24 400 XV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 1996

24 406
Emancipatiebeleid 1996

24 564
Gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het arbeidsproces

nr. 40
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 april 1996

De vaste commissies voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, voor Buitenlandse Zaken2 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport3 hebben op 8 februari 1996 overleg gevoerd met minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking en staatssecretaris Terpstra van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

1. de resultaten van de Vierde VN-Wereldvrouwenconferentie (Beijing, 4–15 september 1995) (brief van 13 oktober 1995, kamerstuk 24 400, XV, nr. 7) en het overzicht van de resultaten van de conferentie m.b.t. internationale samenwerking (brief van 1 december 1995, SOZA-95–1089);

2. de nota «Emancipatie in uitvoering» (brief van 22 november 1995, kamerstuk 24 406, nr. 4) en de notitie voorkeursbeleid vrouwen, naar aanleiding van uitspraak Hof van Justitie EG d.d. 17 oktober 1995 (Kalanke) (brief van 21 december 1995, kamerstuk 24 564, nr. 1).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

1. Resultaten Vierde VN-wereldvrouwenconferentie en overzicht resultaten van de conferentie m.b.t. internationale samenwerking

Mevrouw J. M. de Vries (VVD) had zich indertijd, tijdens een overleg ter voorbereiding van de wereldvrouwenconferentie, sceptisch uitgelaten over het perspectief van deze conferentie, gezien allerlei praktische problemen vooraf, de gebrekkige organisatie van het gastland en de uitkomst van de Sociale Top te Kopenhagen waar geen vooruitgang kon worden geboekt, maar alleen achteruitgang kon worden voorkomen. Zij beaamde echter dat de conferentie een succes kan worden genoemd. Voor het eerst hebben vrouwen uit de diverse werelddelen elkaar gevonden op een aantal uitgangspunten en is de scheiding tussen het westen (dat vooral dacht in termen van machtsverdeling tussen mannen en vrouwen) en het zuiden (dat dacht in termen van arm en rijk) grotendeels komen te vervallen, al spelen deze thema's bij een aantal onderwerpen nog wel en niet ten onrechte een duidelijke rol. Alle deelnemers hebben zich, ondanks of wellicht juist dankzij de moeizame start, zeer ingespannen om iets van de conferentie te maken en de uitkomst was dan ook boven verwachting. Sommige onderwerpen, zoals de seksuele geaardheid, zijn niet volmondig in het slotdocument terug te vinden, maar veel andere zaken zijn daarin nu wel aan de orde gesteld. Verder kan als positief punt worden genoemd de sterke en actieve betrokkenheid van vrouwen in de gehele wereld bij de voorbereidingen van de conferentie en de conferentie zelf, alsmede bij het forum. In dat verband maakte mevrouw De Vries de bewindslieden, alle onderhandelaars en de vertegenwoordigers van de NGO's graag een compliment voor hun grote inzet en hun inhoudelijke bijdragen. Zij was verheugd dat het gebruik van het woord «gender» en het punt van «equality» versus «equity» (punten van zorg tijdens de voorbereiding van de conferentie) inmiddels naar tevredenheid zijn opgelost. Ook was zij blij dat ten opzichte van de conferenties in Kaïro en Wenen vooruitgang is geboekt en dat zaken als cultuur en levensovertuiging in een juiste context zijn geplaatst.

Nu de conferentie in Beijing voorbij is, rijst uiteraard de vraag wat de follow up zal zijn. Zij beperkte zich nu tot een bespreking van de follow up in internationaal verband, om bij het tweede deel van de agenda in te gaan op het voorgenomen Nederlandse beleid.

Er zijn geen afspraken gemaakt over een nieuwe VN-wereldvrouwenconferentie. Gezien de gang van zaken in Beijing was het voor haar ook de vraag of een dergelijke conferentie nog wel te organiseren valt. Niettemin achtte zij het van belang om de implementatie van het Platform for action te kunnen volgen. Zij kon zich voorstellen dat analoog aan de regionale voorbereidingsconferenties ook de implementatie regionaal wordt gevolgd, maar dit geeft anderzijds weer het risico dat de implementatie in de verschillende regio's uit elkaar gaat lopen, vanwege verschillende ontwikkeling en/of prioriteiten. De brief van 1 december geeft ook duidelijk de verschillen in prioriteiten of accenten in de diverse werelddelen aan. De AVVN en Ecosoc worden opgeroepen het mandaat van de Commission on the status of women (CSW) te versterken, welke commissie een centrale rol zou moeten hebben in het toetsen van de tenuitvoerlegging van het Platform for action. Gezien de recente berichten over de financiële problemen van de VN lijkt dat overigens geen eenvoudige opgave. Hoe zal dit proces vanuit Nederland worden gevolgd? Welke rol kan of wil Nederland daarin spelen en welke mogelijkheden heeft Nederland om de rol van de CSW binnen de VN te versterken? Kan Nederland nog een bijdrage leveren aan de voorbereiding van de punten van de CSW-agenda? Die agenda wordt steeds een jaar tevoren vastgesteld.

In de regio Zuidoost-Azië heerst grote zorg over vrouwenhandel, een zorg die in ieder geval door West-Europa wordt gedeeld. In hoeverre zijn er mogelijkheden om op dit punt tot een bondgenootschap te komen? Omdat de «aanvoer» van vrouwen uit Zuidoost-Azië naar het Westen o.a. door Oosteuropese landen loopt, lijkt het opportuun ook deze landen bij de eventuele vorming van een bondgenootschap te betrekken.

Na de recente politieke veranderingen in Oost-Europa is er grote behoefte aan ondersteuning van de vrouwenbewegingen in die landen. Zijn er bij de bewindslieden al ideeën over concrete ondersteuning vanuit Nederland?

In de brief van 1 december wordt aangekondigd dat de nadruk in ondersteuning van vervolgactiviteiten en uitvoering van het Platform for action zal komen te liggen op Afrika. Een nadere afweging van de prioriteit voor deze regio ten opzichte van andere activiteiten zou mevrouw De Vries wel op prijs stellen.

Ten slotte merkte zij op dat op VN-conferenties de EU als eenheid optreedt, met als woordvoerder het land dat het voorzitterschap bekleedt. Nederland zal alweer vrij spoedig gedurende een halfjaar het EU-voorzitterschap bekleden, maar in de nota «Emancipatie in uitvoering» wordt met geen woord gerept over de voornemens op het vlak van de emancipatie gedurende dit voorzitterschap. Zij vroeg op welke zaken het kabinet in die periode het accent wil leggen.

Ook mevrouw Vliegenthart (PvdA) stelde vast dat in Beijing een beter resultaat is geboekt dan voor mogelijk werd gehouden. Zo zijn seksuele rechten nu onverkort erkend als mensenrechten: vrouwen moeten in vrijheid en verantwoordelijkheid kunnen beslissen over alle zaken die betrekking hebben op seksualiteit en voortplanting, zonder dwang, discriminatie of geweld. Gezien de beelden op de televisie over de beperkte hulp aan verkrachte vrouwen in voormalig Joegoslavië is er echter een grote spanning tussen de euforie over het in Beijing bereikte resultaat enerzijds en de harde werkelijkheid anderzijds.

Nederland heeft zich in Beijing ingezet om een Australisch initiatief om van de conferentie een «conference of commitments» te maken, af te zwakken, omdat Nederland geen selectie van specifieke doelstellingen wilde. Die inzet verplicht de regering dan wel om consequent en integraal uitvoering te geven aan hetgeen overeen is gekomen. De nota «Emancipatie in uitvoering» geeft wel aan wat de minister van SZW vanuit zijn coördinerende verantwoordelijkheid zal doen, maar niet wat door de diverse ministeries zal worden gedaan. Mevrouw Vliegenthart drong er dan ook op aan dat in de komende begrotingsstukken per ministerie inzicht wordt gegeven in de acties ter uitvoering van de in Beijing gemaakte afspraken.

In dit verband is herziening van het kiesstelsel actueel. Zij vond het terecht dat wettelijke quota om tot een gelijke vertegenwoordiging te komen worden afgewezen, maar wel is afgesproken dat onderzoek moet worden gedaan naar de effecten van de verschillende kiesstelsels op de mate van vertegenwoordiging door vrouwen in gekozen lichamen. In het regeringsstandpunt over het kiesstelsel heeft dit aspect geen aandacht gekregen. Zij vroeg de bewindslieden dat alsnog te doen, bijvoorbeeld door een emancipatie-effectrapportage te laten maken. Onderzoek van de IPU dat in Beijing is aangeboden, biedt genoeg materiaal voor een internationale vergelijking.

Het zichtbaar maken van onbetaalde arbeid is noodzakelijk voor herverdeling over mannen en vrouwen, maar eveneens is het van belang om methoden te ontwikkelen voor het meten van de waarde van onbetaalde arbeid. Ook hierover is in Beijing een zeer uitvoerige discussie gevoerd en zij vroeg de bewindslieden naar hun voornemens op dit vlak.

De expliciete aandacht voor de positie van meisjes en het feit dat de maatschappelijke ongelijkheid al vroeg begint, juichte zij toe. In Nederland is rond de 1990-maatregel het meisjesbeleid van de grond gekomen en is ook de discussie over jongens en zorgtaken gestart. Zij had helaas de indruk dat deze discussie langzamerhand minder vanzelfsprekend wordt en dat er ook minder aandacht voor dit onderwerp is. De noodzaak hiervan is echter niet verminderd. Welke hernieuwde invulling willen de bewindslieden nu gaan geven aan het meisjesbeleid en vergroting van de zorg-zelfstandigheid van jongens?

Het feit dat geweld tegen vrouwen hoog op de agenda staat, moet ook gevolgen hebben voor het Nederlandse beleid. In de nota Emancipatiebeleid is terecht aangegeven dat verbreding en verdieping nodig is en dat een plan van aanpak gemaakt zal worden in overleg met alle betrokkenen, maar er zit nog weinig richting in het geheel. Zij vond dat zaken als de rol van de specifieke organisaties op dit vlak en de weggevallen deskundigheid bij de zeden- en jeugdpolitie aandacht dienen te krijgen. In internationaal verband zal vooral steun gegeven moeten worden aan de speciale VN-rapporteur. Wat stelt de regering zich op dat punt voor? Zal een actief beleid worden gevoerd ten aanzien van de schending van vrouwenrechten in andere landen en is er de bereidheid om hulp te verlenen bij de opvang van verkrachte vrouwen in voormalig Joegoslavië? Wat is de inzet van de regering bij de totstandkoming van een facultatief protocol bij het vrouwenverdrag, waar al zo lang voor gestreden wordt?

Nu het succes van de wereldvrouwenconferentie mede is bepaald door de aanwezigheid van zoveel vrouwen uit de hele wereld en de uitstraling van het NGO-forum, vond mevrouw Vliegenthart koppeling van het NGO-forum aan de officiële conferentie een goede zaak. De contacten tussen de Nederlandse NGO's en de Nederlandse regeringsdelegatie waren trouwens een voorbeeld voor andere landen. Terecht is in de stukken aandacht gevraagd voor de uitwassen van de NGO-participatie, in het bijzonder dat de NGO's op de stoelen van de officiële delegaties gingen zitten, ook letterlijk. Het gaat hier dus om de invloed die niet-representatieve, soms rijke en niet-democratisch georganiseerde clubs kunnen uitoefenen. In de brief van 13 oktober wordt echter alleen gezegd dat dit de vraag doet rijzen naar de grenzen van het toelaatbare. Welke conclusies trekken de bewindslieden nu op dit punt?

In de brief van 1 december wordt terecht aangegeven dat de vrouwenbeweging in Oost-Europa ondersteuning behoeft. Mevrouw Vliegenthart maakte zich grote zorgen over de wijze waarop vrouwen het slachtoffer worden van de veranderingen die in deze landen plaatsvinden, zowel in sociaal-economisch opzicht als wat betreft de vertegenwoordiging van vrouwen in politieke organen.

Zij steunde graag het ontwikkelen van een strategienota voor het Nederlandse vrouwen- en ontwikkelingsbeleid, maar vreesde wel dat de reorganisatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken als gevolg van de herijking de verdere ontwikkeling van dit vrouwen en ontwikkelingsbeleid zal bemoeilijken. Zij drong erop aan dat dit wordt voorkomen.

Ten slotte maakte ook zij alle betrokkenen bij de conferentie in Beijing een compliment voor hun optreden. Zij hoopte dat met evenveel energie en doorzettingsvermogen de barrières in eigen land te lijf worden gegaan.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA) herinnerde eraan dat indertijd de nodige twijfels zijn geuit over de te verwachten resultaten en de plaats van de conferentie. Nu de conferentie heeft plaatsgevonden, kan vastgesteld worden dat de resultaten boven verwachting zijn geweest en dat ook van het houden van de conferentie in Beijing een positieve uitstraling is uitgegaan. Zo stond onlangs het bericht in de krant dat in Sjanghai het eerste opvanghuis voor vrouwen is geopend. Zij had dan ook grote waardering voor de zeer positieve, stimulerende, deskundige en professionele inbreng van vele vrouwen tijdens de conferentie.

