Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24400-XV nr. 41 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24400-XV nr. 41 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 10 mei 1996
In vervolg op u eerder gezonden brieven (27 februari en 6 april 1995, resp. 23 900, nrs. 40 en 42) en het Algemeen Overleg met de vaste commissies van de Tweede Kamer voor Buitenlandse Zaken, voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 15 juni 1995 (23 900-XV, nr. 56), willen wij u nader informeren over het Kabinetsbeleid ten aanzien van de follow-up van de VN-Topconferentie voor sociale ontwikkeling te Kopenhagen. Een jaar na deze Sociale Top is het een goed moment om stil te staan bij de resultaten van de Top en bij de follow-up die Nederland daaraan geeft.
Deze brief bestaat uit twee onderdelen, het eerste deel gaat in op de internationale en nationale betekenis van de Sociale Top, het tweede deel gaat met name in op de nationale implementatie van de commitments van de Sociale Top.
De Nederlandse vertaling van de Slotdocumenten van de Sociale Top is als bijlage 1 bij deze brief gevoegd.1 In bijlage 2 is de Nederlandse inzet tijdens de voorbereidingen van de Sociale Top beschreven.
1. DE BETEKENIS VAN DE SOCIALE TOP
1.1 De internationale betekenis van de Sociale Top
De Sociale Top is een belangrijke stap in een proces op de langere termijn. Een proces waarbij steeds duidelijker zichtbaar wordt dat naast de veiligheid van staten, de veiligheid van mensen een belangrijk uitgangspunt is bij het vorm geven van internationale betrekkingen. De Sociale Top heeft sociale ontwikkeling centraal geplaatst als voorwaarde en doel van duurzame economische ontwikkeling.
Als de belangrijkste uitkomsten van de Top worden gezien het commitment om te komen tot een samenhangend en geïntegreerd beleid ter versterking van de sociale integratie, vooral van de meer achtergestelde groepen, ter bestrijding van de armoede en ter bevordering van produktieve werkgelegenheid en de terugdringing van werkloosheid. De Verklaring en het Actieprogamma van Kopenhagen bieden een referentiekader voor het opzetten en uitvoeren van beleid naar aanleiding van de aangegane commitments.
Follow-up binnen de VN, ILO en EU
Op internationaal niveau wordt op verschillende manieren en in diverse fora een vervolg gegeven aan de Sociale Top. Binnen de VN zal met name de functionele Commissie voor Sociale Ontwikkeling (CSD) een centrale rol spelen als het gaat om een samenhangende implementatie van het actieprogramma van Kopenhagen.
Nederland is op internationaal niveau (VN) actief betrokken bij het operationaliseren van het zogeheten 20/20-concept, zoals dat in de commitments van de Sociale Top is omschreven. Daarnaast zullen diverse gespecialiseerde VN-organisaties zoals de ILO, de WHO en de UNESCO in hun programmering uitdrukkelijk aandacht besteden aan de follow-up van de Sociale Top.
De VN zal in het jaar 2000 een speciale zitting van de AVVN wijden aan een algehele terugblik op en beoordeling van de resultaten van de Sociale Top. Via de activiteiten die het kabinet op dit moment onderneemt ten aanzien van de nationale en internationale implementatie zal Nederland zich op deze terugblik voorbereiden.
Op EU-niveau zijn tot nu toe door de Europese Commissie geen specifieke activiteiten ondernomen t.a.v. de follow-up van de Sociale Top. De Europese Commissie zal mogelijk in de tweede helft van 1996 een brede kadermededeling uitgeven over Europese activiteiten op het gebied van armoede, sociale uitsluiting en de follow-up van de Sociale Top.
Op Europees niveau wordt door diverse landen, waaronder Nederland, aandacht besteed aan de participatie van Europese burgers bij armoedebestrijding en sociale uitsluiting.
De hier genoemde internationale activiteiten worden onder commitment 9 en 10 (in deel 2 van deze brief) verder toegelicht.
Relatie met VN-Vrouwenconferentie
Tijdens de Wereldvrouwenconferentie is onverkort vastgehouden aan eerder op andere VN conferenties bereikte overeenstemming. Met name geldt dat voor de verworvenheden van de Wereldmensenrechtenconferentie (Wenen, juni 1993), de Wereldbevolkingsconferentie (Cairo, september 1994) en de Sociale Top.
Regeringen hebben zich in Kopenhagen o.a. verplicht de armoede te bestrijden door middel van nationale programma's en internationale samenwerking. Ook in Beijing is geconstateerd, dat de situatie wereldwijd verergert door de toenemende armoede, met name ook onder vrouwen.
In het onderdeel Armoede uit het slotdocument van Beijing zijn veel passages direct of indirect ontleend aan de Sociale Top. Over de aangenomen tekst bestond brede overeenstemming.
Daarnaast wordt een verband gelegd tussen armoede en sekse-ongelijkheid. De maatregelen zoals voorgesteld in de nota's «De andere kant van Nederland» en «Emancipatie in Uitvoering» getuigen van de inzet van de regering ter bestrijding van armoede en achterstand op nationaal niveau.
Ook de passages in het slotdocument van Beijing over de economische participatie en besluitvorming steunden mede, zij het in lichtere mate, op de verworvenheden van de Sociale Top.
Het 20/20 concept zoals voor het eerst verwoord tijdens de Sociale Top is op de Wereldvrouwenconferentie nader uitgewerkt. Met name wordt aanbevolen bij de besteding van gelden voor sociale ontwikkeling rekening te houden met het «genderperspectief».
1.2 De nationale betekenis van de Sociale Top
In de brief van 6 april 1995 aan de Tweede Kamer is reeds beschreven welke betekenis de Sociale Top heeft voor het nationale beleid. In deze paragraaf wordt hier nog in het kort bij stil gestaan.
De resultaten van de Sociale Top zijn neergelegd in twee documenten, een Verklaring en een Actieprogramma. In de Slotdocumenten staan centraal: de bestaanszekerheid in mondiale concurrentie, bevordering van werkgelegenheid met name op het punt van participatie en «empowerment», en maatschappelijke stabiliteit.
De Sociale Top heeft in de commitments van de Verklaring een expliciete samenhang tussen sociale en economische ontwikkeling tot stand gebracht.
Het kabinet ziet het als zijn taak om zodanige voorwaarden te scheppen in de vorm van regelgeving en financiën, dat decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en groeperingen, maar ook de mensen zelf hun verantwoordelijkheden kunnen waarmaken. Het huidige regeerakkoord is op deze terreinen in lijn met de inhoud van de Slotdocumenten van Kopenhagen. Op nationaal niveau is dan ook reeds veel in gang gezet dat past binnen de commitments van Kopenhagen. Diverse departementen hebben beleid ontwikkeld en in uitvoering gebracht ter versterking van de economie en de sociale structuur, ter voorkoming en bestrijding van armoede en ten behoeve van het tegengaan van sociale uitsluiting.
Voorbeelden hiervan zijn het sociale vernieuwingsbeleid, het minderhedenbeleid en het grote-stedenbeleid. Ook ter bevordering van werkgelegenheid zijn er tal van generieke en specifieke maatregelen aangekondigd of in uitvoering, met name voortkomend uit het regeerakkoord. Op het terrein van onderwijs en scholing, met name in relatie tot de arbeidsmarkt, is er eveneens veel in gang gezet. Tenslotte zijn verschillende departementen betrokken bij de wisselwerking tussen economische en sociale ontwikkeling en bij de armoedebestrijding. Het kabinet streeft naar samenhangend beleid ten aanzien van de genoemde beleidsterreinen. Op verschillende manieren worden daarbij de maatschappelijke organisaties (NGOs) betrokken.
De samenloop tussen Sociale Top en Regeerakkoord betekent dat bij de implementatie van de commitments niet in eerste instantie gedacht moet worden aan nieuw beleid of belangrijke beleidswijzigingen. De commitments van de Verklaring geven echter wel een nieuwe kijk op de samenhang tussen verschillende beleidsterreinen en bieden een stimulerende ondersteuning. Deze brief beoogt dat voor de verschillende commitments ook zichtbaar te maken en gaat in het bijzonder in op de centrale thema's: «empowerment», participatie, inschakeling in arbeid, armoedebestrijding in Nederland, kinderarbeid en het 20/20-concept. Deze thema's worden op de relevante plaatsen bij de commitments (deel 2 van deze brief) nader uitgewerkt.
1.3 Samenvatting van de toezeggingen aan de Tweede Kamer
In het overleg met de Vaste Commissies van de Tweede Kamer op 15 juni 1995 is een aantal toezeggingen gedaan t.a.v. de concrete uitvoering van de follow-up van de Sociale Top in Nederland. Hieronder worden deze toezeggingen samengevat. Tevens wordt in het kort aangegeven hoe de stand van zaken is met betrekking tot deze toezeggingen. Onder de uitwerking per commitment wordt, waar relevant, meer gedetailleerd ingegaan op de uitwerking van deze toezeggingen.
Ten eerste is een Nederlandse vertaling van de Slotdocumenten toegezegd om de toegankelijkheid van deze documenten voor NGOs, overheid en parlement te vergroten.
De integrale vertaling van de Slotverklaring van Kopenhagen en het daarbij behorende Actieprogramma worden u hierbij aangeboden. De vertaling zal eveneens aan de NCDO aangeboden worden (NCDO: Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling;1 overkoepelende organisatie waarbij vele Nederlandse NGOs zijn aangesloten, die op het brede sociale terrein actief zijn).
Ten tweede is toegezegd dat deze vertaling vergezeld zal gaan van een aanbiedingsbrief waarin een relatie wordt gelegd met het beleid dat het kabinet zich terzake voorneemt.
Hiertoe dient deze brief. In deel 2 van deze brief wordt voor elk commitment uit de Slotverklaring van Kopenhagen aangegeven hoe daaraan door Nederland uitwerking wordt gegeven.
Ten derde is toegezegd dat de resultaten van de Top een herkenbare plaats zullen krijgen in relevante beleidsdocumenten.
Wat SZW betreft gaat de Sociale Nota 1996 in op een aantal centrale thema's van de Sociale Top. Daarnaast wordt in genoemde nota op bepaalde plaatsen meer specifiek verwezen naar de resultaten van de Sociale Top, o.a. bij de onderwerpen «wisselwerking economische en sociale ontwikkeling» en «armoedebestrijding».
Voor het thema «Economische relevantie van onbetaalde arbeid» zij verwezen naar de aanbiedingsbrief bij de Nota «Om de kwaliteit van arbeid en zorg: investeren in verlof». De uitwerking van dit thema wordt meegenomen bij de follow up van het rapport «Onbetaalde zorg gelijk verdeeld», dat is uitgebracht door de Commissie Toekomstscenario's Herverdeling Onbetaalde Arbeid. Over dit rapport is een adviesaanvrage uitgegaan aan een aantal advieslichamen, waaronder de SER en de ER.
In de nota «De andere kant van Nederland» die op 24 november 1995 aan u is toegezonden, wordt een samenhangend pakket van maatregelen gepresenteerd, gericht op preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting.
De notitie «Emancipatie in uitvoering» die op 22 november 1995 aan u is toegezonden, gaat onder andere in op de armoedeproblematiek onder vrouwen.
De thematiek van maatschappelijke integratie en participatie – ter bevordering van de sociale cohesie – vormt de kernboodschap van het welzijnsbeleid, zoals dit door VWS in de Nota «Naar eigen vermogen» (1994/1995) is gepresenteerd.
Het gezondheidsbeleid ter voorkoming van gezondheidsproblemen door sociaal-economische achtergronden is te vinden in de Nota Gezond en Wel (februari 1995).
Op het gebied van ontwikkelingssamenwerking is van belang het sector-beleidsdocument «Familiy Planning en Reproductieve Gezondheid in Ontwikkelingssamenwerking», evenals het thema-beleidsdocument «Stedelijke Armoedebestrijding», waarin deze groeiende en complexe problematiek wordt belicht vanuit de drie dimensies van armoede zoals in de OS-kadernota «Een Wereld van Verschil» is aangegeven, te weten de economische, de sociale en de politieke. Daarnaast verdient de nota «Voedsel: samenspel van voedsel, gezondheid en zorg» vermelding, aangezien bestrijding van armoede alleen kan worden bereikt als ondervoeding wordt bestreden en de voedingstoestand van mensen wordt verbeterd.
Ten vierde is toegezegd dat de dialoog tussen NGOs en het kabinet zal worden voortgezet. Tevens is in beginsel de bereidheid uitgesproken, de NGOs te steunen bij hun activiteiten in het kader van de follow-up van de Sociale Top.
