Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24400-XIV nr. 51 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24400-XIV nr. 51 |
Vastgesteld 7 mei 1996
De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 heeft op 14 februari 1996 overleg gevoerd met minister Van Aartsen van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de problematiek van de visquotering. Het overleg werd gevoerd aan de hand van de evaluatie van de structuurnota Zee- en kustvisserij («Vissen naar evenwicht») en van de reactie van de minister op de brief van Beheergroep 3 van de Producentenorganisatie van de Nederlandse vissersbond (LNV-96–35).
Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Huys (PvdA) zei dat de beknopte evaluatie uitwijst dat het beleid ter uitvoering van de structuurnota op een aantal punten op schema loopt. Waar dit niet het geval is, wordt dit over het algemeen mede veroorzaakt door Europees beleid.
Naar aanleiding van beleidspunt 39 vroeg hij of er vraag is naar hangcultures.
In aansluiting op de opmerkingen over het kwaliteitsbeleid door de primaire en secundaire sector verwees hij naar de activiteiten die in Wieringen worden ondernomen. Die verdienen aanbeveling en ondersteuning.
Hij vroeg naar de stand van zaken in het Europees overleg over het vraagstuk van de bijvangsten. Hoe staat het met het zogenaamde Noors model?
Zijn er nog ontwikkelingen te melden over de elektrische visserij? Wat heeft het onderzoek naar deze vangstmethode opgeleverd? Biedt deze methode perspectief?
De heer Huys merkte vervolgens op dat de opzet van de structuurnota kan worden verklaard uit de problemen die zich destijds voordeden met de visfraude. De grondslag van de nota is de redenering dat vissers zich niet achter een quotumsysteem zullen scharen als zij ervaren dat er nog meer dan genoeg vis rondzwemt; zij zullen daartoe pas bereid zijn als de quota zijn afgestemd op het veilig geachte biologisch minimum, want dan is het eigen belang in het geding. Bij deze gedachtengang worden echter in toenemende mate vraagtekens geplaatst. Zo betwijfelen de heren Holden (oud-visserijmedewerker van de Europese Commissie (EC), Corten (RIVO) en Lankester (Stichting natuur en milieu) of het wijsheid is te vissen tot het biologisch minimum, vooral ook omdat van dit minimum nogal eens iets door beleidsmakers wordt afgeknabbeld om tot nog enigszins aanvaardbare quota te komen. Om dit quotum vol te vissen, moeten de visserij-inspanningen vaak worden verhoogd. Daardoor stijgt de kostprijs wat extra nadelige gevolgen heeft voor het overige visbestand in het ecosysteem. Bovendien belemmeren jaarlijks sterk fluctuerende quota een efficiënt gebruik van de visserijvloot. In sommige jaren is er sprake van een hoge onderbezetting en in een periode van extra lage quota zal, het biologisch minimum ten spijt, de druk om illegaal te vissen en aan te landen, toenemen. De heer Huys erkende dat zijn fractie medeverantwoordelijk is voor dit beleid. Het is niet verantwoord dit beleid zonder meer te veranderen. Een werkelijk duurzame visserij vraagt een handelwijze overeenkomstig het voorzorgsprincipe, zoals onder meer opgenomen in de jongste FAO-gedragsregels en de VN-overeenkomst over trekkende vissoorten. Goede beheerplannen en -systemen leiden tot langere-termijnopbrengsten, weinig tot geen overbevissing, herstel van de populatie en een redelijk constant opbrengstniveau. Hoe denkt de minister over dit vraagstuk?
Nu de quota voor 1996 sterk zijn verlaagd en de verwachtingen voor 1997 niet veel beter zijn, zullen veel bedrijven in de rode cijfers komen en zullen velen hun baan verliezen, zo vervolgde de heer Huys. Naar schatting zal 20% van de vloot in liquiditeitsproblemen komen en een zelfde deel in de gevarenzone. Hij vond het positief dat de sector zelf saneringsvoorstellen heeft gedaan, omdat hieruit blijkt dat de vissers een oplossing willen zoeken voor de overbevissing. Aan een dergelijke regeling moeten echter wel harde voorwaarden worden gesteld: de betreffende schepen moeten werkelijk uit de vaart worden genomen en een «gesaneerde» ondernemer mag niet opnieuw beginnen. Hij pleitte ervoor dat de licenties als het ware worden opgeslagen bij de overheid, zodat zij (als dat mogelijk is) in andere, betere tijden opnieuw kunnen worden gebruikt. De sector kan worden gevraagd een bijdrage te leveren aan dit proces. Verder vroeg hij, om een beeld te krijgen van wat er nu feitelijk met de vissersvloot gebeurt, een overzicht van het aantal schepen en pk's in de vaart en van het aantal schepen en pk's dat in de afgelopen vijf à tien jaar is gesaneerd. Omdat de saneringsregeling niet altijd even waterdicht lijkt, vroeg hij de minister helderheid te verschaffen voordat hij de voorgenomen maatregelen uitvoert. De sector vraagt niet weinig, maar er lijkt geen sprake van overvragen. Kan de minister tegemoet komen aan de vraag om middelen en maatregelen?