Gezien de ervaringen die inmiddels zijn opgedaan met grote conferenties, zoals in Kaïro, Kopenhagen en nu onlangs in Beijing, was zij tot een zeer positief oordeel gekomen over het nut van dit soort grote conferenties over een bepaald thema. Landen worden hierdoor verplicht zich te richten op een bepaald beleidsterrein en worden gestimuleerd om elkaar op dat terrein te vinden. Inmiddels zijn grote stappen voorwaarts gezet. Zo is nu vastgelegd dat vrouwenrechten mensenrechten zijn en dat cultuur en religie nooit een alibi mogen zijn voor het schenden van mensenrechten van vrouwen. Van groot belang is ook dat, hoewel de invalshoeken van de diverse landen verschillend waren, de hoofdthema's toch bij elk van de landen terugkwamen, al gaf het ene land wat meer accent aan een bepaald thema dan het andere.

De vraag is nu vooral hoe de afspraken van de conferentie concreet kunnen worden uitgevoerd en hoe ontwikkelde landen, waaronder Nederland, geld en kennis zouden moeten inzetten om tot goede resultaten te komen. Onlangs is dat ook aan de orde gekomen op de bijeenkomst in Boekarest waar is gesproken over het vervolg van de top in Kopenhagen en indirect ook over het vervolg van de conferentie in Beijing en waar bezien is in hoeverre landen een pact kunnen aangaan om elkaar te stimuleren in de uitvoering van de afspraken van Beijing. Zien de bewindslieden dit als een goede werkwijze?

Mevrouw Doelman zag met belangstelling uit naar nadere voorstellen over de participatie van NGO-vertegenwoordigers in dit soort conferenties en de plaats van NGO's bij de uitvoering van conferentie-afspraken. Zij vond ook dat niet nu al moet worden besloten tot het houden van een nieuwe conferentie over vijf jaar, maar eerst de gemaakte afspraken in uitvoering moeten worden genomen en pas aan de hand van een tussenrapportage over die uitvoering moet worden bezien wanneer een nieuwe conferentie zinvol is.

Met ondersteuning van de vrouwenbeweging in Oost-Europa kan, zo meende zij, niet lang gewacht worden. In de praktijk blijkt het voor mensen uit Oosteuropese landen zelfs moeilijker om zich een plaats te verwerven dan voor mensen uit Afrikaanse landen, mede omdat zij veelal geen vreemde talen spreken en niet in staat zijn om tolken in te huren. Het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikt inmiddels over de nodige kennis over aspecten die met de positie van de vrouw te maken hebben. Op basis hiervan is bijvoorbeeld door dit ministerie een sterke stimulans gegeven aan het deelnemen van Afrikaanse vrouwen aan de conferentie in Beijing. Zij zou graag zien dat deze kennis op het ministerie bewaard blijft en ook in de toekomst gericht gebruikt kan worden, o.a. ten behoeve van de vrouwenbeweging in Oost-Europa.

Afsluitend constateerde zij nogmaals dat de conferentie in Beijing een succes is geworden. Dat succes moet behouden blijven en daarvoor is nog veel inzet van veel betrokkenen nodig.

Ook mevrouw Van Vliet (D66) stelde vast dat de conferentie succesvol is verlopen, eigenlijk tegen de verwachtingen in. Zij vond dat zeker een groot compliment waard, met name aan het adres van de NGO's. Vooral door hun intensieve voorbereiding en voortdurende lobby-werk is er in Beijing veel bereikt en zij meende daarom dat de NGO's ook in eventuele volgende conferenties volledig zouden moeten kunnen participeren. Logistieke problemen zoals die in Beijing, mogen geen reden zijn om de «grenzen van het toelaatbare voor wat betreft participatie van niet-regeringsvertegenwoordigers» ter discussie te stellen, zoals het heet in de brief van 13 oktober. Zij ging ervan uit dat het niet de bedoeling is om de participatie van NGO's te beperken, maar wat dan wèl wordt bedoeld met de geciteerde zin, was haar niet duidelijk.

De Afrikaanse en Caribische NGO's stelden zich tijdens de conferenties zeer professioneel en actief op en waren in staat als één groep naar buiten te treden. Daartegenover bleef Oost-Europa op de achtergrond en was het niet in staat, als de wil daartoe al aanwezig was, om als één groep op te treden. Mevrouw Van Vliet onderschreef in ieder geval dat de vrouwenbeweging in Oost-Europa ondersteuning nodig heeft.

In het slotdocument van de conferentie wordt niet aangegeven hoe de aanbevelingen voor het emancipatiebeleid moeten worden uitgevoerd en wie de uitvoering zal controleren. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij de staten, maar 40 staten hebben al een voorbehoud op één of meerdere punten gemaakt. Bovendien komen in de praktijk ook staten die zich achter de voornemens stellen, vaak niet tot een volledige uitvoering van die voornemens. Overigens draagt alleen al het formuleren en vastleggen van voornemens bij tot het emancipatieproces, want vrouwen kunnen hun regering er dan op aanspreken, maar zij vroeg toch op welke wijze de bewindslieden het Plan for action willen laten doorwerken in het Nederlandse beleid.

Nederland heeft in Beijing een succes geboekt doordat nu voor het eerst de seksuele keuzevrijheid van vrouwen is erkend. Het is een compliment waard dat dit moeilijke onderwerp nu is opgenomen in het slotdocument, mede omdat hier bijzonder veel mee samenhangt. Verder is nu, in het kader van het onderwerp «geweld tegen vrouwen», een verwijzing opgenomen naar seksuele slavernij van vrouwen in oorlogs- en conflictsituaties. In de brief van 1 december wordt daar echter verder niet op ingegaan. Er wordt daar alleen gezegd dat de Nederlandse steun aan de speciale VN-rapporteur voor geweld tegen vrouwen zal worden uitgebreid.

De erkenning van de kloof die gaapt tussen hetgeen in wetten is vastgelegd over de gelijkheid van mannen en vrouwen, en de uitvoering daarvan in de dagelijkse praktijk, vond mevrouw Van Vliet wat mager, maar anderzijds besefte zij dat deze erkenning al een hele stap voorwaarts is. Enige compensatie op dit punt wordt ook geboden door de oproep om steun te verlenen aan de totstandkoming van een facultatief protocol voor het klachtrecht bij het VN-vrouwenverdrag. Zij zou wel graag zien dat hier vanwege Nederland meer nadruk op wordt gelegd, want zo'n klachtrecht kan vrouwen in de dagelijkse problemen met mensenrechten zeker steun geven.

De gevoerde discussie over discriminatie op grond van seksuele oriëntatie zag zij als een eerste aanzet tot een langzame verandering in het denken in vele landen. Het leek haar van groot belang dat Nederland steeds aandacht voor dit onderwerp blijft vragen.

Zij onderschreef het al gestarte onderzoek naar strategieën om de politieke participatie van vrouwen in ontwikkelingslanden op alle niveaus te verhogen. Regeringen, politieke partijen en bedrijfsleven in ontwikkelingslanden moeten inderdaad werken aan de opbouw van een sterke groep vrouwelijke leiders op belangrijke strategische posities, maar ditzelfde geldt voor een land als Nederland. Opgelegde quota leek haar hierbij niet de juiste strategie, maar streefcijfers die zijn afgestemd op het aanbod, vond zij wel een goed middel.

Ten slotte zag zij graag dat de uitkomsten van de succesvol verlopen conferentie nog sterker worden verwerkt in de nota «Emancipatie in uitvoering», opdat ook uit de uiteindelijke koersbepaling van het Nederlandse beleid blijkt dat de nodige inspiratie is opgedaan uit de conferentie.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma (GroenLinks) merkte op dat de afgevaardigden naar de wereldvrouwenconferentie opgetogen terugkwamen, ondanks de problemen bij de voorbereiding van de conferentie en de nodige twijfels vooraf of positieve resultaten zouden worden geboekt en de verworvenheden van de conferenties in Kaïro en Kopenhagen behouden zouden blijven. Vooral de contacten met en de opstelling van vrouwen uit Afrikaanse landen bleken enthousiasmerend te zijn geweest. Er waren anderzijds ook problemen, die vooral de NGO's hebben ondervonden: vervoersproblemen, tegenwerking van de Chinese regering op het punt van het visabeleid ten aanzien van Tibetaanse vrouwen, prostituees en lesbiènnes, intimidatie door de Chinese autoriteiten van de Forum-deelnemers, arrestatie van journalisten en belemmering van contacten met de plaatselijke bevolking.

Op de conferentie in Beijing is op een aantal punten een aanvaardbaar compromis tot stand gekomen, zoals inzake de reproduktieve rechten van vrouwen en het delicate onderwerp «vrouwenhandel» dat in de uiteindelijke tekst duidelijk wordt onderscheiden van prostitutie. Daarnaast zijn de seksuele rechten van vrouwen erkend, ondanks de zware lobby in de aanloop naar de conferentie van de zijde van het Vaticaan en islamitische landen. Weliswaar heeft de erkenning van deze seksuele rechten de slottekst niet gehaald, maar daartegenover is eveneens de aantekening vervallen dat deze rechten ondergeschikt worden gemaakt aan de culturele eigenheid van elk land. Er is vooruitgang geboekt inzake erkenning van mensenrechten, geweld tegen vrouwen, nieuwe en aanvullende middelen van bestaan, erfrecht, ouderschapsrechten en -verantwoordelijkheden, erkenning van zelfbeschikkingsrecht en eigen verantwoordelijkheid van vrouwen op seksueel gebied, de volledige eerbiediging van de persoonlijke integriteit en gelijkheid in de relatie tussen mannen en vrouwen op seksueel en voortplantingsgebied. Daarnaast kan worden genoemd erkenning van het recht van meisjes op privacy en een persoonlijke levenssfeer, met een verantwoordelijkheid van ouders om steun en leiding te geven. Ook zijn verkrachting en gedwongen zwangerschap in oorlogstijd tot oorlogsmisdaden verklaard, waar overigens de praktijk die vrouwen in het voormalige Joegoslavië moeten ondergaan, schril bij afsteekt. Positieve resultaten zijn ook behaald bij de veroordeling van internationale vrouwenhandel en de oproep tot internationale samenwerking en bestraffing van degenen die zich daaraan schuldig maken.

Al met al was mevrouw Varma dan ook zeer te spreken over de wijze waarop de conferentie is gehouden en de resultaten die zijn geboekt. Vrouwen uit de hele wereld zijn in solidariteit bij elkaar gekomen en hebben over een aantal belangrijke thema's consensus bereikt. De vraag is nu hoe daar in Nederland verder invulling aan wordt gegeven. Met de brief van 1 december stemde zij in dat verband graag in. Zij noemde drie punten die zij met name belangrijk vond: ondersteuning van de vrouwenbeweging in Oost-Europa, een strategienota vrouwen en ontwikkelingsbeleid en de rol van de NGO's.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheidaccepteerde gaarne de complimenten vanuit de Kamer die hij met name wilde doorgeven aan de ambtelijke delegatie naar de conferentie in Beijing. Juist door de zeer sterke bezetting van deze delegatie heeft Nederland op de conferentie een belangrijker rol kunnen spelen in de EU-delegatie dan naar verhouding verwacht mocht worden. De EU-delegatie heeft, omdat zij voor de vijftien lidstaten optrad, veel gewicht in de schaal gelegd. Daarnaast is opmerkelijk dat op een aantal cruciale punten samenwerking kon worden bereikt met delegaties uit Afrika en het Caribisch gebied. Door de ontwikkeling van de behandeling van dit brede onderwerp, ook in verband met ontwikkelingen binnen de VN zelf, wordt de ruimte groter voor vruchtbaar overleg over concrete thema's. De polarisatie van vroeger (oost versus west of noord versus zuid) is aan het verdwijnen of heeft inmiddels een andere betekenis gekregen. Opmerkelijk was ook de zeer omvangrijke participatie ter plaatse, zowel bij de officiële als bij de NGO-delegaties, terwijl door middel van de elektronische multimedia zeer veel mensen over de hele wereld direct konden worden ingelicht over en betrokken bij de gang van zaken tijdens de conferentie.

Inderdaad was er tevoren de nodige scepsis over de mogelijke uitkomsten van de conferentie, gezien de bevolkingsconferentie in Kaïro waar het bij enkele belangrijke thema's moest blijven bij een patstelling. De minister was dan ook verheugd dat het toch mogelijk is gebleken om in Beijing, in een zeer intensief proces, een stuk verder te komen, vooral bij thema's als mensenrechten, seksuele rechten en gezondheid. Hij tekende daarbij aan dat enerzijds de vooruitgang die op enkele hoofdpunten is geboekt, vooral tot stand is gekomen vanuit hetgeen in West-Europa de afgelopen decennia al is bereikt, terwijl het anderzijds op enkele terreinen waar in ieder geval Nederland nogal achterloopt, vooral is gebleven bij consolidatie van afspraken die al eerder op internationale conferenties waren gemaakt. Op die punten is er in het Nederlandse beleid dus nog het nodige te doen, aan de hand van de totaalrekening van de opvolgende conferenties.

Vanaf 11 maart a.s. zal de CSW in New York bijeenkomen, met als belangrijkste agendapunten de follow up van de conferentie te Beijing en enkele prioriteitsthema's, in het bijzonder het uitbannen van stereotiepe beeldvorming, kind- en zorgtaken inclusief het delen van verantwoordelijkheden tussen mannen en vrouwen, en vredesonderwijs. Deze thema's zijn overigens al eerder vastgesteld. Deze commissiebijeenkomst zal dan ook gelegenheid bieden om naar aanleiding van de resultaten van Beijing de agenda voor de komende jaren te actualiseren en daar ook werkafspraken over te maken, te beginnen met de thema's waarover in het slotdocument aanbevelingen zijn gedaan. Voor de commissiebijeenkomst in het voorjaar van 1997 zal Nederland een meer actieve rol kunnen spelen, omdat Nederland dan het voorzitterschap van de EU-delegatie vervult.

