nr. 38
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 16 april 1996
Hierbij zend ik u ter kennisneming een afschrift van mijn adviesaanvraag
aan de Commissie Arbeidsomstandigheden van de Sociaal-Economische Raad betreffende
mijn beleidsvoornemens ter preventie van het Organisch Psycho Syndroom
(OPS)1, veroorzaakt door beroepsmatige blootstelling
aan organische oplosmiddelen. De adviesaanvraag gaat in op de aard, oorzaak,
omvang en perceptie van de OPS-problematiek, en bevat concrete beleidsvoornemens.
Tevens is onderzocht welke mogelijkheden en belemmeringen bestaan voor een
(gedeeltelijk) verbod op het beroepsmatig gebruik van oplosmiddelrijke produkten.
Een en ander is conform mijn toezegging in antwoord op schriftelijke vragen
van de leden Vreeman en Poppe (Aanhangsel van de Handelingen 1994–1995/96,
respectievelijk 1995–1996/18) en mondelinge vragen van het lid Vreeman
(vragenuur 12/12/95, TK37-2899).
De belangrijkste conclusie uit mijn analyse van de OPS-problematiek is
de volgende. Allereerst acht ik het staande beleid terzake de bescherming
van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan oplosmiddelen niet
afdoende: het biedt in een aantal situaties onvoldoende waarborgen ter voorkoming
van OPS. Bij ongewijzigd beleid zal het aantal OPS-slachtoffers naar mijn
verwachting blijven toenemen.
Een belangrijk element van dat huidige beleid is de (vrijwillige) vervanging
van oplosmiddelrijke produkten door minder schadelijke alternatieven. Hoewel
technisch volwaardige alternatieven voor veel gebruiksdoeleinden van oplosmiddelhoudende
produkten beschikbaar zijn, zet het gebruik van alternatieven onvoldoende
door, ondanks het gegeven dat daarover in bepaalde branches door sociale partners
afspraken zijn gemaakt. Een verbod op het gebruik van (bepaalde) oplosmiddelhoudende
produkten, zoals gewenst door de vakbeweging acht ik echter te rigide, en
daarom niet wenselijk en haalbaar. Bovendien ben ik van mening dat thans onvoldoende
maatschappelijk draagvlak voor een dergelijke vergaande maatregel bestaat.
Samenvattend ben ik van oordeel dat, gelet op de omvang van het optreden van
OPS, en de ernst van de gevolgen van beroepsmatige blootstelling
aan oplosmiddelen, nader aanvullend beleid noodzakelijk is.
In bijgaande adviesaanvraag wordt aangegeven op welke wijze dit nader
beleid zal worden vormgegeven. De kern van dit voorstel is dat in het toekomstige
Arbeidsomstandighedenbesluit een expliciete vervangingsverplichting wordt
opgenomen voor oplosmiddelrijke produkten, voor die beroepssituaties die als
evident risicovol ten aanzien van het ontstaan van OPS moeten worden beschouwd.
Een belangrijk verschil van een dergelijke verplichting ten opzichte van een
door mij afgewezen voorstel voor verbod is dat aldus in de praktijk maatwerk
mogelijk blijft. Immers zal de vervangingsplicht alleen gelden in gevallen
dat vervanging technisch mogelijk is in situaties die bijzonder risicovol
zijn. Ik heb de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER verzocht mij te
adviseren omtrent de omschrijving van dergelijke situaties en de vervangingsmogelijkheden
voor de in die situaties toegepaste oplosmiddelrijke produkten.
Voor de blootstellingssituaties die weliswaar een risico met zich meebrengen,
maar waar adequate beheersing van de blootstelling aan oplosmiddelen in principe
mogelijk is, zullen beleidsregels worden opgesteld, die mede zullen worden
gebaseerd op de technische en sociaal-economische mogelijkheden in de verschillende
branches. De Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER heb ik gevraagd mij
eveneens te adviseren omtrent deze «stand van de techniek».
Ik vertrouw erop u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R. L. O. Linschoten