Mevrouw Vos (GroenLinks) zei dat het misschien te vroeg is voor een gedegen evaluatie, maar het is wel duidelijk dat het beleid op een aantal punten moet worden aangepast. Ongeveer driekwart van alle vissoorten wordt wereldwijd overbevist en op de Noordzee is de stand van een groot aantal vissoorten al onder het veilig biologisch minimum gezakt. Het Nederlandse beleid, maar ook de afspraken die de Europese Unie (EU) vorig jaar heeft gemaakt, moeten in dit licht worden bezien. Het is duidelijk dat die afspraken voor de Nederlandse vissersvloot ernstige gevolgen hebben. Het Landbouw economisch instituut (LEI) heeft berekend dat er van de 380 Nederlandse vissersschepen binnen een tot drie jaar 60 tot 130 in ernstige problemen komen en dat op langere termijn de werkgelegenheid van 230 vissers op het spel staat. Zij vond het opmerkelijk dat vissers en milieubeweging het erover eens zijn dat het huidige EU-milieubeleid dat vangsthoeveelheden toewijst op basis van de wetenschappelijk vastgestelde biologische minima, niet deugt. Niet alleen omdat de visstanden zo onvoldoende worden beschermd, maar ook omdat de vissers door de sterk fluctuerende vangsthoeveelheden aan het einde van het jaar in grote onzekerheid verkeren. Mevrouw Vos maakte ernstig bezwaar tegen dit beleid. De afspraken over de vangsthoeveelheden die in december 1995 in Brussel zijn gemaakt, schieten tekort. Zij verwees in dit verband onder meer naar de VN-afspraken over trekkende vissoorten, het belang van het voorzorgsbeginsel en naar de adviezen van het International council for exploration of the sea die zijn gebaseerd op het dubieuze criterium van het veilig biologisch minimum en uitgaan van veel lagere vangsthoeveelheden dan nu zijn toegewezen.
De vraag is nu hoe het verder moet met de noordzeevis en de visserijvloot. In ieder geval moet worden gestreefd naar een duurzame situatie, zowel voor de vis als voor de visserij, en dat betekent dat er gesaneerd moet worden. Hoe verloopt de sanering van de Europese vissersvloot? Is het gelukt de structurele overcapaciteit in 1996 met 15% tot 20% terug te dringen en, zo neen, welke consequenties trekt de EC hieruit? Mevrouw Vos drong erop aan dat het gemeenschappelijk visserijbeleid eerder dan 2001 wordt geëvalueerd. Tijdens de Visserijconferentie van de Noordzeelanden dit jaar moet een eerste aanzet worden gegeven voor herziening van het beleid. Is de regering bereid het Nederlandse voorzitterschap van de EU aan te grijpen om het tijdstip van evaluatie te vervroegen? Die evaluatie moet worden gebaseerd op het uitgangspunt van een duurzame visserij die het risico op overbevissing zo laag mogelijk houdt en populaties die nu teruglopen, de kans geeft zich te herstellen.
Ook de sector vraagt om een beleid dat langer meegaat dan één jaar. Volgens het saneringsplan van Produktschap vis is voor de sanering van 60 tot 100 schepen dit jaar een bedrag van 36 mln. nodig. Is dit saneringsplan afdoende? Is het voldoende om de overcapaciteit terug te dringen? Is de minister bereid dit als harde voorwaarde aan zijn medewerking te stellen?
Zij herinnerde eraan dat eerder is toegezegd dat uiterlijk in 1994 voorstellen zullen worden gedaan voor het terugdringen van de boomkorvisserij. Welke vorderingen zijn geboekt in het onderzoek naar alternatieve vismethoden? Waarom kan er nu nog geen einde worden gemaakt aan deze vorm van visserij? Kan de minister ervoor zorgen dat dit op korte termijn wel gebeurt?
Zij maakte bezwaar tegen de verwerving van additionele vangstmogelijkheden in derde landen. Dergelijke visserijakkoorden zijn toch niet meer van deze tijd? Hoe denkt de minister hierover?
Ten slotte vroeg zij of de maatregelen die de minister wil nemen om de aalscholverpopulaties in te perken, niet in strijd zijn met de Vogelwet, de vogelrichtlijn of het structuurschema groene ruimte.
De heer Smits (CDA) zei dat zowel de sector als de overheid een forse inspanning moeten leveren om te voorkomen dat Nederland achter het net vist na de uitbreiding van de EU met een aantal zuidelijke lidstaten. Hij ging ervan uit dat de minister mee zal (blijven) werken aan oplossingen die ertoe bijdragen dat Nederland ook nà 2002 ruimte heeft voor een expanderende en innovatieve visserijsector.
De heer Smits herinnerde eraan dat hij eerder heeft gevraagd wat de consequenties zijn van wisselende quota in de komende jaren. Is inmiddels een begin gemaakt met de ontwikkeling van de gevraagde scenario's? Bij die gelegenheid is ook aandacht gevraagd voor de situatie nà 2002, wanneer het gemeenschappelijk visserijbeleid opnieuw moet worden vastgesteld, mede in het licht van het feit dat lidstaten als Portugal en Spanje ruimte krijgen in nu voor Nederland en andere lidstaten gereserveerde visgebieden. Hoever zijn deze exercities gevorderd? Hoeveel geld is er uit het Europese Landbouwfonds en uit de structuurfondsen gereserveerd voor de vissectoren in Spanje en Portugal?
De sector gaat ervan uit dat circa 1000 mensen hun baan zullen verliezen als gevolg van de gereduceerde visquota. Deelt de minister de opvatting dat de Biesheuvel-groepen onder druk komen te staan? Is het waar dat de algemene inspectiedienst (AID) waarschuwt voor een toename van de illegaliteit? Deelt de minister die vrees en, zo ja, wat denkt hij hieraan te doen? De heer Smits stelde met klem dat alle partijen zich aan de gemaakte afspraken moeten houden.
Van diverse zijden wordt aangegeven dat er in de andere lidstaten geen sprake is van een regelmatige controle op visserij-inspanningen. Hoe kan worden bereikt dat een aan het Nederlandse systeem vergelijkbare controle wordt ingevoerd in alle lidstaten van de EU? Die controle zou in ieder geval moeten worden verscherpt en overigens onderdeel moeten uitmaken van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Bovendien spreekt het vanzelf dat die controles onaangekondigd worden uitgevoerd.
