24 400 XV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 1996

nr. 46
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 4 juli 1996

In mijn brief van 19 december 1995 (24 400 XV, nr. 33) heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken omtrent arbodiensten. Aan bod kwam ondermeer de certificatie van arbodiensten, de aansluiting van bedrijven, de risico-inventarisatie en evaluatie (ri&e), en de kwalitatieve ontwikkeling van arbodiensten.

Hierbij informeer ik u over de voortgaande ontwikkelingen.

Stand van zaken certificatie arbodiensten juni 1996

Op peildatum 7 juni 1996 zijn 86 Certificaten Arbodienst verstrekt, waarvan 4 aan interne en 7 aan grote landelijke diensten. Er lopen momenteel 72 onderzoeken bij arbodiensten die nog niet zijn gecertificeerd. In de tweede helft van 1996 zal begonnen worden met de jaarlijkse (her)controles op afgegeven certificaten.

Inclusief de 86 gecertificeerde arbodiensten hebben thans 188 diensten het Certificaat Arbodienst aangevraagd. Sinds januari 1996 komen weinig nieuwe certificaat-aanvragen binnen. Overigens zijn 27 van de 188 aanvragen ingetrokken. Naar verwachting zullen tot medio 1997 nieuwe certificaat-aanvragen worden ingediend, bijvoorbeeld door interne arbodiensten van grotere bedrijven, waarvoor de aansluitingsverplichting bij een gecertificeerde arbodienst ingaat per 1-1-1998.

De stand van zaken, ingedeeld naar de drie fasen van het certificatietraject1 waarin de diensten verkeren, is in het navolgende overzicht weergegeven.

Rapportage voortgang certificatie per8-12-19957-6-1996
Totaal aantal aanvragen176188
– waarvan ingetrokken2227
– waarvan in fase I3122
– waarvan afgewezen na fase I22
– waarvan in fase II6936
– waarvan in fase III2014
– afgewezen na fase III01
– waarvan gecertificeerd3286

In de Staatscourant zijn de verleende certificaten bekendgemaakt. Ook geeft het Ministerie van SZW een lijst uit van gecertificeerde arbodiensten.

De aansluiting bij arbodiensten

Op grond van de Arbowet moet een deel van de werkgevers, klasse I, uiterlijk per 1 januari 1996 zijn aangesloten bij een gecertificeerde arbodienst. Klasse I omvat de werkgevers aangesloten bij de bedrijfsver-enigingen nrs. 03, 04, 08, 10, 11, 16, 21, 23 en 24. Voor de overige werkgevers, klasse II, geldt 1 januari 1998 als uiterste datum voor de verplichte aansluiting. Klasse II omvat bijna tweederde van het totaal aantal werkgevers.

De aansluiting van bedrijven bij arbodiensten is gedurende het afgelopen halfjaar aanzienlijk toegenomen. In het najaar van 1995 had 24% van de bedrijven met minder dan 10 werknemers een contract afgesloten met een arbodienst. Thans is dit percentage opgelopen tot 51. In de groepen bedrijven met 10 tot 100 werknemers en 100 werknemers of meer zijn deze percentages respectievelijk opgelopen van 61 naar 76 en van 87 naar 91.1 Globale schattingen geven aan dat, uitgaande van een werknemerspopulatie van 5,6 mln., ongeveer 80% van de werknemers onder een contract met een arbodienst valt. De toename die het afgelopen halfjaar te zien geeft, heeft voor het grootste deel plaatsgevonden in de groep bedrijven in klasse I.

Te constateren is dat de aansluitingsverplichting thans door het merendeel van de bedrijven uit klasse I wordt opgevolgd. Naast de inspanningen van arbodiensten heeft de wijziging van de Ziektewet zoals verwacht een versnelling teweeggebracht in de aansluiting van vooral kleinere bedrijven.

Risico-inventarisatie en -evaluatie (ri&e)

Op basis van artikel 4 Arbowet is de werkgever verplicht tot het opstellen van een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie van alle gevaren die de arbeid voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers met zich meebrengt.

De ri&e vormt het startpunt voor een arbeidsomstandighedenbeleid, mede gericht op het terugdringen van het ziekteverzuim.

De Inspectiedienst SZW heeft bij een aantal bedrijven gecontroleerd of deze beschikken over een schriftelijke ri&e. In het navolgende overzicht zijn hiervan de resultaten weergegeven, alsmede de situatie per oktober 1995.

