomstig van het biologisch zuiveren van afvalwater. Dit verbod zal naar het huidige inzicht van kracht worden per 1 januari 2000 of zoveel eerder als verwijderingscapaciteit voorhanden is.
II. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
De richtlijnen van de Coördinatiecommissie Uitvoering Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (CUWVO) omtrent de emissiereductie uit rioolstelsels worden geïmplementeerd. Duidelijk is dat de streefdatum (1998) zal worden overschreden omdat de gemeenten conform de Wet milieubeheer «geen overdreven financiële eisen kunnen worden opgelegd aan het tempo en de omvang van investeringen in de riolering».
De Leidraad Riolering blijkt in de praktijk een goed hulpmiddel te zijn bij het gemeentelijk rioleringsbeheer en bij het overleg tussen betrokken overheden. Eind 1996 zal dit hulpmiddel geheel gereed zijn.
Maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het effluent van AWZI's zijn in studie. Alleen een filtratietrap achter de huidige zuiveringsinstallaties lijkt financieel haalbaar. Of hiermee een nuttige toepassing van het effluent in zicht komt, zal nader worden onderzocht.
Het afvalwatersysteem kan een positieve bijdrage leveren aan de bestrijding van de verdroging. Met name op grote bouwlokaties (VINEX) neemt het omgaan met water een steeds belangrijker plaats in. In de Vierde nota Waterhuishouding die in 1997 zal verschijnen, wordt aan dit aspect uitvoerig aandacht besteed. Daarbij zal vooral de inrichting van nieuwe maar ook van bestaande bouwlokaties centraal staan.
Geprogrammeerde beleidsprodukten 1996–1999
– completering Leidraad Riolering (1997)
– evaluatie Gemeentelijk rioleringsplan (1996)
– wettelijke maatregelen die het storten van zuiveringsslib en ander verwerkbare residuen verbieden (2000)
BASISGEGEVENS
Beschrijving doelgroep
Waterschappen en gemeenten en andere doelgroepen die afvalwater belasten.
– waterschappen zijn voor het overgrote deel eigenaar van waterzuiveringsinstallaties.
– gemeenten hebben als taak de aanleg en het beheer van de riolering.
Aanpak/benadering
– zorgen voor een adequaat systeem voor het inzamelen, transporteren en behandelen van afvalwater en hemelwater. Regulering en handhaving van de kwaliteit van de lozingen, beïnvloeding van het oppervlaktewater door overstortingen en effluentlozingen en de samenhang tussen de aanvoer door het rioolstelsel en doelmatige werking van de afvalwaterzuiveringsinrichting;
– riolering en waterzuivering worden benaderd als afvalwaterketen;
– voor riolering is de gemeentelijke zorgplicht en de planverplichting vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm);
– evaluatie gemeentelijke rioleringsplannen in samenwerking met VNG;
– via de Leidraad Riolering vindt afstemming plaats tussen waterschappen en gemeenten;
– verminderde belasting van het afvalwatersysteem via het produktenbeleid, brongerichte maatregelen en gedragsbeïnvloeding van de doelgroepen die buiten de invloedssfeer van de doelgroep riolering en afvalwaterzuiveringsinrichtingen liggen;
– integrale aanbevelingen voor de vergunningverlening door de andere overheden.
SAMENWERKING MET ANDERE OVERHEDEN
De rijksoverheid stimuleert op meerdere wijzen de adequate uitvoering van het milieubeleid door andere overheden.
Bijdragenregelingen gemeentelijk milieubeleid
Tot 1 januari 1995 vond de stimulering van het gemeentelijke milieubeleid plaats door middel van het Bijdragenbesluit Uitvoering Gemeentelijk Milieubeleid (BUGM) en Financiering Uitvoering NMP-taken (FUN). Naar aanleiding van het advies van de commissie-Ringeling over gemeentelijke uitvoering van milieubeleid en intergemeentelijke samenwerking worden de BUGM en FUN tot 1 januari 1998 voortgezet met de Vervolg-bijdrageregeling Ontwikkeling Gemeentelijk Milieubeleid (VOGM). Vanaf 1 januari 1998 worden de geoormerkte gemeentelijke milieugelden opgenomen in het Gemeentefonds.