Ook hij wees erop dat ongeveer 20% van de schepen in de komende tijd in ernstige liquiditeitsproblemen dreigt te komen, vooral de schepen die over onvoldoende quota beschikken. Is het waar dat naar schatting 60 à 100 vaartuigen (35 000 à 55 000 pk) moeten worden onttrokken aan de vloot? Waar ligt overigens het «break even point» voor Nederland als het gaat om de omvang van de vloot in relatie tot een rendabele visserij-inspanning?
In het overleg met de visserijsector zal zeker zijn gesproken over de wenselijkheid van een saneringsregeling, zo meende de heer Smits. Hij pleitte nadrukkelijk voor financiële steun aan de sector. Welke bedragen wil de regering in dit kader beschikbaar stellen? Deelt de minister de opvatting dat in het kader van een wellicht positievere toekomst voor de visserijsector niet al te veel PK-licenties voor de vloot verloren mogen gaan, maar in plaats daarvan in portefeuille moeten worden gehouden?
In het kader van het Besluit saneringsregeling 1994 is een regeling voor opvarenden vastgesteld die nog steeds wacht op goedkeuring uit Brussel. Hoe heeft de minister bevorderd dat die goedkeuring zo snel mogelijk wordt afgegeven, mede gelet op het feit dat zo'n 50 tot 100 schepen uit de vaart zullen worden genomen? De heer Smits pleitte overigens voor een regeling die ook voor nieuwe gevallen geldt.
Hoe kan de overheid de Nederlandse vissers stimuleren additionele vangstmogelijkheden te zoeken buiten Europa? Naast deze experimenten verdienen ook de mogelijkheden van de elektrische boomkorvisserij serieuze aandacht. Waarom is het experiment naar deze vorm van vissen zo abrupt gestopt?
Welke mogelijkheden zijn er voor een communautaire inzetbeperking van de vloot? Hoe kan een dergelijke maatregel worden bevorderd? De heer Smits vroeg in dit kader naar de stand van zaken bij de uitvoering van de motie Vreugdenhil/Smits inzake de fiscale overdracht van visquota.
Hij vroeg verder aandacht voor de voorbereiding van de conferentie van de Noordzeeministers in april 1997 in Denemarken, waar de visserij en het ecosysteem centraal zullen staan. Wat is de stand van zaken? Is de indruk juist dat er sprake is van een trage start als gevolg van de uiteenlopende aansturing van milieubeleid op de Noordzee? Formeel behoort de Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat (VW) de voorbereiding van deze conferentie aan te sturen, ook waar het het milieubeleid betreft, terwijl in de EC de aansturing plaatsvindt via de voor de visserij verantwoordelijke Commissaris. Is het waar dat het ministerie van VW al in maart wil komen tot een voorlopige afronding van haar visie? Op welke wijze is het ministerie van LNV betrokken bij die werkzaamheden? Heeft het ministerie van LNV een ecologisch en economisch weerwoord op de belangen die het ministerie van VW nastreeft?
De discussie over een communautaire zeedagenregeling verloopt moeizaam, zo blijkt uit de evaluatie van beleidspunt 6. Waar doen zich problemen voor: in de Visserijraad of op ambtelijk niveau? Wanneer zijn de opdrachten verstrekt voor het onderzoek dat wordt genoemd onder beleidsaanbeveling 7? Wanneer kunnen de eerste resultaten tegemoet worden gezien? Is de studie van het Produktschap vis naar mogelijke structuurverbeteringen in de garnalensector (zoals genoemd onder punt 42) werkelijk gesubsidieerd in het kader van de PESCA-regeling? De heer Smits vroeg ten slotte naar de uitkomsten van het onderzoek van het Produktschap vis naar de scholingsactiviteiten en -behoeften van de sector.
De heer Van der Vlies (SGP) wees erop dat de stand van zaken van de beleidspunten in de brief van 8 februari 1996 op onderdelen is ingehaald door de nieuwe quota en de gevolgen daarvan. De structuurnota beoogt een lange-termijnbeleid te bieden, maar het recent bepaalde quotabeleid dwingt tot een korte-termijnvisie. De quota voor 1996 doen de sector op haar grondvesten schudden en niet alleen de reders, eigenaren en exploitanten zullen hiervan ernstige schade ondervinden, maar ook de opvarenden. Dat er iets moet gebeuren, daarvan zijn ook de vissers overtuigd. De sector heeft vragen en voorstellen geformuleerd en intensief overleg gevoerd en de minister verdient een compliment voor het feit dat hij onmiddellijk «na Brussel» dat overleg is aangegaan. Uit de berichtgeving in de media kan worden afgeleid dat afgelopen maandag is overeengekomen dat de rijksoverheid 27,5 mln. beschikbaar zal stellen, «Brussel» 11,5 mln. en de sector een bedrag van 6 mln. à 8 mln. Is het reëel onder deze omstandigheden een dergelijke bijdrage aan de sector te vragen? Heeft de minister van Financiën ingestemd met de rijksbijdrage? Is in de afspraken ook voorzien in een bevredigende regeling voor de opvarenden?
De eerste bevindingen over het instrument «Biesheuvel-groepen» zijn positief, ook de sector werkt coöperatief mee. Voor de verdere toekomst van de zeevisserij is het van groot belang dat alle impulsen tot vernieuwing krachtig worden gesteund. De sector moet zo goed mogelijk door deze moeilijke periode heenkomen en moet ook in de toekomst kunnen functioneren. Naast nieuwe visserijgebieden, verdienen ook nieuwe visserijmethoden aandacht. Wat is de voortgang van het onderzoek naar de elektrische boomkorvisserij? De heer Van der Vlies benadrukte dat iedere mogelijkheid tot «schone» visserij met weinig of geen bijvangst moet worden omarmd. Waardoor wordt de stagnatie in het onderzoek veroorzaakt?
Hij vroeg vervolgens naar de mening van de minister over de gedachte vissersschepen onder de Zeebrievenwet te brengen.