Voor wat betreft dit punt is intussen aan de NCDO, die de follow-up activiteiten van de NGOs coördineert (zie voetnoot 1 op p. 4), door VWS en SZW een subsidie toegekend voor follow-up activiteiten in 1996 (het Internationaal Jaar van de Armoede). Deze activiteiten behelzen ondermeer het uitbrengen van de publikatie «Sociale Spiegel» (over de actuele stand van zaken, geïllustreerd met concrete voorbeelden uit de sociale werkelijkheid en praktijk), die in april 1996 onder auspiciën van de NCDO is verschenen, en de organisatie van een duurzaamheidsdebat. Voorts wordt secretariële en organisatorische ondersteuning alsmede inhoudelijke inbreng geleverd in de door VWS en SZW te organiseren Sociale Conferentie in 1996. Deze conferentie is er één uit een serie van vijf conferenties over de problematiek van sociale uitsluiting en armoede in Nederland, zoals in reeds genoemde nota «De andere kant van Nederland» is aangekondigd.
Daarnaast wordt de betrokkenheid van maatschappelijke belangengroepen ook op andere beleidsterreinen gestimuleerd. Een voorbeeld is het Landelijk Bewonersplatform Grote-stedenbeleid-in-praktijk.
Tenslotte is toegezegd dat in deze brief zal worden gerefereerd aan de hoofdpunten van de Nederlandse inbreng in de verschillende stadia van de besluitvorming voorafgaand aan de totstandkoming van de Kopenhagen-documenten.
In bijlage 2 wordt op deze hoofdpunten ingegaan.
2. NATIONALE IMPLEMENTATIE VAN DE COMMITMENTS IN DE SLOTVERKLARING
Hieronder wordt elk commitment uit de Verklaring van de Sociale Top kort omschreven. Voor de volledige tekst van de commitments wordt verwezen naar de vertaling van de Slotdocumenten in de bijlage bij deze brief. Per commitment wordt vervolgens aangegeven op welke wijze deze in Nederland een vervolg krijgt. Hierbij wordt met name de samenhang aangegeven tussen de commitments van de Sociale Top en het kabinetsbeleid t.a.v deze onderwerpen. Bij elk commitment wordt ingegaan op de nationale implementatie van de Sociale Top. Bij enkele commitments wordt tevens ingegaan op de internationale follow-up.
Commitment 1: Wij verplichten ons ertoe een economisch, politiek, sociaal, cultureel en juridisch klimaat te scheppen dat mensen in staat zal stellen om tot sociale ontwikkeling te komen.
Sociale ontwikkeling is in belangrijke mate afhankelijk van de mogelijkheden die mensen hebben om deel te kunnen nemen aan het arbeidsproces. Werkloosheid is thans het grootste sociale probleem in de meeste westerse, geïndustrialiseerde landen en Nederland vormt daar géén uitzondering op.
Een klimaat scheppen dat mensen in staat stelt tot sociale ontwikkeling te komen betekent in de ogen van de Nederlandse regering vooral het kansen bieden aan degenen die nu aan de kant staan èn zij die op het punt staan hun intrede op de arbeidsmarkt doen (schoolverlaters, herintredende vrouwen e.a.). Werk, werk, werk is het leidende principe van het Regeerakkoord.
Om de ambitie «werk, werk, werk» en het bieden van kansen aan zogenaamde outsiders (zij die aan de kant staan) te realiseren wordt in het Regeerakkoord gesteld dat «het herijken van de verhouding tussen gemeenschappelijke regelingen en eigen verantwoordelijkheid» centraal staat. En dit niet alleen vanuit de economische overweging dat meer concurrentie en meer prikkels tot betere prestaties en grotere doelmatigheid kunnen leiden, maar ook als respons op de grotere zelfstandigheid van mensen in gewijzigde culturele en maatschappelijke verhoudingen. Er dient een nieuw evenwicht te worden gevonden tussen de behoefte aan bescherming en de noodzaak van dynamiek.
Het scheppen van een klimaat waarbinnen sociale ontwikkeling mogelijk is betekent voor Nederland dus ook het verminderen van barrières die de toetreding van outsiders belemmeren, onder gelijktijdige garantie van een goed niveau van sociale bescherming. De concrete maatregelen die hiertoe zijn of worden genomen, worden onder de volgende commitments nader uitgewerkt.
De uitgangspunten van het cultuurbeleid van het Kabinet zijn omschreven in de notitie «Pantser of Ruggegraat» (juli 1995). Cultuur in de brede betekenis is een instrument voor de mens om zijn plaats te vinden in de wereld. Een maatschappij van mensen met cultuur als ruggegraat kan groeien naar eenheid in verscheidenheid. Binnen het cultuurbeleid worden accenten gelegd op de interculturele samenleving, jongeren en het belang van deelname aan het culturele (stads-)leven.
Commitment 2: Wij verplichten ons tot het uitbannen van armoede op de wereld via vastberaden nationale maatregelen en internationale samenwerking, als ethische, sociale, politieke en economische plicht van de mensheid.
De uitwerking van dit commitment in Nederland richt zich met name op het verbeteren van de inkomens- en achterstandssituatie van bepaalde groepen burgers, met een accent op armoedebestrijding en de verbetering van huisvesting in met name de grote steden.
Het kabinetsbeleid ten aanzien van de uitwerking van dit commitment in Nederland is o.a. verwoord in de nota «De andere kant van Nederland» die op 24 november 1995 naar de Tweede Kamer is gezonden. In deze beleidsnota wordt een analyse gegeven van de problematiek van armoede en sociale uitsluiting. De brede definitie en het gebruik van de term «armoede» zijn mede geïnspireerd door de Sociale Top. Voorstellen en oplossingsrichtingen worden in een internationale context gepresenteerd. Een aantal voorstellen in de nota is direct gerelateerd aan de acties die in dit commitment van de Sociale Top zijn opgenomen.
Participatie is een belangrijke hoofdlijn in de nota (zie ook bij commitment 4). Bij het bepalen van de strategie ten aanzien van armoedebestrijding zal o.a. samengewerkt worden met de VNG. Verder zullen maatschappelijke actoren (o.a de NGOs) betrokken worden bij te organiseren sociale conferenties. Doel van deze conferenties is om in dialoog met de verschillende maatschappelijke organisaties nieuwe oplossingen voor het armoedevraagstuk te bespreken en afspraken te maken over de rol die de verschillende overheden en maatschappelijke organisaties kunnen spelen bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.
Daarnaast wordt bij de armoedebestrijding gekozen voor een multidimensionale en geïntegreerde aanpak in de vorm van sociale activering, inkomensondersteuning, beheersing van vaste lasten, budgethulp en het tegengaan van het niet-gebruik van uitkeringen en voorzieningen. Daarbij wordt specifieke aandacht besteed aan de behoeften en rechten van vrouwen (zie daarvoor ook de passage over armoede onder vrouwen in de notitie «Emancipatie in uitvoering»). Verschillende voorstellen zullen in de loop van 1996 in werking treden.
In de nota «De andere kant van Nederland» is tevens aangekondigd dat een zogenoemde «armoedemonitor» ontwikkeld zal worden. Via een dergelijk registratiesysteem kunnen de ontwikkelingen in armoede en sociale uitsluiting worden gevolgd en kunnen ook de effecten van het gevoerde beleid worden gemeten. De tussentijdse resultaten van het armoedebeleid zullen worden besproken op de voorgenomen jaarlijkse sociale conferenties tot en met 2000. Het doel van de sociale conferenties is drieledig:
– het bereiken van commitment en inzet van betrokken organisaties (partnership) om zo te komen tot effectieve armoedebestrijding;
– een gedachtenwisseling over nieuwe vormen van armoedebestrijding;
– periodiek de balans opmaken op de verschillende terreinen van armoedebestrijding.
Diverse instanties hebben reeds aangegeven dat ze bij de organisatie van de sociale conferentie van 1996 willen worden betrokken.
Gemeenten spelen een belangrijke rol bij het voorkómen en bestrijden van achterstanden. Een geïntegreerde aanpak van problemen staat voorop in het sinds 1989 gevoerde Sociale Vernieuwingsbeleid. De aanpak is gericht op participatie van burgers, NGOs en bedrijfsleven. Sinds 1994/1995 is door middel van het Grote-stedenbeleid (GSB) deze aanpak toegespitst op de grote steden. Het GSB richt zich op de ontwikkeling van potenties van steden en wijken om zo de mensen uit hun achterstandspositie te trekken. Het GSB kent een aantal specifieke aandachtsgebieden: werkgelegenheid, onderwijs, veiligheid, zorg en leefbaarheid. Sociale en economische uitsluiting concentreren zich met name in een aantal achterstandswijken van grote steden. Het GSB probeert met behulp van maatregelen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid in woonbuurten sociale uitsluiting tegen te gaan. Ook de bewoners zelf worden gestimuleerd activiteiten te ontplooien om achterstandssituaties in eigen omgeving aan te pakken.
In convenanten tussen de centrale overheid en de grote steden zijn hierover afspraken vastgelegd (zie ook bij commitment 4).
De gemeenten hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van dit beleid en zorgen voor maatwerk, bijvoorbeeld in de vorm van bijzondere bijstand, minimabeleid, preventieve jeugdzorg, verslavingszorg en maatschappelijke opvang.
Huisvesting van mensen met lage inkomens
Eén van de doelstellingen van het Nederlandse volkshuisvestingsbeleid is gericht op het huisvesten van mensen met lage inkomens in passende, betaalbare woningen van voldoende, duurzame kwaliteit.
In de beginjaren negentig is de huurontwikkeling fors geweest, echter de afgelopen jaren is een dalende tendens waarneembaar. De Staatssecretaris van VROM heeft in zijn Trendbrief Volkshuisvesting 1995 aangegeven dat een voortzetting van deze ontwikkeling naar een gematigd huurbeleid nodig en mogelijk is. De Staatssecretaris van VROM zal in overleg treden met de koepelorganisaties van zowel particuliere en sociale verhuurders om tot afspraken te komen over een gematigde huurontwikkeling. In het kader van de integrale herziening van de huurprijsregelgeving zullen wettelijke mogelijkheden geschapen worden om zonodig een gematigd huurbeleid te waarborgen. De daadwerkelijke inzet van dergelijke instrumenten is afhankelijk gesteld van de resultaten van het bovengenoemde overleg met de koepelorganisaties van de verhuurders.
Verder wordt voor de laagste inkomensgroepen het instrument van individuele huursubsidie ingezet (IHS). De inzet van dit instrument dient zorgvuldig plaats te vinden. In de reeds genoemde nota «De andere kant van Nederland» en in de beleidsbrief IHS zijn eind 1995 maatregelen aangekondigd die van belang zijn voor het armoedebeleid in relatie tot de netto huurlasten. In de eerste plaats zal de zgn. normhuurcompensatie in de IHS de komende jaren (1996–1997) worden voortgezet. Daarnaast zal in datzelfde tijdvak de kwaliteitskorting in de IHS worden geïndexeerd (dit beperkt het verschijnsel dat het eigen aandeel in de huur toeneemt als een tariefschijf in de IHS wordt overschreden door een grote huurstijging).
In de derde plaats is het kabinet voornemens ten behoeve van de groeikernen, vanwege het relatieve tekort aan geodkopere woningen, een specifieke verhoging van de zogenaamde aftoppingsgrens toe te staan met 600 gulden per jaar. Gevolg hiervan is dat huurders met hogere huren in groeikernen meer huursubsidie ontvangen dan huurders in vergelijkbare woningen in de rest van Nederland.
In de vierde plaats zal voor alleenstaanden onder de 65 jaar vanaf bijstandsniveau de normhuur worden verlaagd, met als doel te voorkomen dat het aanvaarden van werk wordt gefrusteerd door verlies aan huursubsidie (armoedeval). Dit houdt in dat alleenstaanden met een inkomen tot 115% van het minimumloon (het minimumloon is het maximum van de alleenstaandentabel) nog in aanmerking kunnen komen voor huursubsidie.
Nog dit voorjaar zal de Staatssecretaris van VROM de Tweede Kamer een samenhangend pakket van maatregelen binnen de Volkshuisvesting aanbieden, ter bestrijding van ruimtelijke segregatie. Uitgangspunt blijft het waarborgen van een duurzame kwaliteit van de leefomgeving, inclusief het kwalitatief goed en betaalbaar huisvesten van alle bevolkingsgroepen. Het Volkshuisvestingsbeleid kan bijdragen aan het voorkomen van ruimtelijke concentratie van (kans)armoede.
Zoals in 1990 is uiteengezet in de nota «Een Wereld van Verschil» is armoedebestrijding van oudsher hoofddoelstelling van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Daarin wordt armoede benaderd als een multidimensioneel verschijnsel. Er worden nadrukkelijk zowel economische, als sociale en politieke componenten onderscheiden. Hoewel beslist niet voorbij wordt gegaan aan de noodzaak van economische groei voor effectieve armoedebestrijding (vgl. de nota «Een Wereld van Verschil»), wordt reeds lange tijd integraal aandacht geschonken aan de sociale dimensies van ontwikkeling en armoedebestrijding. Dit kwam en komt ondermeer tot uiting in de nadruk die gelegd wordt op het investeren in mensen en het voorzien in hun basisbehoeften om zowel hun produktief vermogen te versterken als direct de kwaliteit van hun leven te verbeteren. Het wordt ook weerspiegeld in het streven naar de verruiming van de deelname van armen aan het proces van politieke besluitvorming, zowel op het lokale als op hogere niveaus. De mens en de kwaliteit van zijn of haar leven zijn dus al lange tijd richtinggevend voor het Nederlands ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. De Sociale Top kan daarom ten dele worden opgevat als een bevestiging van het armoedeconcept in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking.