In de loop van 1995 zal bij elke gemeente een formele eindbeoordeling plaatsvinden van de in het kader van BUGM en FUN bereikte resultaten. Bij de gemeenten die voor een VOGM-bijdrage in aanmerking komen, zal deze beoordeling normaal gesproken positief zijn. Ook in 1994 heeft de inspectie Milieuhygiëne de gemeenten die dreigden achter te blijven ten aanzien van de uitvoering van de BUGM-taken, intensief begeleid. Een aantal van deze gemeenten is gevraagd een plan van aanpak op te stellen, hetgeen vrijwel steeds bevredigende resultaten heeft opgeleverd.
Belangrijke elementen van de VOGM zijn:
– er is een drietal takenpakketten beschreven die minimaal moeten worden uitgevoerd en waarvoor bepaalde, in de regeling aangegeven resultaten moeten worden bereikt (het adequate niveau). Deze zijn: de inrichtinggebonden taken; een drietal wettelijke taken; een pakket van vier uit negen te kiezen prioritaire NMP-taken plus een verplichte NMP-taak;
– voor de inrichtinggebonden taken moet het adequate niveau op 1 januari 1997 zijn bereikt, voor de NMP-taken op 1 januari 1998;
– de beleidsvrijheid is vergroot, doordat de gemeenten zelf de wijze van uitvoering van een groot aantal NMP-taken kunnen bepalen. Deze vrijheid wordt groter naarmate het niveau van het gemeentelijk milieubeleid hoger is;
– de controle op de uitvoering van de regeling gebeurt voornamelijk op basis van de output; daartoe moeten gemeenten en/of samenwerkingsverbanden jaarlijks verslag uitbrengen over de voortgang.
Volgens de laatste gegevens hebben 630 van de 633 gemeenten een VOGM-bijdrage aangevraagd.
Van de NMP-keuzetaken scoren vooral hoog:
– formuleren en uitvoeren van een energiebesparingsbeleid;
– gescheiden inzameling van droge componenten;
– opstellen en handhaven van bestemmingsplannen voor het buitengebied;
– duurzaam bouwen;
– milieuvoorlichting.
Minder gekozen zijn:
– toepassing van secundaire grondstoffen;
– lokatiebeleid voor bedrijven;
– totstandbrengen van een actuele verkeersmilieukaart;
– lokaal beleid in het kader van Agenda 21.
Als de personele inzet die gemeenten in de aanvragen aangeven, wordt gesommeerd, dan is een grove indicatie te geven van de personele inzet voor gemeentelijk milieubeleid: in totaal is dit jaarlijks circa 4300 mensjaren; circa 1000 mensjaren hiervan worden in intergemeentelijke samenwerking ingezet. Ten opzichte van 1994 is de personele inzet enigszins toegenomen, dit geldt ook voor de personele inzet in intergemeentelijke samenwerking.
Stimulering Provinciaal Milieubeleid
In de periode 1991 tot en met 1994 is het provinciaal milieubeleid gestimuleerd door het beschikbaar stellen van financiële bijdragen voor vergunningverlening en handhaving en voor de uitvoering van het NMP. Deze bijdragen zijn nu overgeheveld naar het Provinciefonds. De resultaten van de bijdrageverlening in de afgelopen jaren worden aan de hand van de verslagen van de provincies geëvalueerd.
Provinciale milieubeleidsplannen
Doelen van het Stimuleringsprogramma provinciale en regionale milieubeleidsplanning zijn het op een adequaat strategisch niveau brengen van de provinciale milieubeleidsplanning en de uitvoering hiervan en zekerstellen dat deze aan de vereisten van de Wet milieubeheer voldoet. Vrijwel alle provincies hebben op de streefdatum maart 1995 hun tweede provinciale milieubeleidsplan afgerond. Met behulp van een evaluatie wordt nagegaan hoe het opstellen van provinciale milieubeleidsplannen verder kan worden gestroomlijnd.
De activiteiten in het stimuleringsprogramma richten zich met name op kennisbevordering (ontwikkeling monitoring, uitwerken rekenmodel, doorvertaling provinciaal beleid naar gemeenten). In 1996 wordt onder andere aandacht geschonken aan de berekening van sociaal-economische effecten van provinciaal milieubeleid en inventarisatie van de mogelijke bijdrage van instrumenten op andere beleidsterreinen aan het realiseren van milieudoelen.