Hij ging ervan uit dat de Kamer zal worden geïnformeerd als de contouren van de heruitgifte van oesterpercelen (beleidspunt 34) zich nauwkeuriger aftekenen.
Dat de Nederlandse visserij flinke klappen krijgt, is pijnlijk, maar zij komen extra aan als blijkt dat de controle op de aanlanding in andere lidstaten kennelijk soepeler verloopt dan in Nederland. Dit wil niet zeggen dat die soepele werkwijze dan maar in Nederland moet worden overgenomen, integendeel, het moet in de andere lidstaten anders. De minister heeft meer dan eens toegezegd dat hij dit onderwerp in Europees verband aan de orde zal stellen en hij zal dat ongetwijfeld ook doen, maar het is de vraag wat zijn inspanningen opleveren. In zijn reactie op de brief van de Beheergroep 3 schrijft hij dat de handhaving van het gemeenschappelijk visserijbeleid helder is: er is geen sprake van een gedoogbeleid van overtredingen en er is onderzoek gaande naar steun die de Franse overheid aan haar vissers zou geven. De heer Van der Vlies wees erop dat in berichten in bijvoorbeeld The Financial Times van 20 januari jl. en Fishing News van 20 oktober 1996 een volstrekt ander beeld wordt geschetst. Eenderde van de vangst van het Verenigd Koninkrijk (V.K.) zou illegaal worden aangeland. In die artikelen wordt verder geklaagd dat Nederland zo streng toeziet op de scholvangst. Die berichten zijn bij navraag niet weersproken. Waarom komt de EC niet in actie als zij dergelijke berichten leest? Waarom zet de minister de Commissaris voor de visserij niet daartoe aan? Het is begrijpelijk dat de Nederlandse vissers die ieder scholletje moeten verantwoorden, furieus worden als zij met dergelijke praktijken worden geconfronteerd. De heer Van der Vlies stelde met nadruk dat er een einde moet komen aan deze situatie, zeker als er zoveel gezamenlijke inspanningen in een saneringsprogramma worden gestoken. Als Nederland niet wil doen wat het moreel ook niet mag doen, maar de andere lidstaten doen dat wel, dan is degelijker onderzoek nodig. Hij zei dat zijn geduld opraakt nu bovendien verschillende beleidsdoelstellingen als een meer flexibel TAC's- en quotumbeleid en een communautaire zeedagenregeling door weinig voortgang op de dossiers niet uit de verf komen. Desgevraagd voegde hij hieraan toe dat hij geen kritiek heeft op de vastgestelde quota, hoe teleurstellend ze ook zijn, zolang ze biologisch zijn onderbouwd en verantwoord worden geacht. Maar van de andere lidstaten mag, net als van Nederland, worden verwacht dat zij zich aan die lagere quota houden. Er is geen hard bewijs dat zij dit niet doen, maar de vermoedens die in de media worden geuit, stroken wel met de ervaringen van de Nederlandse vissers.
De heer Stellingwerf (RPF) zei dat het evaluatieverslag als rapportage van de tussenstand van de uitvoering van het beleid, voorbijgaat aan de huidige problematiek. Het is daarom verheugend dat de regering een saneringsregeling in het leven heeft geroepen die een adequate oplossing biedt voor de problemen die zich dit jaar voordoen. Daarnaast is een visie voor de langere termijn echter dringend nodig, want ook al heeft de regering in EU-verband een en ander maal gepleit voor structureel beleid, tot nu toe is dit pleidooi niet gehonoreerd. Hij had er begrip voor dat van de sector wordt gevraagd een bijdrage te leveren aan de saneringsregeling, maar het is de vraag of met een dergelijke bijdrage in het verleden rekening is gehouden. Omdat het er bovendien niet naar uit ziet dat de problemen na 1996 zijn afgelopen, zou in overleg met de sector moeten worden nagegaan of er lange-termijnreserveringen kunnen worden gemaakt.
De heer Stellingwerf merkte vervolgens op dat meerjarige Europese quota de sector meer stabiliteit zouden geven. Iedereen is gebaat bij het aftoppen van pieken en dalen, niet in de laatste plaats de visverwerkende en aanverwante industrie. Heeft de huidige situatie invloed op het beleid voor bijvoorbeeld de veilingen?
Hij veronderstelde dat de stilligregeling de komende jaren van betekenis kan zijn. Hoe denkt de minister hierover?
De schepen die uit de vaart worden genomen, moeten vooral de schepen zijn met het laagste rendement, aldus de heer Stellingwerf. Verder drong hij erop aan dat in gebieden waar de visserij de belangrijkste inkomensbron is, wordt gevolgd welke consequenties de verlaagde quota hebben.
Het is een positieve gedachte dat de sector verder wil gaan met de Biesheuvel-groepen, al heeft hij daar overigens natuurlijk ook alle belang bij. De sector heeft verder belang bij voortzetting van de controle. Hij sloot zich aan bij de opmerkingen over de situatie in het buitenland. Is het mogelijk een systeem van wederzijdse controles op te zetten?
Het is begrijpelijk dat de vissers een oplossing zoeken in de experimentele visserij op verre afstand. Zij mogen echter niet hun ogen sluiten voor de gevolgen van die activiteiten voor het milieu. Waar mogelijk moeten zij hun activiteiten baseren op onderzoeksgegevens.
De heer Vos (VVD) maakte de minister een compliment voor zijn positieve en actieve inzet tijdens de Visserijraad van 22 december jl. ook al heeft de uitkomst van die Raad dramatische gevolgen voor de Nederlandse vissersvloot en de visverwerkende industrie.