Beschikt over een schriftelijke ri&e per:oktober 1995juni 1996
Grootteklasse(n=1672)(n=738)
1–9 werknemers7%18%
10–99 werknemers26%35%
100 werknemers en meer40%70%

Arbodienstverlening aan het M.K.B.

In maart en april van dit jaar hebben ambtenaren van mijn ministerie gesprekken gevoerd met functionarissen van 22 gecertificeerde arbodiensten, om informatie te verkrijgen over de wijze waarop de dienstverlening aan het midden- en kleinbedrijf zich ontwikkelt. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder weergegeven.

Uit de gesprekken is gebleken dat het eigen risico bij ziekte een belangrijke impuls vormt voor de kleinere bedrijven om aansluiting te zoeken bij een arbodienst. De invoering van de Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht bij Ziekte per 1 maart 1996 heeft volgens de arbodiensten direct tot een toename van het aantal contracten geleid.

Ondernemers in het kleinbedrijf willen met een arbodienst allereerst de verzuimregistratie en de ziek- en hersteldmeldingen regelen, alsmede de verplichte begeleiding bij het verzuim. Het blijkt mogelijk met eenvoudige maatregelen op het terrein van verzuimbegeleiding en de invoering van een goede registratie, een daling van het verzuim te bereiken, met als gevolg een lagere premie. Hiermee worden, volgens de stijl van de kleine bedrijven, problemen op korte termijn opgelost. Daarnaast biedt dit arbodiensten de mogelijkheid om met de ondernemer een relatie op te bouwen. In het M.K.B. is dat meestal een voorwaarde voor het overnemen van informatie en adviezen. Op deze wijze ontstaat volgens de arbodiensten een basis voor preventieve arbozorg, waarvan de effecten pas op langere termijn zichtbaar worden en waar veel kleine ondernemingen minder voor te motiveren zijn. De risico-inventarisatie en -evaluatie worden bijvoorbeeld niet direct uitgevoerd of afdelingsgewijs over enkele jaren gespreid. Basis voor deze aanpak vormt een meerjarenplan dat samen met het bedrijf wordt opgesteld, waarbij preventieve maatregelen worden opgenomen in de begroting van het bedrijf. Voor ondernemers biedt dit het voordeel dat een spreiding van kosten wordt bereikt.

Net als andere dienstverleners en adviseurs ervaren vanzelfsprekend ook de arbodiensten hoe arbeidsintensief de werving en ondersteuning van het M.K.B. is. Uit de gesprekken met 22 arbodiensten komt naar voren dat hierop actief en op gevarieerde wijze wordt ingespeeld. In de ogen van de arbodiensten is de stimulerende rol van branche-organisaties belangrijk, door middel van bijvoorbeeld het afsluiten van mantelcontracten met arbodiensten en het (laten) opstellen van specifieke ri&e's voor de branche. Ook samenwerking met ondernemerskringen, loonadministratiekantoren en assurantie-tussenpersonen versterkt de arbodienstverlening, in het bijzonder aan de kleinste bedrijven. De meeste arbodiensten geven aan branchekennis op te bouwen en specifieke model-ri&e's te ontwikkelen voor kleine bedrijven.

Beleidsinspanningen

Uit deze rapportage komt onmiskenbaar een progressieve ontwikkeling tot uitdrukking. Zowel het percentage bedrijven dat bij een arbodienst is aangesloten is toegenomen, als het percentage bedrijven dat over een ri&e beschikt. Ondanks de vooruitgang die ik constateer, realiseer ik me ten zeerste dat het beantwoorden door alle werkgevers aan de verplich-tingen, vooral die van de ri&e, nog de nodige inspanningen en tijd zal vragen.

Het proces wordt, vooral met het oog op de kleinste bedrijven, langs de volgende lijnen door het ministerie ondersteund:

– Het verspreiden van informatie over de verplichtingen, zoveel mogelijk branche-specifiek, met gebruikmaking van verschillende communicatiekanalen;

– Geven van ondersteuning bij het ontwikkelen van branchemodellen voor de ri&e;

– Bevorderen van kennis van kosten en baten van arbodienstverlening, van arbomaatregelen en van de toepassing daarvan door bedrijfsadviseurs;

– Onderzoek naar de knelpunten bij het arbeidsomstandighedenbeleid in de kleinste bedrijven.