Deltaplan en Deltawet grote rivieren
Naar aanleiding van de hoge waterstanden in de grote rivieren en de (dreigende) overstromingen begin 1995 is op 13 april 1995 de Deltawet grote rivieren in werking getreden. Op basis van het Deltaplan grote rivieren voeren de verschillende overheden de wet gezamenlijk uit. Het Deltaplan geeft aan dat werken versneld moeten worden aangelegd om het overstromingsgevaar te beperken en welke stappen daarvoor ondernomen moeten worden. In de wet is aangegeven op welke wijze rekening moet worden gehouden met de verschillende belangen (milieu, landschap, cultuurhistorie etc). De toelichting geeft aan dat de uitgangspunten van de commissie Boertien moeten doorwerken in de plannen.
In december 1994 is tijdens de Rijn Ministers Conferentie besloten de water-kwantiteit ook onderwerp van de Internationale Rijn Commissie te laten zijn.
Internationaal zijn afspraken gemaakt om voor Rijn en Maas een beter preventief beleid tot stand te brengen. De ministers van de Rijn- en Maasoeverstaten hebben, bij gelegenheid van de informele Milieuraad van de EU op 4 februari 1995 in Arles (Frankrijk), een verklaring van die strekking aangenomen. De Internationale Rijncommissie heeft, mede als reactie op die verklaring, een projectgroep «Hoog water» in het leven geroepen die voorstellen moet doen om de preventie van hoogwaterproblemen in en bij de Rijn te verbeteren, rekening houdend met waterstaatkundige, ecologische en ruimtelijke aspecten. Onlangs is ook een Maascommissie ingesteld.
STAND VAN ZAKEN WET- EN REGELGEVING
Deze bijlage geeft een overzicht van wet- en regelgeving die is gepland of in behandeling is. Per wet of AMvB is aangegeven wanneer deze in de Ministerraad is behandeld (of naar verwachting zal worden behandeld), het stadium in het wetgevingstraject per 1 juli 1995, en de geplande datum van inwerkingtreding.
| Titel Streef datum | Ministerraad | (*) | Stadium inwerkingtreding |
|---|---|---|---|
| Wetsvoorstellen | |||
| Wet bodembescherming: sanering van de waterbodem | 19-08-93 | TK | PM |
| Wet bodembescherming: reparatie | sept 95 | MR | PM |
| Wet geluidhinder: ombuigingsoperatie industrie- en verkeerslawaai | PM | VB | PM |
| Interimwet ammoniak en veehouderij | 12-03-93 | Stb. | 26-08-94 |
| Wet milieubeheer: aanvulling (nazorg) van de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming | 11-06-93 | HM | 01-96 |
| Wet milieubeheer: implementatie in hoofdstuk afvalstoffen van EG-richtlijn stedelijk afvalwater | 23-10-92 | Stb. | 1-3-96 |
| Wet milieubeheer: milieuplanbureau | 11-02-94 | EK | PM |
| Wet milieubeheer: milieuverslag | 11-02-94 | RvS1) | PM |
| Wet milieubeheer: internationale zaken | 09-95 | VB | PM |
| Wet milieubeheer: reparatie hoofdstuk Afvalstoffen | PM | VB | 07-96 |
| Wet milieubeheer en Wet verontreiniging oppervlaktewateren: afstemming | 13-04-92 | Stb. | 01-06-95 |
| Wet Ruimtelijke Ordening en Wet milieubeheer: wijz. i.v.m. bieden van een wettelijke basis voor specifieke uitkeringen c.q. subsidies t.b.v. RO-beleid (financiële bepalingen) | 12-05-95 | RvS | 01-96 |
| Wet Ruimtelijke Ordening en Wet milieubeheer: wijz. i.v.m. onafhankelijkheid adviseurs inzake beroepen | 23-10-92 TK | Stb. | 1-10-95 |
| Antarcticawet | 11-95 | VB | PM |
| Woningwet: uitbreiding grondslag Bouwbesluit met milieu-uitgangspunt | 09-95 | VB | PM |
| Woningwet: tegengaan bouwen op verontreinigde grond | PM | VB | PM |
| Woningwet: aanschrijving en energiebesparende voorzieningen | 07-07-95 | RvS | PM |
| AMvB's | |||
| Bestrijdingsmiddelenwet: Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen | 15-10-93 | Stb. | 01-02-95 |
| Wet bodembescherming: Besluit vaststelling grensbedrag afzonderlijke bijdrage bodemsanering | 17-06-94 | Stb. | 15-05-95 |
| Wet bodembescherming: Bouwstoffenbesluit bodembescherming | 14-06-91 | MR | 12-95 |