De heer Vos herinnerde eraan dat hij eerder heeft gepleit voor een financiële voorziening voor een sanering als de quota nog verder gereduceerd zouden worden. Hij was verheugd dat de regering op korte termijn een pakket voorzieningen heeft samengesteld. Hopelijk wordt die snelheid ook betracht bij het openstellen van de mogelijkheid voor aanmelding om in aanmerking te komen voor sanering. Ook hij vroeg of het reëel is van de sector een bedrag van 6 mln. te vragen. Houdt de regering vast aan de regeling, ook als de sector niet in staat blijkt dit bedrag bijeen te rapen?
Hoe denkt de minister over de inspanningen van de sector om elders vangstmogelijkheden te openen, zoals in Mauretanië? Deze nieuwe initiatieven laten zien dat de sector nog springlevend is en verdienen daarom steun.
Het aantal licenties mag niet te rigoureus worden teruggeschroefd. Als de visstand zich weer herstelt, moet de vloot immers voldoende levenskracht hebben om de continuïteit van de sector te behouden.
De heer Vos had vernomen dat er diepte-onderzoek plaatsvindt naar de positie van de visverwerkende industrie. Op korte termijn is arbeidstijdverkorting onvermijdelijk. Is de minister bereid met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in overleg te treden opdat spoed wordt betracht en de totstandkoming van een regeling wordt bevorderd?
De huidige regeling kan worden gezien als een investering in de beheergroepen; hopelijk houden zij voldoende quotum over om de resterende schepen rendabel te exploiteren. De 60 tot 100 schepen die voor sanering in aanmerking komen, dragen immers slechts 3% van het quotum.
De heer Vos was tevreden over de beknopte, zakelijke evaluatie van de structuurnota. Hieruit blijkt dat Nederland in Europees verband pleit voor een flexibeler TAC's- en quotumsysteem en aanstuurt op een zeedagenregeling in communautair verband. Wat behelzen de voorstellen van de EC voor het TAC's- en quotumsysteem? Hoe groot is de kans op succes van een Nederlands initiatief om tot flexibelere TAC's te komen?
Van diverse zijden komen berichten dat de controle op het motorvermogen van de schepen die in de scholbox mogen varen, te wensen overlaat. De torsiemeter zou een bijdrage kunnen leveren aan die controle. Hoe kan een snelle introductie daarvan worden bevorderd?
In 1997 kan Nederland als voorzitter van de EU de agenda van de Visserijraad bepalen. De heer Vos deed daarvoor een aantal suggesties. Als eerste punt noemde hij de onderlinge uitwisselbaarheid van vangstrechten. Het zou goed zijn als de beheergroepen in die zin kunnen worden geëxploiteerd dat ook in breder Europees verband begrip ontstaat voor en het voordeel wordt gezien van de verhuurbaarheid van de geïndividualiseerde quota. Als tweede agendapunt wees hij op de mogelijkheid van een zeedagenregeling in Europees verband. Dat in de Ierse box voor Spanje in zekere zin een zeedagenregeling geldt, kan wellicht als breekijzer dienen in die discussie. Als derde punt noemde hij het gewicht en de aard van biologische adviezen. Het blijft moeilijk vooruit prognoses te stellen en het is zelfs moeilijk ze achteraf vast te stellen. De ontwikkeling van een onderzoek naar de visbestanden verdient daarom alle aandacht. Een vierde agendapunt zou de verscherping van de controle in Europees verband moeten zijn. Hij wees erop dat de vissersbond initiatieven ontplooit om in buitenlandse havens de oog- en oorfunctie te bevorderen. Het zou beter zijn als het niet zover hoeft te komen en in plaats daarvan rechtstreeks door de EU wordt gecontroleerd. Wat is er voor nodig om die controle op gang te krijgen? Een volgende agendapunt is de MOP-4-regeling. Wat zijn de contouren van die regeling? Past de huidige sanering binnen dat kader? Als laatste punt wees hij op het feit dat de grote Nederlandse vissersvloot de laatste jaren effectief heeft gewerkt zonder overheidssteun. Ziet de minister kans dit economisch perspectief als agendapunt op te voeren opdat in toekomstig Europees beleid niet alleen naar het milieu wordt gekeken, maar in alle lidstaten gestreefd wordt naar een economisch draagvlak voor de resterende vloot?
De heer Van Waning (D66) wees erop dat het uitgangspunt van zijn fractie een verantwoorde visserij is, dat wil zeggen duurzaam met milieu-eisen verenigbare exploitatie van visbestanden en de toepassing van vangst- en aquacultuurmethoden die niet schadelijk zijn voor de ecosystemen. De Nederlandse vissersvloot bevat inmiddels dertien grote trawlers die op verre afstand van Nederland vissen. Hij vreesde dat deze moderne schepen bijdragen aan het probleem van de mondiale overbevissing en de doelstellingen van de regering in het kader van de ontwikkelingssamenwerking verstoren. Volgt de regering of de aanschaf van visrechten elders ten koste gaat van de regionale, kleine visserij?
Hij wees erop dat zijn fractie de natuur- en milieu-organisaties als haar natuurlijke achterban beschouwt. Dat zij zich door die organisaties laat informeren, betekent echter niet dat zij de visserijsector om zeep wil helpen. Integendeel, door een nadrukkelijke aandacht voor duurzaamheid is er meer kans dat de Nederlandse visserij in stand kan worden gehouden. Hij benadrukte dat de visserijsector hem zeer dierbaar is, maar zonder visbestanden en een duurzaam marine-ecosysteem heeft de visserij geen toekomst.
