nr. 43
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 30 mei 1996
Op 29 mei jl. heeft het zogenoemde voorjaarsoverleg
plaatsgevonden. Door middel van deze brief informeer ik u over de belangrijkste
conclusies.
1. Op hoofdlijnen is van gedachten gewisseld over het sociaal-economisch
beeld en de cao-trends. Gezamenlijk is vastgesteld dat Nederland op hoofdlijnen
goed scoort in vergelijking met het buitenland, zowel in economische als in
sociale zin. Zorgelijk blijft echter de werkloosheid, in het bijzonder onder
laagopgeleiden. Ook de noodzaak van meer investeringen in infrastructuur,
scholing en technologie met het oog op het bereiken van aanhoudende duurzame
groei is benadrukt. Maximale inspanningen van alle betrokkenen zijn onverminderd
noodzakelijk.
2. Het kabinet heeft benadrukt dat de marges bij de begrotingsbesprekingen
voor 1997 gering zijn. Zo hiervoor ruimte bestaat zal gezocht worden naar
een evenwichtige mix van lastenverlichting en tekortreductie. Daarbij moet
lastenverlichting leiden tot waar het voor bedoeld is: meer werk, vooral ook
voor laagopgeleiden. Een aanhoudend beleid van loonmatiging door sociale partners
blijft in dit opzicht onverminderd van belang.
3. In het najaarsoverleg van oktober 1995 is destijds uitvoerig gesproken
over de toegang tot de arbeidsmarkt voor laagopgeleiden. Dit heeft toen ondermeer
geleid tot een verklaring «ten behoeve van het arbeidsvoorwaardenoverleg
1996 (en daarna)» van sociale partners.
Hierin stond de noodzaak om te komen tot een daadwerkelijke vergroting
van de werkgelegenheid voor laagopgeleiden centraal.
De relevante ontwikkelingen in cao's zijn geïnventariseerd. Bijgaand
treft u aan het onderzoeksrapport «Cao-afspraken 1996: eerste interim-rapportage»
van de Inspectiedienst SZW .1 De resultaten zijn
in het voorjaarsoverleg besproken.
4. Het blijkt dat in 15 van de 23 grotere cao's die in 1996 – voor
medio april – zijn afgesloten, een laagste loonschaal voorkomt op het
niveau van het wettelijk minimumloon (WML) of vlak daarboven (tot 105% WML).
In de overige cao's bestaan verschillende initiatieven ten behoeve van laagopgeleiden,
veelal via gerichte projecten. Dit betekent dat er in ieder onderzocht akkoord
aandacht is besteed aan deze doelgroep, hetzij langs de weg van lagere schalen,
hetzij op een alternatieve wijze. Het betreft een eerste tussenstand: er moeten
in de loop van 1996 nog 43 grotere cao's vernieuwd worden. Inmiddels kan echter
geconstateerd worden dat er sprake is van een niet onbevredigende trend, in
lijn met de in het najaarsoverleg gemaakte afspraken.
De verdere ontwikkelingen – zowel in de cao's als wat de feitelijke
implementatie betreft – zullen op de voet worden gevolgd. In het komende
najaarsoverleg is een terugblik op het cao-seizoen 1996 in zijn geheel aan
de orde. Intussen is met betrekking tot een aantal sectoren een nader kwalitatief
inzicht van belang in de (on)mogelijkheden substantieel werk voor laagopgeleiden
te creëren. Hiertoe zullen gesprekken worden gevoerd.
5. Overigens heeft I-SZW 93 cao's onderzocht op het bestaan van bepalingen
die werkgevers de mogelijkheid bieden een verzoek in te dienen om af te mogen
wijken van de cao, de zogeheten dispensatiebepalingen. In 63 van deze akkoorden
blijkt een dispensatie-bepaling voor te komen. Van belang is dat van de 30
cao's zonder dispensatie-mogelijkheid 23 cao's nog vernieuwd moeten worden
in 1996. De Stichting van de Arbeid zal bevorderen dat ook in deze cao's zoveel
mogelijk een dispensatie-bepaling wordt opgenomen.
Het kabinet acht het overigens van belang dat een «onafhankelijke
derde» wordt betrokken bij de beoordeling van een dispensatie-verzoek.
De Stichting van de Arbeid zal de mogelijkheid van een nadere aanbeveling
op dit punt onderzoeken.
Tenslotte zal nader worden geanalyseerd of en in hoeverre ruimere dispensatie-mogelijkheden
voor startende bedrijven mogelijk en gewenst zijn.
6. Bij brief van 21 mei jl. (AV/RV/96/852) bent u nader geïnformeerd
over de kabinetsbesluitvorming betreffende het advies van de Stichting van
de Arbeid over de nota «Flexibiliteit en Zekerheid». In het voorjaarsoverleg
hebben sociale partners nogmaals benadrukt zeer te hechten aan het integraal
overnemen van het advies.
7. Voor het komende najaarsoverleg zal het agenda-punt «scholing
en verlof» worden voorbereid. Verwacht wordt dat de Stichting van de
Arbeid uiterlijk 1 oktober zal adviseren over de kabinetsvoornemens ten aanzien
van loopbaanonderbreking en andere verlofvormen.
Kort is gesproken over het leerlingwezen. Sociale partners hebben aangegeven
dat de 130% WML-grens een ernstige belemmering zou zijn voor instroom. Dit
zal in een onmiddellijk in te stellen gezamenlijke werkgroep – mede
op grond van nog beschikbaar te komen onder-zoeksgegevens – nader worden
bezien.
8. Tenslotte is in procedurele zin gesproken over het allochtonenbeleid.
Deze zomer wordt de evaluatie van de WBEAA afgerond. In het najaarsoverleg
komt het allochtonenbeleid in brede zin inhoudelijk aan de orde. Behalve de
evaluatie van de wet zijn belangrijke elementen: het vervolg op het verlengde
Stichtingsakkoord Minderheden en de toekomst van de bedrijfsadviseurs minderheden
(«bammers»).
Nog voor de zomer zal gestart worden met een gezamenlijke werkgroep (SZW/Biza/STAR),
die – met het oog op het najaarsoverleg – moet komen met voorstellen
om de effectiviteit van het allochtonenbeleid te vergroten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. P. W. Melkert