Parallel aan de commissiebijeenkomst vanaf 11 maart is er een expertbijeenkomst ter opstelling van een aanvullend protocol bij het VN-vrouwenverdrag, om een individueel en een groepsklachtrecht mogelijk te maken. Namens Nederland zal een hooggewaardeerd deskundige op het gebied van internationaal recht en vrouwenrechten deze expertbijeenkomst bijwonen. De bewindsman had de indruk dat door de uitspraken van Beijing de aanvankelijke aarzeling die er was na de Weense mensenrechtenconferentie in 1993, inmiddels is overwonnen. Hij had dan ook de verwachting dat in de parallelle expertbijeenkomst de basis zal worden gelegd voor een behoorlijke vooruitgang op dit punt in de komende periode. Door Nederland wordt hier in ieder geval onverkort prioriteit aan gegeven.

De opstelling van het programma voor het Nederlandse EU-voorzitterschap gedurende de eerste helft van 1997, waar alle ministeries aan bijdragen onder coördinatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken, is nog niet afgerond. Wel kon de bewindsman, hierop vooruitlopend, al zeggen dat wordt onderzocht of in die voorzittersperiode een initiatief kan worden genomen inzake het thema vrouwenhandel, aansluitend op discussie die nu plaatsvindt tussen de Europese Commissie en het Europees Parlement. Hij had redenen om aan te nemen dat een dergelijk initiatief vruchtbaar kan zijn.

Aan de afzonderlijke ministeries is inmiddels gevraagd om aan de hand van de centrale thema's van het plan van actie na te gaan wat op hun eigen werkterrein mogelijk is. Vanwege Ontwikkelingssamenwerking is daar reeds, bij brief van 1 december, een voortouw in genomen. De minister zei dat het uiteraard niet zijn bedoeling is om, als coördinerend bewindsman in dezen, dit verder alleen passief te volgen, maar hij vond wel dat het in de rede ligt om nu eerst het initiatief aan de diverse ministeries zelf te laten. In de stukken bij de komende begroting zal nader worden aangegeven hoe interdepartementaal invulling wordt gegeven aan de centrale thema's van het plan van actie.

De suggestie om een emancipatie-effectrapportage op te stellen bij de voorstellen inzake mogelijke herziening van het kiesstelsel in Nederland, vond de bewindsman in de lijn liggen van de aanbevelingen van Beijing, zowel naar de letter als naar de geest. Hij was dan ook bereid om in overleg met staatssecretaris Kohnstamm te bevorderen dat een dergelijke rapportage wordt opgesteld.

In reactie op de opmerkingen over het zichtbaar maken van onbetaalde arbeid herinnerde hij eraan, al bij diverse gelegenheden te hebben gesteld dat het zeker terecht is om te proberen dit meer zichtbaar te maken, maar dat het anderzijds ook lastig is om dat op een goede manier te doen. Hij stelde zich voor in overleg met het Centraal planbureau na te gaan, op welke wijze in Nederland invulling kan worden gegeven aan deze paragraaf van het slotdocument van Beijing.

Het was hem niet goed duidelijk waar op wordt gedoeld met de opmerking over een hernieuwde invulling van de 1990-maatregel. Een aantal elementen hiervan is terug te vinden in het programma van «Emancipatie in uitvoering» en uiteraard zal ook bij de komende discussie over de vereisten van het sociale stelsel op langere termijn het element van de wisselwerking tussen nieuwe vereisten op de arbeidsmarkt en sociale zekerheid aandacht moeten krijgen. In ieder geval komt dit aspect van de 1990-maatregel zeker terug in de komende rapportages van de diverse ministeries, waaronder ook de ministeries van VWS en OCW.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sportmerkte hierbij ter aanvulling op dat in het kader van het welzijnsbeleid zowel meisjes- als jongensbeleid wordt gevoerd, vooral toegespitst op allochtone jongens en meisjes die in het kader van de 1990-maatregel nog met een extra achterstand kampen.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verwees in antwoord op de opmerkingen over geweld tegen vrouwen naar het voornemen dat in «Emancipatie in uitvoering» is aangekondigd. Nederland zal daarnaast de VN-rapporteur actief blijven ondersteunen, ook in financiële zin. In Beijing had hij ook zelf een gesprek met deze rapporteur gevoerd en daarbij was hij onder de indruk gekomen van de potentiële mogelijkheden van haar bureau om concreet uitvoering te geven aan de hierover inmiddels gemaakte afspraken.

Ook de minister voor Ontwikkelingssamenwerking herinnerde eerst aan de scepsis die voorafgaand aan de conferentie in Beijing alom leefde. Des te verheugender is het dat op deze conferentie belangrijke successen konden worden geboekt. Daarmee wordt de lijn van de laatste jaren voortgezet, want sinds ongeveer 1990 is het steeds gelukt om vooruitgang te boeken op grote internationale conferenties: de kindertop, de conferentie over de mensenrechten in Wenen, de conferentie in Rio, in zekere zin ook de bevolkingsconferentie, de top in Kopenhagen en nu dan Beijing. Dit is opmerkelijk, want in de jaren tachtig leidden VN-conferenties veelal tot patstellingen. Het is zelfs te meer opmerkelijk omdat juist de laatste jaren de VN zèlf in een crisissituatie verkeert. Het succes van de VN-conferenties in de jaren negentig heeft wellicht mede te maken met het feit dat op al deze conferenties veel meer vrouwen aanwezig waren dan op de politieke en economische conferenties in de jaren zeventig en tachtig.

Daarnaast geldt dat de onderwerpen van de jongste VN-conferenties van karakter veranderd zijn. Het gaat niet meer om louter economische of politieke onderwerpen, maar om brede culturele onderwerpen, zij het dat economische en politieke onderwerpen nog wel een rol spelen. Anderzijds zou verwacht mogen worden dat juist bij onderhandelingen over een economisch onderwerp gemakkelijker tot overeenstemming kan worden gekomen dan bij onderhandelingen over een cultureel onderwerp. Bij een economisch onderwerp kan immers vaak een win-win-situatie worden bereikt door middel van economische groei, terwijl dat bij een cultureel onderwerp niet kan en de tegenstellingen vaak ook scherper zijn, mede door angst voor verlies van identiteit. Bovendien zijn de culturele tegenstellingen in de jaren negentig groter geworden dan voorheen. Desondanks is het gelukt om de laatste jaren op een aantal conferenties goede resultaten te bereiken. Wellicht is een verklaring hiervoor dat de culturele tegenstellingen zich vooral binnen landen en culturen voordoen, niet zozeer tussen landen of tussen culturen. Zo zijn bijvoorbeeld de culturele tegenstellingen binnen de islam eigenlijk groter dan de tegenstellingen tussen islam en christendom. Een conferentie zoals die in Beijing is een bijeenkomst van vertegenwoordigers van landen en dan mag wellicht verwacht worden dat bestaande culturele tegenstellingen binnen culturen en binnen landen enigszins worden beheerst, maar anderzijds is er ook het risico dat op zo'n conferentie een consensus wordt bereikt die niet echt die feitelijk bestaande culturele tegenstellingen weerspiegelt. Het is dan ook heel wel mogelijk dat de uitkomst van Beijing vooruitloopt op de feitelijke overeenstemming die over dezelfde onderwerpen tussen landen en tussen culturen bestaat.

Toch ligt hier een belangrijke functie voor de VN. Nu op dit soort conferenties blijkt dat het mogelijk is om het eens te worden, kan dat immers katalyserend werken binnen landen en binnen culturen. Het belang van die forum- en leiderschapsfunctie van de VN neemt zelfs toe naarmate de culturele tegenstellingen groter worden, hetgeen de laatste jaren het geval is. Zo kan de formulering die in Beijing uiteindelijk uit de bus is gekomen over differentiatie tussen landen en culturen in relatie tot mensenrechten, volwassener worden genoemd dan op vorige conferenties het geval was. Juist die katalyseringsfunctie van de VN is dan ook van groot belang. Anderzijds moeten ook de risico's van dit soort conferenties in het oog worden gehouden. Zo was het in feite een bijeenkomst van een soort culturele wereld-elite die dezelfde taal spreekt, met het gevaar dat vervreemding optreedt jegens degenen die worden vertegenwoordigd.

Al met al vond de minister dat hier sprake is van een belangrijke verworvenheid van de laatste jaren die moet worden gekoesterd. Daarom moet ook niet te vaak zo'n conferentie worden georganiseerd, maar moet dat goed gedoseerd gebeuren, met vrij lange tussenperiodes, waarbij naast vertegenwoordigers van landen ook NGO's en basisbewegingen bij elkaar komen. Daarbij is het niet eens zó relevant of het gaat om een conferentie over vrouwenrechten, milieu, inheemse groepen of mensenrechten in het algemeen, want het betreft dan toch vaak dimensies van hetzelfde vraagstuk: de tegenstellingen in de wereld tussen allerlei verschillende groepen, zij het steeds opnieuw op een andere manier omschreven.

Uiteraard is van belang dat de afspraken van zo'n conferentie ook worden uitgevoerd. Anders ontstaat alleen maar een extra frustratie, naast de spanning die er toch al is tussen een conferentie op wereldniveau en de situatie op het nationale niveau. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van bestaande VN-structuren en VN-instrumenten, zoals de CSW en de speciale VN-rapporteur voor vrouwenrechten. Nederland geeft daar steun aan, ook in financiële zin. In de brief van 1 december is die steunverlening vooral toegespitst op Afrika, maar de bewindsman had begrepen dat de Kamer ook graag steun aan Oost-Europa ziet. Daar lag voor hem wel een probleem, omdat hij in het kader van de komende herijking alleen nog een competentie zal hebben ten aanzien van ontwikkelingslanden in engere zin. Voor steunverlening aan Oost-Europa zal dus primair de minister van Buitenlandse Zaken moeten worden aangesproken. Wel zegde de bewindsman toe, dit punt in de interne discussie binnen het ministerie in te brengen en hij zag ook mogelijkheden om de thematische deskundigheid Vrouwen en ontwikkeling, die inmiddels vanuit Ontwikkelingssamenwerking is ontwikkeld, in te zetten ten behoeve van de beleidsontwikkeling ten aanzien van Oost-Europa. Financiële middelen, bijvoorbeeld ter ondersteuning van vrouwennetwerken in Oosteuropese landen, zullen uit een andere bron moeten komen dan uit die van de ontwikkelingsgelden. Vanuit die gelden kan wèl ruim geput worden ten behoeve van Afrika.

Overigens moet de brief van 1 december vooral worden gezien als een opsomming van voornemens naar aanleiding van de conferentie in Beijing. Hij stelde zich voor eind december 1996 opnieuw een brief aan de Kamer te zenden en dan aandacht te geven aan de operationele vertaling van die voornemens. Verder merkte hij op dat een aantal zaken dat in Beijing naar voren is gekomen, al eerder was opgepakt in het algemene kader van Vrouwen en ontwikkeling. In de begroting-1996 zijn daar ook meer middelen voor opgenomen. In het algemeen gaat het hierbij om het ondersteunen van vrouwengroepen en vrouwennetwerken in andere landen. Soms wordt dat gedaan door middel van studies door universiteiten in binnen- en buitenland die door Nederland worden meegefinancierd, zoals vrouwen en conflict en vrouwen en geweld, maar ook de genderdimensie van macro-economische ontwikkeling. Hij nam zich voor ook hierover eind 1996 nader te rapporteren. Daarnaast krijgt die ondersteuning vorm in de zin van een directe subsidiëring van het werk van vrouwengroepen, voornamelijk in Afrikaanse landen, en in de zin van uitbreiding van de mogelijkheden van de sectorspecialisten in de landen zelf, waardoor deze zelf in samenwerking met vrouwengroepen in het betreffende land programma's kunnen opzetten en ondersteunen. In een aantal landen zijn dergelijke contacten al tot stand gekomen en dat heeft mede geleid tot een behoorlijke inbreng vanuit die landen op de conferentie in Beijing. Verder worden mogelijkheden gezocht om in China tot steun aan het vrouwenplatform te komen. De minister hoopte bij zijn volgende bezoek aan dat land te kunnen spreken met dit Chinese vrouwenplatform. Vooruitlopend daarop is de Nederlandse ambassade in China gevraagd daarover contacten te leggen.

Inderdaad is het de bedoeling om het punt van seksuele slavernij te betrekken in de ondersteuning van de speciale VN-rapporteur over geweld tegen vrouwen. Verder zal dit punt worden betrokken in de relaties met de Filipijnen en andere landen in Zuidoost-Azië, op dezelfde manier als dat enige tijd geleden gebeurd is in de relaties met Latijnsamerikaanse landen, in het bijzonder de Dominicaanse Republiek.

Omdat het op conferenties als die in Beijing uiteindelijk gaat om een intergouvernementele besluitvorming, is er het risico van uitwassen waar het gaat om de betrokkenheid van NGO-vertegenwoordigers, al dienen NGO's uiteraard in sterke mate betrokken te zijn bij de besluitvorming. Dat risico van uitwassen is er des te sterker in het geval NGO's zich zouden vervreemden van de basis, o.a. doordat zij over overvloedige financiële middelen gaan beschikken. Overigens hebben zich dit soort negatieve aspecten tot nu toe op andere internationale conferenties niet voorgedaan en daarom is in de stukken ook geen conclusie op dit punt getrokken. Wel is duidelijk dat het in dit soort situaties van belang is om vooral steun te geven aan NGO's uit de betrokken landen zelf. Dat is ook gedaan in het kader van de recente conferentie over Afrika in Maastricht, waar bewust veel Afrikaanse NGO's voor waren uitgenodigd, om te bereiken dat niet over Afrika werd gesproken zònder een sterke inbreng van Afrika zelf.