Hij waardeerde het dat de heer Corten van het RIVO zijn bevindingen heeft gepubliceerd ondanks bezwaren daartegen van het instituut. Met het achterhouden van gegevens is immers niemand gebaat. De heer Corten gaat in een zogenaamde Lesbrief in op het verschil tussen de oude, economisch-rationele manier van vissen die een buffer hanteert tussen de gewenste vangsten en het biologisch minimum, en de huidige manier die uitgaat van vissen tot het biologisch minimum. Verder legt hij uit hoe de sterke fluctuaties ontstaan en wijst hij op het risico dat de visserij onder het biologisch minimum doorschiet. Hoe denkt de minister over deze bevindingen? Ziet hij het vissen tot het biologisch minimum ook als het kernprobleem? De heer Waning vroeg om duidelijkheid op dit punt om zodoende een goed afgewogen beslissing te kunnen nemen over de evaluatie en de voorgestelde dekking van de sanering in verband met de verlaging van de visquota. Hij stond positief tegenover de voorgestelde saneringsregeling en sloot zich overigens aan bij het pleidooi dat er niet op enig moment sprake mag zijn van uitvlaggen of een slimme uitruil van nieuw en groter tegen oud en klein dan wel van zwevende licenties. Hij onderschreef het verzoek om een rapportage van de sanering in de afgelopen tien jaar, omdat die sanering behoorlijk «warm» lijkt te zijn verlopen. Het zou onverstandig zijn die werkwijze te herhalen.
De heer Van Waning gaf een kort overzicht van de terugloop in de visvangsten sinds 1970. De probleemstelling is duidelijk, zo meende hij. Hij drong met klem aan op Europese maatregelen om het totale marine-ecologisch systeem in stand te houden, inclusief de visbestanden. Alleen op die manier kan de Nederlandse visserij overleven. Is de minister bereid zich hiervoor in te zetten?
Het antwoord van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
De minister zei dat de vraag hoe tot een verantwoorde visserij kan worden gekomen, een van de hoofdvragen van het beleid is en het thema dat tot de opstelling van de structuurnota heeft geleid. De gedachtengang van het gemeenschappelijk visserijbeleid dat een evenwicht moet worden gevonden tussen de capaciteit en de mogelijkheden, vormt de basis van die nota. De nota gaat verder uit van drie beleidslijnen: medeverantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor het beheer van visbestanden, een aanpassing van het gemeenschappelijk visserijbeleid als zodanig en het verminderen van de negatieve bijeffecten van de visserij op het ecosysteem. De nota is uitvoerig met de Kamer besproken en vormt de basis voor het beleid in de komende jaren, dat wil zeggen in de periode van het gemeenschappelijk visserijbeleid tot 2002. Ook de nota Dynamiek en vernieuwing refereert aan deze nota en aan de discussie daarover met de Kamer.
Het gemeenschappelijk visserijbeleid richt zich naast de weging van de natuurwaarden, ook op de economische en sociale situatie van de visserijsector. Die afweging is niet eenvoudig, maar ook de andere lidstaten geven duidelijk te kennen dat zij hiervoor oog hebben. Verder betrekken zij de betreffende elementen van het VN-Verdrag en de FAO-gedragsregels bij hun afwegingen. De Europese Commissaris voor de visserij verenigt de belangen van de visserijsector en het belang van een gezond marine-ecologisch systeem in zich. De gesprekken die tot nu toe zijn gevoerd met de georganiseerde visserijsector en de vissers wijzen uit dat zij het belang van de natuur- en omgevingswaarden absoluut niet ontkennen. Op alle signalen over de visstand moet en zal alert worden gereageerd.
Met de voorbereiding van de discussie over het gemeenschappelijk visserijbeleid na 2002 is een eerste begin gemaakt, want het is van groot belang dat tijdig gedachten en ideeën worden geformuleerd. Het ministerie van LNV en DLO-RIVO hebben eerste, verkennende gesprekken gevoerd. Het RIVO onderhoudt daarnaast contacten met andere relevante onderzoeksinstituten in Europa. Uiteraard zal gebruik worden gemaakt van alle gegevens die in dit kader ter beschikking komen en rekening worden gehouden met de gedachtenvorming van de onderzoekers zelf. In dit verband merkte de minister op dat de heer Corten als onderzoeker grote waardering verdient; hij moet zich echter verre houden van opmerkingen over het beleid. De bewindsman meende dat het vooralsnog de meest verstandige weg is de komende jaren uit te gaan van de structuurnota; die heeft nog niets aan actualiteit ingeboet.
Over de basis van het beleid lijkt geen verschil van mening te bestaan, maar het is duidelijk dat er correcties nodig zijn. Die zullen dan ook worden doorgevoerd. Hij onderschreef de lijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid en zei dat hij het niet verstandig, maar ook niet noodzakelijk vindt daarvan af te wijken.
Hij merkte vervolgens op dat in de structuurnota wordt aangegeven dat er nog steeds vraag bestaat naar hangcultures. De markt is overigens niet zo groot; de vraag ontstaat vooral buiten het mosselseizoen.
Naast het onderzoek naar meer selectieve vismethoden, wordt ook op andere manieren geprobeerd de bijvangsten te verminderen. Zo zijn zeer recent de kabeljauw- en wijtingdocumenten geïndividualiseerd. Dit betekent dat ook boomkorvissers dergelijke documenten kunnen kopen en dat de vangsten niet langer over boord hoeven te worden gezet, terwijl toch de quota worden nageleefd. Het Noorse systeem behelst een verbod op het overboord zetten van vis, maar de vis wordt natuurlijk wel gevangen. Het is niet bekend hoe dit systeem in de praktijk functioneert. Hij zegde toe hiernaar te informeren.
De minister achtte het bekend dat het RIVO in het verleden onderzoek heeft gedaan naar de elektrische visserij. Dit onderzoek is in 1988 gestopt, mede omdat er geen vergunning zou kunnen worden verstrekt voor deze vorm van visserij. Nu echter duidelijk is dat de bijvangsten met deze vismethode kunnen worden teruggedrongen, heeft het ministerie van EZ subsidie verleend voor verder onderzoek en heeft het ministerie van LNV daaraan een bijdrage in natura geleverd. De ontwikkelingen worden nauwgezet gevolgd, maar op dit moment kan nog niet worden gezegd of een oplossing nabij is. De minister van LNV is aanspreekpunt voor deze proefnemingen, die overigens een particulier initiatief zijn.