| Wet bodembescherming: Wijz. Lozingenbesluit bodembescherming | 12-11-93 | Stb. | 13-01-95 |
| Wet bodembescherming: Besluit niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering | 18-06-94 | Stb. | 01-01-95 |
| Wet bodembescherming: Wijz. Besluit opslaan in ondergrondse tanks | 11-95 | VB | begin 96 |
| Wet bodembescherming: Besluit bijdrage waterkwaliteitsbeheerder bodembescherming | PM | VB | PM |
| Wet geluidhinder: Wijz. Besluit geluidbelasting grote luchtvaartterreinen (Schiphol, Maastricht) | 16-05-94 | HM | 31-08-94 |
| Wet geluidhinder: Besluit geluidhinder spoorwegen | 16-06-94 | VB | PM |
| Wet geluidhinder: Besluit geluidproduktie motorkettingzagen (typekeuring) | niet doorgezet vanwege EG | ||
| Wet geluidhinder: Besluit geluidproduktie sportmotoren | 22-05-92 | Stb. | 09-95 |
| Wet geluidhinder: Wijz. Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg | 11-03-94 | Stb. | 22-03-95 |
| Wet geluidhinder: Wijz. Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg | 07-95 | VB | 03-96 |
| Wet geluidhinder: Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994 | 15-04-94 | Stb. | 16-01-95 |
| Wet geluidhinder: Wijz. Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer | 02-96 | VB | PM |
| Wet geluidhinder: Besluit zonering buitenlands luchtvaartterrein Zuid-Limburg | 15-10-93 | Stb. | 03-02-95 |
| Kernenergiewet: Besluit stralenbescherming Kernenergiewet (ORS-implementatie) | 17-12-93 | HM | 09-95 |
| Wet luchtverontreiniging: Besluit meting en informatie ozon | 17-03-95 | HM | 09-95 |
| Wet luchtverontreiniging: Wijz. Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A | 18-08-94 | Stb. | 25-01-95 |
| Wet luchtverontreiniging: Besluit afstemming milieuwetgeving op Voertuigreglement | 18-08-94 | Stb. | 05-95 |
| Wet luchtverontreiniging: Besluit typekeuring cv-ketels luchtverontreiniging | 10-07-92 | Stb. | 01-01-96 |
| Wet luchtverontreiniging: Besluit zwavelgehalte brandstoffen | 11-06-93 | Stb. | 01-10-94 |
| Wet milieubeheer: Bijdragenbesluit bedrijfsinterne milieuzorg | Stb. | 20-12-94 | |
| Wet milieubeheer: Wijz. Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (akoestisch onderzoek) | 17-12-93 | Stb. | 01-10-94 |
| Wet milieubeheer: Wijz. Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (gevelisolatie wegverkeerslawaai) | 17–12-93 | Stb. | 01-96 |
| Wet milieubeheer: Wijz. Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (bijdrageregelingen uitvoering gemeentelijk milieubeleid) | 10-05-94 | Stb. | 01-01-95 |
| Wet milieubeheer: Wijz. Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (maatregelen integrale sanering Arnhem-Noord, IJmond en Maastricht) | 15-10-93 | RvS1) | PM |
| Wet milieubeheer: Wijz. Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (schermen wegverkeers- en spoorweglawaai) | 16-05-94 | Stb. | 01-96 |
| Wet milieubeheer: Wijz. Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (verlenging bijdrageregeling bodem) | 04-94 | VB | PM |
| Wet milieubeheer: Wijz. Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (milieu-aandachtsgebieden) | 04-94 | VB | PM |
| Wet milieubeheer: Bijdragenbesluit laagzwavelige dieselolie 1996 | 11-11-94 | RvS1) | 01-01-96 |
| Wet milieubeheer: Besluit diverse bijdragen Wet milieubeheer | 16-04-94 | RvS1) | 09-95 |
| Wet milieubeheer: Besluit financiële zekerheid Wet milieubeheer | 12-95 | VB | PM |
| Wet milieubeheer: Wijz. Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (herstel onvolkomenheden) | 11-06-93 | HM | 6-5-95 |
| Wet milieubeheer: Wijz. Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Defensie-inrichtingen) | 07-12-93 | Stb. | 05-08-94 |
| Wet milieubeheer: Wijz. Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer i.v.m. Kaderwet bestuur in verandering | 30-09-94 | RvS1) | 1-7-94 |