Toch is er ook sprake van nieuwe accenten in het Nederlandse beleid als gevolg van de (inter)nationale discussies, die voorafgaande aan en tijdens de Sociale Top hebben plaatsgevonden. Nederland heeft rond de Sociale Top met kracht aandacht gevraagd voor het zgn. 20/20 initiatief, waarmee beoogd wordt de allocaties van middelen van ontwikkelingslanden en donoren voor basic social services te vergroten. Nederland is co-sponsor van een bijeenkomst in Oslo in april 1996, waarvan het doel is afspraken te maken over de uitvoering van dit initiatief (zie ook onder commitment 9). In de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking wordt in toenemende mate aandacht besteed aan het bevorderen van werkgelegenheid en de verhoging van produktiviteit van armen (zie onder andere onder commitment 3, alsmede de Memorie van Toelichting bij de Begroting 1995). Er is tevens sprake van een groeiende aandacht voor het belang van maatschappij-opbouw, waarbij vooral accent wordt gelegd op het tegengaan van de uitsluiting van armen en het bevorderen van sociale integratie (zie ook onder commitment 4). Er wordt aan gewerkt de aandacht voor kinderen systematisch te integreren in het ontwikkelingsbeleid (zie onder commitment 6). Daarnaast is er een onverminderde inspanning waar het gaat om het realiseren van de rechten van de vrouw in het ontwikkelingsproces (zie onder commitment 5). Nederland stelt zich zeer actief op waar het gaat om het bevorderen van de aandacht voor de sociale dimensies van ontwikkeling en van armoedebestrijding in het bijzonder bij internationale organisaties, zoals de Wereldbank (zie onder andere commitment 8).
Commitment 3: Wij verplichten ons ertoe de doelstelling «volledige werkgelegenheid» te bevorderen als belangrijke prioriteit van ons economisch en sociaal beleid, en alle mannen en vrouwen in staat te stellen een zeker en duurzaam bestaan op te bouwen met behulp van vrijwillig gekozen produktieve arbeid en werkgelegenheid.
Zoals onder commitment 1 reeds gesteld, is de centrale doelstelling van dit Kabinet «werk, werk, werk». Het Nederlandse werkgelegenheidsbeleid strekt zich uit over vele beleidsterreinen. Hieronder wordt het op hoofdlijnen uiteengezet.1
De basis van het werkgelegenheidsbeleid van dit kabinet wordt gevormd door een solide macro-economisch en financieel-economisch beleid gericht op een duurzame economische groei. Kern daarvan is het budgettair beleid dat is gericht op lastenverlichting en vermindering van het financieringstekort en de staatsschuld.
Beheerste loonkostenontwikkeling
Een beheerste loonkostenontwikkeling blijft noodzakelijk met het oog op de concurrentiepositie. Met name de loonkosten voor eenvoudig werk zijn te hoog in verhouding tot de produktiviteit. De lastenverlichting (in totaal 1.5% BBP in 1998) is dan ook voor een deel gericht op algemene verlaging van de werkgeverslasten op arbeid en voor een deel op verlaging van de loonkosten in het onderste segment van de arbeidsmarkt. Daarnaast worden ook de sociale partners aangesproken om in de Cao's de laagste loonschalen meer op of rond het minimumloon te leggen (deze liggen nu gemiddeld 13% boven het WML), en deze ook beter te benutten.
Versterking economische structuur
Welvaarts- en werkgelegenheidsgroei worden in hoge mate bepaald door het vernieuwings- en aanpassingsvermogen, en een hoge kennisintensiteit van de economie. Versterking van de economische structuur is in dit verband van groot belang. Om de innovatie kracht en het aanpassingsvermogen te versterken zijn naast technologiebeleid ook onderwijs en scholing relevant. Het fundament daarvoor wordt reeds gelegd in het basis- en voortgezet onderwijs. Het initieel beroepsonderwijs richt zich op het aanleren van sleutelkwalificaties als basis voor verdere scholing tijdens de beroepsloopbaan. Scholen moeten jongeren stimuleren om een verstandige studiekeuze te maken. Daarbij is samenwerking tussen scholen en bedrijven noodzakelijk. Verder wordt de scholing van werknemers (onder andere via het leerlingwezen) gestimuleerd. De economische structuur wordt verder versterkt door maatregelen ter verbetering van de fysieke infrastructuur en versterking van het MKB.
Flexibilisering van de arbeidsmarkt
De werkgelegenheid is gebaat bij vermindering van belemmeringen op produktmarkten en bij flexibilisering van de arbeidsmarkt. De groeiende behoefte van werkgevers en werknemers aan meer flexibilisering in arbeidspatronen en arbeidsduur wordt zichtbaar in nieuwe cao-afspraken, en in de toename van deeltijdwerk.
De overheid houdt regelgeving tegen het licht met het oog op vereenvoudiging en flexibilisering (proeftijden, tijdelijke contracten etc). Verder wordt ook de flexibilisering van goederen- en dienstenmarkten krachtig ter hand genomen (nieuwe mededingingswet en de herziening van regelgeving in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit).
Aanvullend arbeidsmarktbeleid en activering sociale zekerheid
Ongeveer de helft van de geregistreerde werklozen is langer dan een jaar werkloos. Laagopgeleiden en allochtonen zijn hierin oververtegenwoordigd. Voor deze groepen is aanvullend arbeidsmarktbeleid nodig als brug naar de reguliere arbeidsmarkt. Dit betreft ondermeer het volgende:
* Ten eerste worden de kansen vergroot, dat langdurig werklozen instromen in reguliere banen door de kosten voor de werkgever substantieel te verlagen. Dit gebeurt via een forse extra korting op de afdracht van belastingen en premies volksverzekeringen. De ingestroomde werkloze mag niet meer dan 130% van het minimumloon verdienen. In sommige gevallen kan de werkgever tijdelijk ontheffing krijgen voor het betalen van het wettelijk minimumloon (dispensatie WML).
* Daarnaast bestonden er al vormen van gesubsidieerde arbeid, die vooral tot doel hebben via werkervaring de kwalificaties en produktiviteit van werklozen te verhogen (banenpool, JWG, werkervaringsplaatsen).
* Er komen extra reguliere arbeidsplaatsen in de collectieve sector. Deze plaatsen zijn gereserveerd voor langdurig werklozen met een bijstandsuitkering. In 1998 zullen er 40 000 extra arbeidsplaatsen tot stand zijn gekomen.
* Ook in de marktsector worden via experimenten de mogelijkheden verkend van extra werk voor langdurig werklozen. Hierbij wordt de uitkering tijdelijk ingezet als financiering van de loonkostensubsidie. Deze experimenten hebben betrekking op 20 000 arbeidsplaatsen.
* Experimenten waarmee ook mensen zonder onmiddellijk perspectief op een baan, op uiteenlopende manieren ingeschakeld kunnen worden, met behoud van uitkering.
Verder zijn in bepaalde sectoren, de zorgsector en de sportsector door VWS programma's opgezet om de werkgelegenheid in die sectoren te bevorderen.
Verder voert het kabinet beleid dat gericht is op het bevorderen van deeltijdarbeid en het vergroten van de mogelijkheden om activiteiten buiten werk, waaronder zorg, en betaalde arbeid te combineren. Recente activiteiten op dit terrein zijn de volgende.
Aan de Tweede Kamer is op 15 november 1995 het wetsvoorstel gezonden inzake het verbod op onderscheid op grond van arbeidsduur. Dit verbod kan alleen op grond van een objectieve rechtvaardigingsgrond worden opgeheven. Medio maart zal de mondelinge behandeling van dit voorstel in de Tweede Kamer plaatsvinden.
Verder is in december 1995 de nota «Om de kwaliteit van arbeid en zorg: investeren in verlof» door de Tweede Kamer aanvaard. Op basis hiervan zullen de voorstellen in de nota die de combineerbaarheid van arbeid en zorg beogen, langs drie lijnen worden uitgewerkt. De eerste lijn omvat maatregelen met het oog op het stimuleren van werknemers en werkgevers om bestaande verloffaciliteiten verder uit te bouwen. Het gaat daarbij om aanpassing van wetgeving inzake ouderschapsverlof en kortdurend verlof (calamiteiten- en kraamverlof). Verder zal met sociale partners overlegd worden over het stimuleren van verlof en zal er voorlichting over zorgverlof komen. Tevens zullen belemmeringen in de sociale zekerheid bij onbetaald zorgverlof worden weggenomen en zal onderzoek naar zorgverlof in het buitenland worden verricht.
De tweede lijn betreft het stimuleren van werknemers om zelf te sparen voor verlof. Hierbij gaat het om aanpassing van de vakantiewetgeving, fiscale aspecten rond verlofsparen en voorlichting over mogelijkheden van verlofsparen.
De derde lijn betreft een onderzoek naar de praktische, juridische en financiële haalbaarheid van loopbaanonderbreking. Dit onderzoek moet voor 1 mei 1996 gereed zijn.
In de nieuwe Arbeidstijdenwet, die per 1 januari 1996 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen voor werkgevers dat zij bij het vaststellen van arbeidstijden rekening dienen te houden met verantwoordelijkheden/taken van werknemers in de privésfeer.
Voor de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt en het vervolgbeleid positieve actie: zie onder commitment 5.
De hoofddoelstelling van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid is armoedebestrijding. Het beleid is gericht op vergroting van het besteedbaar inkomen onder armen en verbetering van de toegang tot zaken als gezondheidszorg, onderwijs, schoon drinkwater en huisvesting. Inkomensvorming en toegang tot basisdiensten hangen nauw samen. Immers toegang tot basis diensten is niet alleen een kwestie van aanbod van diensten, het is ook een kwestie van financiering. Aangezien de overheid haar taken verder beperkt, wordt de verantwoordelijkheid voor financiering meer en meer een taak van de burger zelf. De creatie van werk en inkomen wordt daardoor nog belangrijker.
Werkgelegenheid is het centrale thema voor het economisch beleid, ook in ontwikkelingslanden. De noodzaak tot het volgen van een arbeidsintensieve groeistrategie is daarbij evident. Dit wordt ook erkend in de sectorbeleidsnotities «Financiële Diensten» en «Kleinschalige Bedrijvigheid», waarin de creatie van werk en inkomen voor armen verder is uitgewerkt naar aandachtsgebieden, instrumenten en kanalen. Deze notities gaan verder en verbinden aan de aanpak van interventies de voorwaarde dat de tot stand gebrachte werkgelegenheid, de instellingen die zaken als goed afgestemde financiële, trainings- en adviesdiensten toegankelijk maken voor het kleinbedrijf en het ondersteunde kleinbedrijf zelf, een duurzaam karakter dienen te hebben.
Uit studies blijkt dat met name het particuliere kleinbedrijf kansen biedt voor groei in werkgelegenheid. Het kleinbedrijf is daarvoor zeer geschikt. Kleine bedrijven kennen in de regel een grotere mate van flexibiliteit, spelen goed in op veranderingen in de markt, zijn met name geschikt voor het voorzien in behoeften van kleine gefragmenteerde markten en worden over het algemeen gekenmerkt door een hogere arbeids/kapitaalquote. De keerzijde is dat de arbeidsomstandigheden vaak minder aantrekkelijk zijn dan in grotere (staats)bedrijven, de lonen lager liggen en er meer uren per dag moet worden gewerkt. Dit lijkt een schaduw zijde maar is in feite juist een deel van het comparatieve voordeel van de kleinbedrijfsector.
Er zal ter plekke meer geïnvesteerd moeten worden in de verbetering van het investeringsklimaat voor bedrijven en de ontwikkeling van lokaal ondernemerschap, met name in het midden- en kleinbedrijf. Deze aanpak krijgt steun van de discussie die in het kader van de Sociale Top is gevoerd. De behoefte aan investeren in lokaal ondernemerschap is des te urgenter nu door sanering van de economie en het terugdringen van begrotingstekorten, de staat zelf en de parastatale ondernemingen steeds minder werk verschaffen. Kapitaalstromen nemen sedert enkele jaren toe. Hoewel dit vooral gericht zal zijn op directe investeringen in het middelgroot en grootbedrijf zal dit door samenhang ook leiden tot groei in het micro en kleinbedrijf waar het meeste werk zit.