Ten slotte merkte de bewindsman op dat vanwege Nederland veel is gedaan aan de voorbereiding van het werk van het VN-tribunaal inzake Joegoslavië. Er is veel documentatie tot stand gekomen die ook gebruikt zal worden door de heer Goldstone en diens opvolger. Daarnaast zijn een aantal kleinere activiteiten mede door Nederland gefinancierd. Het is de bedoeling deze Nederlandse bijdragen voort te zetten in overleg met deskundigen, zo mogelijk afkomstig uit de regio zelf. Daar zijn ook financiële middelen voor beschikbaar. De minister zegde toe hier in de loop van het jaar nadere informatie over te geven.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sportonderschreef dat vooral door de forumfunctie van de VN de jongste conferenties een succes zijn geworden. Zij zag dat echter niet zozeer als een verdienste van de VN zelf, maar vooral als een verdienste van de NGO's. In Kopenhagen stond de NGO-conferentie nog los van de officiële conferentie, maar in Nairobi kwam dat al enigszins anders te liggen, met name omdat de vrouwen van de NGO's elkaar begonnen te vinden en zich niet uit elkaar lieten spelen, en in Beijing had het NGO-forum veel invloed op de officiële conferentie. De bewindsvrouwe zou dan ook niet graag zien dat weer wordt gekozen voor het houden van regionale conferenties. Zij gaf er de voorkeur aan dat toch wereldwijde conferenties gehouden blijven worden, desnoods toegespitst op bepaalde thema's, omdat juist dan een interactie tussen vrouwen uit alle landen kan plaatsvinden en juist dan een maximale ondersteuning kan worden gegeven aan de regio's die nog achterlopen.

Aan de suggestie om in de komende begrotingsstukken per ministerie inzicht te geven in de acties ter uitvoering van de in Beijing gemaakte afspraken, wilde zij graag gevolg geven. Op die manier kan een en ander ook door de NGO's worden gevolgd.

Ook zij zag het als een belangrijke verworvenheid dat vrouwenrechten nu integraal als mensenrechten worden gezien. Het verzoek aan Nederland om in het kader van de vierjaarlijkse rapportage over het internationaal verdrag tegen discriminatie van vrouwen in het bijzonder te rapporteren over de positie van lesbische vrouwen, kan nu ook in het kader van deze verworvenheid van Beijing worden gezet.

Het Nederlandse platform vrouwen en gezondheid is inmiddels op het ministerie van VWS ontvangen, waarbij gesproken is over een Nederlands actieprogramma vrouwen, gezondheid en welzijn dat ligt in de lijn van de aanbevelingen van Beijing. Het ministerie was al doende met een onderzoek naar gezondheidsverschillen die samenhangen met armoede en meer in het algemeen sociaal-economische verschillen en het is de bedoeling dat onderzoek nu uit te breiden met de invalshoek van seksegerichtheid. Ook zal meer seksespecifiek worden gekeken naar preventieve programma's die zijn gericht op de gezondheid van vrouwen, en zal er veel meer oog zijn voor de seksespecifieke benadering van de geestelijke gezondheidszorg. Verder is de kwaliteit en de toegankelijkheid van de zorg voor allochtone vrouwen en meisjes nadrukkelijk in beeld.

Bij organisaties als het FIOM en de Rutgersstichting is veel kennis en deskundigheid aanwezig die kunnen worden ingezet ten behoeve van het ontwikkelen van programma's voor Oost-Europa. Ook instellingen als het NIZW en VOG kunnen daar zeer behulpzaam in zijn.

Ten slotte beklemtoonde ook de bewindsvrouwe het belang van meebesturen en meebeslissen door vrouwen in politieke lichamen en adviesorganen. Het eerste adviesorgaan dat na Beijing vanwege het ministerie van VWS kon worden bemensd, bestaat voor 50% uit vrouwen.

2. Nota «Emancipatie in uitvoering» en notitie voorkeursbeleid vrouwen

Mevrouw J. M. de Vries (VVD) merkte op dat voorafgaand aan het uitkomen van de nota de verwachtingen hooggespannen waren, ook in de vrouwenbeweging. Over de inhoud van de nota was zij echter teleurgesteld. Zo vond zij het een gemiste kans dat niet voorafgaand aan het uitbrengen van deze nota de drie speerpunten uit het beleidsplan emancipatie 1990–1995 zijn geëvalueerd. Met de nota wordt nu wel naar de toekomst gekeken, maar nog niet duidelijk is wat er van het tot nu toe gevoerde beleid al dan niet terecht is gekomen.

Ter illustratie daarvan noemde zij het onderwerp «vrouwen in politiek en openbaar bestuur». De laatstgehouden verkiezingen vonden in de eerste helft van 1995 plaats en direct daarna had, zo meende zij, een evaluatie van dit onderwerp opgemaakt kunnen worden. De resultaten van die evaluatie hadden dan betrokken kunnen worden bij bijvoorbeeld het benoemen van vrouwen in adviesraden. Zij was overigens erkentelijk voor de al toegezegde emancipatie-effectrapportage ex ante. Verder noemde zij in dit verband het onderwerp «beeldvorming». Dat leek haar, gezien de 20ste plaats die Nederland inneemt op de gender-related development index uit het jongste UNDP-rapport, toch geen onbelangrijk onderwerp. In de nota «Emancipatie in uitvoering» staat hier nauwelijks iets over, terwijl de minister vandaag nog in Amsterdam heeft gesteld dat het doorbreken van de beeldvorming tussen mannen en vrouwen de kern van het emancipatievraagstuk vormt.

Opportunity 2000 wordt als nieuw beleid geïntroduceerd in de nota, maar dat is slechts gedeeltelijk waar. Onder het motto «Uitdaging 2000», opgezet naar aanleiding van hetzelfde succesvolle Britse model, wordt er immers al gewerkt aan het in kaart brengen en verbeteren van de positie van vrouwen in bedrijfsleven en semi-overheid. Het siert de minister dat hij zich ervoor wil inzetten om dit beleid tot op het hoogste niveau te introduceren, maar het siert hem niet wanneer hij in de nota het al bestaande initiatief op dit punt negeert. De initiatiefnemers van Uitdaging 2000 zullen zeker bereid zijn hun deskundigheid en contacten met de minister te delen. De minister kan de top van bedrijven engageren, maar die top kan het weer niet zonder de mensen die het uiteindelijk moeten uitvoeren en die weg is al voor een deel bereid. Is er contact geweest tussen de minister en de initiatiefnemers van Uitdaging 2000 en, zo nee, is de minister bereid alsnog dit contact op te nemen?

In de nota komt niet zo uit de verf wat de rol van de coördinerend minister is en wat expliciet tot de taak van de onderscheiden ministeries behoort. Ook mevrouw De Vries was voorstander van facetbeleid, maar in de praktijk krijgt de emancipatie in het kader van dat beleid vaak een lage prioriteit. Verankering kost soms veel tijd en energie. Wat kan de minister doen wanneer ministeries en semi-overheidsorganen te weinig voortgang maken? Overigens zijn er goede voorbeelden van facetbeleid te noemen, zoals de emancipatie-effectrapportage ex ante over het HOOP en het onlangs besproken emancipatiebeleid van het ministerie van Financiën.

Een aantal organisaties op het terrein van de emancipatie, vooral in de ondersteuningsstructuur, hebben te maken gekregen met een taakstelling. De minister wil pas in de komende begrotingsstukken nadere voorstellen doen. Dat is aan de late kant. Reeds in februari 1994 heeft de Emancipatieraad op verzoek van de toenmalige bewindslieden advies uitgebracht over de toekomstige advisering over het emancipatiebeleid, waarbij de eerste ideeën over een onafhankelijk expertisecentrum emancipatie zijn aangekondigd, en op grond van de positieve reactie daarop heeft de Emancipatieraad die ideeën nader uitgewerkt. Het had mevrouw De Vries dan ook verbaasd dat hier in de nota niet op wordt ingegaan en alleen wordt verwezen naar de komende begrotingsstukken.

Iets dergelijks geldt voor de nu bestaande ondersteuningsstructuur. In december 1995 verscheen een onderzoek, verricht in opdracht van het ministerie van SZW. Zij had er begrip voor dat de minister daar nu nog geen afgerond oordeel over heeft kunnen vormen, maar ook in dit geval geldt dat initiatieven die pas op Prinsjesdag openbaar worden gemaakt, te laat kunnen komen. Er is het risico dat inmiddels veel expertise verloren gaat, want sommige organisaties die te maken hebben gekregen met een taakstelling, verkeren dan al in de afbouwfase.

Al met al drong mevrouw De Vries er daarom op aan dat de minister ruim vóór de zomer met zijn plannen voor vernieuwing van de emancipatie-ondersteuningsstructuur en het vervolg op de Emancipatieraad komt, opdat de Kamer daar nog voor het zomerreces een oordeel over kan geven.

In de nota worden allerlei vormen van rapportage, monitoring en onderzoek aangekondigd. Wat wordt daar dan straks mee gedaan? Waarom niet eerst een cijfermatige rapportage met conclusies over het emancipatiebeleid van de afgelopen vijf jaar, om daar vervolgens toekomstig beleid op af te stemmen? Er is bijvoorbeeld al de Sociale atlas van de vrouw, vol met cijfers en grafieken over allerlei onderwerpen. Moet daar dan nog veel bij komen?

De beleidsvoornemens inzake allochtone vrouwen zijn nog niet duidelijk uitgewerkt. Wat is nu precies de bedoeling op dit punt, behalve het zichtbaar maken in statistische gegevens? Hoe verfijnd zullen die gegevens trouwens zijn? De groep allochtone vrouwen is immers zeer divers: naar land van oorsprong, naar generatie, naar religie, naar ontwikkeling, naar het niveau van onderwijs dat zij hebben ontvangen e.d.

Wat zal concreet worden gedaan aan bestrijding van seksueel geweld dat ook in Nederland zorgwekkend toeneemt? In de nota wordt wel gezegd dat er een plan van aanpak komt, maar daarmee wordt nog niet duidelijk wat er daadwerkelijk zal gebeuren.

Afrondend merkte mevrouw De Vries op dat emancipatie soms min of meer een gepasseerd station lijkt. Dat is het echter niet en er blijft dan ook veel aandacht nodig voor het emancipatiebeleid. Zij vroeg zich af of niet te veel de nadruk wordt gelegd op allerlei maatregelen voor, door en over vrouwen, waardoor er te weinig aandacht overblijft voor de vraag welke maatregelen genomen zouden moeten worden ten aanzien van de maatschappij in het algemeen. Zo vond zij het omineus dat in de nota nergens mannen bij het emancipatieproces en het bredere maatschappelijke proces worden betrokken.

Mevrouw Vliegenthart (PvdA) had de indruk dat de nota «Emancipatie in uitvoering» min of meer het slachtoffer lijkt te worden van de hoge verwachtingen die voorafgaand aan de conferentie in Beijing waren gewekt. Na Beijing zou er een nieuwe koers voor het emancipatiebeleid worden uitgezet, zo was de verwachting, en dat is ook nodig gezien de impasse waarin dit beleid zich bevindt. Verder moet nog een afronding en evaluatie plaatsvinden van het werk van drie projectgroepen, terwijl ook de evaluatie van het beleidsprogramma «Met het oog op 1995» nog moet verschijnen. De nota «Emancipatie in uitvoering» is daardoor een soort tussennota geworden, met een werkprogramma voor 1996, voor zover het de coördinerende rol van SZW betreft.

Zij vond het daarom begrijpelijk dat de teleurstelling over de nota groot is. Iets anders was echter niet goed mogelijk; er kon immers ook niet vooruit gelopen worden op de evaluatie van het werk van de drie projectgroepen en van het beleidsprogramma «met het oog op 1995». Achteraf gezien was het beter geweest als niet de indruk was gewekt dat na Beijing een nieuwe koers op tafel zou liggen, maar juist de nadruk was gelegd op het nog af te leggen traject.

In de nota wordt terecht gesteld dat er de laatste decennia veel veranderd is in het opinie-klimaat en dat de arbeidsparticipatie van vrouwen fors toeneemt (deze stijgt nog steeds met 1% per jaar), maar dat er anderzijds nog steeds geen sprake is van een gelijke maatschappelijke positie van mannen en vrouwen. Op de gender-related index staat Nederland op de 20ste plaats, terwijl de algemene index de vierde plaats aangeeft. Nieuwe impulsen zijn derhalve nodig en Beijing vormde in de beleving van velen de basis voor een hernieuwd elan dat als hefboom voor nieuw beleid zou moeten functioneren. De voorliggende nota biedt hiervoor wel een aantal aanzetten en het leek mevrouw Vliegenthart dan ook niet zinvol om volledig met de discussie te wachten totdat de diverse evaluaties op tafel liggen. Het overleg van vandaag zag zij daarom als een soort van eerste ronde.