| Wet milieubeheer: Lozingenbesluit art. 10.16 Wet milieubeheer (implementatie richtlijn 91/271/EEG) | 09-94 | RvS | 10-95 |
| Wet milieubeheer: Besluit lozingsaspecten in algemene regels Wet milieubeheer (implementatie richtlijn 91/271/EEG) | 18-08-94 | RvS | 10-95 |
| Wet milieubeheer: Besluit milieubijdragen maatschappelijke organisaties | 15-04-94 | Stb. | 10-94 |
| Wet milieubeheer: Besluit milieu-effectrapportage 1993 | 10-07-92 | Stb. | 01-09-94 |
| Wet milieubeheer: Wijz. Besluit m.e.r. (mestverwerkingsinrichtingen) | 14-07-89 | RvS1) | wordt niet doorgezet |
| Wet milieubeheer: Besluit stimulering milieutechnologie | 15-01-94 | Stb. | 22-03-95 |
| Wet milieubeheer: Besluit stortverbod afvalstoffen | 11-03-94 | Stb. | 07/12-95 |
| Wet milieubeheer: Besluit verwijdering batterijen | 12-11-93 | Stb. | 10-03-95 |
| Wet milieubeheer: Besluit verwijdering personenwagenbanden | 12-11-93 | HM | 08-95 |
| Wet milieubeheer: Besluit verwijdering wit- en bruingoed | PM | VB | PM |
| Wet milieubeheer: Wijz. Besluit vrijstelling stortverbod buiten inrichtingen | 11-03-94 | Stb. | 19-01-95 |
| Wet milieubeheer: Wijz. van enige krachtens art. 8.40 Wm gegeven AMvB's (Bouwbesluit) | PM | VB | PM |
| Wet milieubeheer art. 8.40 (voorm. Hinderwet): Besluit tandartspraktijken milieubeheer | 18-08-94 | RvS | 04-96 |
| Wet milieubeheer art. 8.40 (voorm. Hinderwet): Wijz. Besluit tankstations, Besluit herstelinrichtingen milieubeheer enBesluit luchtkwaliteit Benzeen (invoering dampretour Stage-II tankstations) | 15-04-94 | RvS | najaar 95 |
| Wet milieubeheer art. 8.40 (voorm. Hinderwet): Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt | 17-12-93 | RvS1) | 01-01-96 |
| Wet milieubeheer art. 8.40 (voorm. Hinderwet): Besluit vaste mestopslag | 05-95 | VB | PM |
| Wet milieubeheer art. 8.40 (voorm. Hinderwet): Wijz. Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer | RvS1) | 09-95 | |
| Wet milieubeheer art. 8.45 (voorm. Hinderwet): Besluit emissie-arme stallen milieubeheer | PM | VB | PM |
| Wet milieubeheer art. 8.40 (voorm. Hinderwet): Besluit mestbassins milieubeheer | PM | VB | PM |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Besluit beoordeling en beperking milieurisico's bestaande stoffen | 11-06-93 | Stb. | 03-03-95 |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Besluit broomhoudende bifenylen en bifenyloxiden | 15-01-93 | RvS1) | PM |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Wijziging Cadmiumbesluit | 07-94 | Stb. | 01-01-95 |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Wijz. Cadmiumbesluit | 05-95 | RvS | 01-01-96 |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Besluit gecreosoteerd hout | niet doorgezet vanwege EG | ||
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Wijz. Besluit implementatie EG-stofrichtlijn Wms (chlooroplosmiddelen en cmt's) | 03-95 | RvS1) | 05-96 |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Besluit organisch-halogeengehalte brandstoffen | 15-10-93 | Stb. | 01-96 |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Besluit PAK-houdende coatings | 20-01-95 | RvS | 01-10-96 |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Wijz. Besluit genetisch gemodificeerde organismen | 05-95 | RvS | 01-01-96 |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Wijz. Vuurwerkbesluit | 05-95 | RvS | 01-03-96 |
| Wet milieugevaarlijke stoffen: Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten 1995 | 16-12-94 | RvS1) | 09-95 |
| Woningwet: Wijz. Bouwbesluit (energieprestatie) | 13-01-95 | RvS | 15-12-95 |
| Woningwet: Wijz. Bouwbesluit (milieu-uitgangspunt) | PM | VB | 10-96 |
(*) De stadia zijn achtereenvolgens: voorbereiding (VB), ministerraad (zie aparte kolom), Raad van State/Koningin (RvS), Tweede Kamer (TK) en Eerste Kamer (EK) (alleen voor wetsvoorstellen), bekrachtiging Hare Majesteit (HM), en Staatsblad (Stb.).