De aspecten die een belangrijke rol spelen bij het faciliteren van met name de kleinbedrijf sector variëren van beleidsombuiging in het voordeel van het particuliere kleinbedrijfsleven, organisatie vorming van micro en kleinbedrijf ondernemers en verbetering van toegang tot markten, markt en technologie informatie, financiële diensten, technische en management training en bedrijfsadvisering. Een groot aantal van de reguliere Nederlandse ontwikkelingsprogramma's en projecten wordt gekenmerkt door aandacht voor de creatie van werk. Zij bevatten doorgaans een combinatie van de bovenstaande aspecten afhankelijk van de omgeving waarbinnen de ondernemer moet opereren (stad, platteland) de maat van de onderneming (micro, klein, middelgroot) of de mate van formaliteit van de onderneming.
Naast een brede belangstelling voor bevordering van werkgelegenheid binnen de programma's en projecten binnen de landen of regio programma's, kent Nederland een aantal specifieke instrumenten gericht op ontwikkeling van het micro en kleinbedrijf en daarmee de groei van werkgelegenheid. Te wijzen valt op het programma uitgevoerd via FMO gericht op kleinbedrijfontwikkeling of versterking van intermediaire instituties die financiële of niet-financiële diensten toegankelijk maken voor kleinere bedrijven. Verder is de steun van Nederland aan de Womens World Banking, een netwerk van organisaties die zich sterk maakt voor vrouwelijke ondernemers, van belang. Tenslotte zij verwezen naar het Wereld Bank initiatief de «Consulative Group to Assist the Poor» waarin juist de vergroting van de toegang tot kredietverlening voor de armsten wordt gehanteerd als instrument om hen in staat te stellen zichzelf een inkomen te verwerven.
Commitment 4: Wij verplichten ons ertoe de sociale integratie te bevorderen door te werken aan samenlevingen die stabiel, veilig en rechtvaardig zijn en die zijn gebaseerd op het bevorderen en beschermen van alle mensenrechten, alsook op het verbod van discriminatie, op verdraagzaamheid, het respecteren van verschillen, gelijke kansen, solidariteit, zekerheid en participatie van alle mensen met inbegrip van kansarme en kwetsbare groepen en personen.
Bescherming van de grondrechten en mensenrechten
Ter bescherming van de grond- en mensenrechten hebben de burgers in Nederland toegang tot de rechter die de rechtmatigheid van overheidsoptreden toetst aan de wet, de Grondwet of internationale verdragen, zoals de mensenrechtenverdragen (bv. BUPO, CERD en EVRM). De wet kan niet getoetst worden aan de Grondwet, maar wel aan direct werkende verdragsbepalingen, omdat die boven de nationale wetten staan. Daarnaast verschaffen de genoemde verdragen de mogelijkheid van toetsing door een onafhankelijk orgaan. Verder kunnen burgers bij het EG-Hof in beroep gaan tegen besluiten van EU-instellingen en daarbij een beroep doen op de grondwet of de internationale mensenrechten-verdragen.
Momenteel is er in EU-verband een discussie gaande over de opname van grondrechten, danwel een voorziening tegen racisme en xenofobie in het EU-Verdrag. Voorts speelt de kwestie inzake de mogelijke toetreding van de EU tot het EVRM. Het is te verwachten dat de IGC duidelijkheid zal brengen omtrent deze dossiers.
De Nederlandse regering streeft naar het daadwerkelijk bevorderen van integratie en acceptatie van minderheden in de samenleving. Het beleid is gericht op bestrijding van discriminatie, bestrijding van de achterstandspositie waarin etnische minderheden zich bevinden en het versterken van de rechtspositie van achterstandsgroepen.
Op basis van artikel 1 van de Grondwet is de Algemene Wet Gelijke Behandeling tot stand gebracht met als doel rechtszekerheid te bieden en de burgers de mogelijkheden te verschaffen om effectief te kunnen optreden tegen discriminatie.
Deze wet, alsmede het wetboek van strafrecht biedt in de uitvoerings- en handhavingssfeer diverse mogelijkheden om discriminatie effectief te bestrijden.
Naast de rechter is ook de Commissie Gelijke Behandeling bevoegd om de naleving van de Algemene Wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7A:1637ij van het Burgerlijk Wetboek te beoordelen. De laatste twee genoemde wetten hebben uitsluitend betrekking op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. De Commissie kan onderzoeken en beoordelen of bepaalde gedragingen in strijd zijn met de wet en zij kan aanbevelingen doen.
B. Beleid t.a.v. de multiculturele samenleving
Het VWS- programma «multiculturele samenleving» legt een sterke nadruk op het bevorderen van de interculturalisering van algemeen beleid en de bestrijding van racisme en discriminatie. Dit programma is bij brief van 3 mei 1995 aan de Tweede Kamer door OCW en VWS nader ingevuld.
In het kader van het programma worden voor 1995/96 tal van activiteiten ondersteund die met name gericht zijn op de jeugd, op het raakvlak van welzijn, onderwijs en cultuur.
Voorts worden initiatieven en projecten ondersteund met als doel om algemene welzijns- en sportvoorzieningen, alsmede op dit terrein actieve verenigingen en organisaties, tot multiculturele instituties te (laten) transformeren.
Verder wordt zowel nationaal als internationaal vanuit de rijksoverheid een bijdrage geleverd aan het anti-discriminatie beleid gericht op sporters onderling, maar ook onder supporters.
Gelijke kansen en voorkeursbeleid
De Nederlandse regering streeft naar gelijke kansen voor leden van achterstandsgroepen door middel van voorkeursbeleid. Dit voorkeursbeleid wordt gevoerd bij werving, selectie en aanstelling en vindt thans plaats ten aanzien van vrouwen, etnische minderheden en gehandicapten. Uitgangspunt van dit beleid is dat op grond van art. 1 en 3 van de Grondwet, de individuele rechten van derden op gelijke benoembaarheid niet meer mogen worden beperkt dan op basis van de positie van achterstandsgroepen gerechtvaardigd is. Een tweede uitgangspunt is dat bij het te voeren voorkeursbeleid uitsluitend relevante functie-eisen gesteld dienen te worden en dat werving en selectie primair plaatsvindt op grond van criteria met betrekking tot bekwaamheid en geschiktheid.
De uitspraak van het EG-Hof in de zaak Kalanke/Bremen heeft in het najaar van 1995 nogal wat vragen opgeroepen. Het ging er daarbij om of er wel sprake is van gelijke kansen voor mannen en vrouwen als mannen worden uitgesloten van deelname aan de sollicitatie-procedure. De Nederlandse regering heeft in haar brief aan de tweede Kamer van 21 december 1995 aangegeven het bestaande voorkeursbeleid te handhaven, vanwege de grote verschillen tussen de Nederlandse situatie en de Bremense regeling, die door het Europese Hof niet werd geaccepteerd. In de Nederlandse situatie bestaat voor werkgevers slechts de bevoegdheid tot voorkeursbeleid en geen wettelijke verplichting. Werkgevers dienen, als zij gebruik maken van deze bevoegdheid, hun maatregelen af te stemmen op de concrete omstandigheden in hun arbeidsorganisatie in relatie tot het relevante arbeidsaanbod. De wet stelt daarbij de eis van evenredigheid tussen doel en gekozen middel. Bij twijfel hierover kunnen belanghebbenden het voorkeursbeleid aan een rechterlijke toetsing laten onderwerpen.
De thematiek van maatschappelijke integratie en participatie – ter bevordering van de sociale cohesie – vormt de kernboodschap van het welzijnsbeleid, zoals dit door het kabinet wordt voorgestaan.Voor verschillende doelgroepen is door VWS beleid opgezet. Dit betreft de volgende groepen:
1. Nieuwkomers en verblijfsgerechtigden.
2. Mensen met een verstandelijke handicap.
3. Ouderen
4. Allochtone ouderen.
5. Vrijwilligers.
6. Allochtone jongeren
Ad 1: Voor nieuwkomers en verblijfsgerechtigden zijn er gemeentelijke integratieprogramma's gericht op integratie en bevordering van zelfstandigheid (gefinancierd door VWS en OCW).
Hierbij is van belang de afspraak tussen het Kabinet en de VNG, dat vanaf 1998 aan alle nieuwkomers (gezinsvormers en -herenigers en verblijfsgerechtigden) een inburgeringsprogramma wordt aangeboden. Doel is het wegwijs maken in de Nederlandse samenleving: het leren van de taal, onderwijs- en beroepsoriëntatie en beroepsgerichte scholing. Tevens wordt vanaf 1 januari 1996 gewerkt met de invoering van inburgeringscontracten voor uitkeringsgerechtigde nieuwkomers.
Ad 2: Door VWS worden een aantal projecten en activiteiten gesteund met betrekking tot het verbeteren van de maatschappelijke beeldvorming voor en over mensen met een verstandelijke handicap. De Federatie van Ouderverenigingen vervult op dit gebied een spilfunctie.
Ad 3: Bestrijding van leeftijdsdiscriminatie draagt bij aan de participatie en integratie van ouderen. Begin 1995 gingen de eerste projecten van start in het kader van het werkplan vrouwenhulpverlening oudere vrouwen («Grijs op eigen wijs»), gericht op verbetering van de zelfhulp, toegankelijkheid van informatie, en deskundigheidsbevordering van werkers in de thuiszorg. Deze en volgende projecten zullen de komende twee jaren worden voortgezet.
Ad 4: Het Nederlands Expertisecentrum Multiculturele Samenleving (NEMS) bevordert o.a. via programma's de integratie van allochtone ouderen. Het programma «Oudere migranten en voorzieningen» produceert voorlichtingsmateriaal voor verschillende groeperingen en werkt voorts aan het bijeenbrengen van buitenlandse ervaringen, en het vervaardigen van nascholingsmateriaal. Op dit moment wordt getracht om in 1996 één of twee (voorbeeld)projecten voor oudere Chinezen te starten.
Voor wat betreft allochtone oudere vrouwen is inmiddels duidelijk dat het meeste behoefte bestaat aan wat genoemd wordt «ombudshulp dicht bij huis», het doorbreken van sociaal isolement en het vergroten van de toegankelijkheid van voorzieningen. Ontwikkelingen op dit gebied zullen door VWS ondersteund worden.
In het Integraal Actieprogramma Ouderenbeleid 1995–1998 (interdepartementaal) is een bescheiden passage opgenomen over allochtone ouderen. Het beleid is met name gericht op de zorg- en dienstverlening aan deze ouderen, de woonsituatie of het verblijf in een intramurale zorginstelling, en op bevordering van de participatie. Daarnaast verdient de bevordering van de arbeidsparticipatie van allochtone ouderen aandacht (p. 9, TK, vergaderjaar 1994–2995, 24 319, nrs. 1–2).
Daarnaast zijn onderzoeksrapporten beschikbaar over oudere allochtone mannen en vrouwen, waarin met name aandacht wordt besteed aan het aspect «isolement» en aan specifieke aspecten t.b.v. Surinaamse vrouwen.
Voor SZW zijn de belangrijkste items voor het allochtone ouderenbeleid de inkomenspositie, oudereneducatie en bestrijding van de leeftijdsdiscriminatie.
Ad 5: Ten behoeve van de participatie van vrijwilligers besteedt VWS veel aandacht aan het scheppen van gunstige voorwaarden, zoals de positie en rechten van vrijwilligers op het punt van verzekeringen en fiscaliteit, het aantrekkelijk maken van vrijwilligerswerk, het creëren van plezierige werkomstandigheden, het bieden van mogelijkheden voor eigen inbreng en vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte onkosten.
Het proces van mobilisering van vrijwilligers – in een veranderende samenleving – is door middel van een voorlichtingscampagne (Sire) volop in gang gezet. Instrumenten om mensen te mobiliseren zijn onder andere intercultureel management en de methode intercultureel werken.
Voorts is er in dit kader een project dat gericht is op de verbetering van deelname van allochtonen in uitvoerende functies in het vrijwilligerswerk.
Ad 6: Het door VWS opgezette innovatieprogramma voor 0–18- jarige allochtone jongeren wordt verder ontwikkeld en uitgebouwd. Naast specifieke programma's voor 4–6-jarige allochtone peuters en hun moeders, wordt voor de iets oudere leeftijdscategorieën een reeks van nieuwe en vernieuwende programma's ontwikkeld met als speerpunten onderwijs en arbeid.
Gegeven het belang van het onderwijs en het onderwijsbeleid in dat verband, is vanaf 1992 gezamenlijk met het ministerie van OC&W de draad van het onderwijsvoorrangsbeleid weer opgepakt. De afstemming tussen welzijnsbeleid en onderwijsbeleid is neergelegd in het Landelijk Beleidskader Onderwijsvoorrang (1992) en zal in 1997 worden geactualiseerd in het kader van de door de bewindspersonen van OC&W en VWS voorgenomen Wet gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. In deze wet zijn bevoegdheden opgenomen die de positie van de lokale overheid inzake het onderwijsbeleid in de gemeente versterken. De gemeente krijgt de verantwoordelijkheid (en de financiële middelen) voor het coördineren van een samenhangend gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.