In de nota komen allerlei impliciete veronderstellingen voor over het uitgewerkt zijn van de traditionele emancipatie-instrumenten en keuzes voor nieuwe strategische allianties. Op zichzelf kon zij het daarmee eens zijn. Het debat over de noodzakelijke vernieuwing van de emancipatie-instrumenten wordt op dit moment echter vooral ervaren als een bedreiging. Het instituut Emancipatieraad zal worden opgeheven en ondersteuningsorganisaties zijn niet zeker van voortgezette subsidiëring. Daarom dreigt een nogal defensief debat met de vrouwenbeweging, of zelfs een confrontatie, terwijl de noodzaak van een debat over een inhoudelijke vernieuwing, vooral van de uitvoering van het beleid, groot is. Het is daarom nodig om de agenda op te stellen voor de inhoudelijke vernieuwing (het aanscherpen van de prioriteiten en het consequent doorvoeren van die prioriteiten in het overheidsbeleid) en om de organisatie van het emancipatiebeleid onder de loep te nemen. Het creëren van een draagvlak voor het doorvoeren van maatschappelijke verandering betekent dat er ook een draagvlak binnen de vrouwenbeweging moet zijn, hetgeen overigens niet impliceert dat alles bij het oude kan en moet blijven.

Zij was het eens met de nadruk op verschuiving van doelstellingen naar uitvoering. Al is er veel bereikt, er moet ook nog veel gebeuren. De nota is echter tamelijk oppervlakkig in de onderbouwing van de noodzaak van de verschuivingen. Dat past wel in de huidige trend van minder ideologiseren, maar leidt er ook toe dat het als tamelijk willekeurig wordt ervaren en dat onvoldoende draagvlak voor de verschuivingen wordt gegenereerd.

Ten aanzien van arbeid en zorg laat het kabinet zich inspireren door het combinatiescenario van de commissie toekomstscenario's herverdeling onbetaalde arbeid. Eerst zal echter advies worden gevraagd, aldus de nota. Mevrouw Vliegenthart vond dat het kabinet ook best een standpunt kan verwoorden over te nemen maatregelen, mede aan de hand van de vele al beschikbare adviezen over hiermee samenhangende thema's. Voor zover er over bepaalde maatregelen nog niet is geadviseerd, kan daarover alsnog een gericht advies worden gevraagd. Op die manier wordt een versnelling bereikt die nodig is.

Bij de discussie over modernisering van het stelsel dient de moderne zorgende werknemer/werkneemster uitgangspunt te zijn. In Beijing heeft het betoog van de minister dat mannen hun verantwoordelijkheid voor verandering moeten nemen, een zeer positief onthaal gekregen. Dat zou in het verdere traject ook een plaats moeten krijgen. Het lijkt erop dat, nu het vak verzorging in de basisvorming zijn plaats heeft gekregen, het over is met het overige beleid gericht op zorgzelfstandigheid. In de ouderenzorg worden nu zelfs projecten opgezet ter bevordering van de zorgzelfstandigheid van mannen. Zij hoopte dat dit alleen een tijdelijke zaak is en dat er veel meer wordt gedaan om mannen op dit soort taken voor te bereiden. De «enige echte minister voor het gezinsbeleid» wilde zij graag prijzen voor zijn originele initiatief inzake de commissie voor de dagindeling van de samenleving en voor de 85 mln. die in het kader van de Armoedenota beschikbaar is voor buitenschoolse opvang ten behoeve van éénoudergezinnen, teneinde hen uit de bijstand te laten komen. Zij vond het niet bezwaarlijk dat niet alle zaken uit de nota Zorg en arbeid en de Armoedenota herhaald worden in de nota «Emancipatie in uitvoering» (dat is immers een consequentie van facetbeleid), maar er kan, zo meende zij, wel wat meer gebeuren waar het gaat om de zorgzelfstandigheid.

Het beleid inzake kinderopvang zal volgens de nota verder gemonitord worden. Er is echter verdere uitbreiding nodig, als het combinatiescenario en de verdere stijging van de arbeidsparticipatie serieus moeten worden genomen. Op dit punt blijft dan ook de discussie actueel over het omzetten van kostwinnersfaciliteiten in faciliteiten die bevorderen dat arbeid- en zorgtaken beter gecombineerd kunnen worden.

Wrang vond zij het dat vrouwenvakscholen die goede resultaten hebben bij het opleiden van vrouwen voor een baan, het zo moeilijk hebben. De eerste school is inmiddels gesloten, ondanks de extra middelen die aan Arbeidsvoorziening zijn toegezegd. De Vrouw-en-werk-winkels waren zo succesvol dat ze geïntegreerd moesten worden en zijn in de praktijk op een aantal plaatsen gewoon verdwenen. Omdat het toeleiden van vrouwen naar de arbeidsmarkt een zo belangrijk uitgangspunt van de nieuwe Bijstandswet is, behoren succesvolle instellingen niet te verdwijnen. In de voorliggende nota wordt steun toegezegd voor toeleidingstrajecten van bijstandsvrouwen naar de arbeidsmarkt en wordt overleg met de vrouwenvakscholen aangekondigd. Hoe staat het daarmee?

Het rapport Vrouw en bedrijf geeft aan dat het traditionele positieve actie-beleid uitgewerkt is en een negatief imago heeft. Daarmee is het niet meer effectief in het bereiken van de doelstelling om meer vrouwen en op hogere functies aan het werk te krijgen. Zowel de campagne Opportunity 2000 als het initiatief vrouw en bedrijf zou een nieuwe impuls kunnen vormen, maar een campagne zonder specifieke ondersteuning zal waarschijnlijk onvoldoende effectief zijn. In dit verband verwees mevrouw Vliegenthart naar de problemen die er in de praktijk zijn met de toepassing van de WBEAA. Een belangrijke barrière wordt gevormd door de selectieprocedures die in de meeste gevallen niet werkelijk sekse-neutraal uitpakken en ook op dit punt achtte zij het daarom van belang om verdere instrumenten te ontwikkelen.

Zij vond het jammer dat het aspect van de seksesegregatie in de nota ontbreekt. Het opleidingsniveau van mannen en vrouwen is inmiddels gelijk geworden, maar er zijn wel duidelijke verschillen in opleidingsrichting, al worden die verschillen geleidelijk aan minder. Op de arbeidsmarkt is echter te zien dat er meer doorstroming is van mannen- naar vrouwenberoepen dan omgekeerd. Alle projecten om die segregatie te doorbreken, zoals Techina 10, werken op zichzelf goed, maar zijn veel te kleinschalig om echt een ruime uitstraling te hebben. Verder kunnen vraagtekens worden gezet bij de manier waarop het vak techniek in de praktijk invulling krijgt. Die invulling lijkt niet zo op de praktijk gericht te zijn. Er is dan ook méér nodig op het vlak van de seksesegregatie, hetgeen in samenwerking met werkgeversorganisaties zou kunnen worden gedaan.

In dit verband vroeg zij hoe het staat met de effectiviteit van de specifieke subsidies in het leerlingwezen, bedoeld voor vrouwen die een technische beroepsopleiding volgen. Wat blijft er van dit soort instrumenten over na de fiscalisering van het leerlingwezen?

Aan seksueel geweld en vrouwenhandel wil het kabinet een hoge prioriteit geven. Zij juichte dat toe en steunde ook graag het initiatief voor een nieuw plan van aanpak. Er zijn echter ook negatieve ontwikkelingen, zoals het wegvallen van de gespecialiseerde eenheden jeugd- en zedenpolitie. Hoewel het niet de bedoeling was, zijn hierdoor in de praktijk wel nieuwe barrières ontstaan. Verder hebben de campagnes tegen seksueel geweld een zeer ruime bekendheid, maar is hun gedragsbeïnvloedende werking gering, getuige de enorme hulpvraag bij de vrouwenopvanghuizen en de Blijf-van-m'n- lijfhuizen. De ontwikkeling van een nieuw preventiebeleid is dan ook noodzakelijk en zij drong erop aan dat het kabinet dit voortvarend ter hand neemt.

Zij vroeg hoe het staat met het aantal vrouwen in de nieuwe adviesraden. Verder vroeg zij welke concrete maatregelen kunnen worden verwacht om de positie van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen te versterken.

In de nota wordt gezegd dat in de toekomst de coördinerende rol van de minister beperkter wordt en de ministeries meer zelf verantwoordelijk worden, met een initiërende en monitorende rol voor DCE. Een coördinerende rol is altijd al moeizaam geweest en zal dat ook blijven, omdat een coördinerend bewindspersoon altijd meekijkt in «andermans keuken». De vraag is hoe die coördinerende rol gestalte zou moeten krijgen, zeker gezien het startpunt van de nota dat er weliswaar veel veranderd is, maar de emancipatie nog niet geregeld is en het risico aanwezig is dat de aandacht voor emancipatie verdwijnt. Het leek haar met het oog hierop nodig om de functie van de interdepartementale coördinatiecommissie emancipatiebeleid (ICE) te versterken. Dat is immers het orgaan waar alle ministeries in vertegenwoordigd zijn en dan is er minder het idee dat vanwege SZW wordt meegeroerd in het «eigen kookpotje». Zij verwees daarbij ook naar de ervaringen met de commissie voor sociaal en cultureel beleid, die geleidelijk aan ook een integrerende functie heeft gekregen bij de onderlinge afstemming van het beleid van de diverse ministeries.

Ter ondersteuning van het integratieproces moet specialisatie en/of expertise aanwezig zijn. Op basis van de evaluatie van het beleidsprogramma «met het oog op 1995», de stukken die er nu liggen over het expertisecentrum en het onderzoek naar de ondersteuningsstructuur dient het kabinet duidelijk te maken welke functies vervuld moeten worden om integratie van het geëmancipeerde denken in beleid en uitvoering verder gestalte te geven. Aan de hand van de definitie van die functies kan dan vervolgens worden bezien hoe een en ander vorm moet krijgen. Mevrouw Vliegenthart wees erop dat op dit moment een groot aantal ondersteuningsorganisaties met een zeer beperkt budget voor een zeer grote opdracht staat. Ook zij wilde hier graag vóór de komende zomer duidelijkheid over hebben.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA) constateerde dat de nota «Emancipatie in uitvoering» niet aan de verwachtingen heeft voldaan, waarbij zij overigens in het midden liet of de verwachtingen tevoren te hoog gespannen waren, dan wel of de nota onvoldoende is. Wel herinnerde zij aan een eerdere uitspraak van de minister dat met deze nota een stap voorwaarts zou worden gemaakt. Gezien zo'n uitspraak is het wel begrijpelijk dat er hoge verwachtingen van de nota waren. Ook zelf had zij verwacht dat in de nota een duidelijker relatie met de conferentie in Beijing zou zijn gelegd. Zij beschouwde de nota dan ook meer als een tussenrapportage en zag verwachtingsvol uit naar de volgende nota waarin wordt ingegaan op de evaluatie van het beleidsprogramma «Met het oog op 1995», de relatie met Beijing duidelijker wordt gelegd en ook het expertisecentrum in beschouwing wordt genomen. Ook zij zou graag zien dat die nota nog vóór het zomerreces door de Kamer kan worden behandeld.

Uit de nota blijkt dat het emancipatiebeleid nog niet klaar is. Daar worden ook nadere voorstellen voor gedaan, maar lang niet altijd is duidelijk wat daar precies mee wordt beoogd en hoe het vorm zal krijgen. Zo wordt aangegeven dat het emancipatiebeleid bij allerlei beleid op andere terreinen moet worden betrokken: het grote steden-beleid, het personeelsbeleid, het ruimtelijk beleid enz. Zij was het daar uiteraard mee eens, maar hoe worden de organisaties die nu actief zijn in het emancipatiebeleid, daarbij betrokken? In Beijing is gebleken dat veel vrouwen op professionele wijze zeer actief zijn, maar anderzijds heerst onder hen onzekerheid over hun rol in de toekomst en over de toekomstige ondersteuningsstructuur. Wat is bijvoorbeeld precies de bedoeling met Opportunity 2000? Hoeveel «body» zal die campagne hebben en wat kan er naar verwachting mee worden bereikt?

Emancipatiebeleid moet inderdaad facetbeleid zijn, maar zolang er nog een coördinerend minister voor emancipatiebeleid is, mag wel enige sturing van zijn kant worden verwacht. Hij dient de ministeries aan te spreken op hun beleid, met name op de implementatie van de afspraken van Beijing. Het voorstel van de Emancipatieraad om beleidsambtenaren met elkaar te laten nadenken over de verwerking van deze afspraken in de programma's van de diverse ministeries, had mevrouw Doelman aangesproken. Hoe staat het verder met de uitvoering van de afspraak dat bij voor vrouwen relevante onderwerpen de effecten van het voorgenomen beleid op vrouwen worden getoetst?

Juist omdat emancipatiebeleid facetbeleid moet zijn, waardoor emancipatiebeleid ook een meerwaarde krijgt, wilde zij vandaag niet nader ingaan op de nota Arbeid en zorg. Deze is al in de Kamer besproken en naar aanleiding van een daarbij ingediende motie zal de minister ook in mei met een nadere rapportage komen over een eventuele wettelijke regeling over zorgarbeid. Overigens wordt in de nota al min of meer gekozen voor een bepaald toekomstscenario, maar de onderbouwing daarvan is niet duidelijk, terwijl ook niet helder is aangegeven wat de consequenties van die keuze kunnen zijn. Verder spreekt de nota terecht over informele arbeid, maar de plaats van vrijwilligerswerk wordt daarbij in het midden gelaten.

Seksueel geweld jegens vrouwen kan vele gezichten hebben, niet alleen fysieke mishandeling, maar ook psychisch geweld. Verder blijkt er veel behoefte te zijn om over geweld in een breder perspectief te praten.

Zwarte en migrantenvrouwen hebben vaak te maken met een dubbele handicap, waardoor ze nog moeilijker in staat zijn om een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven. Mevrouw Doelman pleitte ervoor hier extra aandacht aan te geven in het beleid ten aanzien van allochtone vrouwen.