N.B. Niet opgenomen is regelgeving met betrekking tot landbouw (mest) waarvoor de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de eerstverantwoordelijke is.
1) De Raad van State heeft advies uitgebracht.
BIJDRAGE AAN DOELSTELLINGEN GROTE NOTA'S
Dit hoofdstuk bevat een overzicht van de bijdragen van de beleidsprodukten uit het Milieuprogramma aan de realisering van de strategische doelen uit de «grote nota's». In de kolom «realisatie op schema» wordt aangegeven of de doelstelling naar verwachting zal worden gehaald. In de kolommen gerealiseerde en geprogrammeerde beleidsprodukten zijn enkele van de, elders in het Milieuprogramma reeds opgenomen, produkten genoemd, die betrekking hebben op de realisatie van betreffende doelstelling. De laatste kolom verwijst naar de paragraaf waarin nader op het onderwerp wordt ingegaan.
| Derde nota Waterhuishouding | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| streefbeelden grondwater (verdroging) | 2000: 25% reductie areaal verdroogde gebieden 2010: streven herstel van hydrologisch regime in 40% van de verdroogde gebieden | Realisatie doelstelling 2000 onzeker, tenzij aanvullende maatregelen worden uitgevoerd | – REGIWA projecten – Tijdelijke bijdrageregeling gebiedsgerichte bestrijding verdroging | – evaluatie waterbesparingsbeleid – instrumentarium t.b.v. berekening bijdrage oorzaken verlaging grondwater stand – Actieprogramma grondwaterbeschermingsbeleid | bijlage 1:7 bijlage 1:9 |
| streefbeelden plassen en meren | «groene soep» opheffen (d.m.v. waterkwaliteitsdoelstellingen) | P-doelstelling in 95 bijna te realiseren, N niet, nog geen maatregelen lange termijn doelstelling | – vaststelling verliesnormen P en N voor 2000 – Integrale Notitie mest- en ammoniak- beleid – Inzet gebiedsgericht instrumentarium | bijlage 2:1 bijlage 1:9 | |
| streefbeelden rivieren | zalm in Rijn en Maas in het jaar 2000 | – nieuw ecologisch gericht Rijnverdrag – Implementatie EU-richtlijnen Nitraat en Stedelijk afvalwater | bijlage 1:3 | ||
| streefbeelden zeeën | gezonde vis in gezonde zee: 2000: 50% reductie zwarte lijst stoffen; 70% reductie microverontreinigingen | Nutrienten: zie hierboven, toxische stoffen en visserij ten dele op schema | bijlage 1:3 | ||
| Vervolgnota Energiebesparing | |||||
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema ? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| efficiencyverbetering | 17% efficiencyverbetering in 2000 t.o.v. 1989 | ja | – uitvoering verzuringsconvenant Sep – Uitvoering MJA's | Inwerkingtreding regulerende heffing op energie – Uitvoering MAP – afspraken over milieuactiviteiten energieproduktiesector en energiedistributiebedrijven | bijlage 2:4; bijlage 1:1 |
| – energieprestatienormering (PM) | – plan van aanpak energiebesparing bouw – Plan van aanpak DuBo | bijlage 2:8; bijlage 1:1 | |||
| energie uit duurzame bronnen | aandeel van 3% in 2000 aandeel van 5% in 2010 | ja | – Reparatiebrief | ||
| Natuurbeleidsplan | |||||
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema ? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| natuur- en landschappelijke waarden | Duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuur en landschappelijke waarden het tot stand brengen van een ecologische hoofdstructuur | 70% van de taakstelling gerealiseerd (peiljaar 1993) | – Strategisch plan van aanpak Biodiversiteit (SPA) | – Beleidsstandpunt «Biodiversiteit» – Acties uit SPA | bijlage 1:8 |
| VINO/VINEX | |||||
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema ? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| bevorderen van de concurrentiepositie van Nederland | Versterken positie stedelijke knooppunten | ten dele; aan prioriteitsstelling wordt beperkte invulling gegeven | |||
| versterken mainports Schiphol en Rotterdam | ja | – PKB-3 Schiphol vastgesteld in Tweede Kamer | – aanwijzigingsprocedures Luchtvaartwet | bijlage 2:6 | |