Daarnaast vinden in het kader van het onderwijsemancipatiebeleid activiteiten plaats gericht op een verbetering van het schoolbezoek en van de doorstroming van allochtone meisjes.
Bij sportprojecten voor allochtonen is steeds meer sprake van een integrale benadering, waarbij projecten zich richten op inwoners van achterstandswijken. Het aantal sportinitiatieven voor specifiek asielzoekers en vluchtelingen neemt toe. Onlangs is een landelijk platform opgericht om initiatieven (inhoudelijk) af te stemmen.
Gegeven de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten voor de vormgeving van een preventief jeugdbeleid is de rol van de rijksoverheid het faciliteren en stimuleren van gemeenten door middel van experimenten, informatie en feedback. Daartoe zijn in het afgelopen jaar (door VWS) een aantal initiatieven genomen. Er zijn in dit verband twee documenten naar gemeenten gezonden («Perspectief voor jeugdigen...Kansen voor gemeenten» en «Kwetsbare jongeren en hun toekomst») en er zijn werkconferenties georganiseerd.
In november 1995 is een nationaal jeugddebat gehouden waarin jeugdigen met nationale politici spraken over onderwerpen die zij van belang vinden. Een en ander is in samenspraak met jongerenorganisaties georganiseerd.
Verder is er initiatief genomen tot een landelijke voorlichtingscampagne in het kader van het VN-verdrag inzake de Rechten van het Kind. Voldoende interesse is gebleken om de campagne in de gekozen aanpak te kunnen laten starten. Motto van de campagne is: «Met praten kom je tot je recht».
Vanuit verschillende departementen zijn er beleidsinitiatieven gestart om een meer preventief beleid ter bestrijding van jeugdcriminaliteit te ontwikkelen, dat op lokaal niveau gestalte moet krijgen. Voor het traject Jeugd en Veiligheid ontvangt u binnenkort een voortgangsrapportage.
Vernieuwing lokaal welzijnsbeleid; convenanten
Nederland is een immigratieland geworden en daardoor ook een multiculturele samenleving. Achter deze mooie begrippen schuilen echter ingrijpende problemen, met name in de grote steden. Vooral de lokale besturen worden met deze problemen op het gebied van werkloosheid, milieu en de opvang van nieuwkomers geconfronteerd. Zij zijn echter ook degenen die de specifieke expertise hebben om lokale problemen te lijf te gaan. Van vitaal belang daarbij is een krachtig lokaal bestuur.
De rol van de centrale overheid hierbij is met name gericht op het scheppen van voorwaarden en het aangeven van landelijke en politieke kaders. Deze kaders zijn te vinden in de beleidsprogramma's Sociale Vernieuwing en Grote-Stedenbeleid.
Van belang zijn de VWS-convenanten met de grote steden (G4) gericht op een innovatieve en structurele aanpak. Te noemen is het convenant Wijkjongerenperspectieven, gericht op de terugdringing van de marginalisering van – allochtone – jongeren tot 23 jaar (Utrecht), het convenant Maatschappelijk Herstel, gericht op de maatschappelijke activering en integratie van mensen, die zwerven of die nog zelfstandig wonen, maar geïsoleerd zijn geraakt of dreigen te raken (Den Haag), het convenant «Achterstandsbestrijding in de voorschoolse periode en aansluiting met het basisonderwijs» dat een effectieve bestrijding beoogt van achterstand bij jonge kinderen via programma's die zowel ouders als kinderen bereiken (Rotterdam) en tenslotte het convenant «Bij de les blijven», gericht op het voorkomen van schooluitval door middel van de inzet van preventieve methodieken (Amsterdam).
Ten aanzien van de Rijks-convenanten met de G4 en de G15 hebben de inspanningen op het terrein van het welzijnsbeleid vooral betrekking op bestrijding van drugsoverlast, de uitwerking van de aanbevelingen van de Commissie van Montfrans (jeugd en veiligheid), de inburgeringscontracten, de Melkertbanen in de zorgsector en de creatie van kansenzones.
In de convenantsgebieden op het platteland zijn regionale ontwikkelingsplannen opgesteld en daarop gebaseerde projecten in uitvoering genomen. De uitvoering van deze projecten loopt de komende jaren nog door.
In haar eindadvies (mei 1995) constateert de Rijkswerkgroep Leefbaarheid Platteland dat de brede integrale werkwijze met initiatieven van onderop heeft gewerkt, in de zin dat in gebieden nieuw elan en perspectief begint te groeien. De werkgroep adviseert om de aandacht voor de leefbaarheid van het platteland voort te zetten onder het thema «plattelandsvernieuwing» van dit kabinet.
Er zijn vele initiatieven genomen, die met name van belang zijn voor meer kwetsbare bewonersgroepen. Initiatieven op het terrein van kleinschalig vervoer, zorg en wonen voor ouderen, onderwijs en toeleiding naar werk e.d.
Bij de uitvoering van het beleid t.a.v. Sociale Vernieuwing en Grote Steden wordt regelmatig gebruik gemaakt van de middelen die diverse Europese fondsen en projecten bieden. Voorbeelden zijn het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds.
Daarnaast bestaan talrijke gemeentelijke en regionale samenwerkingsverbanden ten behoeve van de uitwisseling van kennis en ervaring. Voorbeelden zijn Eurocities, Quartiers en crise, Sécu-cités en ELAINE.
Het Nederlands beleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking benadrukt al geruime tijd het belang van «ownership» en brede participatie in het ontwikkelingsproces en in de formulering en uitvoering van beleid vanuit de overtuiging dat deze essentiële bijdragen kan leveren aan de duurzaamheid en de kwaliteit van de hulp. Deze nadruk komt onder meer tot uiting in de grote hoeveelheid fondsen die via NGOs wordt besteed. Daarnaast wordt ook veel steun gegeven aan de ontwikkeling van goed bestuur door overheden.
In de Memorie van Toelichting 1996 (OS-begroting) wordt uiteengezet hoe sedert het begin van de jaren negentig de nadruk wordt gelegd op principes van goed bestuur in ontwikkelingslanden als een van de voorwaarden voor het welslagen van ontwikkelingsbeleid. De nota «Herijking Buitenlands Beleid» maakt melding van het voornemen democratisering en goed bestuur gericht aandacht te geven door ze organisatorisch onder te brengen in een themadirectie. Daarnaast zullen de regiodirecties beschikken over financiële middelen die in landen kunnen worden ingezet ter ondersteuning van de opbouw van bestuur en samenleving in democratische richting.
Internationaal draagt Nederland actief bij aan het verder concretiseren van DAC-richtlijnen op deze terreinen van het Development Assistance Committee van de OECD. Vermeldenswaard zijn in dit verband met name activiteiten inzake participatieve ontwikkeling en goed bestuur en op het gebied van vrouwen en ontwikkeling.
Commitment 5: Wij verplichten ons tot het bevorderen van volledige eerbiediging van de waardigheid van de mens en tot het bewerkstelligen van de gelijkheid van man en vrouw en een eerlijke verdeling tussen mannen en vrouwen, en tot het erkennen en vergroten van de participatie en leidinggevende taken van vrouwen als burger in het politieke, economische, sociale en culturele leven en op het gebied van ontwikkeling.
Om de kwalitatieve en kwantitatieve arbeidsparticipatie van vrouwen te verbeteren zal in juni 1996 een campagne worden gestart naar het succesvolle Britse voorbeeld Opportunity 2000. Bedrijven die zich via een betaald lidmaatschap aansluiten bij de campagne stellen voor zichzelf toetsbare programma's op die beogen betere kansen te scheppen voor vrouwen in hun bedrijf; dit vanuit de gedachte dat het economisch rendabel is het onbenut talent van vrouwen te benutten. Hoewel de leden van de campagne in eerste instantie in het bedrijfsleven worden gezocht, kunnen ook organisaties in de non-profit sector zich bij de campagne aansluiten. Een professionele organisatie zal de Nederlandse campagne Opportunity 2000 uitvoeren.
Toekomstscenario's herverdeling onbetaalde arbeid
Het kabinet is van mening dat het tempo van de veranderingen gericht op een evenwichtige combinatie tussen onbetaalde en betaalde arbeid moet worden versneld. Onlangs heeft het kabinet een adviesaanvrage gericht aan een aantal adviesorganen over het door de Commissie Toekomstscenario's Herverdeling Onbetaalde Arbeid uitgebrachte rapport Onbetaalde zorg gelijk verdeeld. In dit rapport worden een viertal scenario's ontwikkeld voor de herverdeling van de onbetaalde arbeid in 2010. De scenario's laten zien hoe de organisatie van de onbetaalde arbeid en in samenhang daarmee de organisatie van de betaalde arbeid, zich zou kunnen ontwikkelen om in de toekomst een gelijke verdeling van de onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen mogelijk te maken. De commissie heeft een duidelijke voorkeur uitgesproken voor het z.g. combinatiescenario, dat als uitgangspunt heeft dat er een evenwichtige combinatie gecreëerd wordt tussen het betaald en onbetaald verrichten van zorgtaken. Deze werkzaamheden worden in gelijke mate door mannen en vrouwen verricht.
Bij het ontwikkelen van toekomstig beleid wil het kabinet zich laten inspireren door de visie waarop het combinatiescenario is gebaseerd en bezien in hoeverre dit scenario kan worden benut als richtinggevend voor beleid. Het rapport en de adviezen daarover zullen worden betrokken bij de verdere uitwerking van een geïntegreerde aanpak van werkgelegenheid en zorg, sociale zekerheid en fiscale wetgeving, zoals genoemd in het regeerakkoord.
In 1996 zal door VWS in samenwerking met SZW een nationaal zorg-debat worden georganiseerd, met als thema «Zorgen voor elkaar». Doel van dit debat is het tot stand brengen van een maatschappelijke discussie over de waarde van zorgen voor elkaar en welke randvoorwaarden daarbij nodig zijn. De uitkomst van dit debat speelt een rol bij de ontwikkeling van een toekomstige zorgen beleidsvisie.
In de brief van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking aan de Tweede Kamer van 1 december 1995 worden de beleidsvoornemens ten aanzien van Vrouwen en Ontwikkeling vastgelegd. De genoemde aandachtspunten vloeien voort uit de resultaten van de Vierde Wereldvrouwenconferentie (WVC). Het slotdocument van deze conferentie is mede gebaseerd op onderschreven teksten van eerdere VN conferenties, waaronder de Sociale Top.
Als vervolg daarop is het programma Vrouwen en Ontwikkeling van het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking bezig een strategienota op te stellen, waarin op basis van ervaringen en vooruitgang op het gebied van vrouwen en ontwikkeling operationele strategieën uitgewerkt zullen worden.
Een beperkte participatie van vrouwen in politieke besluitvormingsprocessen blijkt nog steeds een knelpunt voor een evenwichtiger en gelijkwaardiger verdeling van macht tussen mannen en vrouwen. Het vergroten van de toegang tot en deelname aan politieke besluitvormingsprocessen door vrouwen staat hierbij centraal. Het Speciale Programma Vrouwen en Ontwikkeling is een onderzoek gestart naar operationele strategieën die leiden tot verhoging van de politieke participatie van vrouwen in ontwikkelingslanden op nationaal, districts- en lokaal niveau.
Mensenrechten en geweld tegen vrouwen
Op zowel regionaal, nationaal als lokaal niveau zijn organisaties actief om geweld tegen vrouwen zichtbaar en bespreekbaar te maken. Het programma Vrouwen en Ontwikkeling onderhoudt contacten met en geeft financiële ondersteuning aan wereldwijde en regionale vrouwennetwerken die werkzaam zijn op dit terrein. Zo is in Burkina Faso een studie gefinancierd naar geweld tegen meisjes op (lagere) scholen.
De Speciale Rapporteur van de VN voor geweld tegen vrouwen krijgt Nederlandse ondersteuning voor een studie naar vrouwenhandel en gedwongen prostitutie.
Het thema van reproductieve en sexuele rechten blijft actueel. Nederland zal de strijd voor deze rechten blijven ondersteunen met als uitgangspunt het perspectief en de behoeften van vrouwen en meisjes. In het kader van sexuele rechten kan genoemd worden dat de minister voor OS zijn steun voor de homo-beweging in OS landen heeft aangekondigd.
Het erfrecht als onderdeel van de bredere discussie over de rechtspositie van vrouwen binnen het gewoonte en statutaire recht is door de Afrikaanse vrouwen in Beijing op de internationale agenda gezet. De sectorspecialisten inzake Vrouwen en Ontwikkeling die in ontwikkelingslanden werkzaam zijn ondernemen veel activiteiten in relatie tot de juridische status van vrouwen. In het kader van de strategienota wordt de situatie van vrouwen op het terrein van bezits- en grondrechten nader geanalyseerd.