Het Produktschap vis heeft eind januari jl. een notitie uitgebracht over de gevolgen voor de sector van de door de Visserijraad vastgestelde TAC's en quota. Daarin wordt ook ingegaan op het beleid dat de overheid volgens het Produktschap in dit kader zou moeten voeren. De minister was het ermee eens dat de sector niet heeft overvraagd. Daarom is in de gesprekken met het Produktschap positief gereageerd op deze gedachten en voorstellen. In de bijdrage van de rijksoverheid zal de nadruk liggen op het thema sanering; het grootste deel van het bedrag zal daaraan worden besteed. Verder is met het bedrijfsleven overeengekomen dat het verstandig is het bedrag over drie in plaats van over twee jaar uit te smeren. Inclusief de middelen van de EU is er 36,5 mln. beschikbaar voor de saneringsregeling, waarvan de uitbetaling plaatsvindt in de jaren 1996, 1997 en 1998. Daarnaast zal er een opvarendenregeling komen. De aanvraag van deze regeling ligt nog in Brussel, maar het antwoord wordt ieder moment verwacht. Voor de experimentele visserij is in de komende vier jaar een bedrag van 4 mln. beschikbaar. Voor sectoronderzoeken is in de komende drie jaar een bedrag van 1,5 mln. ter beschikking. In totaal dus een bedrag van 45 mln., inclusief een bijdrage van 11,5 mln. van de EU en 6 mln. van de sector.
Afgelopen maandag is een dringend beroep gedaan op de sector om, gegeven de positieve insteek van de overheid, zelf een bijdrage te leveren aan dit proces, ook omdat in het overleg op andere beleidsterreinen, bijvoorbeeld met de landbouworganisaties, vergelijkbare inspanningen worden gevraagd. De bijdrage van de overheid wordt bekostigd uit de begroting van het ministerie van LNV; de minister van Financiën gaat hiermee akkoord. Overigens is het bedrag met de grootste moeite bijeen gebracht. De minister zei dat hij zich die inspanning ook heeft getroost, omdat een bijdrage van de Nederlandse overheid een bepaalde geldstroom van de EU zal genereren. Hij ging vooralsnog niet in op de vraag wat er zal gebeuren als de sector onverhoopt niet in staat blijkt de eigen bijdrage van 6 mln. bijeen te brengen. De voorzitter van het Produktschap heeft zich bereid verklaard de gedachte van een bijdrage van de sector te verdedigen. Het antwoord van het Produktschap wordt over twee weken verwacht.
Verder is afgesproken dat het accent zal worden gelegd op sanering en niet op stilliggen, omdat premiëring van niets doen in dit kader geen goed signaal is. Overigens zal moeten vaststaan dat er werkelijk sprake is van sanering. Zwevende licenties zijn inmiddels van de markt: nu zullen mèt de pk's ook de licenties verdwijnen.
De minister zei dat hij een ondernemer die op de een of andere manier kans ziet buiten Nederland aan licenties te komen, dat niet kan verhinderen. Hij voegde hieraan toe dat de ontwikkelingssubsidie voor het varen op verre kusten alleen wordt verstrekt voor experimentele visserij in dit kader en niet voor de bouw van nieuwe schepen. Hij zegde toe die voorwaarde naar voren te brengen in het overleg met het Produktschap. De EU heeft zich een totale saneringstaak gesteld in het kader van MOP-3, maar de EU-sanering laat wel enige ruimte voor lidstaten die aan hun doelstelling hebben voldaan en een ondernemer die kans ziet daarvan gebruik te maken, kan niet worden tegengehouden. Overigens betekent dit niet dat de totale capaciteit binnen de Unie toeneemt.
De heer Huys (PvdA) drong erop aan dat een schip dat wordt gesaneerd, uit de vaart wordt genomen en nooit meer elders, waar ook ter wereld, voor de visvangst terugkomt. Dat een ondernemer vervolgens in het buitenland visrechten en een schip met een licentie koopt, kan niet worden voorkomen.
De minister bevestigde dat een schip dat wordt gesaneerd, moet verdwijnen, maar dit betekent niet dat het niet buiten de Unie als vissersschip mag worden gebruikt.
Het visserijbeleid is voornamelijk Uniebeleid en in dit kader vindt ook de discussie over de visbestanden plaats. De discussie over de visserij in het kader van de Noordzeeconferentie gaat primair over het gebruik van visbestanden en die discussie moet dan ook uiteraard in Brussel plaatsvinden. Het systeem van de Biesheuvelgroepen is ontwikkeld als een nationaal systeem, maar past binnen het gemeenschappelijk visserijbeleid. In het kader van de toekomst van dit beleid wordt ervoor gepleit deze systematiek uit te werken in het uniebeleid.
De heer Van Waning (D66) wees erop dat de minister in zijn notitie schrijft dat hij van een rationale exploitatie wil overgaan naar een beheer op basis van het biologisch minimum. Dat is een fundamentele koerswijziging. Dan kan de minister toch niet volhouden dat er sinds 1993 niets is veranderd en dat hij het gemeenschapsbeleid volgt.
De minister zei dat de gedachtenlijn van het beleid uitgaat van de systematiek van het biologisch minimum. Aan de hand van wetenschappelijke gegevens wordt de «input» in de EU geleverd. Daarna ontstaat er discussie over de TAC's en quota die voor het komende jaar moeten worden vastgesteld. Daarbij komen ook andere aspecten aan de orde, zoals de sociale en economische gegevens van de sector.
Aan de commissarissen van de koningin in Friesland, Flevoland en Noord-Holland is gevraagd of zij het overleg met de visserij en de natuur- en milieu-organisaties in hun provincie over het terugdringen van de aalscholver willen openen. In dit overleg moet uiteraard rekening worden gehouden met de Europese richtlijnen en de Nederlandse wetgeving ter zake.