| Bevorderen internationaal concurrerend grootstedelijk vestigingsmilieu Randstad | ten dele; aan prioriteitsstelling wordt beperkte invulling gegeven | – Besluit Betuweroute | |||
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| afstemmen wonen, werken en voorzieningen met openbaar vervoer | A en B locaties in stedelijke knooppunten | ja | |||
| concentratie woningbouw in stadsgewesten | ten dele; gebrek aan extra financiële middelen vormt soms belemmering | – uitvoering VINEX | bijlage 1:4 | ||
| handhaven, aanpassen en vernieuwen in het landelijk gebied | Versnellen van een goede afstemming van ruimtelijk water- en milieubeleid op regionaal niveau | ten dele; cumulatie van verdroging, verzuring en vermesting vraagt aandacht | – REGIWA-proefprojecten | – inwerkingtreding Ontwerp Bijdragenbesluit gebiedsge- richt beleid | bijlage 1:7 en 1:9 |
| uitvoeren van gebiedsgericht ruimtelijk en milieubeleid | Investeringen in de essentiële onderdelen van de plannen van aanpak voor ROM-gebieden | deels | – uitvoeringsprojecten ROM-gebieden | inwerkingtreding Ontwerp Bijdragenbesluit gebiedsgericht milieubeleid – evaluatie uitvoering ROM-projecten | 5.3; bijlage 1:9 |
| bereiken van goede milieukwaliteit directe woon- en leefomgeving | Oplossen en voorkomen van problemen rond 1. grote industrieterreinen 2. spoorwegemplacementen 3. compacte stad | ja | – proefprojecten IMZ | – Handreiking IMZ – Plan van aanpak goederenemplacementen – proefprojecten Stad en Milieu | bijlage 1:6 |
| SVV-II | |||||
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema ? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| leefbaarheid | Harmonie verkeer en vervoer en andere maatschappelijke sectoren | ja, zij het met vertraging | – Wegwijzer verkeerssituaties | – Plan van aanpak luchtverontreiniging steden | bijlage 1:6 |
| mobiliteit | Reductie groei mobiliteit tot 35% t.o.v. 1986 | vrachtvervoer en personenautoverkeer nemen toe (1994: 118) | bijlage 2:6 | ||
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| reductiegroei van personenautoverkeer is afhankelijk van invoering verhoging brandstofprijzen, overige prijsmaatregelen, flankerend beleid en tijdige totstandkoming toetsbare RVVP's | – Besluit Betuwelijn | – meerjarenafspraken rijk/vervoerend en verladend bedrijfsleven – plan van aanpak flankerend beleid goederenvervoer | bijlage 2:6 | ||
| Verhoging rail en water in goederenvervoer | nee, aanleg Betuwelijn niet tijdig gereed, verbetering vaarwegennet mogelijk op tijd | ||||
| bereikbaarheid | Betere ontsluiting mainports | nee, ondanks verbetering achterlandverbindingen; voorbereiding aansluiting op HSL-net lopende; uitbreiding OV en invoering rekeningrijden noodzakelijk | – Besluit Betuwelijn | bijlage 2:6 | |
| NMP 2 | |||||
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema ? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten | toelichting/vindplaats |
| verandering van klimaat | 2000: Wereldwijd tot nul reduceren van emissie van ozonlaag-aantastende stoffen reductie CO2-uitstoot met 3 à 5% in 2000 t.o.v. 1989/90 | harde CFK's en halonen overtreffen doelstelling CO2 neemt toe in plaats van af | – opzet proefprojecten Joint Implementation (JI) – Regeringsstandpunt JI – Uitvoering MJA's | – Vervolgnota klimaatverandering – Nederlands standpunt Klimaatverdrag – Plan van aanpak energiebesparing bouw – energiebesparing in AMvB's op grond van Wm – regulerende energieheffing – CO2 convenant voor de periode tot 2010 met energieproduktie- en distributiesector | bijlage 1:1 bijlage 2:4 |
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| verzuring | vermindering depositie SO2, NOx, NH3, VOS | SO2 en NH3 worden benaderd bij uitvoering NMP 2; NOx en VOS laten ook bij uitvoering NMP 2 tekort zien | – Additioneel Programma Verzuring III – Besluit Emissie Eisen Stookinstallaties – Nota Luchtvaart en luchtverontreiniging | – NOx-protocol ECE – wijziging EG-richtlijn grote stookinstallaties – Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid – 5e fase SO2 normstelling Raffinaderijen – invulling NOx-normen na 2000 – normstelling verkeersbeleid – project TRANSACTIE | bijlage 1:2; bijlage 2: 3 en 6 |