Macro-economische steun en gender (zie hiervoor ook bij commitment 8)
In vrijwel alle OS-landen waarmee wordt samengewerkt, worden momenteel structurele aanpassingsprogramma's (SAP's) uitgevoerd. Tot dusverre werd ervan uitgegaan dat de macro-economische maatregelen die met SAP's gepaard gaan, in hun uitwerking genderneutraal zijn. Sinds een aantal jaren worden door feministische economen vraagtekens geplaatst bij de gehanteerde economische modellen. Wat de economische positieverbetering van vrouwen aangaat, worden die twijfels door ervaringen bevestigd. De hulp ingezet op macro-niveau, draagt niet onverdeeld bij aan economische groei, armoedebestrijding en een betere verdeling van middelen tussen mannen en vrouwen, zo blijkt. Er wordt momenteel gewerkt aan het ontwikkelen van beleidsinstrumenten op het terrein van gender en macro-economisch beleid. Dit gebeurt in samenwerking met andere bilaterale donoren in OESO/DAC verband alsmede in het kader van het Speciale Programma voor Afrika (SPA) van de Wereldbank. Nederland heeft zich tijdens de laatste SPA-vergadering in november 1995 gecommitteerd om dit «gender-inititatief» voor 18 maanden te trekken, waarbij het Speciale Programma Vrouwen en Ontwikkeling een ondersteunende rol zal spelen en gebruik gemaakt zal worden van de ervaringen in DAC/WID verband.
Kinderen/meisjes (zie hiervoor ook bij commitment 6)
In de in 1994 door OS gepubliceerde notitie «Beleid in de kinderschoenen» is reeds aangegeven waarom speciale aandacht voor meisjes nodig is. Zowel tijdens de Sociale Top als tijdens Beijing is benadrukt dat achterstelling van meisjes t.o.v. jongens zich reeds zeer vroeg manifesteert en dat maatregelen op het terrein van gezondheidszorg, geweld en onderwijs noodzakelijk zijn om dit genderverschil tegen te gaan. In juni 1996 wordt een door OS voorbereide werkconferentie over kinderen gehouden waarin het thema verder uitgewerkt zal worden.
Intergouvernementele samenwerking
Nederland is tot aan de WVC voorzitter geweest van de «DAC Expert Group on Women in Development». Tijdens de High Level Meeting in mei 1995 is gender-gelijkheid als een belangrijke doelstelling voor ontwikkeling en voor ontwikkelingssamenwerking geaccepteerd. De DAC heeft hiertoe een aantal uitgangspunten en verplichtingen geformuleerd, waaronder de opstelling van een gender plan voor de hele DAC.
Op 20 december 1995 heeft de Raad van Ministers voor Ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie een resolutie aangenomen betreffende de integratie van gender in ontwikkelingssamenwerking.
In het kader van de duurzaamheidsverdragen met Benin, Costa Rica en Bhutan heeft Nederland aangegeven een leidende rol te willen vervullen in onderzoek (in een beperkt aantal landen) naar de nieuwe indexen uit het Human Development Report van 1995: Gender Development Index en de Gender Empowerment Measure.
Commitment 6: Wij verplichten ons tot het bevorderen en verwezenlijken van algemene en rechtvaardige toegang tot kwaliteitsonderwijs, het hoogst mogelijke bereikbare niveau van geestelijke en lichamelijke gezondheid, en de toegang van iedereen tot eerstelijns-gezondheidszorg, waarbij wij ons bijzondere inspanningen getroosten om ongelijkheden te corrigeren met betrekking tot sociale omstandigheden en zonder onderscheid op grond van ras, afkomst, nationaliteit, geslacht, leeftijd of handicap; wij verplichten ons ertoe onze gemeenschappelijke en afzonderlijke culturen te respecteren en te bevorderen; wij streven ernaar de rol van cultuur in ontwikkeling te versterken, de essentiële grondslagen van op de mens gerichte duurzame samenleving in stand te houden en bij te dragen tot volledige ontwikkeling van het menselijk potentieel en tot sociale ontwikkeling. Deze activiteiten hebben tot doel de armoede te bestrijden, volledige en produktieve werkgelegenheid te bevorderen en sociale integratie te stimuleren.
Ruimte voor ontplooiing van talenten
Door wijziging van de bevolkingssamenstelling en als gevolg van de informatierevolutie zullen veranderingen optreden in de samenleving. Het ministerie van OCW streeft ernaar om iedereen de mogelijkheid te geven om in deze veranderende maatschappij zijn of haar talenten te ontplooien. Hierbij zijn er vier prioriteiten:
Het cultuurbeleid dat zich richt op het bevorderen van eenheid met respect en waardering voor de verscheidenheid.
In de grote steden, waar de veranderingen het sterkst voelbaar zijn, is het beleid gericht op het tegengaan van voortijdig schoolverlaten, onderwijsachterstanden en jeugdcriminaliteit.
Emancipatiebeleid draagt bij aan het voorkomen dat talenten van meisjes en jongens eenzijdig ontwikkeld worden. Organisaties met een voorbeeldfunctie worden ondersteund en het OCW-beleid wordt d.m.v. emancipatie-effectrapportages getoetst.
Het onderwijs levert een essentiële bijdrage aan het inburgeringsbeleid voor immigranten door het leren van de Nederlandse taal, maatschappij- en beroepenoriëntatie en beroepsgerichte scholing.
Toegang tot kwaliteitsonderwijs
Op verschillende manieren wordt het middel «onderwijs en scholing» ingezet om arbeidskansen van met name jongeren te bevorderen (zie verder onder commitment 3).
In 1996 zal de balans worden opgemaakt van de speerpunten en streefcijfers die in de vierde onderwijsemancipatienota zijn opgenomen. Het doel is dat over de periode 1993–1996 vijf procent meer meisjes voor exacte vakken en techniek hebben gekozen, dat het aandeel vrouwen in leidinggevende functies met gemiddeld 1,5% per jaar is gestegen en dat 100% van de met name Turkse en Marokkaanse meisjes in de leerplichtige leeftijd aan het onderwijs deelneemt, resulterend in een doorstroom- of startkwalificatie. Behalve voor het tweede speerpunt, lopen de maatregelen uit de nota in 1996 af. Daarna zal een evaluatie plaatsvinden.
Naast inzet van een specifiek emancipatiebudget, zal emancipatie een aspect moeten worden van het integrale kwaliteitsbeleid van scholen en ondersteuningsinstellingen. Dit zal langs twee lijnen worden bevorderd. De eerste lijn is dat organisaties die een sleutelpositie innemen op één van de speerpunten, op basis van cofinanciering geld zullen krijgen om een bijdrage te leveren aan het realiseren van emancipatiedoelstellingen. De tweede lijn betreft de beleidsvoornemens van het departement zelf. OCW zal een emancipatie-effectrapportage toepassen op al haar majeure beleidsvoorstellen. Dit is onlangs reeds gebeurd met de beleidsreactie op het rapport «Rechtdoen aan verscheidenheid».
Het is de bedoeling dat in 1996 de Wet Evenredige Vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs en onderzoek van kracht wordt. Deze wet verplicht het bevoegd gezag een document op te stellen waarin wordt aangegeven op welke wijze actief wervingsbeleid voor vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd.
Maatschappelijke gezondheidssituatie
Een belangrijk deel van de nationale follow-up ten aanzien van het gezondheidsaspect van dit commitment sluit aan bij de in maart 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden nota «Gezond en Wel, kader van het volksgezondheidsbeleid 1995–1998».
Onderzoek, dat in het kader van de Programma-commissie Sociaal-economische Gezondheidsverschillen in de periode 1988–1993 is uitgevoerd, heeft uitgewezen, dat de ongezondheid stelselmatig toeneemt naarmate het opleidings-, beroeps- of inkomensniveau lager is. Hierbij dient wel te worden aangetekend dat sociaal-economische gezondheidsverschillen sinds de eerste helft van deze eeuw flink zijn afgenomen en ook internationaal gezien vrij gering zijn. Dit neemt niet weg dat de verschillen groot genoeg zijn en de laatste jaren weer toenemen. Het terugdringen van sociaal-economische gezondheidsverschillen door gerichte preventie-activiteiten en het garanderen van de toegankelijkheid van noodzakelijke zorgvoorzieningen vormt dan ook een belangrijk onderdeel van het volksgezondheidsbeleid.
De commissie zal verder (1995–1999) onderzoek doen naar de effectiviteit van interventies tot terugdringen van sociaal-economische gezondheidsverschillen, en zal ook de omvang van dergelijke verschillen blijven monitoren. De Tweede Kamer is hiervan op de hoogte gesteld. De genoemde problematiek manifesteert zich met name in de grote steden. Het door BiZA gecoördineerde «Grote stedenbeleid» verbindt het volksgezondheidsbeleid met andere belangrijke gezondheidsbeïnvloedende factoren als werk, opleiding en veiligheid.
Aandachtspunten zijn de gezondheidstoestand van specifieke bevolkingsgroepen, en de toegankelijkheid van reguliere zorgvoorzieningen voor deze groepen. Deze specifieke groepen zijn:
1. Immigranten
2. Dak- en thuislozen
3. Illegalen en sociaal-economisch zwakkere groepen
ad 1: Uitgangspunt voor het volksgezondheidsbeleid ten aanzien van allochtone ingezetenen is het verkrijgen van gelijke toegang tot de zorg. Gezien de samenhang van gezondheidsproblemen bij allochtonen met sociaal-economische en vooral ook culturele aanpassingsproblemen worden oplossingsrichtingen onder meer gezocht in samenwerking tussen zorginstellingen en aangrenzende vormen van hulp, zoals maatschappelijk werk, sociale diensten en tolkendiensten.
Ad 2: Het advies van de Gezondheidsraad over aantallen, leefomstandigheden en gezondheidsproblemen van dak- en thuislozen is in juni 1995 uitgebracht. Bij deze groep blijken zich knelpunten voor te doen in de toegang tot het zorgcircuit, waarbij het niet verzekerd zijn een probleem is. Gepleit wordt voor betaling van de verleende zorg aan onverzekerde daklozen uit een apart fonds los van de Centrale Kas. Tevens wordt gepleit voor een (laagdrempelig) sociaal-medisch spreekuur voor dak- en thuislozen als eerste toegang tot het zorgcircuit. Met betrekking tot de geestelijke gezondheid van dak- en thuislozen wordt aangesloten bij de achtergrondstudie bij het advies van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid (titel: Thuisloosheid en psychische stoornissen, 1993), waarin geconcludeerd wordt dat psychische stoornissen de gezondheid van een belangrijk deel van de daken thuislozen compliceren. De regering beraadt zich op dit moment op eventuele aanpassingen van het lopend beleid ten aanzien van dak- en thuislozen; een eerste aanzet daartoe is reeds gegeven in de Armoedenota (par. 3.2.6). Naar aanleiding van de motie van Dijke (24 400, XV, nr 30) heeft het kabinet een integrale notitie toegezegd over het vraagstuk van dak- en thuislozen.
Ad 3: Tot op heden is weinig bekend over de gezondheidssituatie van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen. Instellingen als «de Witte Jas» in Amsterdam voor ambulante zorg aan illegalen blijken echter wel in een behoefte te voorzien.
Met betrekking tot de gezondheidszorg voor illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen heeft de regering medio 1995 het voorstel Koppelingswet ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel heeft kort gezegd tot doel om de illegaal verblijvende vreemdelingen af te sluiten van toegang tot collectieve voorzieningen, waaronder de sociale ziektekostenvoorzieningen. Een uitzondering op deze regeling geldt voor situaties, waarin sprake is van in acute noodsituaties geboden hulp aan illegalen, waarvan de kosten niet kunnen worden verhaald op de betreffende illegaal of op derden. Onder strict geformuleerde criteria kan een gedupeerde zorgverlener dan een beroep doen op een daartoe in te stellen fonds. In dit geval zij erop gewezen dat de instelling van dit fonds ertoe kan bijdragen, dat nader inzicht ontstaat in de aard en omvang van essentiële knelpunten in de gezondheidszorg als gevolg van het verblijf van onverzekerde illegale vreemdelingen in ons land. De regering acht het van belang dat dit inzicht ontstaat teneinde te voorkomen dat onverantwoorde effecten optreden voor de gezondheid van de vreemdelingen zelf als ook voor die van de bredere samenleving.