Bij het bevorderen van arbeidsparticipatie van vrouwen komt al snel de noodzaak van flankerend beleid naar voren, zoals buitenschoolse opvang. Daarbij rijzen dan allerlei vragen, o.a. over de plaats van die opvang: moet dat in de school gebeuren, of juist elders, bijvoorbeeld in jeugdcentra?

Bij het meisjesbeleid, maar ook bij het beleid ten aanzien van jongens, had zij de indruk dat dit er wel is, maar nogal sluimerend en dus weinig zichtbaar. Zij zou graag zien dat dit meer zichtbaar wordt gemaakt.

De berichten over de vrouwenvakscholen stemden haar triest, vooral gezien de goede resultaten die deze vorm van onderwijs boekt.

De commissie dagindeling sprak haar aan. Zij had daar hoge verwachtingen van en hoopte dat deze commissie snel tot resultaten zal komen.

Afrondend merkte zij op dat enerzijds in de nota op een aantal plaatsen wordt aangegeven dat er overleg is gevoerd met de betrokken vrouwengroepen, terwijl zij anderzijds nogal eens van deze groepen hoorde dat er met hen niet gepraat is. Zij zag graag dat in de komende nota meer duidelijkheid wordt gegeven over de plaats van vrouwenorganisaties en de ondersteuningsstructuur. Niet alles hoeft steeds hetzelfde te blijven, maar als voor iets anders wordt gekozen, moet wel duidelijk zijn waarom dat wordt gedaan en wat er dan precies wordt opgebouwd. Dat komt, zo vond zij, nog niet helder naar voren in de voorliggende nota.

Ook mevrouw Van Vliet (D66) constateerde dat de nota de hooggespannen verwachtingen erover niet waarmaakt. Zo wordt niet zo duidelijk hoe de uitkomsten van Beijing zijn verwerkt, terwijl die uitkomsten toch door eenieder als inspirerend zijn ervaren. Op een aantal punten kunnen deze uitkomsten wel worden herkend. Zo wordt voorgesteld om een stuurgroep in te stellen die moet komen met nieuwe initiatieven ter zake van het tegengaan van geweld tegen vrouwen en wordt wederom erkend dat er meer vrouwen in hogere posities moeten komen, ten einde meer invloed op de besluitvorming te kunnen hebben. De campagne Opportunity 2000 zou hieraan kunnen bijdragen. Als die verder wordt uitgewerkt, leek het haar wel verstandig om eerst na te gaan welke initiatieven er al zijn genomen op dit vlak, zoals Uitdaging 2000, vrouw en bedrijf en vrouwen in het midden- en kleinbedrijf. Er moet dus niet uitsluitend met de top van het bedrijfsleven worden gesproken, maar ook met degenen die meer uitvoerende functies vervullen, zeker omdat zij al veel ervaring hebben opgedaan.

Ondanks dit soort goede ideeën miste zij in de nota een samenhangend kader. Niet duidelijk wordt waar alle in de nota genoemde zaken op gericht zijn. De nota geeft dan ook geen koersbepaling, zelfs niet voor de korte termijn, maar moet gezien worden als een tussenrapportage of een startnotitie. Op zichzelf is dat teleurstellend, maar zij ging ervan uit dat er een vervolgnota zal komen die wèl tot een echte koersbepaling zal leiden, bijvoorbeeld voor de periode 1996/2000. De minister geeft in zijn aanbiedingsbrief ook zelf aan dat veel zaken nog niet voorhanden waren toen de nota werd uitgebracht, zoals de uitkomsten van de projectgroepen en de evaluatie van het beleidsprogramma «Met het oog op 1995». Daarnaast had mevrouw Van Vliet een uitwerking gemist van de passage in het regeerakkoord over een geïntegreerde aanpak van werkgelegenheid, sociale zekerheid en fiscale wetgeving. Zij had er begrip voor dat die uitwerking er nog niet is, want het gaat om een zeer complex geheel, maar dit is wel essentieel voor de bepaling van de koers in de komende periode.

De teneur van de nota (niet te veel achterom kijken, maar vooral praktisch werken en zaken afronden) sprak haar wel aan, maar deze teneur valt niet zo goed te rijmen met de nadruk die ook in de nota wordt gelegd op monitoring, onderzoek en registratie. Wat gaan die monitoring en registratie precies inhouden en wat wordt ermee gedaan?

Ook zij had uit het veld gehoord dat er nauwelijks met vrouwengroepen is gesproken, terwijl in de nota juist het omgekeerde wordt gesteld. Zij vroeg daarom met welke groepen dan is gesproken en hoe de hierover levende onvrede in het veld verklaard zou kunnen worden.

Op sociaal-economisch vlak zijn economische zelfstandigheid en de combinatie van arbeid en zorg kernpunten voor het emancipatiebeleid. Over de combinatie van arbeid en zorg is onlangs een uitvoerige discussie in de Kamer gevoerd en zij vond het daarom niet bezwaarlijk dat hier verder niet zoveel over wordt gezegd in de voorliggende nota. Wel is het jammer dat ook de economische zelfstandigheid relatief weinig aandacht heeft gekregen. Zij ging ervan uit dat daar te zijner tijd meer aandacht voor zal zijn, als het gaat over de uitwerking van de al genoemde passage in het regeerakkoord en de resultaten van de commissie toekomstscenario's. Kunnen die resultaten nog voor de zomer verwacht worden? Overigens had zij begrepen dat in de voorliggende nota nog niet echt wordt gekozen voor het combinatiescenario; er wordt hoogstens een lichte voorkeur voor dit scenario uitgesproken. Is het dan de bedoeling dat de Kamer hierin een keuze maakt? Verder sprak het idee van de commissie dagindeling haar aan.

Maandag jl. is een zeer interessante discussie gevoerd over de positie van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen. Daarbij is ervoor gepleit om bij ieder onderdeel van emancipatiebeleid en bij ieder actiepunt na te gaan wat het betekent voor zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen en wat er kan worden gedaan om hen erbij te betrekken. Is het inderdaad de bedoeling om dit bij de nadere uitwerking te doen, opdat ook deze vrouwen worden bereikt en erbij worden betrokken? Verder onderschreef mevrouw Van Vliet de passage in de nota dat educatie en invloed op de besluitvorming van essentieel belang zijn voor een verbetering van de positie van deze vrouwen, maar uit de nota blijkt ook dat de uitstroom uit het onderwijs, al dan niet met een diploma, naar de arbeidsmarkt nog zeer moeizaam verloopt. Ook hier zal aandacht aan moeten worden gegeven.

In dit verband herinnerde zij eraan dat bij de behandeling van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) een motie is aangenomen over de scholingsvoorzieningen van Arbeidsvoorziening. Wanneer kan de hierin gevraagde notitie worden verwacht?

Het was haar opgevallen dat in nota nauwelijks aandacht wordt gegeven aan oudere vrouwen. Ontgroening en vergrijzing worden als gegevenheden genoemd in de nota, maar verder wordt daar geen beleid aan verbonden. In het komende nationale zorgdebat zal, naast kwaliteit van en recht op zorg, ook de plicht tot zorg centraal moeten staan, niet alleen vanuit emancipatie-oogpunt, maar ook met het oog op vergrijzing en de afneming van het aantal mensen dat de zorg kan verlenen.

Ook zij vond het noodzakelijk dat nog vóór het komende zomerreces meer duidelijkheid ontstaat over de ondersteuningsstructuur. Die duidelijkheid moet er eerst zijn, voordat (zoals de bedoeling is) bij de begrotingsbehandeling tot verandering van subsidiestromen kan worden besloten.

Zij was ten slotte blij dat de uitspraak van het EG-Hof in de zaak-Kalanke geen consequenties voor het Nederlandse beleid heeft, zoals uit de notitie van 21 december blijkt. Zij ging ervan uit dat nu snel het wetsvoorstel evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs door de Kamer kan worden afgehandeld. Overigens moet nu wel in de memorie van toelichting op dit wetsvoorstel de 50%-norm geschrapt, maar vooral voor het basisonderwijs kan dat interessant zijn, want het aantal daar werkzame vrouwelijke docenten is zeker hoger dan 50%.

Afrondend merkte zij op tegen de zomer een aantal stukken te verwachten: de evaluatie van het beleidsprogramma «met het oog op 1995», de resultaten van de projectgroepen en een aantal uitwerkingen, o.a. inzake de commissie dagindeling, de campagne Opportunity 2000 en de ondersteuningsstructuur. Bij die gelegenheid kunnen dan een aantal concreet meetbare doelen voor de korte termijn worden gesteld, en daarnaast een aantal doelen op langere termijn. Deze doelen op langere termijn kunnen vervolgens, tezamen met de inzichten die dan inmiddels zijn ontwikkeld over de uitwerking van de combinatie van werkgelegenheid, sociale zekerheid en fiscale wetgeving, leiden tot een koersbepaling voor de periode 1996–2000.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma (GroenLinks) had de indruk dat men zich in de Nederlandse samenleving niet meer echt opwindt over emancipatie. Er is echter nog een lange weg te gaan, zoals ook in de voorliggende nota wordt gezegd, waarbij het vooral op de uitvoering aankomt. De nota bevat overigens niet veel meer dan een tussenstand, in afwachting van de evaluatie van het beleidsprogramma «met het oog op 1995». Pas in de begroting-1997 zal de verdere invulling van het emancipatiebeleid worden aangegeven.

Bij het thema arbeid en zorg is iets positiefs te melden: er komt een commissie die zich bezig zal houden met de dagindeling van de samenleving en die binnen een jaar een rapport inzake de positie van kinderen en werkende ouders zal uitbrengen. Verder wordt vooral volstaan met een verwijzing naar de nota over de kwaliteit van de zorg, de nieuwe Arbeidstijdenwet en de verbetering van de positie van alleenstaande ouders in de Bijstandswet. De vraag is dan wat hier verder mee gedaan wordt.

Bij het thema verdeling van macht en invloed wordt gepleit voor meer vrouwen in politiek en bestuur. Wat wordt daar dan in de praktijk aan gedaan? Wordt het aantal van 100 vrouwelijke burgemeesters binnenkort gehaald, wordt er gezorgd voor meer vrouwen in adviesraden en komen er nu ook zwarte en migrantenvrouwen in de politiek, het bestuur en adviesraden? Op een onlangs gehouden conferentie van het ministerie van Binnenlandse Zaken met besturen van politieke partijen is helaas door vrijwel geen enkele politieke partij aangegeven hoe zij zwarte en migrantenvrouwen bij de politiek en het bestuur zouden willen betrekken. Hoe denkt de minister nu zwarte en migrantenvrouwen meer zichtbaar te maken in politiek en bestuur?

Op zichzelf vond zij het uitstekend dat een commissie van vertegenwoordigers van vrouwenopvanghuizen, politie en overheid zich zal buigen over seksueel geweld tegen vrouwen. Zij zou graag zien dat die commissie ook kijkt naar de negatieve effecten van het nieuwe gemeentelijke beleid ten aanzien van illegale prostituees. Kan ervoor worden gezorgd dat prostituees hun zelfstandige positie behouden, opdat zij niet weer afhankelijk worden van souteneurs?

Zowel op de sociale top te Kopenhagen als in Beijing is vastgesteld dat armoede voor een onevenredig deel bij vrouwen terechtkomt. In de nota wordt echter geen beleid aangekondigd waarmee de geconstateerde knelpunten te lijf kunnen worden gegaan. Er wordt te veel verwezen naar reeds bestaande nota's en initiatieven, zoals de Armoedenota, de nota over de kwaliteit van de samenleving en het nationale zorgdebat, en dat gebeurt met te veel holle woorden. Hoe wordt nu concreet invulling gegeven aan het bestrijden van de armoede onder vrouwen? In de nota wordt o.a. gesproken over ondersteuning van gemeentelijke toeleidingsprojecten voor alleenstaande ouders naar betaalde arbeid, waarbij gekeken zal worden naar betrokkenheid van organisaties met specifieke emancipatie-deskundigheid, zoals de vrouwenvakscholen en vrouw-en-werk-organisaties, maar dan zal, zo betoogde mevrouw Varma, wel alles gedaan moeten worden om de al bestaande deskundigheid op dit vlak overeind te houden. In de praktijk is echter het tegendeel het geval: vrouwenvakscholen moeten sluiten vanwege stopzetting van subsidies en decentralisatie naar Arbeidsvoorziening. Zo heeft de vrouwenvakschool Zeeland per 1 januari jl. de poorten moeten sluiten. Wat doet de minister om die deskundigheid niet verloren te laten gaan?

Geconstateerd wordt dat de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid niet uit de verf komt en de zorgtaken nog te veel op vrouwen terechtkomen, maar er wordt geen specifiek beleid aangekondigd dat is gericht op jongens en mannen. Wel wordt gezegd dat mannen in beweging moeten komen, maar hoe dan?

Al met al is dan ook de grote vraag, zo stelde mevrouw Varma, wat er concreet gaat gebeuren. Het lijkt er nu op dat het wiel iedere keer opnieuw uitgevonden zou moeten worden.

Er is al gewezen op het Nederlandse netwerk Uitdaging 2000. Ook zij pleitte ervoor dat door DCE overleg wordt gepleegd met deze organisatie, om profijt te trekken van haar deskundigheid bij de vormgeving van de campagne Opportunity 2000. Dit is vooral van belang nu uit onderzoek kan worden afgeleid dat het positieve actie-beleid geen draagvlak meer heeft. Is dat ook de reden dat de emancipatiecommissie van de politie is opgeheven, ondanks het niet halen van de doelstelling om meer vrouwen in hogere politiefuncties te krijgen? Wat is de coördinerende taak van de minister hierin?