| vermesting | 2000: evenwicht aan- en afvoer vermestende stoffen naar bodem | ja, bij volledige uitvoering van de Notitie mest- en ammoniakbeleid | – Integrale notitie Mest- en ammoniak – evaluatie milieurendement gebiedsgerichte maatregelen vermesting in bodembeschermingsgebieden – verbeteren gebiedsgericht instrumentarium voor vermesting – EU-richtlijnen Nitraat en Stedelijk afvalwater | bijlage 1:3 bijlage 2: 1 | |
| verspreiding | 2000: Terugbrengen milieurisico's tot aanvaardbaar en zo mogelijk verwaarloosbaar risico/geen stoffen boven MTR | ja, met uitzondering van diffuse bronnen | – Implementatie Uniforme Beginselen voor beoordeling bestrijdingsmiddelen | – Beleidsnota Zware metalen – Nota uitvoering Radonbeleid – Meerjarenplan Hygiëne en Materiaalbescherming – besluit streef, interventie waarden en urgentie – kabinetsstandpunt financiering bodemsanering | bijlage 1:4 |
| verwijdering | Afvalpreventie en lekvrij verwijderen onvermijdbaar afval | ja | – Besluit stortverbod afvalstoffen | – Wettelijke regeling verpakkingen – Tweede meerjarenplan gevaarlijke afvalstoffen – Besluit afvalstoffen- grondstoffen – Sturingsorganisatie verbrandbaar afval – Inwerkingtreding AMvB Stortverbod Afvalstoffen – Implementatie afvalscheiding droge componenten Afzetdocumenten | bijlage 1:5 |
| onderwerp | doelstelling | realisatie op schema? | gerealiseerde beleidsprodukten/maatregelen/uitvoeringsresultaten in afgelopen begrotingsjaar | geprogrammeerde beleidsprodukten/maatregelen | toelichting/vindplaats |
| verstoring | geluid: 2000: geluidgehinderden op niveau van 1985, 2010: geen ernstige hinder; stank: 2000: stankbelaste woningen max. 750 000 (=12%), 2010: geen ernstige hinder externe veiligheid: 2000: ind. risico max 10-6 | 2000: alleen voor weg- en railverkeer 2010: meeste sectoren niet nee wel voor industriële activiteiten en LPG-opslag niet voor enkele binnenstedelijke goederenemplacementen | – Beleidsnotitie normstelling gevaarlijke stoffen – Wegwijzer verkeerssituaties – Herziene nota Stankbeleid | – nota stand van zaken verstoringsdoelstellingen – plan van aanpak luchtverontreiniging in steden – AMvB externe veiligheid voor inrichtingen – circulaire uitvoering stankbeleid – eindevaluatie proefprojecten IMZ – aangepaste regelgeving weg- en railverkeerslawaai – plan van aanpak goederenemplacementen | bijlage 1:6 |
| verdroging | 2000: vermindering areaal verdroogde bos- en nauurgebieden met 25% tov 1985 | onzeker | – Tijdelijke bijdrageregeling gebiedsgerichte bestrijding verdroging – Voortgangsrapportage integraal waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden | – afronding gebiedsvisies vergroting van areaal kwetsbare natuurdoeltypen – Evaluatie beleid waterbesparing – evaluatie GEBEVE-regeling | bijlage 1:7 |
| verspilling | (geen NMP 2-doelstelling voor 2000/2010) voor 2000 voorraden in kaart, beheersstrategie en aandacht voor terugkoppeling bij de bron | – Strategisch Plan van Aanpak Biodiversiteit | – Risico-analyse sleutelvoorraden – Criteria voor: * omgaan met voorraden in produktie- en consumptie * verspilling in produkten beleid – Beleidsstandpunt «Biodiversiteit» | bijlage 1:8 | |
De in dit hoofdstuk gehanteerde indeling naar bedrijfstakken sluit niet goed aan bij de gebruikelijke doelgroepenindeling die wordt gehanteerd voor het overleg met doelgroepen. In dit hoofdstuk gaat het om een indeling volgens een economische-statistische classificatie. Hierbij wordt uitgegaan van de bedrijfstakindeling van het CBS.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24405-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.