Internationaal: Kinderarbeid wereldwijd
In het kader van de follow-up van dit commitment worden activiteiten ondernomen op het terrein van de bestrijding van kinderarbeid. Het thema «kinderarbeid wereldwijd» staat de laatste tijd enorm in de politieke belangstelling. Het onderwerp is gekoppeld aan de lopende discussie in de diverse gremia, waaronder ILO, EU, OESO, WTO en VN, rond de toepassing van handelsmaatregelen ter bevordering van de naleving van fundamentele arbeidsnormen. Diverse departementen, waaronder BUZA, EZ en SZW, werken hierbij samen. EZ vanuit de invalshoek handelspolitiek en vooral in relatie tot OESO- en WTO. BUZA werkt aan een verdere uitbouw van het kinderprogramma van DGIS op basis van de beleidsnotitie: «Beleid in de Kinderschoenen» en zal in juni 1996 een conferentie houden over Kinderen en Ontwikkeling. BUZA zal in samenwerking met Justitie tevens de verplichte rapportage verzorgen over de implementatie van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind (uiterlijk maart 1997) en de implementatie van het nationale actieprogramma voor de rechten van het kind;
De activiteiten van SZW zijn gericht op behandeling van het onderwerp kinderarbeid in ILO-verband en binnen het Employment, Labour and Social Affairs Committee (ELSA) van de OESO, alsmede op de preventie en eventuele bestrijding van kinderarbeid in Nederland. Onlangs is op SZW een studiedag over kinderarbeid gehouden waarbij een aantal nationale en internationale deskundigen aanwezig was. Het doel van de studiedag was afstemming via probleemverkenning en inventarisering van de lopende activiteiten.
In ILO-verband speelt op het terrein van kinderarbeid momenteel de toenemende belangstelling van lidstaten voor het ILO International Programme on the Elimination of Child Labour (IPEC). Bezien wordt of dit programma ook door Nederland gesponsored kan worden. In ILO-verband wordt verder gesproken over de opstelling van een nieuw verdrag gericht op het tegengaan van de meest uitbuitende vormen van kinderarbeid; het onderwerp kinderarbeid is als hoofdthema van de Internationale Arbeids-Conferentie van 1998 geagendeerd. In de aanloop daarheen zal in Nederland gedurende de eerste helft van 1997 een internationale conferentie over Kinderarbeid georganiseerd worden in samenwerking met de ILO.
Commitment 7: Wij verplichten ons ertoe de economische en sociale ontwikkeling en de ontwikkeling van het menselijk potentieel in Afrika en de minst ontwikkelde landen te versnellen.
Een op structurele aanpassing gericht financierings-/begrotingsbeleid wordt in veel Afrikaanse landen al sinds langere tijd door Nederland ondersteund, veelal via multilaterale kanalen. Daarbij wordt ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor sociale aspecten, voor «good governance» en voor institutionele ontwikkeling, zoals ook verwoord is in de Memorie van Toelichting bij de begroting Ontwikkelingssamenwerking 1996. Ten aanzien van democratisering kan gesteld worden dat sprake is van een intensief volgen en waar mogelijk gunstig beïnvloeden van democratiseringsprocessen. In een aantal landen heeft dat ook geleid tot een hoger niveau van committeringen en uitgaven. Democratiseringsfondsen in Ethiopië en Eritrea zijn daar een voorbeeld van. Grote uitgaven voor het ondersteunen van democratisering, mensenrechten en goed bestuur zijn en worden ook in Zuid-Afrika gedaan, vooral in het kader van het «Reconstruction and Development Programme». In diverse andere landen werd in 1995 en/of wordt in 1996 steun gegeven in het kader van verkiezingen en aan institutionele versterking op nationaal, regionaal of lokaal niveau (o.a. Mali, Mozambique, Tanzania, Uganda en Zambia).
Versterking van voedselzekerheid vindt in het beleid t.a.v. veel Afrikaanse landen plaats in het kader van geïntegreerde streekontwikkelingsprojecten (o.a. Ethiopië, Burkina Faso, Ghana, Kenia, Tanzania, Uganda). In Senegal wordt aandacht besteed aan voedselzekerheid d.m.v. institutionele steun aan het Ministerie van Landbouw. Ook in het kader van regionale samenwerking en «early warning» systemen wordt voedselzekerheid in Afrika nagestreefd met Nederlandse steun.
Nederland heeft een actieve betrokkenheid bij het zoeken naar duurzame oplossingen voor de buitenlandse-schuldenproblematiek van met name de armste landen. Middelen worden vooral ingezet ten gunste van lage inkomenslanden met een zware schuldenlast, de zogenaamde Severely Indebted Low-Income Countries (SILIC's). In 1995 heeft t.a.v. de schuldenverlichting van m.n. Afrikaanse landen zich een duidelijke beleidsintensivering voorgedaan. De Kamer zal hierover nader geïnformeerd worden middels de jaarlijkse «Schuldenbrief» die eind februari/begin maart naar de Kamer zal worden verzonden.
Het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming in de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, in het bijzonder in Afrika, is medio 1995 door Nederland geratificeerd. Nederland was één van de eerste landen die tot ratificatie overgingen en speelt ook in de voorbereidingen die zullen leiden tot uitvoering van het verdrag een actieve rol.
Nederland getracht zich grote inspanningen, zowel in multilateraal als in bilateraal verband, ter bestrijding van de HIV/Aidsepidemie. De Kamer werd daartoe op 21 juni 1995 ingelicht middels de voortgangsrapportage «Aids en Ontwikkelingssamenwerking». Daaraan kan worden toegevoegd dat zowel in Ethiopië als Tanzania projecten op het gebied van «social marketing» van condooms inmiddels van start zijn gegaan en zeer bevredigende resultaten laten zien. Een voorlichtingsprogramma ter preventie van HIV/Aids in Zuidelijk Afrika is onlangs uitgebreid doordat Nederlandse steun is ontvangen.
In de samenwerking met veel Afrikaanse landen wordt nadruk gelegd op sociale programma's. Met name betreft het programma's en projecten op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en drinkwater & sanitatie. Waar mogelijk wordt, in het kader van institutionele versterking, een ministerie ondersteund, zoals in Ghana en Guinee Bissau (gezondheidszorg). Een grotere nadruk dan voorheen wordt ook gelegd op basisonderwijs, hetgeen door Nederland o.a. ondersteund wordt in Burkina Faso, Mozambique en Zimbabwe. In Namibië loopt momenteel een groot Nederlands programma op het gebied van het volwassenenonderwijs.
Commitment 8: Wij verplichten ons ertoe ervoor te zorgen dat wanneer programma's voor structurele aanpassing worden goedgekeurd, deze doelstellingen m.b.t sociale ontwikkeling omvatten, in het bijzonder armoedebestrijding, het bevorderen van volledige en produktieve werkgelegenheid en het stimuleren van sociale integratie.
Nederland heeft zich in de internationale beleidsdiscussies rond structurele aanpassingsprogramma's steeds actief opgesteld om de soms nog te overheersende economische optiek te verbreden naar de sociale dimensie. Dit gebeurt met name in het kader van de activiteiten van de Wereldbank – de belangrijkste financier en ook anderszins richtinggevend voor structurele aanpassingsprogramma's – maar ook in andere fora. Zo ondersteunt en stimuleert Nederland ook de ontwikkeling bij het IMF om de traditionele gerichtheid op herstel van macro-economische evenwicht meer in te bedden in een strategie gericht op duurzame groei, waarbij ook aspecten als de sociale consequenties van stabilisatieprogramma's en goed openbaar bestuur in de beschouwing worden betrokken.
De Sociale Top heeft ook binnen de internationale financiële instellingen een nieuwe impuls gegeven aan de discussie over de sociale dimensie van structurele aanpassing en investeringsprogramma's. Zo werd het onderwerp «Implicaties van de Sociale Top voor de Wereldbank en het IMF» als hoofdagendapunt besproken tijdens de vergadering van het Development Committee van oktober 1995. In deze bespreking stonden de mogelijkheden voor een grotere bijdrage van Wereldbank en IMF aan de bestrijding van armoede centraal. Dit leidde ondermeer tot de conclusie dat de multilaterale ontwikkelingsinstellingen hun investeringen in de sociale sectoren en in armoedebestrijdingsprogramma's verder dienen te verhogen. Als middel om de effectiviteit van de armoedebestrijdingsprogramma's te vergroten werd voorts aangedrongen op een intensievere beleidsdialoog met de ontvangende landen en deze mede te baseren op de resultaten van «poverty assessments». Aan de totstandkoming en kwaliteitsverbetering van deze studies naar de mate en de kenmerken van armoede, de effecten van het gevoerde overheidsbeleid op armoede en de benodigde strategieën om armoede te verminderen, draagt Nederland financieel en beleidsmatig actief bij.
Verhoging van het aandeel van de sociale sectoren in de overheidsinvesteringen – in het bijzonder investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en basisinfrastructuur als drinkwatervoorziening etc. – vormt al langer onderdeel van het armoedebestrijdingsbeleid van de Wereldbank. Nederland ondersteunt dit beleid en stimuleert tot verdere stappen op dit terrein op daarvoor geëigende momenten, zoals vergaderingen in het kader van het Special Program of Assistance (SPA) voor Afrika, de middelenaanvulling voor IDA en Consultatieve Groepen, alsook – via de Nederlandse Bewindvoerder – beleidsdiscussies in de Raad van Bewindvoerders van de Bank. Daarbij wordt niet alleen aandacht gevraagd voor de kwantitatieve doelstellingen, maar ook voor de kwalitatieve aspecten van de investeringen in de sociale sectoren – met name hun armoedegerichtheid – en hun doeltreffendheid.
Van ten minste even groot belang als bovenbedoelde op sociale ontwikkeling afgestemde investeringen is de toenemende aandacht binnen de Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken voor goed openbaar bestuur en voor participatie van de direct betrokkenen bij de vormgeving en de uitvoering van investeringsprogramma's. Nederland beschouwt beide elementen als noodzakelijke voorwaarden voor een effectief ontwikkelingsbeleid en ondersteunt deze ontwikkeling waar mogelijk. In dit kader kan het herhaalde pleidooi voor «social assess- ments» worden genoemd, het in kaart brengen van de verschillende groepen belanghebbenden bij nieuwe projecten of programma's en de te verwachten effecten voor elk van deze groepen. Dergelijke studies bieden niet alleen meer zicht op mogelijke knelpunten in de uitvoeringsfase, maar vormen tevens een aangrijpingspunt voor actieve participatie.
Het belang van kwaliteitsbewaking en controle op de effectiviteit van structurele aanpassingsprogramma's door regelmatige evaluatie geldt onverminderd ook voor de sociale dimensie van deze programma's. Nederland moedigt studies als de recente evaluatie van de sociale aspecten van structurele aanpassingsprogramma's door het Operations Evaluation Department van de Wereldbank dan ook aan en neemt actief deel aan beleidsdiscussies naar aanleiding van de resultaten.
Commitment 9: Wij verplichten ons ertoe de voor sociale ontwikkeling uitgetrokken middelen aanzienlijk te verhogen en/of efficiënter te gebruiken teneinde de doelstellingen van de Sociale Top te verwezenlijken door middel van nationale maatregelen en regionale en internationale samenwerking.
De onder de diverse commitments uitgewerkte nationale maatregelen van de Nederlandse regering zijn erop gericht de sociale ontwikkeling te stimuleren en voor iedereen toegankelijk te maken. Aan de verschillende geschetste maatregelen zitten uiteraard financiële consequenties vast. Naar de mening van de regering liggen de huidige en voorgenomen inspanningen gericht op sociale ontwikkeling, binnen het bredere kader van een noodzakelijke afweging van prioriteiten, op een redelijk niveau.
Nederland is actief betrokken bij de organisatie van de «Oslo 20/20-conferentie» die van 23–25 april 1996 gehouden zal worden te Oslo. Deze conferentie, waarin naast ongeveer twintig ontvangende en twintig donorlanden, de VN-organisaties UNICEF, UNDP, UNFPA, UNCTAD, WHO, UNESCO, Wereldbank en IMF zullen deelnemen, zal naar wegen zoeken om het 20/20-concept te operationaliseren. De bedoeling is zo veel mogelijk landen erin te interesseren twintig procent van hun begroting te besteden aan sociale basisvoorzieningen terwijl een aanzienlijk aantal donoren twintig procent van hun begroting voor ontwikkelingssamenwerking, in Nederland meer dan 0,7% van het BNP, zou moeten besteden aan sociale basisvoorzieningen in de ontwikkelingslanden. De «Oslo-consensus» kan derhalve dienen als fundament voor actuele samenwerking op basis van reciprociteit.
Commitment 10: wij verplichten ons tot de totstandbrenging van een verbeterd en versterkt kader voor internationale, regionale en subregionale samenwerking ten behoeve van sociale ontwikkeling, desgewenst met medewerking van de gespecialiseerde organisaties, programma's en regionale commissies van het stelsel van de Verenigde Naties, met brede participatie van alle sectoren van de samenleving.
Op nationaal niveau wordt met name aandacht besteed aan een effectieve aanpak van complexe problemen in de grote steden. In dit kader geeft het Kabinet eigen verantwoordelijkheid aan de lokale besturen om zelf hun problemen op te lossen. De centrale overheid heeft daarbij een faciliterende rol. Uitwisseling van kennis en ervaring door lokale bestuurders is van belang om een goede aanpak tot stand te brengen.