Ook mevrouw Varma vond het van groot belang dat er vóór de begrotingsbehandeling duidelijkheid is over de ondersteuningsstructuur. Zij verwachtte niet dat dit al voor de komende zomer het geval kan zijn. Hoe wordt aandacht gegeven aan de positie van zwarte, migranten- en vluchtelingen in de ondersteuningsstructuur? Wordt de vrouwenbeweging betrokken bij het onderzoek naar die structuur? Zij was een groot voorstander van inhoudelijke vernieuwing van het beleid, maar daar moet dan wel een draagvlak voor zijn onder de vrouwenorganisaties. Het is dan ook essentieel om een draagvlak te creëren door samen te werken met de bestaande organisaties.

De positie van allochtone vrouwen moet duidelijker uit statistieken blijken. Ministeries moeten een voorbeeldfunctie vervullen door meer allochtone vrouwen in dienst te nemen. Hoeveel allochtone vrouwen zijn er in dienst bij het ministerie van SZW, vooral op hogere functies? Convenanten met sociale partners juichte zij uiteraard toe, maar dit is nog lang niet voldoende, zoals ook al jl. maandag op de reeds genoemde conferentie is gebleken. Op welke manier worden de aanbevelingen van die conferentie verwerkt in het beleid?

Van belang voor versterking van de positie van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen is vooral economische zelfstandigheid in combinatie met recht op een eigen leven. Dat laatste heeft direct te maken met de rechtspositie van deze vrouwen. Zolang die positie zwak is en deze vrouwen afhankelijk blijven van het verblijfsrecht van een ander, is er geen sprake van economische zelfstandigheid en recht op een eigen leven. Zij pleitte er dan ook voor na te gaan hoe tot een vorm van een zelfstandige verblijfsvergunning kan worden gekomen.

Ook onderwijs is van groot belang voor zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen. In het kader van de inburgeringscontracten is er nu een goede mogelijkheid om deze vrouwen Nederlandse les te laten volgen. Toch blijken deze vrouwen het vaak niet te halen, vooral omdat er niet voldoende wordt gezorgd voor kinderopvang. Juist omdat vrouwen verplicht zijn cursussen te volgen, horen gemeenten te zorgen voor voldoende kinderopvang.

Van groot belang voor deze vrouwen is ook de mogelijkheid om zelf keuzen te maken. De overheid zal dat moeten bevorderen en daar voorwaarden voor moeten scheppen, in samenwerking met de organisaties van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen.

Afsluitend drong mevrouw Varma erop aan dat een nota wordt uitgebracht over de positie van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen, waarin de aanbevelingen van de conferentie van jl. maandag worden uitgewerkt. Deze nota dient te worden opgesteld in samenwerking met de organisaties van deze vrouwen en niet zozeer in samenwerking met «deskundigen», want juist de vrouwen zelf zijn de enige deskundigen op dit vlak.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid merkte eerst op dat het in de praktijk niet altijd even gemakkelijk is om een effectief emancipatiebeleid te voeren, ook als de wil aanwezig is om zo'n beleid te voeren. Dat is ook al gebleken bij de inbreng van de woordvoerders, waarbij een term als «impasse» is gebruikt en er terecht aan is herinnerd dat de onlangs gehouden conferentie met besturen van politieke partijen teleurstellend is verlopen. Zelf zou hij de term «impasse» niet willen gebruiken, maar inderdaad is wel sprake van een moeilijke situatie, omdat enerzijds de indruk leeft dat er al veel is bereikt (en op een aantal terreinen zijn er ook de nodige veranderingen bereikt) terwijl anderzijds uit de human development-index en de gender development-index blijkt dat Nederland zeker geen vooraanstaande plaats inneemt. Er is dus nog veel ruimte voor verbetering, maar door de successen die inmiddels zijn geboekt, gaat de aandacht van velen de laatste tijd weer uit naar andere onderwerpen.

Daarnaast doen zich enige meer procedurele problemen voor, in de eerste plaats op het vlak van de coördinatie. Het Nederlandse overheidsbestel is niet ingericht op de figuur van de coördinerend bewindspersoon en het is dan ook moeilijk om rechtstreeks bepaalde zaken te bereiken. Ook aan de kant van de Kamer doen zich spanningen voor als concrete keuzes moeten worden gemaakt om het emancipatiebeleid verder te brengen. Daardoor vallen de keuzes die fracties uiteindelijk maken, zeker niet altijd uit in het voordeel van de emancipatiedoelstelling. Het moet dan ook vooral worden gezocht in het stimuleren en in werking zetten van processen die op een bepaald terrein tot beleidsconclusies kunnen leiden. Zo moet het beleid op het punt van bestrijding van seksueel geweld uiteindelijk tot concrete stappen van de ministeries van Justitie en VWS leiden, terwijl het werk van de commissie dagindeling in de samenleving bij de ministeries van OCW, Economische Zaken en SZW tot conclusies dient te leiden. Het zou dus alleen een lege huls zijn als in een coördinerende emancipatienota precies aangegeven zou worden wat er concreet dient te gebeuren.

Anderzijds zijn er ook belangrijke voordelen verbonden aan emancipatiebeleid als facetbeleid en het aanwijzen van een daarvoor verantwoordelijke coördinerend bewindspersoon. Deze kan dan immers een stimulerende, initiërende en aanjagende functie vervullen en kan daar ook door de Kamer op worden aangesproken. Wel moet worden bedacht dat hier vaak tegenstrijdige belangen spelen en soms prevaleert nu eenmaal uiteindelijk een ander belang dan het belang van het emancipatiebeleid. Zo wordt bij burgemeestersbenoemingen altijd bezien hoe de procedure is verlopen en hoeveel vrouwen erbij waren betrokken, maar er zijn nu eenmaal momenten waarop andere belangen de doorslag geven bij de uiteindelijke benoeming van een burgemeester. Zo neemt het aantal gemeenten in Nederland steeds verder af en moet uiteraard ook rekening worden gehouden met de legitieme wens van reeds zittende mannelijke burgemeesters die goed functioneren en graag een bepaalde carrièrelijn zouden willen volgen. Al dat soort belangen maken het nogal eens onmogelijk om te kiezen voor een vrouwelijke burgemeester.

De bewindsman erkende dat het gebruik van de term «koersbepaling» minder gelukkig is geweest, omdat daardoor de indruk is ontstaan dat er een allesomvattend stuk zou uitkomen. Hij had echter moeten constateren dat er afspraken waren gemaakt met de projectgroep beeldvorming, de projectgroep besluitvorming en de commissie toekomstscenario's, terwijl ook al in een eerder stadium afspraken bleken te zijn gemaakt om aan een aantal instanties advies te vragen. Wel had hij toen alvast een voorlopige richting aan de adviesaanvragen gegeven, door te vragen om zich vooral op het combinatiescenario te richten, maar aan de gemaakte afspraken had hij zich verder willen houden, alleen al omdat een adviesaanvraag tevens draagvlak creëert. Daarnaast wordt nu het beleidsprogramma «met het oog op 1995» geëvalueerd, maar door de betrokkenheid van alle ministeries kost dat nu eenmaal tijd. Maar goed, er worden nu achtereenvolgens stappen gezet die uiteindelijk tot een meer samenhangend inzicht moeten leiden in de vraag wat de komende jaren op het punt van het emancipatiebeleid kan worden gedaan. Vooruitlopend hierop had de minister toch zelf alvast een werkprogramma gepresenteerd, omdat hij het van belang achtte om op een aantal terreinen de vaart erin te houden en de initiërende rol te vervullen die bij uitstek hoort bij de coördinerende functie.

Er wordt onderzoek verricht naar een wet op de loopbaanonderbreking, bedoeld om uitwisseling van zorg- en arbeidstaken te vergemakkelijken. Hij had met vreugde uit de opmerkingen van mevrouw De Vries de conclusie getrokken dat die wet de steun van de VVD-fractie zal krijgen. Verder wees hij op de nota Flexibiliteit en zekerheid, met een aantal voorstellen ter versterking van de positie van de zogenaamde flexwerkers: mensen met «kleine baantjes» die van het ene naar het andere tijdelijke contract gaan en geconfronteerd worden met problemen in de opbouw van pensioen en sociale-zekerheidsrechten. Het zou een grote stap vooruit zijn als deze voorstellen steun van het parlement krijgen, want flexwerkers zijn juist overwegend vrouwen. Ook herinnerde hij aan het door hem genomen initiatief in het kader van de arbeidstijdenwetgeving, om de werkgever te verplichten bij het vaststellen van de werktijden niet alleen te letten op het belang van de onderneming, maar ook op de zorgtaken en de persoonlijke verantwoordelijkheid van mensen in hun privéleven. Hij kon zich nog goed voor de geest halen welk een uitputtende discussie hij had moeten voeren om draagvlak voor dit initiatief te vinden. Uiteindelijk is dat gelukt, maar het ging zeker niet vanzelf. Voorts noemde hij in dit verband nog de voorstellen voor gelijke behandeling van deeltijd- en voltijdwerkers.

Hij zegde mevrouw De Vries toe, zijn collega van Binnenlandse Zaken te vragen snel te komen met een voortgangsrapportage over de participatie van vrouwen in politieke besluitvorming. Verder is inmiddels in het kabinet afgesproken om er actief aan bij te dragen dat geen enkel ministerie straks met de mededeling kan aankomen dat geen geschikte vrouwen voor de nieuwe adviesraden konden worden gevonden. Er is inmiddels ook personele capaciteit vrijgemaakt om samen met het bureau Toplink overal in den lande te zoeken naar geschikte vrouwen voor deze adviesraden. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van elke vakminister om hiervoor een voorstel te doen, maar er is dus een duidelijke relatie gelegd met het emancipatiebeleid. Er ligt hier een unieke kans om een flinke stap vooruit te zetten op dit vlak.

Hij beaamde dat een goede argumentatie is op te bouwen voor de stelling dat uitbreiding van kinderopvang nodig is, mede gezien de arbeidsplicht die in beginsel op grond van de nieuwe Bijstandswet is gaan gelden voor vrouwen met kinderen vanaf vijf jaar. In de Armoedenota heeft het kabinet dan ook 85 mln. extra beschikbaar gesteld voor dit doel, waarmee de stroom rijksgeld met ongeveer 30% wordt vergroot. Overigens zullen dan niet alleen meer faciliteiten op het punt van de kinderopvang tot stand moeten komen, maar ook en vooral op het punt van de naschoolse opvang, waar Nederland duidelijk achterloopt op andere landen. Hij was voornemens binnenkort een voorlopige regeling hiervoor te publiceren, vooruitlopend op de definitieve regeling, op basis waarvan de gemeenten met terugwerkende kracht tot 1 januari jl. ondersteuning kunnen krijgen.

De campagne Opportunity 2000 mag en hoeft uiteraard niet in concurrentie te treden met het al langer bestaande initiatief Uitdaging 2000. Er zijn al contacten geweest met de initiatiefnemers van Uitdaging 2000 en daarbij is afgesproken hen verder bij de campagne Opportunity 2000 te betrekken. Ook is duidelijk gemaakt dat de stap die nu in het voornemen ligt, met name gericht op de hogere kaderfuncties en de topfuncties, additioneel is aan de activiteiten van Uitdaging 2000. De minister vond het zeer verheugend dat er inmiddels, samen met zijn collega van Economische Zaken, goede contacten zijn gelegd met mensen uit het bedrijfsleven (zowel mannen als vrouwen) die wat in de melk te brokkelen hebben.

Al met al staat er, zo betoogde hij, toch heel wat op stapel en is er ook al heel wat in uitvoering. Hieruit blijkt ook dat niet alleen maar gewacht wordt op de evaluatie van «Met het oog op 1995». Hij had ook niet de indruk dat het nodig is om een geheel nieuwe visie op de wat langere termijn op te stellen. Er komt uiteraard een breder stuk naar aanleiding van de evaluatie van «Met het oog op 1995» en de afspraken van Beijing, maar hij zou het zonde vinden als er gedurende langere tijd veel energie zou worden gestoken in het formuleren van nieuwe visies. Hij zou veel liever zien dat die energie wordt gestoken in het zetten van concrete stappen.

Over de ondersteuningsstructuur is destijds, nadat op verzoek van de vorige coördinerend bewindsman Wallage advies was uitgebracht, opnieuw advies gevraagd. De minister vond dat hier ook anders gehandeld had kunnen worden, maar het is nu eenmaal zo gelopen en het advies is er inmiddels. Verder is er het gegeven dat in de meerjarenramingen rekening is gehouden met het aflopen van sommige subsidieregelingen in 1997 resp. 1998, terwijl zich ook nieuwe organisaties melden, zoals die van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen. Er moet daarom gepoogd worden tot een nieuwe bundeling van expertise en participatie te komen. Mede gezien de verplichting, aangegaan in Beijing, om nationale organisaties te blijven ondersteunen, zal in ieder geval ook in de komende jaren, over de huidige kabinetsperiode heen, een volwaardige emancipatie-ondersteuningsstructuur gehandhaafd moeten worden. Het is niet mogelijk een in 1998 optredend nieuw kabinet volledig te binden, maar de bewindsman hechtte er wel aan om organisaties zoveel mogelijkheid zekerheid te bieden over de ondersteuning in de komende jaren. Dat is ook voor de eigen werkplanning en werkontwikkeling van groot belang.