Om de kwaliteit van het stelsel van arbodiensten verder tot ontplooiing te brengen acht ik het gewenst de instrumentontwikkeling bij arbodiensten te ondersteunen. Daarom heb ik, in goed overleg met de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA), een deel van de doelsubsidie-gelden aan het Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden (NIA) aangewend ter bevordering van de kwaliteit van arbodienstverlening. Ik beschouw dit als tijdelijke stimulans om de arbodienstverlening een kwalitatieve impuls te geven.

Deze activiteiten zijn er op gericht om tijdens de invoerings- en ontwikkelingsfase waarin de arbodienstverlening verkeert, de adviseursrol van arbodiensten te versterken. Ik ben van mening dat daar tijd voor moet worden gelaten met het oog op de kwaliteit van de advisering en het zinvolle effect daarvan in bedrijven. Een beleid waarin uitsluitend op korte termijn verplichtingen worden gehandhaafd loopt het risico slechts uit te monden in op papier nageleefde verplichtingen met geringe baten in het bedrijfsbeleid. Overigens spreekt de Inspectiedienst SZW werkgevers in reguliere inspecties wel aan op naleving van de ri&e-verplichting.

Ik heb begrip voor de positie van de arbodiensten bij het aanbieden van hun diensten met betrekking tot de ri&e. Een koppeling tussen arbeidsomstandigheden en verzuim is echter een wezenlijk onderdeel van het beleid en ook van de kwaliteit van de dienstverlening op elk van beide gebieden.

Het kan daarom niet zo zijn dat blijvend situaties ontstaan dat arbodiensten slechts op deelterreinen worden ingeschakeld. Ik ben daarom voornemens om in overleg te treden met de arbodiensten om te bezien hoe, in aanvulling op het lopend beleid, versnelling kan worden gebracht in het proces van invoering van de ri&e.

Certificaten Arbodienst worden thans verstrekt door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De beoordeling wordt uitgevoerd door het Projectbureau Certificatie Arbodiensten (PCA) dat onderdeel uitmaakt van de directie Arbeidsomstandigheden. Deze taak zal aan de markt worden overgedragen. De Arbowet en het Besluit arbodiensten geven de mogelijkheid om de certificatie van arbodiensten te laten geschieden door (een) daartoe door de minister aangewezen instelling(en).

Reeds in een eerder stadium is aan de Branche Organisatie Arbodiensten gevraagd het initiatief te nemen. Hiermee heeft BOA het voortouw gekregen bij de opzet van een privaat uitgevoerde certificeringsregeling. Afgesproken is dat deze regeling zal aansluiten bij de bestaande regeling die wordt uitgevoerd door PCA. De wettelijke eisen gesteld aan de arbodiensten blijven in dit kader ongewijzigd. Inmiddels is, in samenspraak met BOA, een actieplan opgesteld door het Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden (NIA). Op korte termijn komt een technische commissie bijeen voor het ontwerp van de nieuwe regeling. Daarnaast wordt een stuurgroep gevormd waarin belanghebbenden zitting zullen nemen (o.a. werkgevers / werknemers).

Tot slot meld ik u dat ik voornemens ben de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER advies te vragen over aanpassing van de verplichtingen met betrekking tot de ri&e van de allerkleinste werkgevers. Naar mijn mening is de verplichting tot het opstellen van een schriftelijke ri&e en het inschakelen daarbij van een arbodienst een onevenredig zware verplichting voor de kleinste werkgevers. Ik denk daarbij aan werkgevers die in totaal niet meer dan 40 uur arbeid per week doen verrichten door een of meer werknemers.

Hiermee heb ik de huidige stand van zaken uiteengezet. Zoals aangekondigd in mijn brief van 11 juni 1996 over de evaluatie van de Wulbz, zullen in oktober nieuwe gegevens beschikbaar komen op grond van onderzoek op het werkgeverspanel.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave


XNoot
1

Fase 1 omvat formele eisen t.a.v. organisatie en deskundigheid. In fase II wordt (mede middels een kwaliteits-audit) nagegaan of de arbodienst beschikt over een kwaliteitssysteem. Fase III omvat een beoordeling van de kwaliteit van de arbodienstverlening in de praktijk.

XNoot
1

Het betreft cijfers afkomstig uit onderzoek door de Inspectiedienst SZW (738 inspecties vanaf januari 1996 tot begin juni 1996).

Naar boven