Deze uitwisseling van kennis en ervaring vindt onder andere ook op Europees niveau plaats, bijvoorbeeld in diverse conferenties op het gebied van participatie van burgers bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, sociale vernieuwing en de aanpak van problemen in grote steden. Nederland heeft daarbij een duidelijke visie op de aanpak van stedelijke en maatschappelijke problemen.
Op internationaal niveau wordt op diverse manieren en in diverse fora een vervolg gegeven aan de Sociale Top. De uitvoering van het Actieprogramma kwam aan de orde gedurende de jongste zitting van de ECOSOC en de vijftigste zitting van de Algemene Vergadering van de VN. De Commissie voor Sociale Ontwikkeling (CSD) zal een belangrijke rol moeten spelen bij de implementatie van het Actieprogramma van Kopenhagen. Teneinde de CSD daartoe in staat te stellen zullen mandaat en agenda moeten worden aangepast zodat de uitvoering van het slotdocument van de Sociale Top centraal komt te staan.
Een meerjarenplan waarbij steeds enkele onderwerpen uit Kopenhagen centraal op de agenda staan, is noodzakelijk. Besluiten hierover worden in mei van dit jaar in een speciale zitting van de CSD verwacht. Gedurende de laatste Algemene Vergadering van de VN is besloten armoedebestrijding als inhoudelijk thema te kiezen voor deze zitting.
Daarnaast zal in juni 1996 de Tweede VN Wereld Habitatconferentie plaatsvinden. Deze conferentie zal voortbouwen op de resultaten van de recente serie VN-Wereldconferenties en daarmee ook op die van de Sociale Top. Het is niet de bedoeling dat eerder overeengekomen teksten opnieuw ter discussie worden gesteld; het gaat erom ze te vertalen naar de specifieke problematiek van menselijke nederzettingen, het hoofdonderwerp van Habitat II.
In het jaar 2000 zal een speciale zitting van de AVVN gehouden worden die gewijd zal zijn aan een algehele terugblik op en aan de beoordeling van de resultaten van de Sociale Top. Nederland zal zich op deze speciale zitting voorbereiden door een evaluatie van de activiteiten in het kader van de follow-up van de Sociale Top zoals die in deze brief beschreven zijn.
De WHO richt zich ten aanzien van de follow-up van de Sociale Top op drie hoofdthema's:
1. Incorporatie van relevante aspecten van de aanbevelingen van de Top in zowel medisch-sociale programma's als ook in programma's met betrekking tot geweld- en ongevallenpreventie, gebruik van schadelijke middelen, ouderen, gehandicapten en andere kwetsbare groepen. Ook binnen de hernieuwing van de «Health for all»-strategy zal aandacht worden besteed aan de aanbevelingen van de Sociale Top. Nederland is hier actief bij betrokken.
2. Samenwerking met partners om instrumenten te ontwerpen teneinde de uitkomsten van sociale ontwikkeling te kunnen meten.
3. Speciale aandacht voor de beleidsimplicaties van de Top door de «high-level WHO Taskforce on Health in Development». De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking neemt hieraan deel.
Ook de ILO heeft in het kader van de follow-up van de Sociale Top een aantal specifieke taken meegekregen, met name op het gebied van werkgelegenheid en werknemersrechten. Vanwege haar tripartite structuur is juist de ILO geschikt om belangrijk bij te dragen aan de uitvoering van de commitments van de Sociale Top. Daarbij is het noodzakelijk dat nauw wordt samengewerkt met andere internationale (met name economische) organisaties. Hiertoe heeft de ILO, voor het eerst in haar bestaan, overleg gevoerd op topniveau met het IMF en de Wereldbank. Onderwerp van gesprek was de implementatie van de resultaten van de Sociale Top in het beleid van deze internationale organisaties.
Tijdens de ILO-Conferentie in juni 1995 heeft de Directeur-Generaal van de ILO, de heer Michel Hansenne, aangekondigd dat er in het kader van de follow-up van de Sociale Top bepleit zal worden dat alle landen de kernverdragen van de ILO zullen ratificeren. Nederland heeft dit overigens reeds gedaan. Tevens wil de ILO haar toezicht op de uitvoering van Verdragen versterken.
Tenslotte zal de ILO diepgaande discussies beginnen t.a.v. de bestrijding van kinderarbeid. In 1998 zal dit thema op de Arbeidsconferentie aan de orde komen. Nederland wil daar op internationaal niveau actief aan bijdragen. Bij commitment 6 wordt dit toegelicht.
Binnen de UNESCO is een afdeling opgezet die zich louter bezighoudt met de follow-up van de sociale Top. Daarnaast kunnen ook veel van de reguliere activiteiten van deze organisatie gezien worden als een invulling van de aangegane internationale verplichtingen. Dat geldt met name voor het MOST-programma (Management Of Social Transformations) waarbinnen projecten ontwikkeld worden op het gebied van sociale uitsluiting, etniciteit en conflicten, multi-etnische samenlevingen etc. Het recentelijk verschenen rapport van de wereldcommissie inzake Cultuur en Ontwikkeling, de zogenaamde Commissie Perez de Cuellar, bevat vele aanbevelingen die mede in verband gebracht worden met de Sociale Top.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. P. W. Melkert
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
J. P. Pronk
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. G. Terpstra
De hoofdpunten van de Nederlandse inbreng voorafgaand aan en tijdens de Sociale Top
Nederland heeft zich vooral in het voorproces bijzonder ingezet om de nationale uitgangspunten op sociaal, economisch, financieel en buitenlands gebied in het slotdocument gereflecteerd te zien. Naar het oordeel van de regering is Nederland daar vrij goed in geslaagd.
Het slotdocument bevat het inzicht dat sociale ontwikkeling, economische ontwikkeling, en vrede en veiligheid in een onderling versterkende relatie tot elkaar staan. Ook de passages over democratie, mensenrechten en ontwikkeling zijn duidelijk en sterk.
Het begrip «good governance» komt als zodanig niet in de tekst voor, wel wordt gewezen op het belang van «transparent and accountable governance.
De bij sommige ontwikkelingslanden omstreden begrippen «human security» en «sustainable human development» staan niet expliciet vermeld in de tekst, maar deelementen van de begrippen zijn wel terug te vinden.
De nu enkele malen gebruikte begrippen «security in the life of people» en «people centered sustainable development» zijn iets anders gekleurde vlaggen die dezelfde lading dekken.
Opvallend is voorts dat een zekere mate van overheidsinterventie in de marktwerking algemeen aanvaard is; geen tegenstand van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
Verder is in het slotdocument voor het eerst uitgebreid aandacht besteed aan sociale uitsluiting; de positie van mensen die onvoldoende deelnemen aan en betrokken zijn bij de politieke, sociale en economische ontwikkeling in een samenleving. Het begrip wijst op een aantal problemen die samenhangend en cumulatief bekeken en aangepakt kunnen worden: achterstand, discriminatie, armoede. Voorts heeft het betrekking op zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden.
Last but not least heeft de Top consensus te zien gegeven over de noodzaak sociaal beleid te integreren met economisch beleid; en sociaal beleid niet te zien als vangnet voor waar het economische beleid faalt.
Nederlandse inzet was het voorkomen van een slotdocument waarin de Noord/Zuid tegenstelling prominent naar voren zou komen. Problemen m.b.t. de hoofdthema's van de Top, werkloosheid, sociale uitsluiting en armoede, komen over de gehele wereld voor, zij het in diverse verschijningen.
Sociale ontwikkeling is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van nationale overheden. Ontwikkelingslanden, echter, legden de verantwoordelijkheid voor sociale ontwikkeling bij de internationale gemeenschap. Nederland is er met andere westerse landen in geslaagd een balans in de tekst aan te brengen.
Opname van het 20/20-initiatief is voor een groot deel te danken aan de Nederlandse inzet. Ook binnen de EU was en is dit concept niet onomstreden. Nederland is in het voorstadium, toen het samen met het op dat moment aspirant-lid Noorwegen de enige uitgesproken voorstander van het 20/20-concept binnen de EU was, niet akkoord gegaan met pogingen tot een gemeenschappelijk EU-standpunt te komen, omdat deze het concept te zeer verwaterden. In Denemarken zelf, mede dankzij de aandacht van de pers, kon een aantal landen over de streep worden getrokken, zij het dan dat het initiatief voorlopig alleen geldt voor geïnteresseerde landen. Inmiddels groeit dat aantal landen gestaag en is bet concept nu ook opgenomen in het slotdocument van de vrouwenconferentie. Voorts organiseert Noorwegen in het voorjaar een conferentie over het 20/20 initiatief. Nederland is zeer betrokken bij de voorbereidingen van die conferentie.
Nederlandse inzet op het gebied van mensenrechten was ertegen te waken dat reeds bestaande teksten op dit gebied zouden worden verwaterd. Van de zijde van G77 is zoals gebruikelijk getracht paragrafen op te doen nemen die naleving van de mensenrechten binnen het kader van nationale wetgeving en cultuur plaatsten, en daarmee dus afdoen aan het universele karakter van de mensenrechten. Nederland heeft het initiatief genomen voor een krachtig standpunt van de Europese Unie op dit terrein, en is er mede daardoor in geslaagd die paragrafen zodanig aan te passen dat het universele karakter van mensenrechten niet wordt ondermijnd. Nederland heeft verder een toonaangevende rol gespeeld bij de versterking en uitbreiding van referenties naar mensenrechten.
Nederland heeft met succes gestreefd naar ruime aandacht voor de positie van vrouwen. In de verklaring is een commitment aan de positieverbetering van vrouwen gewijd. In het actieprogramma komen teksten terzake geïntegreerd en verspreid in het document voor. Onafhankelijkheid, «empowerment», reproductieve gezondheid, medeverantwoordelijkheid van mannen voor zorgtaken, enz. worden allen in het slotdocument belicht.
Nederland heeft bijgedragen aan formuleringen over het zichtbaar maken van onbetaalde arbeid. Tegenstellingen lagen vooral in de vraag of onbetaalde arbeid moet worden gereflecteerd in nationale rekeningen of in zgn. satelliet-rekeningen. Nederland kon zich akkoord verklaren met dit laatste (de tekst was zodanig geformuleerd dat enige relatie met het zgn. huisvrouwenloon vergezocht zou zijn); een aantal andere (Westerse) landen had echter ook met dat begrip moeite. Uiteindelijk is terzake een tekst opgesteld die ingaat op het ontwikkelen van methoden om de waarde van onbetaalde arbeid vast te stellen buiten de nationale rekeningen om.
Nederland heeft er voorts naar gestreefd ruimere definities van het begrip arbeid zoveel mogelijk te beperken. Belangrijkste instrument voor de bestrijding van armoede, sociale uitsluiting en werkloosheid is immers de creatie van produktieve werkgelegenheid, niet een begripsverruiming.
Nederland ondersteunde het streven om paragrafen m.b.t. bilaterale en multilaterale schuldenverlichting (verwijzingen o.a. naar de resultaten van de Club van Parijs en een uitnodiging aan de Internationale Financiële Instellingen om initiatieven op dit gebied te nemen) in de slottekst op te nemen.
Nederland heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van een tekst op het gebied van arbeidsrechten. Belangrijk daarbij was voldoende aandacht te schenken aan de ILO-verdragen en het naleven van de principes daarvan, ook door landen die geen verdragspartij zijn.
Tijdens de derde PrepCom werd door Zuidkorea een aantal paragrafen ingediend m.b.t. de rol van het gezin die voor Nederland niet acceptabel waren, omdat alternatieve gezinsvormen en de positie van het individu binnen het gezin onvoldoende aan de orde kwam. Een door Nederland herschreven tekst bleek voor de Koreanen in grote lijnen aanvaardbaar, maar moest in Kopenhagen verder worden bijgesteld om door de G-77 geaccepteerd te kunnen worden. Uiteindelijke tekst is deels ontleend aan de ICPD en is wel een sterke verbetering op het aanvankelijke Koreaanse voorstel. Voor Nederland was het vooral van belang niet zozeer het gezin maar de rol van de individuele gezinsleden te belichten. Die opzet is redelijk goed geslaagd.
Nederland heeft zich voorts ingezet om bij verwijzingen naar het gezin de meervoudsvorm of de toevoeging «in its various forms» te doen opnemen. Waar dit niet het geval is, wordt hetzij verwezen naar het actieprogramma van de ICDP, hetzij gerept over het gezin in een algemene context.
Ter voorbereiding op de Sociale Top hadden de Nederlandse NGOs zich verenigd in het «Platform Social Summit». In juni 1995 is dit Platform opgeheven. De activiteiten van de Nederlandse NGOs inzake de follow-up van de Sociale Top zijn vervolgens ondergebracht bij het Platform voor Duurzame Ontwikkeling (PDO). In december 1995 is het PDO gefuseerd met een andere organisatie tot de NCDO: Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling.
Zie voor een meer uitgebreide beschrijving «Meerjarenprogramma werkgelegenheid» (november 1995) dat de Ministeries van EZ en SZW maakten op verzoek van de Europese Raad.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24400-XV-41.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.