Het is de bedoeling een en ander in goed overleg met de organisaties op te zetten. Helaas was hem uit de opmerkingen vanuit de Kamer gebleken dat zijn indruk over de manier waarop het tot nu toe gevoerde overleg is verlopen, niet lijkt te stroken met de indruk die op dit punt leeft bij de gesprekspartners. Hij nam daar goede nota van, want het emancipatiebeleid kan alleen maar verder worden gebracht als maatschappelijke organisaties in de voorbereiding en de verwerking van dat beleid participeren en daardoor ook draagvlak aan het beleid geven. De overheid kan dit nu eenmaal niet in haar eentje.

Op zichzelf was hij gaarne bereid om toe te zeggen dat voorstellen voor de ondersteuningsstructuur zodanig tijdig worden uitgebracht dat de Kamer daar nog voor het komende zomerreces over kan spreken, ook al omdat een en ander dan nog verwerkt kan worden in de begroting-1997. Dit betekent dan wel dat het overleg met de maatschappelijke organisaties op zeer korte termijn moet worden gevoerd en ook tot resultaten moet leiden. De Emancipatieraad heeft al een advies uitgebracht over een deel van de ondersteuningsstructuur (in het bijzonder het idee van een expertcentrum en de relatie met de adviseringsfunctie) en verder zal in het overleg moeten worden gesproken over de belangrijke activiteiten die de afgelopen jaren door de organisaties zijn ontwikkeld, en over hetgeen nodig is om tot een nieuwe beleidsoriëntatie en tot nieuwe vormen van participatie te komen. Dit betekent hier en daar wat inschikken, omdat er de komende jaren minder financiële ruimte zal zijn, en hier en daar een nuttige bundeling van krachten.

Naast de goede stappen die al zijn gezet, doen zich ook knelpunten voor en is er in ieder geval op het oog sprake van tegenstrijdigheden, bijvoorbeeld bij de vrouwenvakscholen. In dit verband merkte hij op dat de vrouwenvakschool Zeeland nog niet dicht is; hij had begrepen dat per 1 augustus a.s. ontslag is aangezegd aan de medewerkers. Verleden jaar had hij in een overleg met de vrouwenvakscholen toegezegd om binnen de mate van het redelijke in het kader van het arbeidsvoorzieningsbeleid te bevorderen, dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van hun faciliteiten, teneinde de geleidelijke omschakeling naar het opereren als volwaardige marktpartij mogelijk te maken. Bij die gelegenheid zijn ook concrete afspraken gemaakt die overigens wel de mogelijkheid openhouden dat er in het arbeidsvoorzieningsbudget wordt bezuinigd op de vrouwenvakscholen. Dat is ook moeilijk anders mogelijk, nu er op grond van het regeerakkoord zeer sterk op dit budget is bezuinigd, al is er vorig jaar weer een extra bedrag door het kabinet ingezet. De betrokken instellingen krijgen dus te maken met de financiële consequenties van die bezuiniging, maar er is ook afgesproken dat dit proportioneel zal gebeuren en hetgeen nu met de vrouwenvakschool Zeeland staat te gebeuren, leek de minister niet in overeenstemming met die afspraak. Hij had hierover opheldering aan het CBA gevraagd en de overheidsgeleding in dat bestuur geïnstrueerd om erop aan te dringen dat het besluit wordt herzien, als de verkregen informatie daar aanleiding toe zou geven. Wel moet worden bedacht dat het CBA nog steeds bestaat uit drie geledingen, waar de overheidsgeleding er maar één van is. Hij had dan ook met instemming kennis genomen van de opmerkingen die de Vrouwenbond FNV daarover onlangs heeft gemaakt.

Naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Van Vliet dat niet zo duidelijk is hoe de uitkomsten van Beijing zijn verwerkt, zegde hij toe daar nader op in te gaan in het al in het vooruitzicht gestelde bredere stuk. Op die manier kan ook rekening worden gehouden met de uitkomsten van de speciale bijeenkomst die de ICE zeer binnenkort zal wijden aan de rapportages die successievelijk binnenkomen van de diverse ministeries. Hij begreep wel dat er enig ongeduld op dit punt leeft, maar hij kon de verzekering geven dat Nederland hier niet slecht afsteekt bij andere landen.

De suggestie om de ICE een wat andere rol te geven, vergelijkbaar met die van de commissie voor sociaal en cultureel beleid, vond hij interessant en wilde hij graag nader bezien. Er is het risico dat de rapportages van de ministeries nogal routinematig worden, terwijl het ook de vraag is wat er dan vervolgens mee wordt gedaan, o.a. door de Kamer. Bij het bezien van deze suggestie wilde hij ook nagaan hoe het staat met de meerwaarde van allerlei onderzoek en het jaarboek. Het jaarboek is mede een gevolg van de in Beijing geuite wens om stelselmatig de feiten onder de aandacht te brengen, omdat daaruit blijkt of men al dan niet op de goede weg zit. In dit verband beaamde hij dat inderdaad niet precies is verwoord hoe Nederland er in het jaar 2000 uit zou moeten zien, gemeten naar een aantal emancipatiedoelstellingen. Hij voelde er ook niet voor om zo'n schets te geven, want het zou de verkeerde indruk wekken dat de maatschappij zodanig in elkaar zit en de overheid over zodanige bevoegdheden zou beschikken, dat het ook mogelijk is om het geschetste beeld in het jaar 2000 werkelijkheid te laten worden. Veel belangrijker vond hij het om regelmatig na te gaan of men trendmatig al dan niet op de goede weg zit en daar kan een jaarboek goede diensten bewijzen. Zo'n jaarboek moet dan echter geen duplicaat zijn van bijvoorbeeld de sociale atlas, waarin al veel materiaal is verzameld. Juist daarom zal dit jaarboek in nauwe samenwerking met het Sociaal en cultureel planbureau worden opgezet en zal de informatie in dit boek zodanig worden gegroepeerd en zo nodig aangevuld, dat het direct aansluit op de geformuleerde beleidsdoelstellingen.

Terecht is gewezen op de passage in het regeerakkoord over een geïntegreerde aanpak van werkgelegenheid, sociale zekerheid en fiscale wetgeving. De uitwerking hiervan vergt echter nog veel studie en denkwerk. Het rapport toekomstscenario's en de daarover uit te brengen adviezen zag de bewindsman bij uitstek als het kader waarbinnen die geïntegreerde aanpak gevonden zou moeten worden. Inderdaad heeft de economische zelfstandigheid relatief weinig aandacht gekregen, maar het gaat hier ook om een uiterst moeilijk onderwerp. Dat blijkt al uit de wijze waarop de Kamer heeft gereageerd op het initiatiefvoorstel-De Korte/Van Rey over wijziging van de kostwinnersfaciliteit in de inkomstenbelasting. Het is zeker de bedoeling om op dit punt van de economische zelfstandigheid verder te komen, aan de hand van het rapport toekomstscenario's, maar al te hoge verwachtingen hierover leken hem niet terecht.

In dit verband merkte de bewindsman op dat hij ervoor had gekozen om de advisering vooral op het combinatiescenario te laten richten, omdat dit op een aantal punten het beste aansluit op hetgeen al in wetgeving en andere maatregelen besloten ligt, zij het dat het daarin vele stappen verder gaat. Het was hem niet mogelijk concreet aan te geven wanneer hierover een standpuntbepaling te verwachten valt. Dit hangt in sterke mate af van de diepgang van de komende advisering. Gevraagd is overigens om de adviezen uiterlijk 1 juli a.s. uit te brengen. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de lange termijn-verkenning sociaal stelsel, waarbij het o.a. gaat om de wisselwerking tussen arbeidsmarkt en sociale zekerheid met inbegrip van de flexibele arbeid, en ook daar komen uiteraard aspecten aan de orde die zeer relevant zijn voor het emancipatiebeleid. De toekomstscenario's betreffen daarnaast nog meer aspecten, o.a. de fiscale kant. Het gaat dus, al met al, om een uitermate ingewikkeld geheel en hij durfde het dan ook niet aan om aan te geven wanneer conclusies over die scenario's aan de Kamer kunnen worden voorgelegd. In ieder geval wilde hij het rapport toekomstscenario's de plaats geven die het verdient. Het gaat om een zeer belangwekkend stuk.

Het was voor hem vanzelfsprekend dat de ondersteuningsstructuur voldoende ruimte moet bieden voor zwarte, migrantenen vluchtelingenvrouwen. Het leek hem echter niet goed mogelijk om bij alle beleidsaspecten de effecten op zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen in beeld te brengen. Wel wilde hij graag bezien hoe de economische zelfstandigheid van deze groepen vrouwen kan worden bevorderd en daarbij ook de aanbevelingen betrekken die deze week zijn gedaan. Ook bij de discussie over Opportunity 2000 is al de vraag aan de orde gekomen of er, naast de doelstelling om te bevorderen dat meer vrouwen in topfuncties worden benoemd, niet tevens doelstellingen geformuleerd dienen te worden ten aanzien van de participatie van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen, maar communicatiedeskundigen hebben erop gewezen dat het uit een oogpunt van effectiviteit niet verstandig is om meerdere boodschappen tegelijk in één campagne uit te dragen. Hij was wel aangesproken door dit argument en meende daarom dat er in dit stadium van het beleid toch meer selectief te werk moet worden gegaan op dit punt, mede gezien de huidige mogelijkheden die er zijn. Overigens was hij voornemens hierover expliciet verantwoording af te leggen bij volgende beleidsstukken, zodat er gelegenheid is om erop terug te komen en er nader over te discussiëren.

Aan de situatie van prostituees wordt aandacht gegeven in het kader van de activiteiten met betrekking tot seksueel geweld en met betrekking tot de vrouwenhandel. De in het werkprogramma voorziene ronde-tafelconferenties over seksueel geweld achten vooral Openbaar Ministerie en politie dringend gewenst. Ook zij ervaren het integreren van de jeugd- en zedenpolitie in het totale politie-apparaat hier en daar als een knelpunt en er bestaat daarom grote behoefte aan gesprekken over de vraag, hoe seksueel geweld over de grenzen van ministeries en organisaties heen kan worden aangepakt. Vervolgens zal er in samenspraak met de betrokken ministeries (Justitie, Binnenlandse Zaken, VWS) verder beleid worden uitgezet.

In het kader van de Armoedenota is specifiek aandacht gegeven aan de positie van ouderen. Dit geldt dus zowel voor mannen als voor vrouwen, maar bij 65-plussers die moeten rondkomen van alleen een uitkering op minimumniveau, zonder perspectief op enige inkomensverbetering, gaat het vooral om vrouwen. De minister wilde zeker niet stellen dat al concrete oplossingen voor deze groep zijn gevonden en er zal dan ook nog verder worden gedacht op dit punt, maar er zijn al wel enige belangrijke stappen gezet die een erkenning inhouden van de moeilijke positie waarin vooral veel alleenstaande oudere vrouwen zich bevinden. Zo zullen in de Bijstandswet voor vrouwen en mannen boven de 57,5 jaar de vroegere vrijlatingsbepalingen weer gaan herleven, waardoor bescheiden bijverdiensten niet meer direct worden gekort op de uitkering, terwijl voor 65-plussers een speciale alleenstaande-ouderenaftrek geïntroduceerd zal worden die in de praktijk voornamelijk ten goede zal komen aan alleenstaande oudere vrouwen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Jong

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Bukman

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Van Nieuwenhoven

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Pe


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Boogaard (groep-Nijpels), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD) en Van Blerck-Woerdman (VVD).

Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Esselink (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD) en Hoogervorst (VVD).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Beinema (CDA), Van der Linden (CDA), Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), H. Vos (PvdA), Van Traa (PvdA), ondervoorzitter, Verspaget (PvdA), De Hoop Scheffer (CDA), Ybema (D66), Apostolou (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Valk (PvdA), Sipkes (GroenLinks), Bukman (CDA), voorzitter, Boogaard (groep-Nijpels), Woltjer (PvdA), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Roethof (D66), Rouvoet (RPF) en Van den Doel (VVD).

Plv. leden: Leers (CDA), Bremmer (CDA), Korthals (VVD), Van der Stoel (VVD), Voûte-Droste (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Dijksma (PvdA), Lilipaly (PvdA), Gabor (CDA), De Graaf (D66), Van Gijzel (PvdA), Van den Berg (SGP), Houda (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Deetman (CDA), Hendriks, Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Dittrich (D66), Hillen (CDA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van Waning (D66), Leerkes (Unie 55+) en Bolkestein (VVD).

XNoot
3

Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Schutte (GPV), Van Nieuwenhoven (PvdA), voorzitter, Van der Heijden (CDA), ondervoorzitter, Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), M. M. H. Kamp (VVD), Doelman-Pel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Middel (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Fermina (D66), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Oudkerk (PvdA), Cherribi (VVD), Sterk (PvdA), Van Boxtel (D66), Van Vliet (D66) en Van Blerck-Woerdman (VVD).

Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Lilipaly (PvdA), Esselink (CDA), Rijpstra (VVD), Voûte-Droste (VVD), Smits (CDA), Dijksman (PvdA), Houda (PvdA), Beinema (CDA), Van den Bos (D66), Vreeman (PvdA), Rouvoet (RPF), Boogaard (groep-Nijpels), Van Waning (D66), Sipkes (GroenLinks), De Jong (CDA), Passtoors (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), J. M. de Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Bremmer (CDA), Bakker (D66) en Cornielje (VVD).

Naar boven