De minister zegde toe schriftelijk een overzicht te verschaffen van de EU-middelen die Spanje en Portugal voor hun visserijsector hebben ontvangen.
Hij vond het een positieve ontwikkeling en een goed signaal dat 96% van de visserijsector zich bereid heeft verklaard zich weer in Biesheuvel-groepen te groeperen. Thans worden visplannen opgesteld.
De sector heeft verder gevraagd de controle door de AID in ieder geval op peil te houden en waar mogelijk te intensiveren. Ook dat zal gebeuren, omdat er voor dit jaar in het kader van de visserijcontrole één formatieplaats extra ter beschikking zal worden gesteld. Hij zei dat hij in de Visserijraad regelmatig indringend aandacht vraagt voor het vraagstuk van de controle. Die controle wordt nationaal uitgevoerd; de EU ziet op zijn beurt toe op de nationale controle. Hij voegde hieraan toe dat hij ook in de gesprekken in en rond de Visserijraad in december jl. nadrukkelijk de aandacht van de Europese Commissaris voor de visserij voor dit onderwerp heeft gevraagd. Zij heeft zeer alert gereageerd. Het probleem is echter dat er geen beroep kan worden gedaan op het EU-toezicht op basis van geruchten, veronderstellingen en kranteartikelen over de illegale aanlanding in andere lidstaten. Daarom is het bedrijfsleven gevraagd harde bewijzen te leveren die in de EU kunnen worden aangevoerd. Hij was ervan overtuigd dat de EC overigens bereid is de nodige stappen te zetten.
De heer Van der Vlies (SGP) vreesde dat het nog lang zal duren voordat er harde bewijzen kunnen worden geleverd. In de tussentijd moet er toch iets gebeuren. Waarom volgen de andere lidstaten niet het proces en de werkwijze die in Nederland eerder zijn gevolgd?
De minister antwoordde dat de EU de nationale controle controleert. Een systeem van wederzijdse controles achtte hij niet haalbaar. Hij voegde hieraan toe dat hij in de Visserijraad tot de rand is gegaan door zeer indringend aandacht voor dit probleem te vragen en verzekerde de Kamer dat hij alert zal blijven.
Met het ministerie van Financiën zijn inmiddels afspraken gemaakt over de uitvoering van de motie Vreugdenhil/Smits, aldus de bewindsman.
De ministeries van V&W en van LNV werken gezamenlijk aan de voorbereiding van de Noordzeeconferentie. Op dit moment wordt het totale veld in kaart gebracht. Een groot deel van de coördinatie van de conferentie geschiedt vanuit Brussel. Er is geen sprake van een trage start, noch van problemen bij de voorbereiding.
De opmerking in het voortgangsverslag dat het onderzoek naar de mogelijkheden van structuurverbeteringen in de garnalensector is gesubsidieerd in het kader van de PESCA-regeling, is niet juist. Het onderzoek wordt thans voorbereid; het zal, naar het zich laat aanzien, wel worden betaald uit de PESCA-regeling.
De toewijzing van de oesterpercelen verkeert in de eindfase. Naar verwachting zal de adviescommissie volgende week advies uitbrengen. De minister hoopte de Kamer spoedig zijn reactie voor te leggen.
Hij achtte een regeling voor arbeidstijdverkorting in de visverwerkende industrie onvermijdelijk. Daartoe is inmiddels overleg met het ministerie van SZW geopend.
Het regime in de Ierse box heeft betrekking op de beheersing van de visserijactiviteiten in de wateren ten westen van het VK en Ierland en is feitelijk bedoeld ter beheersing van de inzet van de vloot van elke lidstaat die in deze wateren mag vissen. De ervaringen met dit systeem zijn nog zeer beperkt; het systeem is pas dit jaar in werking getreden. De EU is nog niet zover om dit regime als het begin van een communautaire zeedagenregeling te beschouwen. Nederland pleit regelmatig voor een dergelijke regeling. Zo is dit onderwerp ook aan de orde gesteld in het in september 1995 in Nederland gevoerde overleg met de Europees Commissaris.
De ontwikkeling van een torsiemeter is complex, vooral omdat de meter fraudebestendig moet zijn. Inmiddels is een testprotocol opgesteld. In overleg met de leveranciers wordt gezocht naar een eenduidig ontwerpcriterium voor een prototype voor deze meter. Het is onduidelijk wanneer kan worden begonnen met het testen van het prototype.
De minister zei dat de suggesties voor agendapunten voor de Visserijraad ten tijde van het Nederlandse voorzitterschap een aantal thema's bevatten die voor Nederland van vitaal belang zijn. In die periode moeten ook de eerste stappen worden gezet naar een volgende saneringsronde: de MOP-4. Hij ging ervan uit dat in de loop van het jaar nog afzonderlijk met de Kamer van gedachten zal worden gewisseld over de thema's die van Nederlandse zijde aan de orde zullen worden gesteld.
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), voorzitter, Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, M.M.H. Kamp (VVD), Esselink (CDA), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Huys (PvdA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), Van Zijl (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels), Woltjer (PvdA), Schuurman (CD), Augusteijn-Esser (D66), Van den Bos (D66), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Van Waning (D66), Keur (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Passtoors (VVD).
Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van Middelkoop (GPV), Remkes (VVD), Beinema (CDA), Leers (CDA), Biesheuvel (CDA), Van Gijzel (PvdA), Liemburg (PvdA), Hoekema (D66), M.M. van der Burg (PvdA), Verspaget (PvdA), Verkerk (AOV), Dijksma (PvdA), Poppe (SP), Jorritsma-van Oosten (D66), Gabor (CDA), Leerkes (Unie 55+), De Cloe (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Doelman-Pel (CDA), Cornielje (VVD), Verbugt (VVD), H.G.J. Kamp (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24400-XIV-51.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.